— Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1).
HvJ EG, 31-03-1992, nr. C-200/90
ECLI:EU:C:1992:152
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
31-03-1992
- Magistraten
O. Due, R. Joliet, F.A. Schockweiler, F. Grévisse, G.F. Mancini, C.N. Kakouris, J.C. Moitinho de Almeida, G.C. Rodríguez Iglesias, M. Díez de Velasco, M. Zuleeg, J.L. Murray
- Zaaknummer
C-200/90
- Conclusie
Tesauro
- LJN
AW5163
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:1992:152, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 31‑03‑1992
ECLI:EU:C:1992:45, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 30‑01‑1992
Uitspraak 31‑03‑1992
O. Due, R. Joliet, F.A. Schockweiler, F. Grévisse, G.F. Mancini, C.N. Kakouris, J.C. Moitinho de Almeida, G.C. Rodríguez Iglesias, M. Díez de Velasco, M. Zuleeg, J.L. Murray
Partij(en)
ARREST VAN HET HOF
31 MAART 1992
In zaak C-200/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het OEstre Landsret, in het aldaar aanhangig geding tussen
Dansk Denkavit ApS en P. Poulsen Trading ApS,
ondersteund door
Monsanto-Searle A/S,
en
Skatteministerium,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 33 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1), alsmede van de artikelen 9 en volgende en 95EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, R. Joliet, F. A. Schockweiler en F. Grévisse, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Díez de Velasco, M. Zuleeg en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- —
Dansk Denkavit ApS, P. Poulsen Trading ApS en Monsanto-Searle A/S, vertegenwoordigd door K. Dyekjaer-Hansen, advocaat te Kopenhagen
- —
het Skatteministerium, vertegenwoordigd door M. Gregers Larsen, advocaat te Kopenhagen, en J. Molde, juridisch adviseur, als gemachtigde
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes, directeur juridische zaken van het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen, A. Correia, adjunct-directeur-generaal BTW, en T. Lemos, jurist van de administratieve dienst BTW, als gemachtigden
- —
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. F. Buhl, juridisch adviseur, als gemachtigde
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Dansk Denkavit ApS en P. Poulsen Trading ApS, Monsanto Searle A/S, het Skatteministerium en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ter terechtzitting van 28 november 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 januari 1992,
het navolgende
Arrest
1
Bij beschikking van 20 juni 1990, ingekomen bij het Hof op 2 juli daaraanvolgend, heeft het OEstre Landsret krachtens artikel 177 het Hof vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 9 en volgende en 95EEG-Verdrag, en van artikel 33 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1 hierna: ‘Zesde richtlijn’).
2
Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen enerzijds Dansk Denkavit ApS (hierna: ‘Dansk Denkavit’) en P. Poulsen Trading ApS (hierna: ‘Poulsen Trading’) en anderzijds het Skatteministerium (Deens Ministerie van Belastingen en Accijnzen), betreffende een vordering tot terugbetaling van bedragen die deze ondernemingen in 1988 en 1989 als arbeidsmarktbijdrage hadden betaald.
3
Blijkens de stukken is de arbeidsmarktbijdrage ingevoerd bij wet nr. 840 van 18 december 1987 (Lov om arbejdsmarkedsbidrag). Deze wet, in werking getreden op 1 januari 1988, werd ingevoerd als onderdeel van het destijds door de Deense regering gevoerde economisch beleid ter bevordering van de produktie en de werkgelegenheid. Om de lasten van de ondernemingen te verlagen, achtte de Deense regering het noodzakelijk, dat bepaalde sociale uitgaven die tot dusverre ten laste van de werkgevers waren gekomen, voortaan door de staat werden gefinancierd. Ten einde de noodzakelijke openbare middelen op te brengen, werd voorgesteld een bijdrage te heffen die op de consument moest worden afgewenteld.
4
De arbeidsmarktbijdrage, die per 1 januari 1992 is vervangen door een overeenkomstige verhoging van het BTW-tarief, gold zowel voor BTW-plichtige ondernemingen als voor andere ondernemingen die er voordeel van hadden dat de staat bovenbedoelde lasten overnam. De hoogte van de bijdrage werd bepaald op 2,5 % van de waarde van alle door de onderneming in een bepaald tijdvak verrichte verkopen en leveringen van goederen en diensten, verminderd met de waarde van de door de onderneming in hetzelfde tijdvak verrichte aankopen van goederen en diensten. Indien deze berekeningsmethode niet kon worden toegepast, hetgeen het geval was bij bepaalde van de BTW vrijgestelde ondernemingen, werd de heffinggrondslag gevormd door de loonsom van de onderneming, vermeerderd met 90 %. Voorts werd de arbeidsmarktbijdrage noch bij uitvoer noch bij invoer van goederen en diensten geheven evenmin kon de importerende onderneming de waarde van de ingevoerde goederen of diensten aftrekken bij de eerste transactie in Denemarken.
5
Verzoeksters in het hoofdgeding, Dansk Denkavit en Poulsen Trading, kopen goederen in Nederland, die zij in Denemarken doorverkopen. Dansk Denkavit handelt in diervoeders en Poulsen Trading in luidsprekers. Dansk Denkavit betaalde in 1988 en 1989 aan het Skatteministerium 811 470 DKR aan arbeidsmarktbijdrage, Poulsen Trading in hetzelfde tijdvak 745 756 DKR. De twee vennootschappen vorderen voor de nationale rechter nietigverklaring van de heffing en veroordeling van de Deense Staat tot terugbetaling van het huns inziens onverschuldigd betaalde bedrag. Tot staving van hun vordering stellen zij, primair, dat de arbeidsmarktbijdrage een door artikel 33 van de Zesde richtlijn verboden omzetbelasting is, en, subsidiair, dat de bijdrage een bij artikel 9 en volgende EEG-Verdrag verboden heffing van gelijke werking als een invoerrecht is, of, zo deze artikelen niet toepasselijk zouden zijn, een discriminerende binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag.
