HvJ EG, 15-03-1989, nr. 51/88
ECLI:EU:C:1989:132
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
15-03-1989
- Magistraten
Mrs. T. F. O' Higgins, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler
- Zaaknummer
51/88
- Conclusie
Jacobs
- LJN
BF3150
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:1989:132, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 15‑03‑1989
ECLI:EU:C:1989:75, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 21‑02‑1989
Uitspraak 15‑03‑1989
Mrs. T. F. O' Higgins, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler
Partij(en)
ARREST VAN HET HOF (TWEEDE KAMER) VAN 15 MAART 1989
In zaak 51/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Hamburg, in het aldaar aanhangig geding tussen
K. Hamann, te Hamburg,
en
Finanzamt Hamburg-Eimsbuettel,
Fiscale bepalingen — Harmonisatie van wetgevingen — Omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde —‘Vervoermiddelen’ in zin van Zesde richtlijn — Zeiljachten — Daaronder begrepen — Verhuur — Fiscale plaats van dienstverrichting
( Richtlijn 77/388/EEG van de Raad, artikel 9, leden 1 en 2, sub d)
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 9, lid 2, sub d, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: T. F. O' Higgins, kamerpresident, G. F. Mancini en F. A. Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: D. Louterman, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door:
- —
K. Hamann, verzoeker in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door P. Mueller-Kemler, advocaat te Hannover
- —
het Finanzamt Hamburg-Eimsbuettel, verweerder in het hoofdgeding, voor de schriftelijke procedure vertegenwoordigd door zijn directeur
- —
de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Seidel, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische Zaken, bijgestaan door J. Sedemund, advocaat te Keulen
- —
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Calleja, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door R. Wagner, ambtenaar ter beschikking van de Commissie gesteld in het kader van een uitwisselingsprogramma voor ambtenaren
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 14 februari 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 februari 1989,
het navolgende
Arrest
1
Bij beschikking van 22 december 1987, ingekomen ten Hove op 17 februari daaraanvolgende, heeft het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 9, lid 2, sub d, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1
hierna: de Zesde richtlijn).
2
Deze vraag is gerezen in een geding tussen K. Hamann en het Finanzamt Hamburg-Eimsbuettel (hierna: het Finanzamt) over de vraag, of in de Bondsrepubliek Duitsland belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is over de verhuur door een aldaar gevestigde onderneming van zeegaande zeiljachten voor de sportbeoefening.
3
Blijkens de processtukken is Hamann eigenaar van een in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde onderneming, die zich bezighoudt met de verhuur van jachten. De jachten worden gehuurd om voornamelijk in Deense en Zweedse, doch ook in Noorse en Finse wateren te gaan zeilen, en worden door de huurders dus hoofdzakelijk buiten het Duitse belastinggebied gebruikt.
4
Hamann gaf voor de aanslagjaren 1980 en 1981 een belastingvrije omzet op, die door het Finanzamt, onder voorbehoud van controle achteraf, dienovereenkomstig werd vastgesteld.
5
Bij een controle in 1983 stelde de controleur zich op het standpunt, dat de verhuur door Hamann van zeegaande jachten moest worden beschouwd als verhuur van vervoermiddelen, dus als een binnenlandse verrichting waarover belasting verschuldigd was. Hij berekende derhalve de daarover verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde voor de aanslagjaren 1980 en 1981. Het Finanzamt sloot zich bij de opvatting van de controleur aan en wijzigde de BTW-aanslagen voor 1980 en 1981 dienovereenkomstig.
6
Nadat zijn bezwaarschrift was afgewezen, stelde Hamann beroep in bij het Finanzgericht Hamburg. Hij voerde aan dat naar Duits recht over de verhuur van zeegaande zeiljachten geen BTW verschuldigd was, aangezien de omzet op de plaats van gebruik van de verhuurde zaken, dus buiten het Duitse belastinggebied, verwezenlijkt was. De naar Duits recht geldende regel voor de verhuur van vervoermiddelen, volgens welke als plaats van de verhuur wordt aangemerkt de plaats waar de verhuurder zijn activiteit uitoefent, kan volgens verzoeker in het onderhavige geval niet worden toegepast, aangezien zeegaande zeiljachten niet als vervoermiddelen zijn te beschouwen.
