oRichtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1).
HvJ EG, 25-05-1993, nr. C-18/92
ECLI:EU:C:1993:212
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
25-05-1993
- Magistraten
C. N. Kakouris, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn
- Zaaknummer
C-18/92
- Conclusie
Gulmann
- LJN
BF4858
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:1993:212, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 25‑05‑1993
Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 03‑03‑1993
Uitspraak 25‑05‑1993
C. N. Kakouris, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn
Partij(en)
ARREST VAN HET HOF (ZESDE KAMER) VAN 25 MEI 1993
In zaak C-18/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, in het aldaar aanhangig geding tussen
Chaussures Bally SA
en
Belgische Staat
Fiscale bepalingen oHarmonisatie van wetgevingenoOmzetbelasting oGemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde oMaatstaf van heffingoVerkoop met betaling door middel van kredietkaartoDoor emittent ingehouden commissieoOpneming in maatstaf van heffing
(Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 11, deel A, lid 1, sub a)
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- o.
Chaussures Bally SA, vertegenwoordigd door L. Simonet, advocaat te Brussel,
- o.
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door I. Maselis, advocaat te Brussel,
- o.
de Britse regering, vertegenwoordigd door J. Collins van het Treasury Solicitor’ s Department, als gemachtigde, bijgestaan door D. Anderson, Barrister,
- o.
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs H. Étienne en J. F. Buhl, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Chaussures Bally SA, de Belgische Staat, de Britse regering, vertegenwoordigd door D. Anderson en S. Cochrane van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigden, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 14 januari 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 maart 1993,
het navolgende
Arrest
1
Bij vonnis van 10 januari 1992, ingekomen ten Hove op 23 januari daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting o Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1
hierna: ‘Zesde richtlijn’).
2
Deze vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen de vennootschap Chaussures Bally SA (hierna: ‘Bally’) en de Belgische Staat over de restitutie van bedragen die door Bally aan de Belgische Staat zijn betaald uit hoofde van een aanslag in de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: ‘BTW’).
3
Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat de klanten van Bally, die schoenen verkoopt voorzien van het merk van dezelfde naam, de prijs van hun aankopen hetzij contant, hetzij met een cheque dan wel door middel van een kredietkaart betalen. Voor het laatste geval is Bally met diverse instellingen die kredietkaarten uitgeven, in overeenkomsten getreden die bepalen, dat wanneer een klant-kaarthouder een goed koopt onder gebruikmaking van genoemde kaart, de emittent van de kaart aan de leverancier van het goed de prijs van dit goed vergoedt, na op de betalingen een commissie, in de regel in de orde van grootte van 5 %, te hebben ingehouden.
4
Bally, die onderworpen is aan de BTW volgens artikel 4 van het Belgische BTW-Wetboek, twijfelde over de vraag of zij belastingplichtig was over het nettobedrag dat zij van de emittenten van kredietkaarten ontvangt, na aftrek van de door deze ingehouden commissie, of over het brutobedrag, te weten de prijs van het goed vóór aftrek van bedoelde commissie. Nochtans heeft Bally steeds de BTW voldaan over het nettobedrag tot het jaar 1988, toen na een fiscale controle met betrekking tot de voorafgaande jaren en teruggaande tot 1984, de controleur van de speciale belastinginspectie, na te zijn overgegaan tot een correctie voor de jaren 1984 tot 1987, besliste, dat‘de commissies niet mogen worden afgetrokken van de prijs voor de berekening van de belastinggrondslag’, en van Bally een aanvullende som van 2 206 000 BFR vorderde uit hoofde van de BTW, vermeerderd met fiscale boeten en renten.
5
Nadat zij dit bedrag onder voorbehoud van recht had voldaan en met ingang van het jaar 1989 de BTW was gaan betalen over het brutobedrag, heeft Bally beroep ingesteld bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, de teruggave vorderende van alle, naar haar mening, op onwettige wijze in het kader van de BTW-heffing geïnde bedragen, vermeerderd met wettelijke renten alsook schadevergoeding.