6
Van oordeel, dat de uitkomst van het geding afhangt van de uitlegging van de aangehaalde bepalingen, heeft het OEstre Landsret bij beschikking van 20 juni 1990 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een uitspraak over de volgende prejudiciële vragen:
- ‘1)
Moet artikel 33 van de Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (77/388/EEG), aldus worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat, dat een Lid-Staat een fiscale heffing oplegt die met name de volgende kenmerken heeft:
- —
De heffing wordt zowel betaald over activiteiten waarover BTW verschuldigd is, als over andere economische activiteiten, bestaande in de levering van goederen en diensten onder bezwarende titel, en wordt berekend volgens in de wet omschreven criteria, die de belastingautoriteiten geen beoordelingsbevoegdheid laten en die geen onderscheid maken tussen binnenlandse en ingevoerde produkten.
- —
Voor BTW-plichtige ondernemingen wordt dezelfde berekeningsgrondslag toegepast als bij de BTW, aangezien de heffing evenals de BTW in elke handelsfase wordt geïnd als een percentage van de verkopen van de onderneming (exclusief export), met aftrek van de inkopen, waarover in eerdere handelsfasen BTW is betaald.
- —
Anders dan in het BTW-stelsel vindt heffing niet plaats bij de invoer, maar bij de eerste verkoop door een binnenlandse onderneming, en wel over de volledige verkoopprijs van de ingevoerde goederen.
- —
De heffing behoeft anders dan de BTW niet afzonderlijk op de factuur te worden vermeld.
- —
De heffing wordt aan de douane voldaan volgens dezelfde beginselen als de BTW en de douane gaat derhalve over tot terugbetaling in geval van een negatieve heffinggrondslag.
- —
De heffing wordt geïnd naast de bestaande BTW-regeling
zij komt namelijk geheel noch gedeeltelijk in de plaats van de krachtens de geldende wettelijke bepaling verschuldigde BTW, en zij maakt zelfs deel uit van de prijs waarover de BTW wordt berekend.
- 2)
Roept artikel 33 van de Zesde richtlijn met betrekking tot een binnenlandse heffing met de in vraag 1 genoemde kenmerken voor de particulieren rechten in het leven, die de nationale rechter dient te handhaven?
- 3)
Indien vraag 1 en/of vraag 2 ontkennend moet(en) worden beantwoord, moet het in de artikelen 9 en volgende EEG-Verdrag neergelegde verbod van heffingen van gelijke werking als een douanerecht dan aldus worden uitgelegd, dat een heffingregeling ten aanzien van ingevoerde produkten, als omschreven in vraag 1, in strijd is met dat verbod, aangezien die heffing voor BTW-plichtige ondernemingen wordt berekend op de voor de BTW gehanteerde grondslag, zonder aftrek van de waarde van de ingevoerde produkten?
- 4)
Indien vraag 3 ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 95 EEG-Verdrag dan aldus worden uitgelegd, dat de heffingregeling met name wegens het in vraag 3 genoemde element in strijd is met het in die bepaling neergelegde verbod van discriminerende binnenlandse belastingen?’
7
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, een uitvoerige beschrijving van de arbeidsmarktbijdrage en een samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
8
Met zijn eerste vraag wenst het OEstre Landsret in wezen te vernemen, of artikel 33 van de Zesde richtlijn in de weg staat aan de invoering of de handhaving van een fiscale heffing, die:
- —
zowel wordt geheven over activiteiten waarover BTW verschuldigd is, als over andere economische activiteiten, bestaande in de levering van goederen of diensten onder bezwarende titel
- —
van BTW-plichtige ondernemingen wordt geheven op dezelfde berekeningsgrondslag als de BTW, dat wil zeggen als een percentage van de waarde van de verkopen van de onderneming, onder aftrek van de waarde van de inkopen
- —
anders dan de BTW niet wordt geheven bij invoer, maar over de volledige verkoopprijs van de ingevoerde goederen bij de eerste verkoop in de betrokken Lid-Staat
- —
anders dan de BTW niet afzonderlijk op de factuur behoeft te worden vermeld
- —
naast de BTW wordt geïnd.
9
Artikel 33 van de Zesde richtlijn bepaalt:
‘Onverminderd andere communautaire bepalingen vormen de bepalingen van deze richtlijn geen beletsel voor de handhaving of invoering door een Lid-Staat van belastingen op verzekeringsovereenkomsten en op spelen en weddenschappen, alsmede van accijnzen, registratierechten en, meer in het algemeen, van alle belastingen, rechten en heffingen die niet het karakter van omzetbelasting bezitten.’
10
Zoals het Hof herhaaldelijk heeft verklaard, onder meer in de arresten van 3 maart 1988 (zaak 252/86, Bergandi, Jurispr. 1988, blz. 1343, r.o. 10 en 11) en 13 juli 1989 (gevoegde zaken 93/88 en 94/88, Wisselink, Jurispr. 1989, blz. 2671, r.o. 13 en 14), blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling, dat zij de Lid-Staten de invoering of handhaving van belastingen, rechten en heffingen die het karakter van omzetbelasting bezitten, verbiedt. Voor de beantwoording van de eerste vraag moet daarom allereerst worden vastgesteld, wat de kenmerken van een omzetbelasting zijn, en moet vervolgens worden onderzocht, of een bijdrage als de arbeidsmarktbijdrage als een dergelijke belasting is te beschouwen.