7
Het Finanzamt was evenwel van mening, dat zeegaande zeiljachten naar Duits recht vervoermiddelen zijn, en dat over de verhuur van deze vaartuigen dus BTW verschuldigd is op de plaats waar de verhuurder de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft, dit wil zeggen op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland.
8
Volgens het Finanzgericht Hamburg is de bepaling inzake de verhuur van vervoermiddelen in de Duitse wettelijke regeling opgenomen om de Zesde richtlijn in nationaal recht om te zetten.
9
Van oordeel, dat voor de beslechting van het geschil de uitlegging van de betrokken gemeenschapsrechtelijke regeling noodzakelijk is, heeft het Finanzgericht bij beschikking van 22 december 1987 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
‘Moet artikel 9, lid 2, sub d, van de Zesde richtlijn aldus worden uitgelegd, dat zeegaande zeiljachten, die door de huurders voor het beoefenen van de zeilsport worden gebruikt, als vervoermiddelen in de zin van deze richtlijn zijn te beschouwen?’
10
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en het rechtskader van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
11
Volgens artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn, wordt ‘als plaats van een dienst… aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats’.
12
Artikel 9, lid 2, van de Zesde richtlijn voorziet in een aantal uitzonderingen op deze algemene regel. Zo bepaalt artikel 9, lid 2, sub d, dat ‘de plaats van diensten die strekken tot de verhuur van een roerende lichamelijke zaak, met uitzondering van alle vervoermiddelen, welke door de verhuurder van een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat wordt uitgevoerd om daar te worden gebruikt, de plaats (is) waar het gebruik plaatsvindt’.
13
Daaruit volgt, dat de uitzondering voor de verhuur van roerende lichamelijke zaken niet geldt voor de vervoermiddelen, die dus aan de algemene regeling van artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn onderworpen blijven.
14
Om de vraag van de verwijzende rechter te kunnen beantwoorden, moet worden nagegaan, of zeegaande jachten die voor het beoefenen van de zeilsport worden gehuurd, vervoermiddelen in de zin van artikel 9, lid 2, sub d, van de Zesde richtlijn zijn.
15
In dit verband voert Hamann aan, dat bij de omschrijving van het begrip ‘vervoermiddel’ moet worden uitgegaan van het hoofddoel van de betrokken zaak. Een zeegaand zeiljacht wordt niet in de eerste plaats gehuurd voor het vervoer van personen of goederen van de ene plaats naar de andere, doch voor sportbeoefening of voor recreatieve doeleinden. Daaruit volgt, dat de jachten waarover het in het hoofdgeding gaat, niet als vervoermiddelen in de zin van artikel 9, lid 2, sub d, van de Zesde richtlijn zijn te beschouwen.
16
De Commissie daarentegen stelt zich op het standpunt, dat het begrip ‘vervoermiddel’ ruim moet worden uitgelegd en elk tuig omvat waarmee men zich van de ene plaats naar de andere kan begeven. Elk voor de zeescheepvaart geschikt zeiljacht is dus een vervoermiddel in de zin van de Zesde richtlijn, ook al wordt het in de eerste plaats voor sportbeoefening gebruikt.
17
De stelling van de Commissie moet worden gevolgd. Uit de zevende overweging van de considerans van de Zesde richtlijn blijkt namelijk, dat de richtlijn onder meer tot doel had, de werkingssfeer van de rechtsregels van de Lid-Staten, met name die betreffende de diensten, aan de hand van rationele criteria af te bakenen. Zo werd eenvoudigheidshalve bepaald, dat de plaats van de dienst in beginsel de plaats is waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. Volgens genoemde overweging van de considerans van de richtlijn, moet evenwel in bepaalde gevallen een uitzondering op deze algemene regel worden gemaakt: zo is bij de verhuur van roerende lichamelijke zaken de plaats van de dienst de plaats waar de verhuurde zaak wordt gebruikt, zulks ter voorkoming van de concurrentievervalsing die uit de onderscheiden BTW-tarieven in de verschillende Lid-Staten zou kunnen voortvloeien.