6
Van oordeel dat de uitkomst van het geding afhing van de uitlegging van de Zesde richtlijn, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, bij op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 10 januari 1992 besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
- ‘1.
Artikel 11, 1, a) van de richtlijn
Wanneer in het kader van een verkooptransactie de betaling door middel van een kredietkaart plaatsvindt, bestaat de door de aangesloten handelaar ter zake van de levering van een goed van de kredietinstelling verkregen tegenprestatie dan enkel in het bedrag dat de aangesloten handelaar van deze instelling heeft ontvangen?
of
- 2.
Artikel 11, 3, c) van de Zesde richtlijn’
7
Voor een nadere uiteenzetting van de communautaire regeling, de feiten in het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De feitelijke en juridische context
8
Om een nuttig antwoord te kunnen geven op het uitleggingsprobleem dat in de prejudiciële vragen aan de orde is gesteld, moet dat probleem worden omschreven in het licht van de uit de vaststellingen van de nationale rechter blijkende feitelijke en juridische context.
9
Uit het aan het Hof toegezonden dossier blijkt, dat wanneer de koper de prijs van het goed door middel van een kredietkaart betaalt, er sprake is van twee transacties: enerzijds de verkoop van het goed door de leverancier, die in de gevorderde totale prijs ook de BTW berekent die door de koper als eindverbruiker moet worden betaald en die door de leverancier voor rekening van de fiscus wordt geïnd, en anderzijds de dienstverrichting ten behoeve van de leverancier door de emittent van de kaart. Deze dienstverrichting betreft de garantie van betaling van het goed dat door middel van de kaart is gekocht, de bevordering van de zaken van de leverancier door de mogelijkheid een nieuwe cliëntèle aan te trekken, de eventuele publiciteit ten behoeve van de leverancier of enig ander onderwerp.
10
Uit het dossier blijkt eveneens, dat de tweede hierboven genoemde transactie in België vrijgesteld is van BTW, in overeenstemming met artikel 13, deel B, sub d), van de Zesde richtlijn, dat de Lid-Staten toestaat vrijstelling van BTW te verlenen voor, onder meer, bepaalde handelingen met betrekking tot de verlening van c.q. de bemiddeling bij kredieten, het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend, het bemiddelen bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen.
De eerste vraag
11
Met zijn eerste vraag beoogt de nationale rechter in wezen te vernemen, of artikel 11, deel A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat, wanneer in het kader van een verkooptransactie de prijs van het goed door de koper door middel van een kredietkaart wordt betaald en aan de leverancier wordt overgemaakt door de emittent van de kaart onder inhouding van een percentage als commissie ter beloning van een dienstverrichting door die emittent ten behoeve van de leverancier van het goed, die inhouding moet worden opgenomen in de maatstaf van heffing van de belasting die de belastingplichtige leverancier aan de fiscus moet afdragen.
12
Volgens artikel 11, deel A, lid 1, sub a), van de Zesde richtlijn wordt de maatstaf van heffing voor leveringen van goederen in het binnenland gevormd door alles wat de tegenprestatie vormt die de leverancier verkrijgt, of moet verkrijgen, van de zijde van de koper, van de ontvanger of van een derde. Die bepaling beoogt derhalve de maatstaf van heffing te harmoniseren, zoals blijkt uit de negende overweging van de considerans van de Zesde richtlijn.
13
Bally merkt op, dat bij betaling door middel van een kredietkaart de tegenprestatie op grond waarvan de maatstaf van heffing moet worden bepaald, het door de leverancier daadwerkelijk ontvangen nettobedrag dient te zijn, na aftrek van de door de emittent van de kaart ingehouden commissie. Ware dit anders, dan zou de leverancier, die van de emittent een bedrag ontvangt dat lager is dan de totale prijs, ten onrechte de gevolgen dragen van de vrijstelling van BTW die in België aan kaart-emittenten is verleend.