11
Om te beginnen zij opgemerkt, dat, gelijk het Hof verklaarde in de zojuist aangehaalde arresten en voorts in het arrest van 27 november 1985 (zaak 295/84, Rousseau Wilmot, Jurispr. 1985, blz. 3759, r.o. 16), artikel 33 ten doel heeft te beletten, dat er belastingen, rechten en heffingen worden ingevoerd die de werking van het gemeenschappelijk BTW-stelsel in gevaar brengen doordat zij het goederen- en dienstenverkeer op dezelfde wijze belasten als de BTW. Belastingen, rechten en heffingen die de voornaamste kenmerken van de BTW bezitten, moeten onder alle omstandigheden worden geacht het goederen- en dienstenverkeer op dezelfde wijze te treffen als de BTW. Naar het Hof in bovengenoemde arresten heeft vastgesteld, betreft het de volgende kenmerken: de BTW is algemeen van toepassing op transacties betreffende goederen en diensten
zij is evenredig aan de prijs van die goederen en diensten
zij wordt geheven in elk stadium van het produktie- en distributieproces
zij wordt, ten slotte, geheven over de toegevoegde waarde van de goederen en diensten, doordat de over een transactie verschuldigde belasting wordt berekend na aftrek van die welke in de voorgaande stadia is betaald.
12
Vervolgens moet worden onderzocht, in hoeverre een heffing als de arbeidsmarktbijdrage de voornaamste kenmerken van de BTW bezit en of zij derhalve als een omzetbelasting moet worden aangemerkt. Welnu, evenals de BTW was de bijdrage verschuldigd over economische activiteiten bestaande in de levering van goederen en diensten onder bezwarende titel, ongeacht of de onderneming overigens BTW-plichtig was
zij werd geheven in alle produktie- en omzetfasen
voor BTW-plichtige ondernemingen werd zij berekend als percentage van de waarde van de in een bepaald tijdvak verkochte goederen of geleverde diensten, na aftrek van de waarde van de aankopen van goederen en diensten in hetzelfde tijdvak.
13
Het is juist, dat de arbeidsmarktbijdrage, zoals ook door de Deense regering is aangevoerd, zich op de volgende punten van de BTW onderscheidde. In de eerste plaats werd zij geheven van ondernemingen die niet BTW-plichtig waren, in welk geval de heffinggrondslag overeenkwam met de loonsom van de onderneming, vermeerderd met 90 %, wanneer de voor BTW-plichtige ondernemingen gebruikte berekeningsmethode niet kon worden toegepast. Voorts werd de arbeidsmarktbijdrage niet geheven bij invoer en mochten de importeurs de waarde van de ingevoerde goederen of diensten niet aftrekken van de heffinggrondslag. Ten slotte werd de bijdrage beschouwd als een bestanddeel van de kostprijs van de goederen of diensten en behoefde zij als zodanig niet afzonderlijk op de factuur te worden vermeld.
14
Om het karakter van een omzetbelasting te hebben, is het echter niet nodig, dat een belasting in alle opzichten met de BTW overeenkomt. Het is voldoende, dat zij de voornaamste kenmerken van de BTW vertoont. De verschillen waarop in deze zaak is gewezen, doen er niet aan af, dat een heffing als de arbeidsmarktbijdrage op wezenlijke punten op de BTW gelijkt. Ondanks die verschillen behoudt deze bijdrage dus het karakter van een omzetbelasting.
15
De eerste vraag moet mitsdien aldus worden beantwoord, dat artikel 33 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zich verzet tegen de invoering of de handhaving van een fiscale heffing die:
- —
zowel wordt geheven over aan de BTW onderworpen activiteiten als over andere economische activiteiten bestaande in de levering van goederen of diensten onder bezwarende titel
- —
van BTW-plichtige ondernemingen wordt geheven op dezelfde berekeningsgrondslag als de BTW, dat wil zeggen als een percentage van de waarde van de verkopen van de onderneming, na aftrek van de waarde van de inkopen
- —
anders dan de BTW niet wordt geheven bij invoer, maar over de volledige verkoopprijs van de ingevoerde goederen bij de eerste verkoop in de betrokken Lid-Staat
- —
anders dan de BTW niet afzonderlijk op de factuur behoeft te worden vermeld
- —
naast de BTW wordt geïnd.
De tweede vraag
16
Met betrekking tot de vraag of voor de nationale rechter een beroep kan worden gedaan op artikel 33, betoogt de Deense regering, dat dit artikel een zuiver formele bepaling is, die enkel in het belang van de Gemeenschap in de Zesde richtlijn is opgenomen. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Deense regering opgemerkt, dat enkel materiële bepalingen die de belangen van de particulieren beogen te beschermen, rechtstreekse werking kunnen hebben, en dat aan deze voorwaarde in casu niet is voldaan.
17
Dienaangaande volstaat het op te merken, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof particulieren zich voor de nationale rechter op een bepaling kunnen beroepen, indien deze duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is. Het in artikel 33 neergelegde verbod aan de Lid-Staten om belastingen, rechten en heffingen met het karakter van omzetbelasting in te voeren, voldoet aan deze voorwaarde.
18
Op de tweede vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 33 van de Zesde richtlijn voor de particulieren rechten in het leven roept, die door de nationale rechter moeten worden gehandhaafd.
De derde en de vierde vraag
19
Gezien de op de eerste en de tweede vraag gegeven antwoorden, zijn de derde en de vierde vraag niet meer van belang.
