Rb. Amsterdam, 28-08-2006, nr. 349662/ KG RK 06-2513 OdC
ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ4038
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
28-08-2006
- Magistraten
Mr. R. Orobio de Castro
- Zaaknummer
349662/ KG RK 06-2513 OdC
- LJN
AZ4038
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Ondernemingsrecht / Economische ordening
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ4038, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 28‑08‑2006
Uitspraak 28‑08‑2006
Mr. R. Orobio de Castro
Partij(en)
BESCHIKKING
in de zaak met nummers 349662/KGRK06-2513OdC van:
1. [verzoeker 1],
2. [verzoeker 2],
beide wonende te [woonplaats] (België),
3. de besloten vennootschap [X] B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
verzoekers,
procureur mr. F.B. Falkena,
advocaat mr. P.W.M. Steenbergen te Sassenheim,
tegen
de naamloze vennootschap BANQUE ARTESIA N.V.,
hoofdkantoor gevestigd te Amsterdam,
verweerster,
procureur mr. drs. D.F. Lunsingh Scheurleer.
Verloop van de procedure
Bij op 11 augustus 2006 ingekomen verzoekschrift hebben verzoekers, verder gezamenlijk te noemen [verzoeker 1] c.s., verzocht conservatoir beslag te leggen ten laste van verweerster, verder te noemen Banque Artesia, een en ander als nader in het aangehechte verzoekschrift omschreven. Het verzoek is op grond van artikel 700, lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering behandeld ter terechtzitting van 24 augustus 2006, tezamen met het verzoekschrift met de nummers 349674/KG RK 06-2515.
Gronden van de beslisssing
1
[verzoeker1] c.s. stelt — kort gezegd — een vordering te hebben op Banque Artesia uit hoofde van door haar gepleegde wanprestatie. Banque Artesia heeft onbevoegd, ongegrond, in strijd met de overeenkomst en zonder waarschuwing van de ene op de andere dag de dienstverlening aan [verzoeker 1] c.s. gestaakt. Alle daarna door [verzoeker 1] c.s. verstrekte opdrachten tot onder andere het aangaan en/of het bewerken van valutatransacties zijn vervolgens genegeerd c.q. geweigerd, waardoor de portefeuille van [verzoeker 1] c.s. waardeloos, althans met fors verlies is afgelopen. Vanaf 1998 loopt er in onderhavige zaak een bodemprocedure bij de rechtbank Rotterdam. [verzoeker 1] c.s. heeft in reconventie van banque Artesia onder meer gevorderd een geldbedrag van fl. 828.778,16 en een geldbedrag van fl. 5.671221,84. Bij tussenvonnis van 12 juli 2006 heeft de rechtbank Rotterdam bepaald dat [verzoeker 1] c.s. erin is geslaagd te bewijzen dat zij aan Banque Artesia na de stopzetting van de dienstverlening nog enkele opdrachten heeft verstrekt die mogelijk risicobeperkend en winstgevend voor de portefeuille van [verzoeker 1] c.s. waren geweest. Dit geeft [verzoeker 1] c.s. uitzicht op een positief eindvonnis. De vordering die [verzoeker 1] c.s op Banque Artesia heeft, is hoger dan in eerste instantie werd aangenomen en wordt inmiddels begroot op € 15.000.000,=. Voor dit bedrag dient dan ook zekerheid te worden gesteld.
[verzoeker 1] c.s. voert nog aan dat Banque Artesia bekend heeft gemaakt open te staan voor een overname door een andere bank of financiële instelling waardoor zij hun verhaalsmogelijkheden dreigen te verliezen.
2
Banque Artesia heeft de vordering van [verzoeker 1] c.s. betwist. Zij voert daartoe — kort weergegeven — onder meer het volgende aan.
