Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/7.3.3.4:7.3.3.4 Wijziging van het ius agendi: uitstel van betaling
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/7.3.3.4
7.3.3.4 Wijziging van het ius agendi: uitstel van betaling
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192585:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
353. Het belangrijkste voorbeeld van een wijziging van het ius agendi is een uitstel van betaling, waarbij de datum van opeisbaarheid naar achteren wordt verschoven. Als gevolg daarvan kan de schuldeiser vóór het aanbreken van de nieuwe datum geen nakoming vorderen.1 De materiële aanspraak wijzigt in beginsel niet. Toch leidt het ontnemen of wijzigen van verhaalsbevoegdheden tot een inmenging in het eigendomsrecht van de schuldeiser.
Bij de beoordeling van de redelijkheid van een wijziging van het ius agendi bieden de homologatiecriteria op het eerste gezicht weinig aanknopingspunten. De homologatiecriteria lijken vooral te zien op de waarde van een akkoordaanbod dat een wijziging van de materiële aanspraak behelst. Indien een schuldeiser met een vordering van 1000 na homologatie van het akkoord nog steeds 1000 te vorderen heeft, maar pas na tien jaar nakoming van deze vordering mag eisen, lijkt zijn positie op het eerste gezicht niet gewijzigd. Indien zijn klasse bij meerderheid instemt met het betalingsuitstel, lijkt het voor de tegenstemmende schuldeiser niet eenvoudig aan te tonen dat hij wezenlijk slechter af is dan in faillissement. De best interests-test van art. 384 lid 3 Fw biedt hem op het eerste oog geen bescherming.
Bij de beoordeling van de redelijkheid van een betalingsuitstel dient echter acht te worden geslagen op de tijdswaarde van geld. In faillissement had de crediteur mogelijk een lager bedrag dan de nominale waarde van zijn vordering gekregen, maar dat bedrag kan mogelijk hoger liggen dan de contante waarde van een renteloos tienjarig betalingsuitstel. In §9.5 en 9.6.5 kom ik terug op de vraag hoe de tijdswaarde van geld moet worden meegenomen in de beoordeling van een beroep op de best interests-test of de rangorderegel die geldt bij een cross class cram down.