De werking in de tijd van dit arrest
20
Onder verwijzing naar de arresten van 8 april 1976 (zaak 43/75, Defrenne, Jurispr. 1976, blz. 455), 2 februari 1988 (zaak 24/86, Blaizot, Jurispr. 1988, blz. 379) en 17 mei 1990 (zaak 262/88, Barber, Jurispr. 1990, blz. I-1889), heeft de Deense regering het Hof verzocht, de werking in de tijd van het onderhavige arrest te beperken ingeval het zou vaststellen dat de arbeidsmarktbijdrage met het gemeenschapsrecht onverenigbaar is. Zij heeft gewezen op de buitengewoon ernstige consequenties die een dergelijk arrest zou hebben voor de Deense economie en rechterlijke organisatie. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Deense regering verklaard, dat de Deense Staat ongeveer 7 miljard ECU aan arbeidsmarktbijdragen heeft geheven, hetgeen overeenkomt met 4 % van de staatsinkomsten in de betrokken periode. Ook al zou slechts een deel van de 150 000–200 000 ondernemingen die de arbeidsmarktbijdrage hebben betaald — welke overigens op de consument is afgewenteld —, terugbetaling daarvan vorderen, dan nog zou de Deense rechterlijke organisatie onder die last bezwijken. De vertegenwoordiger van de Deense regering heeft voorts verklaard, dat de regering op grond van de toenmalige rechtspraak van het Hof ervan uit mocht gaan, dat de aangevochten bijdrage de werking van het gemeenschappelijk BTW-stelsel niet in gevaar bracht en dus niet onder het verbod van artikel 33 viel.
21
Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de Deense regering niet heeft aangetoond dat het gemeenschapsrecht ten tijde van de invoering van de in geding zijnde bijdrage redelijkerwijs aldus kon worden uitgelegd, dat een dergelijke heffing was toegestaan. Het verbod op omzetbelastingen blijkt duidelijk uit de bewoordingen van genoemde bepaling. Het Hof heeft de draagwijdte van dat verbod reeds gepreciseerd in zijn arrest van 27 november 1985 (Rousseau Wilmot, reeds aangehaald), waarin het overwoog, dat artikel 33‘ten doel heeft te beletten dat de werking van het gemeenschappelijk BTW-stelsel in gevaar wordt gebracht door fiscale maatregelen van een Lid-Staat die het goederen- en dienstenverkeer belasten en waardoor handelstransacties op een zelfde wijze worden getroffen als door de BTW’ (r.o. 16). Hieruit volgt, dat een heffing die naast de BTW wordt geïnd en die de voornaamste kenmerken van de BTW bezit, zoals deze zijn aangegeven in rechtsoverweging 15 van het arrest Rousseau Wilmot, handelstransacties op een zelfde wijze treft als de BTW en daardoor de werking van het gemeenschappelijk BTW-stelsel in gevaar brengt.
22
Daar komt bij, dat de Commissie, die door de Deense regering in november 1987 van het wetsontwerp in kennis was gesteld, reeds op 29 januari 1988, dat wil zeggen slechts enkele weken na de invoering van de arbeidsmarktbijdrage, de aandacht van de Deense regering heeft gevestigd op de problemen in verband met artikel 33, waartoe de bijdrage aanleiding kon geven.
23
Er is dan ook geen reden om de werking in de tijd van dit arrest te beperken.
Kosten
24
De kosten door de Portugese regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het OEstre Landsret bij beschikking van 20 juni 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 33 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, verzet zich tegen de invoering of de handhaving van een fiscale heffing die:
- —
zowel wordt geheven over aan de BTW onderworpen activiteiten als over andere economische activiteiten bestaande in de levering van goederen of diensten onder bezwarende titel
- —
van BTW-plichtige ondernemingen wordt geheven op dezelfde berekeningsgrondslag als de BTW, dat wil zeggen als een percentage van de waarde van de verkopen van de onderneming, na aftrek van de waarde van de inkopen
- —
anders dan de BTW niet wordt geheven bij invoer, maar over de volledige verkoopprijs van de ingevoerde goederen bij de eerste verkoop in de betrokken Lid-Staat
- —
anders dan de BTW niet afzonderlijk op de factuur behoeft te worden vermeld
- —
naast de BTW wordt geïnd.
- 2)
Artikel 33 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad roept voor de particulieren rechten in het leven, die door de nationale rechter moeten worden gehandhaafd.
Conclusie 30‑01‑1992
Tesauro
Partij(en)
Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 30 januari 1992.
DANSK DENKAVIT APS EN
P. POULSEN TRADING APS,
ONDERSTEUND DOOR MONSANTO-SEARLE A/S
TEGEN
SKATTEMINISTERIET.
VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: OESTRE LANDSRET — DENEMARKEN.
ARTIKEL 33 VAN DE ZESDE BTW-RICHTLIJN — RECHTSTREEKSE WERKING — OMZETBELASTING — WET BETREFFENDE DE ARBEIDSMARKTBIJDRAGE.
ZAAK C-200/90
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1
De nationale rechter stelt vier prejudiciële vragen over de uitlegging van artikel 33 van de Zesde BTW-richtlijn1., alsmede van de artikelen 9 en volgende en 95EEG-Verdrag.
Deze vragen zijn gerezen in door twee Deense ondernemingen ingestelde beroepen betreffende de terugbetaling van de door het Koninkrijk Denemarken bij wet nr. 840 van 18 december 1987 ingevoerde heffing.
2
Deze heffing, de ‘arbeidsmarktbijdrage’, is ingevoerd ter compensatie van de inkomsten die de staatskas derft als gevolg van maatregelen om bepaalde sociale lasten door de staat te laten betalen ten einde de concurrentiepositie van de Deense ondernemingen — vooral de externe concurrentiepositie — te verbeteren.
Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft de heffing de volgende kenmerken.
Zij is van toepassing op de levering van aan BTW onderworpen goederen en diensten, alsook op een aantal activiteiten die van BTW zijn vrijgesteld (inzonderheid bank- en verzekeringsdiensten).
Voor BTW-plichtige ondernemingen wordt de heffinggrondslag berekend volgens dezelfde regels als die van de BTW. Het beginsel van de aftrek van voorheffing is derhalve van toepassing.
Voor van BTW vrijgestelde ondernemingen wordt, indien mogelijk, de waarde van de verkopen, verminderd met de waarde van de inkopen, als heffinggrondslag genomen: anders wordt hij bepaald volgens een forfaitair criterium, te weten de loonsom van de onderneming vermeerderd met 90 %.