14
Dit betoog kan niet worden aanvaard. Immers, de harmonisatie beoogd door artikel 11, deel A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn kan niet worden verwezenlijkt indien de maatstaf van heffing variabel is al naar gelang het erom gaat de BTW te berekenen die door de eindverbruiker moet worden betaald, dan wel het bedrag vast te stellen dat door de belastingplichtige aan de fiscus moet worden afgedragen. Hieruit volgt, dat wanneer de leverancier de BTW die door de koper moet worden voldaan, heeft berekend op de totale prijs met het oog op de inning ervan voor rekening van de fiscus, dezelfde maatstaf van heffing in aanmerking moet worden genomen ter bepaling van het overeenkomstige bedrag aan BTW dat de leverancier als belastingplichtige aan de fiscus moet afdragen.
15
Bally wijst er voorts op, dat niet de leverancier, die uit concurrentieoverwegingen genoopt is betaling per kaart aan te nemen, de begunstigde is van de één of andere dienst van de kant van de emittent van de kaart, doch de koper-kaarthouder, en dat het percentage dat de emittent op de prijs inhoudt, niet de tegenprestatie vormt voor een door de emittent ten behoeve van de leverancier verrichte dienst.
16
Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat het feit dat de koper de overeengekomen prijs niet rechtstreeks aan de leverancier heeft voldaan, maar door tussenkomst van de emittent van de kaart, die een percentage van de prijs heeft afgehouden, de maatstaf van heffing niet kan wijzigen. Immers, deze inhouding door de emittent van de kaart vormt de tegenprestatie voor een dienst die door de emittent aan de leverancier is aangeboden. Die dienst is het voorwerp van een afzonderlijke transactie, met betrekking waartoe de koper derde is.
17
Hieraan moet worden toegevoegd, dat de betalingswijzen waarvan in de betrekkingen tussen koper en leverancier gebruik wordt gemaakt, de maatstaf van heffing niet kunnen wijzigen. Immers, de betaling van de tegenprestatie voor de levering van de goederen kan volgens artikel 11, deel A, lid 1, sub a, niet slechts door de koper worden verricht, maar ook door een derde, in het onderhavige geval de emittent van de kaart.
18
Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 11, deel A, lid 1, sub a van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer in het kader van een verkooptransactie de prijs van het goed door de koper door middel van een kredietkaart wordt betaald en door de emittent van de kaart aan de leverancier wordt overgemaakt, onder inhouding van een percentage als commissie ter beloning van een dienstverrichting door die emittent ten behoeve van de leverancier van het goed, die inhouding moet worden opgenomen in de maatstaf van heffing van de belasting die de belastingplichtige leverancier aan de fiscus moet afdragen.
De tweede vraag
19
Met zijn tweede vraag vraagt de nationale rechter in wezen een uitlegging van artikel 11, deel A, lid 3, sub c, van de Zesde richtlijn, die nuttig zou zijn in het geval dat het door de emittent van de kaart ingehouden percentage, in de zin van deze bepaling zou behoren tot de kosten die door de emittent in naam of voor rekening van de leverancier zijn gemaakt.
20
Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de hypothese waarop deze vraag is gebaseerd, wordt weerlegd door de vaststellingen van de nationale rechter op grond waarvan deze de eerste vraag heeft gesteld.
21
Onder deze omstandigheden behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
22
De kosten door de Belgische regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij vonnis van 10 januari 1992 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 11, deel A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer in het kader van een verkooptransactie de prijs van het goed door de koper door middel van een kredietkaart wordt betaald en door de emittent van de kaart aan de leverancier wordt overgemaakt, onder inhouding van een percentage als commissie ter beloning van een dienstverrichting door die emittent ten behoeve van de leverancier van het goed, die inhouding moet worden opgenomen in de maatstaf van heffing van de belasting die de belastingplichtige leverancier aan de fiscus moet afdragen.
