NJ 1985, 331
HvJ EG, 07-06-1984, nr. 129/83
HvJ EG 07-06-1984, ECLI:EU:C:1984:215
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
7 juni 1984
- Magistraten
Koopmans, Kamerpresident, Bahlmann, Pescatore, O’ Keeffe, Bosco
- Zaaknummer
129/83
- LJN
AB9848
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:EU:C:1984:215, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 07‑06‑1984
- Wetingang
EEX-Verdrag art. 21
Essentie
EEG-Executieverdrag. Concurrente aanhangigheid van vorderingen met hetzelfde onderwerp voor gerechten van verschillende lidstaten. Tijdstip waarop een zaak moet worden geacht definitief bij een gerecht te zijn aangebracht.
Samenvatting
Art. 21 Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd, dat als ‘gerecht waarbij een vordering het eerst aanhangig is gemaakt’ is te beschouwen het gerecht waar het eerst is voldaan aan de voorwaarden waaronder tot definitieve aanhangigheid kan worden besloten; deze voorwaarden moeten worden beoordeeld naar het nationale recht van elk der betrokken gerechten. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.