Het tarief van de bijdrage is bepaald op 2,5 % van de grondslag.
Anders dan de BTW wordt de bijdrage niet betaald over de invoer, maar later over het in de handel brengen van de goederen door de importeur. Aangezien geen bijdrage wordt betaald over de importen, wordt ook geen aftrek verleend bij de eerste verkoop van de ingevoerde goederen.
De bijdrage wordt niet afzonderlijk op de factuur vermeld.
3
De eerste vraag van de nationale rechter betreft de verenigbaarheid van de in geding zijnde heffing met artikel 33 van de Zesde richtlijn. Terloops zij erop gewezen, dat over dezelfde kwestie een door de Commissie ingesteld beroep wegens niet-nakoming bij het Hof aanhangig is (zaak C-234/91).
4
Artikel 33, dat deel uitmaakt van hoofdstuk XVIII, ‘Diverse bepalingen’, luidt als volgt:
‘Onverminderd andere communautaire bepalingen vormen de bepalingen van deze richtlijn geen beletsel voor de handhaving of invoering door een Lid-Staat van belastingen op verzekeringsovereenkomsten en op spelen en weddenschappen, alsmede van accijnzen, registratierechten en, meer in het algemeen, van alle belastingen, rechten en heffingen die niet het karakter van omzetbelasting bezitten.’
5
Uit de tekst van deze bepaling volgt, dat artikel 33 de Lid-Staten toestaat hun fiscale soevereiniteit te gebruiken om naast de BTW nog andere belastingen, rechten en heffingen te heffen (arrest van 8 juli 1986, zaak 73/85, Kerrutt, Jurispr. 1986, blz. 2219), maar uitdrukkelijk verbiedt, dat heffingen die ‘het karakter van omzetbelasting bezitten’, worden ingevoerd.
Volgens vaste rechtspraak (arresten van 27 november 1985, zaak 295/84, Rousseau Wilmot, Jurispr. 1985, blz. 3759, en 13 juli 1989, gevoegde zaken 93/88 en 94/88, Wisselink, Jurispr. 1989, blz. 2671) moet de draagwijdte van dit verbod worden bepaald met inachtneming van de functie van artikel 33 in het kader van het geharmoniseerde stelsel van omzetbelastingen, dat de vorm heeft van een belasting over de toegevoegde waarde.
Zoals reeds uit de Eerste BTW-richtlijn2. blijkt, beoogde de in deze sector tot stand gebrachte harmonisatie de afschaffing van de cumulatieve cascadestelsels en de aanvaarding door alle Lid-Staten van een gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (vierde overweging van de considerans). Dit geharmoniseerde stelsel heeft met name tot doel, te verzekeren dat een zelfde handelstransactie, wat de omzetbelasting betreft, op dezelfde wijze wordt belast, ongeacht in welke Lid-Staat zij plaatsvindt (arrest van 3 maart 1988, zaak 252/86, Bergandi, Jurispr. 1988, blz. 1343).
Met het oog daarop bepalen de Eerste en de Tweede BTW-richtlijn3., dat de Lid-Staten hun stelsels van omzetbelasting vervangen door het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
In deze context bezien, heeft artikel 33 juist tot doel, de concrete werking van het gemeenschappelijk stelsel te verzekeren, door de Lid-Staten, wier bevoegdheid om andere belastingen dan BTW in te voeren in dezelfde tekst wordt erkend, uitdrukkelijk te verbieden, eenzijdig belastingen, rechten en heffingen in te voeren of te handhaven die de voornaamste kenmerken van BTW bezitten en die derhalve, door de BTW te overlappen, de eenheid van het stelsel aantasten.
Dat dit de ratio van artikel 33 is, blijkt duidelijk uit de rechtspraak van het Hof. In het reeds aangehaalde arrest Rousseau Wilmot wordt immers opgemerkt, dat deze bepaling, die de Lid-Staten weliswaar vrij laat om bepaalde indirecte belastingen zoals accijnzen te handhaven of in te voeren, mits deze ‘niet het karakter van omzetbelasting bezitten’, ten doel heeft, te beletten dat de werking van het gemeenschappelijk BTW-stelsel in gevaar wordt gebracht door fiscale maatregelen van een Lid-Staat die het goederen- en dienstenverkeer belasten en waardoor handelstransacties op een zelfde wijze worden getroffen als door de BTW.
Het Hof heeft zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten in het reeds aangehaalde arrest Bergandi, waarin het verklaarde, dat artikel 33 aldus moet worden uitgelegd, dat de Lid-Staten sedert de invoering van het gemeenschappelijk BTW-stelsel de onder de BTW vallende leveringen van goederen, dienstverrichtingen of importen niet meer mogen onderwerpen aan belastingen, rechten of heffingen die het karakter van omzetbelasting bezitten.
6
Met betrekking tot de draagwijdte van artikel 33 moet allereerst worden opgemerkt, dat deze bepaling geen definitie geeft van het begrip belasting die ‘het karakter van omzetbelasting’ bezit.
Het spreekt vanzelf, dat — zoals in het arrest Bergandi is gepreciseerd — dit begrip een communautair karakter heeft, daar het bijdraagt tot de verwezenlijking van het door artikel 33 beoogde doel, namelijk de volle werking van het gemeenschappelijk BTW-stelsel te waarborgen.
Volgens artikel 2 van de Eerste richtlijn berust dit stelsel op het beginsel, dat van goederen en diensten tot en met de kleinhandelsfase een algemene verbruiksbelasting wordt geheven welke strikt evenredig is aan de prijs van die goederen en diensten, ongeacht het aantal transacties welke tijdens het produktie- en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvonden. Bij elke transactie is de belasting over de toegevoegde waarde evenwel slechts verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de BTW waarmee de onderscheiden elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast. Volgens de aftrekregeling van artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn mogen de belastingplichtigen de reeds voordien over de geleverde goederen geheven BTW in mindering brengen op de door hen verschuldigde BTW (zie de arresten Rousseau Wilmot, Bergandi, Wisselink en laatstelijk het arrest van 19 maart 1991, zaak C-109/90, Giant, Jurispr. 1991, blz. I-1385).