Conclusie 03‑03‑1993
Gulmann
Partij(en)
CHAUSSURES BALLY SA
tegen
BELGISCHE STAAT, MINISTERE DES FINANCES.
VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL DE PREMIERE INSTANCE DE BRUXELLES — BELGIE.
BELASTING OVER TOEGEVOEGDE WAARDE — ZESDE RICHTLIJN — MAATSTAF VAN HEFFING.
ZAAK C-18/92
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1
De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft het Hof twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 11, deel A van de Zesde BTW-richtlijn.1. Deze vragen zijn gerezen in een procedure die de Belgische vennootschap Chaussures Bally SA tegen de Belgische belastingdienst heeft aangespannen teneinde een door deze genomen beslissing te zien vernietigd.
2
De verwijzende instantie heeft in haar beschikking aangegeven, dat verzoekster Bally-schoenen in België verdeelde via een keten van winkels, en zij heeft verder het volgende opgemerkt:
‘De klanten van de door verzoekster geëxploiteerde winkels betalen de prijs van hun aankopen nu eens in contant geld, dan weer per cheque of ook door middel van een kredietkaart van het type ‘American Express’ , ‘Diners’ , etc.
Om tegemoet te komen aan de wensen van potentiële klanten om als middel van betaling een kredietkaart te gebruiken, is verzoekster met de instellingen die kredietkaarten uitgeven, in overeenkomsten getreden van het type ‘kleinhandel’ .
Deze instellingen houden ten laste van de aangesloten handelaars een commissie in die, in de regel, circa 5 % beloopt van de betalingen die zij aan de handelaren voldoen wanneer deze laatsten van de kredietkaarten gebruik hebben gemaakt (…)
Deze korting vertegenwoordigt de betaling voor de diensten die de Diners-organisatie ten behoeve van de bij haar aangesloten ondernemingen verricht.
Zo geven sommige emittenten er de voorkeur aan een forfaitaire vergoeding te factureren (American Express), terwijl anderen een verband leggen tussen hun dienstverlening en elke afzonderlijke aankoop (Diners), waarbij overigens de commissie of de korting steeds wordt berekend over de totale omzet voortvloeiende uit de rechtsbetrekkingen tussen de aangesloten onderneming en de emittent.’
3
Uit de verwijzingsbeschikking blijkt verder
- o.
dat Bally zich op een bepaald moment heeft gewend tot de Belgische belastingdienst om te weten te komen, of zij gehouden was de BTW te betalen over de totale verkoopprijs dan wel slechts belasting was verschuldigd over het bedrag dat de emittenten van de kredietkaarten haar uitbetaalden na aftrek van hun commissie, en
- o.
dat de Belgische belastingdienst zich in de hoofdzaak op het standpunt stelt, dat de maatstaf van heffing wordt gevormd door het eerste bedrag, terwijl Bally zich op het standpunt stelt, dat de maatstaf van heffing het laatste bedrag is.
4
De eerste prejudiciële vraag luidt als volgt:
‘1
Artikel 11, 1, a), van de richtlijn
Wanneer in het kader van een verkooptransactie de betaling door middel van een kredietkaart plaatsvindt, bestaat de door de aangesloten handelaar ter zake van de levering van een goed van de kredietinstelling verkregen tegenprestatie dan enkel in het bedrag dat de aangesloten handelaar van deze instelling heeft ontvangen?’
5
Artikel 11 van de richtlijn bevat de regels met betrekking tot de maatstaf van heffing. Artikel 11, deel A formuleert de regels met betrekking tot de maatstaf van heffing voor transacties die in het binnenland tot stand komen. Lid 1 bepaalt:
‘De maatstaf van heffing is:
- a)
voor leveringen van goederen (…) alles wat de leverancier voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper, van de ontvanger of van een derde (…)’
De leden 2 en 3 van artikel 11, deel A verduidelijken, voor bepaalde gevallen, onderscheidenlijk wat moet worden opgenomen in de maatstaf van heffing (bij voorbeeld andere belastingen dan de BTW alsook de kosten van verpakking, transport en verzekering) en wat niet moet worden opgenomen in de maatstaf van heffing (bij voorbeeld prijsverminderingen uit hoofde van korting voor vooruitbetaling).
