Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/4.2.2.b.i
4.2.2.b.i Het Verdrag van Parij s
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS469953:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie alinea's 341 e.v. hiervoor.
Zie alinea 345 hiervoor.
Osterrieth & Axster 1903, p. 40 maken ook nog melding van een andere misbruilcroute, namelijk het argument dat het Verdrag van Parijs het accessoire karakter van vreemde merken niet zou hebben opgeheven. Dat is, zoals Osterrieth terecht aangeeft, onzin• het beginsel van nationale behandeling doet dat nu juist wel.
Zie par. 4.2.1 onder (c).
Osterrieth & Axster 1903, p. 40 en p. 148 e.v.; Ladas 1975, p. 1208-1209. Die eis kon waarschijnlijk des te gemakkelijker binnensluipen nu zij ook in de nationale merkenwetten en de oude bilaterale verdragen vaak werd gesteld, zie par. 4.1.2. Dat verklaart wellicht ook waarom in het merkenrecht niet dezelfde sluiproute als in het octrooirecht werd gebruikt (prioriteit): men hobbelde voort in een traditie.
De voorzitter van de Parijse conferentie van 1880, Bozérian, heeft dit later nog eens duidelijk gemaakt: 'Mais la convention n'a pas, n'a jamais voulu que dans tous les cas et alors même que la marque présentée au dépót serait conforme á la législation du pays, le dépót réclamé par un étranger filt précédé d'un dépót dans son pays.' (Bozérian 1890, p. 201).
Osterrieth 1912, p. 14; Ladas 1975, p. 1208.
Zo bijvoorbeeld uitvoerig Pelletier & Vidal-Naquet 1902, p. 205 e.v. Zie ook Osterrieth & Axster 1903, p. 41, die terecht hiertegen stelling nemen. Zie ook de interpretatieve bepaling V.2 van het (nooit van kracht geworden) Madrileense protocol van 1890, waarover Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 59-60.
Zie voor een soortgelijke constructie in de Berner Conventie, alinea 241 hiervoor.
Merk in dit verband op dat de Parijse verdragsopstellers de geldigheid nu juist uitdrukkelijk op geen enkele manier aan de lex originis wilden laten toetsen; zie ook Actes VP 1880, p. 107 (Procès-verbaux, opmerking Franse gedelegeerde Jagerschmidt, opsteller van het voorontwerp), en de interpretatieve bepaling in het slotprotocol. De verdragsopstellers wijzigden om die reden ook de oorspronkelijk voorgestelde tekst 'valablement déposée dans le pays d'origine' in 'régulièrement déposée dans le pays d'origine', zie Actes VP 1880, p. 105108 (Procès-verbaux). Zie ook Pillet 1911, p. 351.
Actes VP 1911, p. 92-93 (voorstel Duitsland); p. 300 e.v. (Rapport III de la Sous-Commission Marques).
Actes VP 1911, p. 301 (Rapport III de la Sous-Commission Marques).
Actes VP 1911, p. 252-253 (Procès-verbaux) resp. p. 296-297 (Rapport de la Sous-Commission Marques); Ladas 1975, p. 1218.
Ladas 1975, p. 1218 merkt terecht op dat dat alleen opgaat voor landen die een aan registratie voorafgaande toetsing van het merk kennen. Vgl. ook Actes VP 1911, p. 297 (Rapport III de la Sous-Commission Marques).
Osterrieth 1912, p. 14-16. Tijdens de Haagse conferentie in 1925 werd onafhankelijkheid opnieuw voorgesteld door Duitsland en door het Verenigd Koninkrijk. Het werd wederom met ruime meerderheid omarmd en wederom door Frankrijk geblokkeerd, zie Actes VP 1925, p. 340 (voorstellen Duitsland en Verenigd Koninkrijk), p. 442-444 (Rapport Sous-Commission In), p. 522-523 (Rapport Commission générale).