Tegen de achtergrond van deze regeling heeft het Hof tot dusverre geoordeeld, dat het begrip belasting die ‘het karakter van omzetbelasting’ bezit, in wezen moet worden gedefinieerd aan de hand van drie elementen (zie het arrest Giant):
- —
het gaat om een algemene belasting, dat wil zeggen een belasting die in beginsel wordt toegepast op alle transacties betreffende de levering van goederen en diensten
- —
de belasting wordt in elke fase van het produktie- en distributieproces geheven
- —
wegens de aftrek van de voordien betaalde belasting wordt de belasting enkel over de toegevoegde waarde geheven.
7
Welnu, de in geding zijnde bijdrage vertoont alle in de rechtspraak omschreven kenmerken. In de eerste plaats is zij kennelijk een algemene belasting die op alle transacties betreffende de levering van goederen en diensten wordt toegepast. Zij heeft zelfs een ruimere werkingssfeer dan de BTW, daar zij ook geldt voor sectoren die van BTW zijn vrijgesteld. Het feit dat zij niet over de importen wordt geheven, is in dit verband niet van belang, aangezien de ingevoerde goederen toch in alle volgende handelsfasen worden belast.
In de tweede plaats vormt de bijdrage, volgens de Deense regering zelf, een in elke handelsfase volgens het ‘cascadestelsel’ toegepaste heffing over de omzet, waarvan de belastinggrondslag, evenals bij de BTW, wordt bepaald aan de hand van de door de betrokken ondernemingen behaalde winst. Met betrekking tot de omstandigheid, dat de heffing in sommige gevallen wordt bepaald aan de hand van een forfaitair criterium (namelijk op basis van de loonsom vermeerderd met een bepaald percentage), zij opgemerkt, dat dit criterium in ieder geval tot doel heeft, het vermoedelijke winstbedrag van de betrokken ondernemingen vast te stellen, en dat, gelijk in de rechtspraak van het Hof, met name het arrest Bergandi, is verklaard, een forfaitaire belasting als een omzetbelasting in de zin van artikel 33 kan worden aangemerkt wanneer — zoals in het onderhavige geval — het bedrag daarvan wordt vastgesteld op basis van een objectieve raming van de te verwachten inkomsten van de onderneming.
In de derde plaats is evenzeer duidelijk, dat de bijdrage enkel over de toegevoegde waarde in elke handelsfase wordt geheven, aangezien de verschuldigde heffing bij elke transactie in beginsel wordt berekend met aftrek van de voordien betaalde belasting.
Gelet op deze overwegingen moet de in geding zijnde bijdrage mijns inziens als een omzetbelasting in de zin van artikel 33 van de Zesde richtlijn worden aangemerkt.
8
Deze conclusie wordt mijns inziens niet ontkracht door de tegenwerpingen van de Deense regering.
De eerste van deze tegenwerpingen betreft de uitlegging van artikel 33. Volgens de Deense regering verbiedt dit artikel slechts heffingen die de mededinging verstoren of het gemeenschappelijk BTW-stelsel schaden, hetzij doordat zij de BTW geheel of ten dele vervangen, hetzij doordat zij de werking van het BTW-stelsel beïnvloeden. Artikel 33 zou daarentegen niet in de weg staan aan de enkele invoering van volgens het ‘cascadestelsel’ geheven omzetbelastingen, die bepaalde kenmerken met het BTW-stelsel gemeen hebben.
Dit betoog moet worden verworpen, daar het op een onjuiste uitlegging van artikel 33 berust.
Het in deze bepaling neergelegde verbod is immers niet beperkt tot belastingen die de BTW scheeftrekken of vervangen
die zouden overigens ook zonder artikel 33 in elk geval onverenigbaar zijn met het gemeenschappelijk stelsel. Integendeel, volgens de eerder aangehaalde rechtspraak — in het bijzonder de arresten Rousseau Wilmot en Bergandi — bevat artikel 33 een absoluut verbod van cumulatie van de BTW met nationale belastingen die, zoals de litigieuze bijdrage, ‘het goederen- en dienstenverkeer belasten en de handelstransacties op een zelfde wijze treffen als de BTW’.
In dit verband moet worden opgemerkt, dat de functie van anti-cumulatiebepaling, die artikel 33 in het gemeenschappelijk stelsel heeft, steeds belangrijker wordt. Naarmate de harmonisatie van de BTW-tarieven tot stand komt, impliceert de handhaving van nationale belastingen die in wezen gelijksoortig zijn aan de BTW, de toepassing van een apart tarief naast de gemeenschappelijke tarieven en derhalve een omzeiling van het geharmoniseerde stelsel.
Voorts dient erop te worden gewezen, dat de in geding zijnde bijdrage, ofschoon zij de transacties op een zelfde wijze belast als de BTW, uitsluitend door de nationale regels wordt beheerst, en dat die regels niet dezelfde zijn als die van het gemeenschappelijk stelsel, bij voorbeeld met betrekking tot het aantal activiteiten waarvoor een ontheffing geldt. Deze mogelijke discrepanties tussen twee belastingstelsels, een gemeenschappelijk en een nationaal stelsel, die niettemin van dezelfde aard zijn en bestemd zijn om dezelfde transacties volgens dezelfde modaliteiten te belasten, tonen aan, dat de overlapping van BTW en gelijksoortige nationale belastingen wel degelijk gevolgen heeft voor de eenvormige werking van het gemeenschappelijk stelsel.
In de tweede plaats stelt de Deense regering, dat de in geding zijnde bijdrage geen kenmerken vertoont die soortgelijk zijn aan die van de BTW, gelet op de door haar gesignaleerde verschillen tussen deze twee heffingstelsels.
