Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/6.4
6.4 Geschiktheid als beschermingsfiguur: beëindiging van het testamentair bewind
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232766:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 4:177 BW.
Zie Parlementaire geschiedenis BW boek 3, pagina 557-558, bij artikel 3.6.2.4a lid 2, waarnaar verwezen wordt door Parlementaire geschiedenis BW Inv. boek 4, pagina 2144. Vergelijk voorts Asser/Perrick 4, 2017/758 (referentie aldaar bevat mijns inziens een onjuistheid), waar ook de mogelijkheid genoemd wordt om aan de bewindvoerder een (geclausuleerde) bevoegdheid tot beëindiging van het bewind te geven.
Dit laatste is uiteraard een tijdsbepaling en geen voorwaarde.
Een vervangende schadevergoeding zal bijvoorbeeld gezien artikel 4:154 BW onder het bewind komen.
Artikel 4:178 BW.
Dit is een strengere toets dan die van het in paragraaf 6.5.3 te bespreken artikel 4:75 lid 1 sub a BW, aangezien voor artikel 4:178 lid 2 BW vereist is dat de rechthebbende de goederen zelf verantwoord kan besturen, terwijl voor artikel 4:75 lid 1 sub a BW volstaat dat de rechthebbende in staat is om te voorzien in het beheer door een ander. Rechtbank Amsterdam geeft aan deze eis de invulling dat het bewind geen goede zin meer heeft (rechtbank Amsterdam 25 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3827).Deze opheffingsmogelijkheid bestaat overigens ook voor een schenkingsbewind, vergelijk artikel 7:182 lid 2 jo. 4:178 lid 2 BW.
In de literatuur is ook wel bepleit om in dit geval het testamentaire bewind pas te laten ingaan op het moment dat de rechthebbende 18 jaar wordt, maar de wettekst biedt geen aanknopingspunt voor deze interpretatie. Zie bijvoorbeeld Pitlo/Van der Burght, Ebben, Erfrecht, nr. 331, Asser/Perrick 4, 2017/761 en T.J. Mellema-Kranenburg, Executele en bewind, Kluwer Deventer 2007, pagina 65.
F.J.W.M. Schols, preadvies 2004, pagina 40 e.v.
De wet geeft een aantal algemene gronden voor de beëindiging van een testamentair bewind, die dus ook voor andere vormen dan het beschermingsbewind gelden. Dit betreft (i) het verstrijken van de termijn waarvoor het bewind was ingesteld en (ii) verwerping van de nalatenschap of het legaat waarbij de onderbewindgestelde goederen zijn vermaakt, althans indien het door het bewind gediende belang met deze verwerping vervalt.1 Deze regeling is bovendien niet limitatief: het bewind kan bijvoorbeeld ook eindigen door de vervulling van een ontbindende voorwaarde.2 Daarbij zou gedacht kunnen worden aan het bereiken van een bepaalde leeftijd door de rechthebbende of het verstrijken van een bepaalde termijn3. Daarnaast zal het bewind, gezien de koppeling met de onderbewindgestelde goederen, eindigen als deze tenietgaan en daarvoor niets in de plaats komt.4 Een beschermingsbewind eindigt bovendien ook door het overlijden van de rechthebbende.5 Voorts kan een beschermingsbewind worden opgeheven door de rechtbank:6
op verzoek van de bewindvoerder (i) in geval van onvoorziene omstandigheden of (ii) als aannemelijk is dat de rechthebbende de onderbewindgestelde goederen zelf op verantwoorde wijze kan besturen;
door de rechthebbende zelf, indien (i) vijf jaar verstreken zijn na het overlijden van de insteller én (ii) hij aannemelijk kan maken de onderbewindgestelde goederen zelf op verantwoorde wijze te kunnen besturen7.
De rechter kan indien hij het verzoek om opheffing van het bewind afwijst desverzocht ook de regels van het bewind wijzigen, al dan niet onder voorwaarden. Het behoeft weinig toelichting dat indien het langdurig scheiden van economisch belang en juridische zeggenschap het doel van het bewind is, deze regeling met zich kan brengen dat dit doel niet bereikt wordt. De kans dat het bewind voortijdig beëindigd wordt is immers aanmerkelijk. Dit geldt des te meer als men in gedachten houdt dat, althans naar de tekst van artikel 4:178 lid 2 BW, de vijfjaarstermijn begint te lopen op het moment dat de erflater overlijdt. Er is geen uitzondering voorzien voor de situatie dat de rechthebbende minderjarig is, terwijl in dat geval een opeenvolging van minderjarigenbewind en testamentair bewind zeker wenselijk zou zijn,8 of de mogelijkheid dat de erflater bepaald heeft dat het bewind op een later moment in werking treedt dan zijn overlijden.9
F.J.W.M. Schols bespreekt de mogelijkheid om te “spelen” met de strekking van het bewind en aldus de houdbaarheid daarvan te verlengen.10 Indien het bewind (mede) een andere strekking heeft dan de bescherming van de rechthebbende, zou artikel 4:178 lid 2 BW niet van toepassing zijn. Wel dient sprake te zijn van een reëel, te beschermen, belang, omdat zijns inziens sprake is van substance over form. Schols verwijst in dit verband ook naar de suggestie van Ebben om dit belang te creëren door middel van een fideï-commissaire making, waarbij het bewind (mede) het belang van de verwachter beschermt. Schols ziet hierbij echter, naar mijn mening terecht, een aantal bezwaren: (i) de making wordt anders, aangezien de verwachter wel een reëel te beschermen belang moet krijgen, (ii) voor zover het bewind niet in het belang van de verwachter strekt, is opheffing op grond van artikel 4:178 lid 2 BW nog steeds mogelijk en (iii) voor zover het bewind in het belang van de verwachter is biedt artikel 4:179 lid 1 BW de mogelijkheid voor de rechthebbende en de verwachter om het met een gemeenschappelijk besluit op te heffen. Door een andere strekking aan het bewind te geven, haalt men derhalve nieuwe, wellicht niet gewenste elementen binnen om een te beschermen belang van een ander te creëren, terwijl nog steeds geen sprake is van zekerheid dat het bewind langdurig in stand blijft. Dit lijkt mij derhalve geen begaanbare weg. Schols concludeert overigens tot certificering als alternatief om dit resultaat wel te bereiken.
Samenvattend maakt de regeling van artikel 4:178 lid 2 BW het bewind naar mijn mening ongeschikt als beschermingsfiguur, omdat het langdurig voortbestaan van de door het bewind geboden bescherming te onzeker is. Daarbij merk ik tevens op dat het beschermingsbewind in vergelijking tot certificering en trustachtige figuren relatief beperkt is in de tijd, aangezien het tevens gekoppeld is aan het leven van de rechthebbende, hetgeen overigens gezien de achtergrond van een dergelijk bewind een logische bepaling is.
Gezien deze mogelijkheid voor de rechthebbende om na vijf jaar om opheffing van het bewind te verzoeken, legt de wetgever in de afweging tussen het belang van de rechthebbende en dat van de insteller de nadruk op het belang van de rechthebbende, hetgeen ook past bij de beschermingsgedachte achter dit bewind. Indien de rechthebbende aannemelijk kan maken dat hij deze bescherming niet nodig heeft, verliest het bewind vanuit dit perspectief zijn functie. De insteller kan echter behoefte hebben aan een stringentere beschermingsfiguur, waarbij meer de nadruk ligt op zijn belang bij het langdurig scheiden van zeggenschap en economisch belang. Het testamentair bewind zal veelal niet in deze behoefte kunnen voorzien.