18
Deze overwegingen gelden evenwel niet voor de verhuur van vervoermiddelen. Daar deze gemakkelijk de grenzen kunnen overschrijden, is het moeilijk, zo niet onmogelijk, te bepalen waar zij worden gebruikt. Er moet evenwel voor ieder geval worden voorzien in een bruikbaar criterium voor de BTW-heffing. Vandaar dat de Zesde richtlijn voor de verhuur van de vervoermiddelen niet uitgaat van de plaats waar de verhuurde zaak wordt gebruikt, doch, conform het basisbeginsel, van de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd.
19
Gelet op de redenen waarom de vervoermiddelen van de uitzonderingsregeling van artikel 9, lid 2, sub d, van de Zesde richtlijn zijn uitgesloten, en aangezien de uitzonderingen op de algemene regeling van de Zesde richtlijn eng moeten worden uitgelegd, zijn zeegaande zeiljachten, ook wanneer zij door de huurders voor sportbeoefening worden gebruikt, als vervoermiddelen in de zin van genoemde bepaling van de richtlijn te beschouwen. Met dergelijke jachten kunnen personen en goederen namelijk over lange afstanden worden vervoerd, zodat moeilijk kan worden bepaald, op welke plaats de jachten worden gebruikt
bovendien levert aanknoping bij de plaats van het gebruik van de zaak het gevaar op, dat in strijd met het doel van de Zesde richtlijn de verhuur van dergelijke schepen, aan de belasting over de toegevoegde waarde ontsnapt.
20
Deze uitlegging wordt bevestigd door artikel 15, sub 2, van de Zesde richtlijn, waar de ‘pleziervaartuigen’— waartoe ook de zeegaande zeiljachten behoren — als ‘vervoermiddelen voor privégebruik’ worden aangemerkt.
21
In richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (PB 1983, L 105, blz. 59) is overigens van dezelfde uitlegging uitgegaan, aangezien volgens artikel 1, lid 1, van die richtlijn ‘pleziervaartuigen’ binnen de werkingssfeer van de richtlijn en dus onder het begrip ‘bepaalde vervoermiddelen’ vallen.
22
Mitsdien moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat zeegaande zeiljachten die de huurders gebruiken voor het beoefenen van de zeilsport, vervoermiddelen in de zin van artikel 9, lid 2, sub d, van de Zesde richtlijn zijn.
Kosten
23
De kosten door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 22 december 1987 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Zeegaande zeiljachten die de huurders gebruiken voor het beoefenen van de zeilsport, zijn vervoermiddelen in de zin van artikel 9, lid 2, sub d, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.
Conclusie 21‑02‑1989
Jacobs
Partij(en)
Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 21 februari 1989.
KNUT HAMANN
TEGEN
FINANZAMT HAMBURG-EIMSBUETTEL.
VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET
FINANZGERICHT HAMBURG.
BTW — VERVOERMIDDEL — ZEEGAAND ZEILJACHT.
ZAAK 51/88
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1
Verzoeker, K. Hamann, was eigenaar van een verhuurbedrijf voor jachten te Kiel in de Bondsrepubliek Duitsland. Blijkens de verwijzingsbeschikking werden de zeiljachten door de huurders in de regel gebruikt voor pleziervaarten buiten de Duitse territoriale wateren voor de kust van Denemarken en Zweden — waarschijnlijk in de Baltische Zee — en zelfs tot bij Noorwegen en Finland. De verstrekte dienst — de verhuur van een jacht — werd dus goeddeels gebruikt buiten het Duitse belastinggebied en binnen dat van andere landen, waaronder een aantal landen die geen lid van de Europese Gemeenschappen zijn.