Op deze tegenwerping ben ik in punt 7 van deze conclusie reeds ingegaan. Ik wil hieraan nog het volgende toevoegen:
- —
de Deense regering erkent, dat zij in plaats van de bijdrage in te voeren, gewoon het BTW-tarief had kunnen verhogen
daags voor de terechtzitting heeft de Deense regering overigens een wetsvoorstel ingediend, waarin de bijdrage wordt vervangen door een verhoging van de BTW; dat deze twee heffingen onderling verwisselbaar zijn, bevestigt dat zij gelijksoortig zijn
- —
uitsluitend economische overwegingen (hoofdzakelijk de opvatting, dat een niet afzonderlijk op de factuur vermelde heffing de prijzen minder beïnvloedt) hebben de Deense regering er destijds toe aangezet, te opteren voor de bijdrage in plaats van voor een verhoging van de BTW; duidelijk is evenwel, en dit wordt overigens bevestigd in de rechtspraak van het Hof, dat ‘de redenen voor de invoering van een nationale belasting in het nationale recht en de omstandigheden waaronder zij is ingevoerd, geen invloed kunnen hebben op het karakter dat die belasting voor het gemeenschapsrecht heeft’ (arrest Wisselink);
- —
de omstandigheid dat de bijdrage niet afzonderlijk — naast de prijs — op de factuur wordt vermeld, is een boekhoudtechnische keuze, die geen gevolgen heeft voor de aard van de heffing, gelet op het feit dat, zoals hierboven is opgemerkt, de bijdrage een volgens het cascadestelsel toegepaste belasting vormt, die enkel over de toegevoegde waarde wordt geheven en uiteindelijk door de eindverbruiker wordt gedragen (de invoering van de bijdrage heeft in de praktijk niet tot een overeenkomstige verhoging van de prijzen geleid, omdat de regering tegelijk met deze invoering de sociale lasten van de ondernemingen — en derhalve de produktiekosten — heeft verlaagd).
9
Gelet op deze overwegingen moet artikel 33 van de Zesde richtlijn mijns inziens aldus worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan de invoering en de handhaving van een heffing als de in geding zijnde ‘arbeidsmarktbijdrage’.
10
De tweede prejudiciële vraag betreft de rechtstreekse werking van artikel 33. Zoals gezegd, bevat deze bepaling een absoluut verbod op de invoering en de handhaving van met de BTW overeenkomende belastingen. Het gaat dus om een negatieve verplichting, waarvan de inhoud nauwkeurig en onvoorwaardelijk is en die derhalve rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en de justitiabelen.
Dit was overigens reeds de mening van advocaat-generaal Mancini in zijn conclusie in de zaak Bergandi en, naar het mij voorkomt, is het Hof hem daarin volledig gevolgd waar het in dit arrest verklaart, dat ‘artikel 33 van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat de Lid-Staten sedert de invoering van het gemeenschappelijk BTW-stelsel de onder de BTW vallende leveringen van goederen, dienstverrichtingen of importen niet meer mogen onderwerpen aan belastingen, rechten of heffingen die het karakter van omzetbelasting bezitten’.
11
De hier voorgestane uitlegging van artikel 33 van de Zesde richtlijn maakt het onderzoek van de derde en de vierde vraag van de nationale rechter, betreffende de toepassing van de artikelen 9 en volgende en 95EEG-Verdrag, overbodig. Voor het geval het Hof evenwel een andere lezing van deze bepaling van de richtlijn zou voorstaan, wijs ik op het volgende.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn de artikelen 9 en volgende en 95EEG-Verdrag niet cumulatief van toepassing (zie met name het arrest van 22 maart 1977, zaak 78/76, Steinike, Jurispr. 1977, blz. 595). Het wezenskenmerk waardoor een heffing van gelijke werking zich onderscheidt van discriminerende binnenlandse belastingen, is dat zij uitsluitend op het geïmporteerde produkt wordt gelegd, terwijl laatstgenoemde zowel ingevoerde als nationale produkten treffen (arrest Steinike, reeds aangehaald).
De betrokken bijdrage treft — zoals reeds herhaaldelijk is opgemerkt — zowel nationale als ingevoerde produkten. Zij moet dan ook uitsluitend aan de bepalingen van artikel 95 EEG-Verdrag worden getoetst.
In dit verband stellen verzoeksters in de hoofdgedingen, dat de bestreden bijdrage de ingevoerde produkten benadeelt, doordat de heffinggrondslag voor deze produkten ten dele op een andere wijze wordt berekend dan die voor produkten van binnenlandse herkomst.
Het Hof heeft reeds verklaard, dat artikel 95 wordt geschonden ‘wanneer de belasting op het ingevoerde produkt en die op het gelijksoortige nationale produkt op verschillende wijze en volgens verschillende uitvoeringsvoorschriften worden berekend, waardoor het ingevoerde produkt, zij het slechts in sommige gevallen, hoger wordt belast’ (arrest van 17 februari 1976, zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181).
Bijgevolg kan een belastingstelsel enkel worden geacht in overeenstemming te zijn met artikel 95, indien vaststaat dat het zodanig is ingericht, dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde produkten worden gediscrimineerd. Daarbij komt, dat het Hof met betrekking tot belastingstelsels die voor nationale en ingevoerde produkten verschillende criteria hanteren, heeft vastgesteld, dat het bij ondoorzichtigheid van de toepassingsvoorwaarden aan de Lid-Staat die het stelsel heeft ingevoerd, staat om aan te tonen, dat dit stelsel in geen geval discriminerende gevolgen heeft (arrest van 26 juni 1991, zaak C-152/89, Commissie/Luxemburg, Jurispr. 1991, blz. I-3141). Mijns inziens geldt deze presumptio juris tantum ook in het kader van een nationaal geding over de toepassing van artikel 95.