Art. 6D van de Londense versie luidt: 'Lorsqu'une marque de fabrique ou de commerce aura été régulièrement enregistrée dans le pays d'origine, puis dans un ou plusieurs autres pays de l'Union, chacune de ces marques nationales sera considérée, dès la date á laquelle elle aura été enregistrée, comme indépendante de la marque dans le pays d'origine, pourvu qu'elle soit conforme á la législation intérieure du pays d'importation.' Zie ook Actes VP 1934, p. 463 (Rapport général).
Dat gold alleen voor gewone merken, niet voor telle quelle-merken, want zij voldoen niet aan de vereisten van de wet van het land waar die volgende inschrijving heeft plaatsgehad.
Vgl. ook Actes SvM 1957, p. 73 (voorstel Frankrijk en Bureau).
Hierover bestond verwarring, zie Actes VP 1958, p. 591, alinea 3 (voorstel Nederland). Tijdens de Londense conferentie was door de Britse gastheren, met steun van Duitsland, in eerste instantie een volledig onafhankelijkheidsbeginsel voorgesteld (Actes VP 1934, p. 179-183 en p. 186 (voorstel Verenigd Koninkrijk en Bureau)), waarbij deze eis voor gewone merken ook zou worden afgeschaft. Dit voorstel werd met ruime meerderheid omarmd maar door Frankrijk geblokkeerd, zie Actes VP 1934, p. 268 (voorstel Frankrijk), p. 391-393 (Rapport Sous-Commission BI), p. 462 (Rapport général).
Zie nader Ladas 1975, p. 1209. Vgl. ook Actes VP 1958, p. 588 (voorstel Frankrijk). Zo ook België, dat dezelfde koers volgde.
Actes VP 1958, p. 565-620 (Art. 6, travaux et rapports).
Zie art. 6 quinquiesA lid 1 (het oude art. 6 lid 1) en art. 6 quinquies D ('Nul ne pourra bénéficier des dispositions du présent article si la marque dont il revendique la protection n'est pas enregistrée au pays d'origine.').
De woorden 'n'est pas enregistrée ' in art. 6 quinquiesD brengen mee dat een continue inschrijving in het land van oorsprong is vereist, zie Actes VP 1958, p. 615 (Discussie in Commission Het voorstel om (ook) voor telle quelle-merken een onafhankelijkheidsbeginsel in te voeren, is meerdere keren in stemming gebracht, maar dat voorstel haalde het echter niet, ook niet in temporeel afgezwakte vorm (onafhankelijkheid na vijfjaar), zie Actes VP 1958, p. 602-603 en p. 612-616 (Discussie in Commission.
Zie nader over deze toets in par. 6.4. De telle quelle-toets, ooit een conflictenrechtelijke toets, is dus in de loop der tijd omgebouwd tot een vreemdelingenrechtelijke toets.
Actes VP 1958, p. 619 (Art. 6, texte de Lisbonne 1958).
Ladas 1975, p. 1210. Zie ook Actes VP 1958, p. 591, met name alinea 3 (voorstel Nederland).