6
Het is wellicht zinvol om aan de hand van enkele cijfers de praktische consequenties van de verschillende tegenover elkaar staande opvattingen te illustreren.
Indien bij voorbeeld
- o.
de BTW 20 % bedraagt,
- o.
de verkoopprijs zonder BTW 100 ECU bedraagt en
- o.
de door de emittent van de kaart bij de betaling aan de verkoper afgehouden commissie 5 % bedraagt,
\B\
dan volgt uit het standpunt van de Belgische autoriteiten, dat de maatstaf van heffing ten laste van de vennootschap 100 ECU is, en dat dus de BTW 20 ECU bedraagt, terwijl uit het standpunt van Bally volgt, dat de maatstaf van heffing slechts 95 ECU is en dat de verschuldigde BTW dus 19 ECU bedraagt.
Het kan verder nuttig zijn te vermelden
- o.
dat de verkoper van de koper, dit wil zeggen de eindverbruiker, de BTW heeft gevorderd over het gehele bedrag en dat de koper een ‘betalingsopdracht’ heeft getekend voor 120 ECU;
- o.
dat de emittent van de kredietkaart 114 ECU aan Bally betaalt, omdat de commissie van 5 % volgens het dossier wordt berekend op de verkoopprijs inclusief BTW, in overeenstemming met hetgeen tussen Bally en de emittenten is overeengekomen, en
- o.
dat blijkens het dossier en overeenkomstig een afwijkingsmogelijkheid waarin de richtlijn voorziet, de commissie van de kredietkaartemittenten in België niet aan BTW is onderworpen.
7
In haar opmerkingen voor het Hof stelt Bally in wezen, dat zij in feite van de emittenten van de kredietkaarten, indien men de cijfers van het voorbeeld aanhoudt, slechts 95 ECU heeft ontvangen als betaling voor de verkochte waar, alsmede 19 ECU, zijnde de BTW over het daadwerkelijk als betaling voor de waar ontvangen bedrag
dat er daarom alle reden is de 95 ECU te beschouwen als de tegenprestatie die zij ter zake van de verkoop van de waar van derden heeft ontvangen
en dat het bijgevolg die tegenprestatie is die krachtens artikel 11, deel A de maatstaf van heffing vormt. Bally stelt bovendien, dat het in het bijzonder de kaarthouders, dat wil zeggen de kopers, zijn die profiteren van de door de emittenten verrichte dienst, en dat het niet gerechtvaardigd is dat de vennootschap de BTW moet betalen over de aan de emittenten betaalde bedragen, om de eenvoudige reden dat deze een belastingvrijstelling genieten.
De Belgische minister van Financiën, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie zijn het erover eens, dat artikel 11, deel A aldus moet worden uitgelegd, dat de maatstaf van heffing het totaal van de tegenprestatie, dat wil zeggen 100 ECU, is. Er bestaan enige verschillen in de argumenten die ter ondersteuning van deze stelling zijn aangevoerd. Die verschillen worden met name verklaard door een verschil van inzicht inzake de vraag of de tegenprestatie van de geleverde waar verstrekt wordt door de koper of door derden, dat wil zeggen de emittenten van de kredietkaarten.
8
Naar mijn mening kan redelijkerwijs niet worden getwijfeld aan het feit dat artikel 11, deel A aldus moet worden uitgelegd, dat de maatstaf van heffing het bedrag is waarover Bally de BTW aan de kopers berekent, zelfs indien deze door middel van een kredietkaart betalen.