Gelet op deze beginselen staat het aan de nationale rechter om in concreto na te gaan, of de omstreden bijdrage aldus is geregeld, dat discriminatie van ingevoerde produkten in alle gevallen is uitgesloten. Daarbij moet worden gelet op het fiscaal effect van de heffing an sich en op dat van andere belastingen, inzonderheid de BTW, daar het effect van de BTW kan variëren naargelang er al dan niet een bijdrage wordt geheven.
12
Ten slotte blijft er nog een punt te bespreken dat in de verwijzingsbeschikking niet is aan de orde is gesteld.
De Deense regering verzoekt het Hof, de werking van zijn arrest in de tijd te beperken, indien het zou oordelen dat de omstreden bijdrage onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
Dienaangaande verwijs ik naar hetgeen ik heb gezegd in de zaak Karella en Karellas (arrest van 30 mei 1991, gevoegde zaken C-19/90 en C-20/90, Jurispr. 1991, blz. I-2691), namelijk dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 177 EEG-Verdrag verleende bevoegdheid van een voorschrift van gemeenschapsrecht geeft, wanneer daaraan behoefte bestaat, de betekenis en strekking van dat voorschrift verklaart en preciseert zoals dat sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden toegepast. Hieruit volgt, dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht (arresten van 27 maart 1980, zaak 61/79, Denkavit Italiana, Jurispr. 1980, blz. 1205, en gevoegde zaken 66/79, 127/79 en 128/79, Salumi, Jurispr. 1980, blz. 1237).
Gezien deze beginselen kan de werking van een arrest waarin op een verzoek om uitlegging is beslist, slechts bij hoge uitzondering in de tijd worden beperkt (arresten Denkavit Italiana en Salumi, reeds aangehaald). Het Hof is daartoe slechts overgegaan in zeer specifieke omstandigheden, namelijk een gevaar voor ernstige economische repercussies, met name veroorzaakt door het grote aantal rechtsbetrekkingen die op basis van de geldig geachte regeling te goeder trouw tot stand zijn gekomen, alsmede de overweging dat particulieren en de nationale overheid tot het niet met de communautaire regeling overeenstemmende gedrag waren gebracht door een feitelijke en belangrijke onzekerheid over de strekking van de communautaire bepalingen, een onzekerheid waartoe de gedragingen van andere Lid-Staten of de Commissie eventueel hebben bijgedragen (arresten van 17 mei 1990, zaak C-262/88, Barber, Jurispr. 1990, blz. I-1889
2 februari 1988, zaak 24/86, Blaizot, Jurispr. 1988, blz. 379
8 april 1976, zaak 43/75, Defrenne, Jurispr. 1976, blz. 455).
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening, dat in het onderhavige geval een beperking van de werking van het arrest volstrekt uitgesloten is.
De uitlegging van artikel 33 is duidelijk en wordt door een overvloedige en eenduidige rechtspraak bevestigd. Er kon dan ook geen feitelijke onzekerheid over bestaan, dat de bijdrage volgens die bepaling verboden was.
Bovendien heeft de Commissie de Deense regering reeds enkele dagen na de invoering van de bijdrage meegedeeld, dat zij deze met artikel 33 in strijd achtte, en heeft zij nadien op grond van artikel 169 een beroep wegens niet-nakoming ingesteld.
Met betrekking tot de financiële gevolgen die voor de Deense regering uit een onwettigverklaring van de bijdrage kunnen voortvloeien, zij opgemerkt, dat dit op zichzelf zeker geen beperking in de tijd van de werking van het arrest van het Hof rechtvaardigt. Anders bestaat het gevaar, dat juist de zwaarste schendingen gunstiger worden behandeld, daar deze voor de Lid-Staten de grootste financiële gevolgen kunnen hebben
dit is een absurde en kennelijk onaanvaardbare oplossing.
Bovendien hebben zaken betreffende de verenigbaarheid van nationale belastingen met het gemeenschapsrecht vaak ernstige financiële gevolgen op het vlak van de terugvordering van onverschuldigd betaalde belasting. Een beperking van de werking van het arrest op de enkele grond van de omvang van deze gevolgen zou niet alleen in strijd zijn met eerdere rechtspraak (bij voorbeeld het arrest van 25 mei 1989, zaak 15/88, Maxi Di, Jurispr. 1989, blz. 1391, waarin het ging om een belasting waarvan het financiële belang allesbehalve verwaarloosbaar was), maar ook een gevaarlijk precedent scheppen, daar dit zou kunnen leiden tot een aanzienlijke vermindering van de rechtsbescherming ter zake van de rechten die de belastingplichtigen aan de communautaire belastingregeling ontlenen.
13
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 33 van de Zesde BTW-richtlijn verzet zich tegen de invoering en de handhaving van een nationale belasting als de bij de Deense wet nr. 840 van 18 december 1987 ingestelde ‘arbeidsmarktbijdrage’.
- 2)
Het in artikel 33 van de Zesde BTW-richtlijn neergelegde verbod op de invoering en de handhaving van belastingen die het karakter van omzetbelasting bezitten, verleent de particulieren rechten waarop dezen zich voor de nationale rechter kunnen beroepen.
- 3)
Een nationale belasting als de in geding zijnde bijdrage, die tegelijkertijd over nationale en ingevoerde produkten wordt geheven, valt niet binnen de werkingssfeer van de artikelen 9 en volgende EEG-Verdrag.
- 4)
Een nationaal belastingstelsel kan slechts worden geacht in overeenstemming te zijn met artikel 95 EEG-Verdrag, indien vaststaat dat het zodanig is ingericht, dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde produkten worden gediscrimineerd. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan, of de omstreden bijdrage aldus is geregeld, dat discriminatie van ingevoerde produkten in alle gevallen is uitgesloten.’
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.