HR, 12-03-2024, nr. 21/05376
ECLI:NL:HR:2024:363
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-03-2024
- Zaaknummer
21/05376
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:363, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑03‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2021:4080
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:63
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0054
Uitspraak 12‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Zware mishandeling van 17 maanden oud zoontje van ex-vriendin door hem onder hete douche te zetten, waardoor hij tweedegraads brandwonden oploopt, art. 302.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten t.a.v. gebruik voor bewijs van feiten waarvoor verdachte is vrijgesproken, aannemelijkheid van verklaringen van verdachte, opzet en zwaar lichamelijk letsel. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Omstandigheid dat ook ander letsel is vastgesteld dan bewezenverklaarde brandwonden (botbreuken en naald in voet), is noch van betekenis voor ’s hofs tussenconclusie noch voor zijn eindoordeel. ’s Hofs oordeel dat handelingen van verdachte (in ieder geval op moment van ontstaan van tweede brandwond) zo zeer gericht waren op toebrengen van ernstige brandwonden bij slachtoffer dat daaruit opzet van verdachte op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan worden afgeleid, kan worden afgeleid uit gebruikte bewijsmiddelen. ’s Hofs oordeel dat brandwonden a.g.v. handelingen van verdachte als zwaar lichamelijk moeten worden aangemerkt, is niet onbegrijpelijk, nu hof heeft vastgesteld dat slachtoffer is overgebracht naar in brandwonden gespecialiseerd ziekenhuis en daar 6 dagen is opgenomen, huidverkleuringen een blijvend gevolg zijn van letsel en niet is uit te sluiten dat brandwonden op enig moment tot pijnklachten of bewegingsbeperking zullen leiden. Volgt verwerping
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/05376
Datum 12 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 december 2021, nummer 23-003383-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T.M.D. Buruma, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt met verschillende deelklachten op tegen de bewezenverklaring.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 tot en met 31.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negentien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze achttien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2024.