381. Sluiproute merkenrecht. In het merkenrecht werd een andere sluiproute naar de materiële-reciprociteitsgedachte gebruikt. De oude reflex — weerzin tegen buitenlandse concurrentie op de eigen markt1— was niet zo maar verdwenen door de komst van het Verdrag van Parijs en zijn beginsel van nationale behandeling. Men zocht naar mogelijkheden om het de buitenlandse ondernemer moeilijk te maken, naar constructies — al dan niet verpakt in theorieën over het accessoire karakter en het 'personeel statuut' van het merk — waardoor de bescherming op de een of andere manier afhankelijk kon worden gesteld van de bescherming in het land van oorsprong.2
382. Kapstok: telle quelle-bepaling. Daarvoor werd met name het telle quellebeginsel in artikel 6 gebruikt, of beter gezegd: misbruikt.3 Zoals hiervoor al is besproken, was deze bepaling bedoeld voor een specifieke situatie, namelijk de situatie dat een merkhouder tegen het probleem aanloopt dat hij zijn in zijn eigen land gebruikte merk in een ander land niet als merk beschermd kan krijgen omdat het teken volgens de desbetreffende vreemde merkenwet wegens zijn vorm geen merk kan zijn. Voor dat probleem bood artikel 6 de oplossing van een conflicten-rechtelijke herkansing: als het teken volgens de lex originis wél een merk kan zijn, en het is in zijn land van oorsprong ook daadwerkelijk en correct als merk gedeponeerd, dan moet het desbetreffende teken — in precies die vorm (`telle quelle') — als merk worden beschermd.4
383. Hoe werd deze bepaling nu misbruikt? Welnu, men verhief haar tot de merkenrechtelijke hoofdregel van het verdrag, en extrapoleerde daarmee de eis dat het merk in zijn land van oorsprong correct is gedeponeerd, tot alle gevallen waarin een buitenlandse ondernemer een merk wenst te deponeren. Aan buitenlandse ondernemers werd dan dus altijd een extra eis gesteld, namelijk de eis dat het merk in het land van oorsprong correct is gedeponeerd.5 Dat is vreemdelingenrechtelijke discriminatie en flagrant in strijd met het beginsel van nationale behandeling, alsmede met (de bedoeling van de verdragsopstellers ten aanzien van) artikel 6 en met de interpretatieve bepaling nr. 4 in het slotprotocol.6 Toch was deze praktijk wijdverbreid.7 Daarmee werd deze bepaling, die was bedoeld als een verruiming van de merkenrechtelijke bescherming van buitenlandse ondernemers, juist tot het tegendeel gemaakt, namelijk tot een beperking van die bescherming.
384. En men ging ook wel nóg een stap verder. De eis dat het merk in het land van oorsprong correct moest zijn gedeponeerd werd dan opgepompt tot de eis dat het merk daar daadwerkelijk beschermd en geldig moest zijn.8 Als dat niet het geval was, dus als het merk in het land van oorsprong om welke reden dan ook niet (meer) werd beschermd, werd merkbescherming onthouden. Zo was in feite cumulatieve toepasselijkheid van de formeel- en materieelterritoriaal toepasselijke wet (de wet van het land van import) en de lex originis gecreëerd — een conflictenrechtelijke constructie die hetzelfde effect heeft als een vreemdelingenrechtelijke materiële-reciprociteitsuitzondering: de voor de buitenlandse ondernemer ongunstigste wet is bepalend voor het materiële eindresultaat.9 Ook deze verdergaande stap was uiteraard in strijd met (de bedoeling van de opstellers van) artikel 6.10
385. Washington 1911. Tijdens de conferentie te Washington in 1911 stelde Duitsland voor om aan deze dwaalwegen een einde te maken door de volgende bepaling, inclusief onafhankelijkheidsbeginsel, in het verdrag op te nemen:
"Le dépót d'une marque de fabrique ou de commerce au pays d'origine n'est pas nécessaire si la marque est conforme à la législation du pays ou la protection est demandée. La protection d'une marque déposée dans un des pays de l'Union sera indépendante de la protection obtenue pour la même marque dans les autres pays." 11