In onderhavige zaak gaat het om een verzoek om verlof tot het leggen van beslag ten laste van een bank. Het leggen van een dergelijk beslag is onnodig. Immers Banque Artesia is een kredietinstelling in de zin van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en staat onder toezicht van De Nederlandse Bank. Banque Artesia voldoet aan alle solvabiliteitseisen en kan niet zomaar met vermogensbestanddelen schuiven teneinde deze aan verhaal te onttrekken. [verzoeker 1] c.s. hoeft niet bang te zijn dat mocht een executoriale titel worden verkregen, er geen verhaal meer mogelijk is. Niet voor niets worden in Nederland gelegde beslagen tegen het stellen van een bankgarantie, opgeheven.
De volgende reden waarom het beslag onnodig is, is de disproportionele verhouding tussen het vermogen van de bank en de vordering die [verzoeker 1] c.s. meent op Banque Artesia te hebben. Hierbij wordt nog opgemerkt dat het verzochte verlof overigens ook nog de kasfunctie van Banque Artesia zou kunnen belemmeren.
Tot slot betwist Banque Artesia de vordering van € 15.000.000,=. [verzoeker 1] c.s. interpreteert het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam 12 juli 2006 niet juist. Er wordt in dat vonnis bepaald dat slechts van drie van de zes opdrachten vaststaat dat ze door [verzoeker 1] c.s. zijn gegeven en door Banque Artesia zijn geweigerd. Van die drie opdrachten is echter niet vast komen te staan dat het transacties betroffen die schadebeperkend of risicoverhogend waren. Daarover moeten deskundigen zich blijkbaar nog uitlaten. Het verlof mag op grond van het voorgaande niet worden verleend en er dient een kostenveroordeling te volgen.
De beoordeling:
3
In onderhavige zaak wordt verzocht om het leggen van beslag op aandelen, gelden en geldswaarden van een bank.
Uitgangspunt is dat het conservatoire verhaalsbeslag ertoe strekt te voorkomen dat de schuldenaar een verhaalsrecht illusoir maakt door hangende de gerechtelijke procedure vermogen aan het verhaal te onttrekken. In het onderhavige geval hoeft daar in redelijkheid niet voor te worden gevreesd. Banque Artesia is een kredietinstelling die onder toezicht staat van De Nederlandse Bank. Er zijn geen aanwijzingen dat, buiten een eventuele overname, Banque Artesia onder de kredietinstellingen een bijzondere positie inneemt. Alleen al op grond van het voorgaande dient het verlof dan ook te worden geweigerd. Daarnaast kan ook nog worden geconcludeerd dat de verhouding tussen de vordering van [verzoeker 1] c.s. en het aansprakelijk vermogen van Banque Artesia disproportioneel is. Tenslotte is niet duidelijk gemaakt waarom een overname van (de aandelen van) Banque Artesia het verhaalsrecht van [verzoeker 1] c.s. in ongunstige zin zou beïnvloeden.
4
Overigens is voorshands ook nog niet summierlijk gebleken van de deugdelijkheid van de vordering ter verzekering waarvan het beslag zou worden gelegd. [verzoeker 1] c.s. heeft immers thans (nog) niet aannemelijk kunnen maken dat de vordering op Banque Artesia aanzienlijk hoger zou komen te liggen dan de bedragen van fl. 828.778,16 en fl. 5.671221,84 die [verzoeker 1] c.s. eerder in reconventie vorderde. De stand van zaken op dit moment is dat [verzoeker 1] c.s. blijkens het tussenvonnis van 12 juli 2006 slechts deels in zijn bewijsopdracht is geslaagd, maar dat daaromtrent nader onderzoek door deskundigen nodig is. Van drie van zes opdrachten is gebleken dat die niet in aanmerking komen voor nader onderzoek door deskundigen.
5
Voor een veroordeling van [verzoeker 1] c.s. in de kosten van het geding bestaat geen grond.
Beslissing
De Voorzieningenrechter:
Weigert het gevraagde verlof.
Gegeven op 28 augustus 2006 door mr. R. Orobio de Castro, vice-president van de rechtbank te Amsterdam.