Het is naar mijn oordeel van belang, voor ogen te houden dat artikel 11, deel A hoofdzakelijk beoogt een definitie te geven van de maatstaf van heffing o de belastbare waarde o van de goederen die een leverancier aan een koper levert, zodat deze laatste over de aldus vastgestelde maatstaf van heffing de BTW betaalt tegen het percentage dat in de Lid-Staat geldt. De BTW wordt in laatste instantie ‘betaald’ door de eindverbruiker tegen een percentage van de maatstaf van heffing (artikel 12, lid 3, van de richtlijn). De gedetailleerde bepalingen van artikel 11, deel A, leden 1 en 3, beogen in de eerste plaats de problemen op te lossen die veelvuldig in de praktijk voorkomen wanneer de belastingplichtige leverancier de maatstaf van heffing moet vaststellen ten opzichte van degene die de BTW op het geleverd goed moet betalen.2.
9
Indien het standpunt van Bally zou worden aanvaard, zou dit betekenen, dat er verschil kan bestaan tussen de maatstaf van heffing op grond waarvan de BTW van de eindverbruikers wordt gevorderd, en de maatstaf van heffing die bepalend is voor de BTW zoals die door de belastingplichtige aan de belastingdienst is verschuldigd. Het komt mij voor, dat de erkenning dat een dergelijk verschil zou kunnen bestaan, moeilijk verenigbaar is met de opzet van de richtlijn, en in ieder geval is Bally er niet in geslaagd aan te tonen, dat een dergelijk verschil in de onderhavige situatie noodzakelijkerwijs moet bestaan.
10
Ik zie geen dwingende redenen om mij aan te sluiten bij het standpunt van de vennootschap. In de context van de onderhavige zaak komt het mij voor, dat het onproblematisch is de stelling te betrekken, dat de commissie die de emittent afhoudt van het op de afrekening voorkomende bedrag, de betaling door Bally is voor de diensten die de emittent haar verleent. Het is een feit, dat de verschuldigde commissie is vastgesteld in een overeenkomst tussen Bally en de emittent, waarop de kaarthouder, dat wil zeggen de koper van de waar, geen enkele invloed heeft. Bally heeft op die manier tevens aan de verplichting voldaan om de commissie te betalen over het totaal van de op de afrekening vermelde som, dat wil zeggen de verkoopprijs inclusief BTW.
Naar mijn mening vergist Bally zich bovendien wanneer zij ervan uitgaat, dat het feit dat de diensten der emittenten niet belastbaar zijn, van essentiële betekenis is voor het onderzoek van de onderhavige zaak. Indien die diensten belastbaar waren, zou zulks op het eerste gezicht alleen maar tot gevolg hebben, dat de commissie van 5 % belast zou zijn en dat Bally dientengevolge een hoger bedrag aan de emittenten verschuldigd zou zijn.
11
De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft er, naar mijn oordeel terecht, ter terechtzitting op gewezen, dat het Hof ertegen dient te waken, dat de motivering die het ter ondersteuning van zijn antwoord op de aan zijn beslissing onderworpen vraagstelling mocht geven, zodanig is, dat zij van invloed zou kunnen zijn op de juridische kwalificatie van de, in andere opzichten zeer gecompliceerde, rechtsbetrekkingen tussen de kaarthouders, de emittenten en de bij de emittenten aangesloten handelaren. De motivering die ik heb ontwikkeld voor het door mij voorgestelde antwoord, staven naar het mij voorkomt, in overeenstemming met mijn bedoeling, geenszins een bepaald standpunt met betrekking tot de, aan de rechtsverhoudingen tussen de betrokken partijen buiten het gebied van de BTW, te geven kwalificatie.
