Procestaal: Duits.
HvJ EG, 06-06-2002, nr. C-80/00
ECLI:EU:C:2002:342
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
06-06-2002
- Magistraten
P. Jann, D. A. O. Edward, A. La Pergola, M. Wathelet, C. W. A. Timmermans
- Zaaknummer
C-80/00
- Conclusie
P. LÉGER
- LJN
AX9593
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2002:342, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 06‑06‑2002
ECLI:EU:C:2002:107, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 21‑02‑2002
Uitspraak 06‑06‑2002
P. Jann, D. A. O. Edward, A. La Pergola, M. Wathelet, C. W. A. Timmermans
Partij(en)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
6 juni 2002 1.
In zaak C-80/00,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van het Bundesgerichtshof (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Italian Leather SpA
en
WECO Polstermöbel GmbH & Co.,
Executieverdrag — Artikel 27, sub 3 — Onverenigbaarheid — Tenuitvoerlegging in aangezochte staat
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van titel III, Erkenning en tenuitvoerlegging, van voormeld Verdrag van 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en — gewijzigde tekst — blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 betreffende de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1) en bij het Verdrag van 26 mei 1989 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, D. A. O. Edward, A. La Pergola, M. Wathelet (rapporteur) en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- —
Italian Leather SpA, vertegenwoordigd door J. Kummer, Rechtsanwalt,
- —
WECO Polstermöbel GmbH & Co., vertegenwoordigd door J. Schütze, Rechtsanwalt,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door R. Wagner als gemachtigde,
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door S. Chala en K. Grigoriou als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
- —
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door G. Amodeo als gemachtigde, bijgestaan door A. Layton, QC,
- —
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. L. Iglesias Buhigues als gemachtigde, bijgestaan door B. Wägenbaur, Rechtsanwalt,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Italian Leather SpA, vertegenwoordigd door J. Kummer; de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Grigoriou; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door A. Layton, en de Commissie, vertegenwoordigd door A.-M. Rouchaud als gemachtigde, bijgestaan door B. Wägenbaur, ter terechtzitting van 22 november 2001,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 februari 2002,
het navolgende
Arrest
1
Bij beschikking van 10 februari 2000, ingekomen bij het Hof op 7 maart daaraanvolgend, heeft het Bundesgerichtshof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van titel III, Erkenning en tenuitvoerlegging, van dat Verdrag (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en — gewijzigde tekst — blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1) en bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1; hierna: Executieverdrag).
2
Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap naar Italiaans recht Italian Leather SpA (hierna: Italian Leather), gevestigd te Bironto (Italië), en de vennootschap naar Duits recht WECO Polstermöbel GmbH & Co. (hierna: WECO), gevestigd te Leimbach (Duitsland), over het gebruik van een merk in het kader van een alleenverkoopovereenkomst inzake leren meubels.
Toepasselijke bepalingen
Executieverdrag
3
Artikel 1, eerste alinea, van het Executieverdrag bepaalt dat dit wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen.
4
Artikel 24 van het Executieverdrag bepaalt:
‘In de wetgeving van een verdragsluitende staat voorziene voorlopige of bewarende maatregelen kunnen bij de rechterlijke autoriteiten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere verdragsluitende staat krachtens dit Verdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.’
5
Titel III van het Executieverdrag geeft de regels volgens welke beslissingen die zijn gegeven door de gerechten van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staten worden erkend en ten uitvoer gelegd.
6
Artikel 25 van het Executieverdrag bepaalt:
‘Onder beslissing in de zin van dit Verdrag wordt verstaan, elke door een gerecht van een verdragsluitende staat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel, alsmede de vaststelling door de griffier van het bedrag der proceskosten.’
7
Artikel 26, eerste alinea, van het Executieverdrag bepaalt:
‘De in een verdragsluitende staat gegeven beslissingen worden in de overige verdragsluitende staten erkend zonder vorm van proces.’
8
Artikel 27 van het Executieverdrag luidt als volgt:
‘Beslissingen worden niet erkend:
[…]
- 3)
indien de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte staat gegeven beslissing;
[…]’
9
Artikel 31, eerste alinea, van het Executieverdrag bepaalt:
‘De beslissingen welke in een verdragsluitende staat zijn gegeven en aldaar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere verdragsluitende staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.’
10
Artikel 34, eerste alinea, van het Executieverdrag bepaalt:
‘Het gerecht, tot hetwelk het verzoek is gericht, doet onverwijld uitspraak; de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt in deze stand van de procedure niet gehoord.’