386. Deze heldere bepaling werd door een ruime meerderheid gesteund, maar Frankrijk blokkeerde de aanname ervan met een beroep op de theorie van het 'personeel statuut' van het merk, en op de belangen van de Franse industrie.12 Uiteindelijk maakte de Washingtonse conferentie de zaak troebeler. Enerzijds schrapte zij de duidelijke interpretatieve bepaling nr. 4 van het slotprotocol, anderzijds verving zij de woorden "régulièrement déposée dans le pays d'origine" door de woorden "régulièrement enregistrée dans le pays d'origine".13 Met het woord "enregistrée" moest tot uitdrukking worden gebracht dat het merk in zijn land van oorsprong in ieder geval een vermoeden van geldigheid moest hebben.14 Een en ander maakte de situatie alleen maar onduidelijker. Osterrieth, die zelf tijdens de Washingtonse conferentie gedelegeerde was namens Duitsland (dat pleitte voor invoering van het onafhankelijkheidsbeginsel), concludeerde naderhand dat de vraag of het Verdrag van Parijs nu wel of niet uitgaat van een accessoir karakter van merken, als een open vraag kon worden beschouwd.15
387. Londen 1934. Pas tijdens de Londense conferentie in 1934 werd een onafhankelijkheidsbeginsel voor het merkenrecht ingevoerd. Dat ging evenwel niet zonder slag of stoot. Er kwam een compromis uit de bus, dat inhield dat wanneer een merk op regelmatige wijze is ingeschreven in het land van oorsprong en vervolgens in andere landen van de Unie, ieder van deze nationale merken vanaf de dag waarop het is ingeschreven, wordt beschouwd als onafhankelijk van het merk in het land van oorsprong, mits het voldoet aan de vereisten van de wet van het land waar die volgende inschrijving heeft plaatsgehad.16 Daarmee was de sluiproute naar de materiële-reciprociteitsgedachte via de eerder vermelde conflicten-rechtelijke cumulatieve-toepasselijkheidsconstructie in ieder geval in de ban gedaan.17 Na inschrijving in het land van import is het lot van het merk in het land van oorsprong immers niet meer relevant.18 Maar de vreemdelingenrechtelijke discriminatie in de vorm van de eis dat het merk in het land van oorsprong regelmatig is ingeschreven, werd niet weggenomen. Deze uitzondering op (de vreemdelingenrechtelijke component van) het beginsel van nationale behandeling bleef kennelijk bestaan.19
388. Lissabon 1958. Pas in de jaren vijftig draaide Frankrijk, naar aanleiding van enkele rechterlijke uitspraken, bij.20 Zo kon deze eis uiteindelijk door de conferentie te Lissabon in 1958 worden geëlimineerd.21 Er werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen telle quelle-merken en gewone merken. Zij werden voortaan in aparte bepalingen geregeld — bepalingen die na Lissabon tot op heden ongewijzigd zijn gebleven.
389. De telle quelle-regeling, die tot dan toe in artikel 6 was neergelegd, verhuisde naar een nieuw artikel 6 quinquies. Bepaald werd dat merken die met gebruikmaking van de telle quelle-regeling zijn ingeschreven, afhankelijk blijven van de merkregistratie in het land van oorsprong.22 In de eerste plaats geldt de eis dat het merk moet zijn ingeschreven in het land van oorsprong. In de tweede plaats werd uitdrukkelijk besloten dat het merk in het land van oorsprong ingeschreven moet blijven: het telle quelle-merk wordt niet (meer) beschermd als het merk in het land van oorsprong om wat voor reden dan ook niet (meer) is ingeschreven.23 Dit is dus een vreemdelingenrechtelijke materiële-reciprociteitstoets betreffende de inschrijving.24 Deze toets, zo moge duidelijk zijn, geldt alléén voor telle quellemerken.
390. Voor gewone merken werd daarentegen een volledig onafhankelijkheidsbeginsel vastgelegd in een nieuw artikel 6, waarin ook de eis van voorafgaande registratie in het land van oorsprong uitdrukkelijk in de ban werd gedaan. Artikel 6 kwam als volgt te luiden:
"(1) Les conditions de dépêt et d'enregistrement des marques de fabrique ou de commerce seront déterminées dans cheque pays de l'Union par sa législation nationale.
(2) Toutefois, une marque déposée par un ressortissant d'un pays de l'Union dans un quelconque des pays de l'Union ne pourra être refusée ou invalidée pour le motif qu'elle n' aura pas été déposée, enregistrée ou renouvelée au pays d'origine.
(3) Une marque régulièrement enregistrée dans un pays de l'Union sera considérée comme indépendante des marques enregistrées dans les autres pays de l'Union, y compris le pays d'origine."25
391. Deze bepaling is, zoals Ladas terecht opmerkt, in feite niet meer dan een bevestiging van het beginsel van nationale behandeling voor het merkenrecht.26 Dat geldt (dus) ook voor het eerste lid, dat de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling voor het merkenrecht bevestigt. Daarmee wordt tegelijk ook bevestigd dat theorieën over het accessoire karakter en het 'personeel statuut' van het merk in strijd zijn met het Verdrag van Parijs.