12
De Commissie heeft er in haar schriftelijke opmerkingen op gewezen, dat er in bepaalde gevallen o met name wanneer een handelaar regelmatig aan contant betalende klanten een korting verleent die gelijk is aan het bedrag van de door de emittent ingehouden commissie o reden kan zijn om de oplossing die de Commissie zelf in het onderhavige geval aanbeveelt, te wijzigen. De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft ter terechtzitting medegedeeld, dat zij zich op dit punt met de Commissie niet kon verenigen. Ik acht het niet noodzakelijk dat het Hof zich in het onderhavige geval over deze kwestie uitspreekt, aangezien duidelijk uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat de omstandigheden waarop de Commissie zich beroept, zich te dezen niet voordoen.
13
De tweede vraag van de verwijzende rechter is als volgt geformuleerd:
‘2
Artikel 11, 3, c), van de Zesde richtlijn
Moet het bedrag van de commissie of korting die de instelling die de kredietkaart uitgeeft op de betaalde prijs inhoudt, worden beschouwd als een vergoeding voor de kosten die voor rekening van de aangesloten handelaar worden gemaakt om hem zekerheid van betaling te garanderen, zodat dit bedrag ingevolge artikel 11, 3, c) van de Zesde richtlijn geen deel uitmaakt van de maatstaf van heffing?’
14
Artikel 11, deel A, lid 3, sub c, bepaalt, dat niet in de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen
‘de bedragen die door een belastingplichtige van de zijde van zijn koper of zijn ontvanger, zijn ontvangen ter vergoeding van kosten gemaakt in naam en voor rekening van deze laatsten en welke in zijn boekhouding als doorlopende posten zijn verwerkt (…).’
15
Deze bepaling kan echter niet worden ingeroepen ter ondersteuning van de stelling, dat Bally het bedrag dat zij van de emittent ontvangt, tegenover de belastingdienst als maatstaf van heffing kan aanvoeren.
Zoals ik hierboven heb uiteengezet, beoogt lid 3 te verduidelijken, dat de leverancier van goederen bepaalde bedragen niet moet opnemen in de maatstaf van heffing die hij tegenover de koper gebruikt. De bepaling sub c beoogt eveneens te verduidelijken, dat er bedragen zijn die de leverancier weliswaar praktisch gezien van de koper ontvangt, doch die hij nochtans niet moet opnemen in de maatstaf van heffing, omdat zij uitsluitend een vergoeding van kosten vertegenwoordigen die de leverancier in het belang van de koper heeft gemaakt en die derhalve niet kunnen worden geacht te zijn een gedeelte van de tegenprestatie voor het geleverde goed.
De onderhavige zaak heeft betrekking op een geheel andere situatie, waarin de koper nu juist de BTW heeft betaald over een maatstaf van heffing waarop daarna geen enkele ‘korting’ volgens artikel 11, deel A, lid 3, sub c, is toegepast.
Daarbij komt nog dat, zoals ik eveneens hierboven heb vermeld, het niet voor de hand ligt de betaalde commissie op te vatten als een bedrag voldaan ‘in naam en voor rekening’ van de koper.
Conclusie
16
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging, de door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel voorgelegde vragen te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 11, deel A van de Zesde richtlijn van de Raad moet aldus worden uitgelegd, dat, wanneer een koper een goed door middel van een kredietkaart betaalt, de maatstaf van heffing gevormd wordt door de verkoopprijs zonder BTW, die voorkomt op de betalingsopdracht welke de koper bij de aankoop van het goed tekent, en niet door het bedrag dat de handelaar van de emittent van de kredietkaart ontvangt, ná aftrek door deze van een commissie.’
(*) Oorspronkelijke taal: Deens.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑03‑1993
oDe jurisprudentie van het Hof met betrekking tot de uitlegging van artikel 11, deel A heeft trouwens op dergelijke situaties betrekking, vergelijk bij voorbeeld arrest van 12 juli 1988 (gevoegde zaken 138/86 en 139/86, Direct Cosmetics, Jurispr. 1988, blz. 3937) en 23 november 1988 (zaak 230/87, Naturally Yours Cosmetics, Jurispr. 1988, blz. 6365).