De Duitse wettelijke bepalingen
11
Volgens het Bundesgerichtshof kan overeenkomstig § 935 Zivilprozessordnung (Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: ZPO) een voorlopige maatregel worden gelast, wanneer gevreesd moet worden dat door een verandering van de bestaande situatie de uitoefening van de rechten van een der partijen wordt verijdeld of in gevaar gebracht. In dat geval moet het aangezochte gerecht in wezen de bestaande situatie zeker stellen.
12
Het Bundesgerichtshof geeft bovendien aan dat het aangezochte gerecht op grond van § 940 ZPO een rechtsverhouding ook voorlopig kan regelen voorzover dit ter voorkoming van wezenlijke schade of ter verhindering van een dreigend gevaar of om andere redenen noodzakelijk lijkt.
13
Overigens kan volgens § 890, lid 1, ZPO een bevel van een Duitse rechter om een handeling te staken, het opleggen van een administratieve dwangsom, en zelfs, wanneer deze niet kan worden geïnd, lijfsdwang tot gevolg hebben.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14
Italian Leather is een vennootschap die leren meubels onder de naam LongLife verhandelt. De vennootschap WECO verkoopt meubels van hetzelfde type.
15
Italian Leather heeft WECO in 1996 op grond van een exclusiviteitscontract het recht verleend om gedurende vijf jaar binnen een bepaald geografisch gebied haar goederen te verkopen. Dit contract bevatte onder meer de volgende clausules:
‘2)
De afnemers mogen het merk LongLife slechts gebruiken voor de verkoop van meubels die met LongLife-leer zijn bekleed.
[…]
4)
De afnemer mag het merk LongLife niet zonder schriftelijke instemming van de leverancier voor eigen reclame gebruiken.’
16
Als bevoegde rechter ter zake van geschillen met betrekking tot deze overeenkomst hebben partijen de rechter te Bari (Italië) aangewezen.
17
In 1998 heeft WECO Italian Leather verweten de overeenkomst gebrekkig uit te voeren. Zij deelde haar mee dat zij daarom niet zou instemmen met gemeenschappelijke reclame op de komende handelsbeurs en haar eigen merk WECO zou presenteren.
18
Italian Leather heeft bij het Landgericht Koblenz (Duitsland), binnen wiens rechtsgebied zich de zetel van WECO bevindt, een kort geding tegen WECO aangespannen opdat het deze vennootschap zou worden verboden, onder het merk naturia longlife by Maurizio Danieli als onderhoudsvriendelijk voorgestelde leren producten te verkopen.
19
Het Landgericht Koblenz, dat op grond van artikel 24 van het Executieverdrag was aangezocht, heeft deze vordering bij vonnis van 17 november 1998 afgewezen omdat er geen spoedeisendheid was.
20
Volgens het Landgericht zou toewijzing van de vordering van Italian Leather neerkomen op een veroordeling van WECO tot uitvoering van het contract. Italian Leather zou niet hebben aangetoond dat er een gevaar bestaat voor onherstelbare schade of definitief verlies van een recht, wat naar Duits recht een voorwaarde is voor het treffen van de gevraagde maatregel. WECO zou overigens al concrete maatregelen hebben genomen voor reclame voor haar leren producten van andere leveranciers en de verkoop daarvan. Zij zou daarom tevens aanzienlijke schade lijden indien het gevorderde verbod zou worden opgelegd.
21
Enkele dagen voor de uitspraak van het Landgericht Koblenz van 17 november 1998, had Italian Leather een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend bij het Tribunale te Bari. In zijn beschikking van 28 december 1998 heeft deze rechterlijke instantie het spoedeisend belang anders beoordeeld. Zij heeft geoordeeld dat [h]et spoedeisend belang bestaat in het economisch nadeel dat verzoekster lijdt en de — onherstelbare — juridische .dood die eruit kan volgen.
22
Het Tribunale te Bari heeft WECO derhalve verboden het woord LongLife in bepaalde lidstaten, waaronder Duitsland, voor de verkoop van haar leren meubels te gebruiken.
23
Op verzoek van Italian Leather heeft het Landgericht Koblenz bij beschikking van 18 januari 1999 (hierna exequaturbeschikking) verlof verleend tot tenuitvoerlegging van de beschikking van het Tribunale te Bari en daaraan overeenkomstig § 890, lid 1, ZPO, een dwangsom verbonden.
24
Op hoger beroep van WECO heeft het bevoegde Oberlandesgericht de exequaturbeschikking gewijzigd, met als overweging dat de beschikking van het Tribunale te Bari onverenigbaar was, in de zin van artikel 27, sub 3, van het Executieverdrag, met de uitspraak van 17 november 1998 waarbij het Landgericht Koblenz het door Italian Leather ingediende verzoek, WECO te verbieden het merk LongLife te gebruiken voor de verkoop van haar leren producten, had afgewezen.