2
In 1981 en 1982 gaf verzoeker in zijn belastingaangifte over de aanslagjaren 1980 en 1981 een belastingvrije omzet van respectievelijk 75 064 DM en 132 943 DM op. Het Finanzamt aanvaardde deze bedragen onder voorbehoud van controle. In 1983 werd verzoekers boekhouding gecontroleerd en werd het BTW-bedrag voor de jaren 1980 en 1981 met respectievelijk 7 703,22 DM en 15 103,73 DM verhoogd. De verhoging was gebaseerd op de omstandigheid, dat de door verzoeker verstrekte dienst
bestond in de verhuur van een vervoermiddel en niet in de verhuur van roerende lichamelijke zaken. Verweerder was het met deze beoordeling eens (zowel wat de belastingverhoging als wat de grond daarvoor betrof) en vorderde dienovereenkomstig op 7 mei 1984 nabetaling van de belasting. Verzoekers bezwaar tegen deze vordering werd op 20 september 1985 door verweerder afgewezen.
3
Verzoeker stelde tegen deze afwijzing beroep in bij het Finanzgericht Hamburg. Bij beschikking van 22 december 1987, ten Hove ingekomen op 17 februari 1988, verzocht het Finanzgericht het Hof om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag betreffende de uitlegging van richtlijn 77/388/EEG van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (Zesde BTW-richtlijn, PB 1977, L 145, blz. 1):
‘Moet artikel 9, lid 2, van de Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting aldus worden uitgelegd, dat zeegaande zeiljachten die door de huurders voor het beoefenen van de zeilsport worden gebruikt, als vervoermiddelen in de zin van deze richtlijn zijn te beschouwen?’
4
De doelstellingen van de richtlijn blijken duidelijk uit de considerans: zij omvatten de invoering van ‘een grondslag welke op uniforme wijze volgens communautaire voorschriften wordt vastgesteld’ (overweging 2) en — wat met name voor de onderhavige zaak van belang is — de oplossing van eventuele competentieconflicten tussen de Lid-Staten met betrekking tot diensten (overweging 7).
5
Artikel 2 van de richtlijn bepaalt, voor zover hier relevant:
‘Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen:
- 1.
de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige… worden verricht.’
Artikel 3 bepaalt het geografisch toepassingsgebied van de richtlijn: volgens artikel 3, lid 1, komt het ‘binnenland’ overeen met de werkingssfeer van het EEG-Verdrag zoals die in artikel 227 voor elke Lid-Staat is omschreven. Niet is gesteld, dat de omstandigheid dat de jachten wellicht ook werden gebruikt voor zeiltochten buiten het gebied van de Lid-Staten van de Gemeenschap, gevolgen heeft voor de toepassing van de richtlijn.
6
Artikel 9, lid 1, van de richtlijn, dat overweging 7 van de considerans ten uitvoer legt, bepaalt:
‘Als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.’
7
Artikel 9, lid 2, van de richtlijn voorziet in een aantal uitzonderingen op deze algemene regel. Zo werd vóór de wijziging in lid 2, sub d, bepaald:
‘De plaats van diensten die strekken tot de verhuur van een roerende lichamelijke zaak, met uitzondering van alle vervoermiddelen, welke door de verhuurder van een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat wordt uitgevoerd om daar te worden gebruikt, (is) de plaats waar het gebruik plaatsvindt.’
De uitzondering voor de verhuur van roerende zaken is ongetwijfeld gemaakt om distorsies van de handel en van de mededinging te voorkomen. Ter terechtzitting wees de Commissie bij wijze van voorbeeld erop dat, indien er in de Bondsrepubliek Duitsland en in Denemarken voor de verhuur van televisietoestellen sterk uiteenlopende BTW-tarieven zouden gelden, er belangrijke distorsies dreigen te ontstaan, wanneer over die verhuur belasting wordt geheven in de Lid-Staat van waaruit de goederen worden geleverd.
8
Die uitzondering voor de verhuur van roerende zaken is evenwel aldus geformuleerd, dat zij ‘alle vervoermiddelen’ uitsluit, zodat de verhuur van vervoermiddelen (behalve die voor louter binnenlands gebruik) onder de algemene regel van artikel 9, lid 1, valt. Indien jachten vervoermiddelen zijn, geldt als plaats van verhuur dus de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd.
9
Opnieuw blijkt duidelijk waarom de uitzondering in de regel niet kan gelden voor vervoermiddelen
aangezien vervoermiddelenals auto's, bestelwagens, en zelfs fietsen of paarden over de landsgrenzen heen kunnen worden gebruikt, is het nagenoeg onmogelijk de verhuur van dergelijke vervoermiddelen te belasten op ‘de plaats waar het gebruik plaatsvindt’.
10
Vooraleer in te gaan op de vraag of jachten als vervoermiddelen zijn te beschouwen, wil ik er nog op wijzen dat, ook wanneer dat niet het geval is, zeer te betwijfelen is, of het onderhavige geval onder de in artikel 9, lid 2, sub d, voorziene uitzondering kan vallen, aangezien daarvoor is vereist, dat roerende zaken door de verhuurder van een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat worden uitgevoerd om daar te worden gebruikt. Ofschoon de nationale rechter dit punt niet aan de orde heeft gesteld, is het kennelijk niet zo, dat de jachten door de verhuurder naar een andere Lid-Staat werden uitgevoerd om daar te worden gebruikt, zodat de verhuur van de jachten, zelfs wanneer deze als roerende zaken moeten worden beschouwd, niet onder de uitzondering kon vallen. De reden waarom de nationale rechter dit punt buiten beschouwing heeft gelaten, is blijkbaar gelegen in het feit, dat dit vereiste in de Duitse wettelijke regeling, het Umsatzsteuergesetz 1980, niet voorkomt
in paragraaf 3a, lid 2, punt 4, wordt alleen bepaald, dat de plaats van de verhuur van roerende lichamelijke zaken, de plaats is waar de goederen worden gebruikt (‘Die Vermietung beweglicher koerperlicher Gegenstaende — ausgenommen Befoerderungsmittel — wird dort ausgefuehrt, wo die Gegenstaende genutzt werden’).
11
Al was de onderhavige prejudiciële verwijzing dus waarschijnlijk niet strikt noodzakelijk voor de beslechting van het geschil, vaststaat dat het Hof uitspraak moet doen over de prejudiciële vraag, waarover ik het nu wil hebben. Verzoeker in het hoofdgeding voert in wezen aan, dat zeiljachten die als pleziervaartuigen worden gebruikt, geen vervoermiddelen zijn, aangezien zij niet in de eerste plaats met het oog op vervoer worden gebruikt. Het Finanzamt, de Duitse regering en de Commissie betwisten deze zienswijze, op grond dat de term ‘vervoermiddelen’ ruimer moet worden opgevat en alle vervoermiddelen omvat, ongeacht of zij al dan niet in de eerste plaats als vervoermiddel worden gebruikt.
12
Op het eerste gezicht kan de term ‘vervoermiddelen’ niet alleen in de door Hamann gesuggereerde zin, maar ook ruim worden uitgelegd. Enerzijds kan worden gesteld, dat het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt, het bepalend criterium is en dat het vervoer van de zeilers en van de goederen aan boord van het jacht slechts bijzaak is ten opzichte van het zeilen zelf, dat in de eerste plaats een vorm van vrijetijdsbesteding is. Zo gezien, is een zeilboot vooral een pleziervaartuig en niet zozeer een vervoermiddel. Anderzijds kan worden gesteld dat, ook al wordt de zeiltocht uitsluitend uit overwegingen van sport en ontspanning ondernomen, daarbij niettemin vervoer plaatsvindt, wat ook de redenen voor het zeilen mogen zijn, en dat een boot een vervoermiddel is, ongeacht het doel waarvoor hij wordt gebruikt. Blijkbaar zijn deze twee zienswijzen ook in de Duitse rechtspraak terug te vinden.