25
Italian Leather heeft de beslissing van het Oberlandesgericht aangevochten bij het Bundesgerichtshof.
26
Dit twijfelt over de uitlegging van artikel 27, sub 3, van het Executieverdrag.
27
Volgens het Bundesgerichtshof heeft de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de vraag of de rechtsgevolgen van verschillende beslissingen elkaar onderling uitsluiten, tot op heden alleen betrekking gehad op situaties die materieelrechtelijk verschilden. De onderhavige zaak heeft echter de bijzonderheid, dat de tegenstelling tussen de twee betrokken uitspraken in kort geding slechts is toe te schrijven aan verschillen in procedurele eisen.
28
Zo deze beslissingen onverenigbaar mochten zijn, zou de rechter van de aangezochte staat evenwel het recht moeten hebben artikel 27, sub 3, van het Executieverdrag niet toe te passen, indien hij van mening is dat vanuit het gezichtspunt van de aangezochte staat het verschil niet belangrijk genoeg is. De bepaling heeft immers alleen tot doel te voorkomen dat de maatschappelijke orde in een verdragsluitende staat wordt verstoord doordat de justitiabele zich op twee tegengestelde beslissingen kan beroepen. Of in een bepaald geval een dergelijke verstoring is te vrezen, dient alleen vanuit het gezichtspunt van de aangezochte staat te worden beoordeeld.
29
Voor het geval het de exequaturbeschikking mocht bevestigen vraagt het Bundesgerichtshof zich bovendien af, of het de dwangsom die het Landgericht Koblenz op grond van het Duitse recht aan de beschikking van het Tribunale te Bari heeft toegevoegd voor het geval deze niet zou worden uitgevoerd, kan of zelfs moet handhaven.
30
Het Bundesgerichtshof brengt in herinnering, dat het Executieverdrag de grensoverschrijdende erkenning van vonnissen wil bevorderen, en legt derhalve de artikelen 31, eerste alinea, en 34, eerste alinea, van dit Verdrag algemeen zo uit dat de rechter van de aangezochte staat voor de buitenlandse rechterlijke beslissing ten aanzien waarvan het verlof om tenuitvoerlegging wordt verzocht, zo veel mogelijk dezelfde gunstige voorwaarden voor de tenuitvoerlegging moet scheppen als voor een vergelijkbare beslissing van een gerecht van de aangezochte staat gelden.
31
Volgens het Bundesgerichtshof kent het Italiaanse recht geen andere wijze van rechtstreekse gedwongen tenuitvoerlegging van een gebod om een handeling achterwege te laten dan het betalen van schadevergoeding.
32
Onder deze omstandigheden zou de toepassing van dwangmiddelen naar Duits recht voor de rechtstreekse tenuitvoerlegging van een door een Italiaanse rechter opgelegd gebod om een handeling achterwege te laten, zwaardere gevolgen hebben dan de dwangmiddelen voorzien in het recht van de staat van herkomst. De verwijzende rechter vraagt zich af of de artikelen 31, eerste alinea, en 34, eerste alinea, van het Executieverdrag een dergelijke oplossing toestaan of zelfs gebieden.
33
Het Bundesgerichtshof heeft derhalve besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
- ‘1)
Kunnen beslissingen in de zin van artikel 27, sub 3, Executieverdrag onverenigbaar zijn, wanneer zij slechts van elkaar afwijken wat de bijzondere voorwaarden betreft waaronder een bepaalde zelfstandige voorlopige maatregel (in de zin van artikel 24 Executieverdrag) kan worden genomen?
- 2)
Mag en moet de rechter van de aangezochte staat die overeenkomstig de artikelen 34, eerste alinea, en 31, eerste alinea, Executieverdrag een buitenlandse beslissing waarbij de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt gelast bepaalde handelingen achterwege te laten, uitvoerbaar verklaart, daarbij tegelijk de maatregelen gelasten die volgens het recht van de aangezochte staat voor de tenuitvoerlegging van een rechterlijk gebod noodzakelijk zijn?
- 3)
Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten de maatregelen die voor de uitvoerbaarheid van dit gebod in de aangezochte staat noodzakelijk zijn, ook dan worden getroffen, wanneer de te erkennen beslissing zelf geen vergelijkbare maatregelen naar het recht van de staat van herkomst inhoudt en dit recht helemaal niet voorziet in rechtstreekse uitvoerbaarheid van een soortgelijk rechterlijk gebod?’