13
Volgens mij bestaat er evenwel een duidelijk antwoord op de uitleggingsvraag zoals zij in de context van de Zesde richtlijn is gerezen. In de eerste plaats noopt het onderliggende doel van de bepaling, zoals ik reeds zei, tot een ruime uitlegging van het begrip. Aangezien het heffen van belastingen over dergelijke dienstverrichtingen praktische problemen meebrengt, bestaat het gevaar dat bij een engere uitlegging dergelijke dienstverrichtingen helemaal aan belasting ontsnappen. Bovendien moet elke uitzondering op de richtlijn restrictief worden uitgelegd, hetgeen in casu voor een ruime uitlegging van het begrip ‘vervoermiddelen’ pleit. Een dergelijke uitlegging vindt ook steun in de formulering van de bepaling: waar in de Duitse versie van artikel 9, lid 2, sub d, de term ‘ausser Befoerderungsmitteln’, wat wil zeggen ‘met uitzondering van vervoermiddelen’, wordt gebruikt, is daaraan in de andere taalversies een omvattend adjectief, in het Engels ‘all’, in het Frans ‘tout’ enzovoort, toegevoegd, waaruit blijkt dat het begrip in de ruimste zin is bedoeld.
14
Van niet minder belang is dat, zoals de Commissie heeft opgemerkt, artikel 15, sub 2, van de richtlijn uitdrukkelijk gewag maakt van ‘pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of… andere vervoermiddelen voor privégebruik’, en aldus — zij het in een andere context — pleziervaartuigen, dus ook verhuurde zeiljachten, in één adem noemt met ‘vervoermiddelen’. De lichtjes verschillende formulering in de Engelse taalversie —‘means’ in de plaats van ‘forms’— is mijns inziens irrelevant, te meer daar in andere taalversies tweemaal hetzelfde woord wordt gebruikt.
15
Van belang zijn ook de latere rechtsvoorschriften op hetzelfde gebied, daar deze als vergelijking kunnen dienen. Volgens artikel 1, lid 1, van de richtlijn van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (richtlijn 83/182/EEG, PB 1983, L 105, blz. 59) is deze richtlijn onder meer van toepassing op ‘pleziervaartuigen’, die dus impliciet onder het begrip ‘bepaalde vervoermiddelen’ vallen. In andere taalversies zijn er geringe terminologische afwijkingen. In de Duitse tekst gaat het over ‘Verkehrsmittel’ in de plaats van over ‘Befoerderungsmittel’. In de Franse tekst blijft men spreken van ‘moyens de transport’. Ook hier zijn de terminologische verschillen evenwel niet relevant en het is duidelijk dat de gemeenschapswetgever het over hetzelfde begrip heeft, aangezien de richtlijn zelf is bedoeld als een onderdeel van het algemene BTW-stelsel.
16
Gelet op een en ander, kom ik tot de conclusie, dat de term ‘vervoermiddelen’ ook pleziervaartuigen (met inbegrip van gehuurde jachten) beoogde te omvatten.
17
Hierbij laat ik buiten beschouwing, dat artikel 9 van de Zesde richtlijn werd gewijzigd bij de Tiende BTW-richtlijn (84/386/EEG, PB 1984, L 208, blz. 58). Aan deze richtlijn, die op 31 juli 1984 werd vastgesteld, diende pas op 1 juli 1985 te zijn voldaan, zodat zij geen gevolgen heeft voor de onderhavige zaak. Blijkens de laatste overweging van de considerans van die richtlijn, beoogde de gemeenschapswetgever met die richtlijn de strikte toepassing van de algemene regel van artikel 9, lid 1, te verzekeren:
‘… voor wat de verhuur van vervoermiddelen betreft, (dient) artikel 9, lid 1, om redenen van controletechnische aard strikt… te worden toegepast door als plaats van deze dienstverrichtingen de plaats van de dienstverrichter aan te merken.’
18
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt:
‘Zeegaande zeiljachten die voor het beoefenen van de zeilsport worden gehuurd, moeten worden aangemerkt als ‘vervoermiddelen’ in de zin van artikel 9, lid 2, van de Zesde richtlijn van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting.’
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.