De eerste vraag
34
Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter in wezen allereerst vernemen of artikel 27, sub 3, van het Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat een buitenlandse beslissing in kort geding, waarbij een schuldenaar wordt gelast bepaalde handelingen achterwege te laten, onverenigbaar is met een beslissing in kort geding in de aangezochte staat tussen dezelfde partijen, waarbij het uitvaardigen van een dergelijke maatregel wordt geweigerd, ook al wordt het verschil in gevolgen van genoemde beslissingen veroorzaakt doordat het nationale recht van de staat van herkomst en dat van de aangezochte staat verschillende procedurele voorwaarden stellen voor het uitvaardigen van het gebod. In het geval van een bevestigend antwoord wil hij voorts vernemen, of de rechter van de aangezochte staat de erkenning van de buitenlandse beslissing moet weigeren of dat het Executieverdrag hem toestaat deze weigering slechts uit te spreken wanneer hij van oordeel is dat de maatschappelijke orde in de aangezochte staat door het naast elkaar bestaan van twee tegenstrijdige beslissingen daadwerkelijk en in voldoende mate zou worden verstoord.
Opmerkingen van partijen
35
Met betrekking tot het eerste deel van deze eerste vraag brengt de regering van het Verenigd Koninkrijk in haar schriftelijke opmerkingen naar voren, dat het begrip onverenigbaarheid de rechter van de aangezochte staat verplicht een zeker onderscheid te maken, zoals tussen de voorwaarden voor het treffen van een bepaalde maatregel en de gevolgen van de beslissing de maatregel al dan niet toe te kennen, of het onderscheid tussen de materiële en formele voorwaarden voor het uitvaardigen van de gevraagde maatregel.
36
Met betrekking tot het eerste onderscheid merkt de regering van het Verenigd Koninkrijk op dat artikel 27, sub 3, van het Executieverdrag uitsluitend op de rechtsgevolgen van de beslissing ziet en niet op de voorwaarden voor het treffen ervan. Het kan echter nodig zijn deze voorwaarden te onderzoeken om de rechtsgevolgen van de betrokken beslissing vast te stellen en, bijgevolg, te beoordelen in hoeverre zij met een andere beslissing onverenigbaar is. Dat is in het bijzonder het geval wanneer de gevraagde maatregel is geweigerd. Om de inhoud van de afwijzende beslissing te begrijpen, kan het dan immers nodig zijn om naar de voorwaarden voor het treffen ervan te kijken.
37
Met betrekking tot het tweede onderscheid dat in punt 35 van dit arrest wordt genoemd, kan de rechter, om de inhoud en de gevolgen van elk van de betrokken beslissingen te beoordelen, onderzoeken of de voorwaarden voor de betrokken maatregelen van materieelrechtelijke of procesrechtelijke aard zijn. Dit geldt in het bijzonder wanneer de rechter van de aangezochte staat een beslissing wordt voorgelegd waarbij een bepaalde maatregel wordt geweigerd, omdat er in dat geval geen maatregel is die als zodanig kan worden onderzocht.
38
Ter terechtzitting heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk daaruit afgeleid, dat in het hoofdgeding de negatieve gevolgen van het vonnis van 17 november 1998 van het Landgericht Koblenz bezwaarlijk als onverenigbaar met de positieve gevolgen van de beschikking van het Tribunale te Bari van 28 november 1998 konden worden beschouwd. Alleen wanneer de door beide rechters respectievelijk toegepaste criteria en de aan hen overgelegde bewijsmiddelen identiek waren, zouden de gevolgen van hun beslissingen als onverenigbaar kunnen worden beschouwd.
Beoordeling door het Hof
39
Omdat de rechter in het bodemgeschil het Tribunale te Bari is, gaat het Hof om te beginnen uit van de vooronderstelling dat het Landgericht Koblenz in zijn vonnis van 17 oktober 1998 de grenzen van de bevoegdheid die het aan artikel 24 van het Executieverdrag ontleende, zoals die door het Hof zijn uitgelegd (zie arresten van 17 november 1998, Van Uden, C-391/95,Jurispr. blz. I-7091, punten 37–47, en 27 april 1999, Mietz, C-99/96, Jurispr. blz. I-2277, punten 42, 46 en 47), niet heeft overschreden.
40
In de eerste plaats volgt uit de rechtspraak van het Hof dat, om vast te stellen of van onverenigbaarheid in de zin van artikel 27, sub 3, van het Executieverdrag sprake is, moet worden nagegaan of de betrokken beslissingen rechtsgevolgen hebben die elkaar uitsluiten (arrest van 4 februari 1988, Hoffmann, 145/86, Jurispr. blz. 645, punt 22).
41
In de tweede plaats doet het weinig ter zake of de betrokken beslissingen zijn gegeven in het kader van een kort geding dan wel van een bodemprocedure. Door evenals artikel 25 van het Executieverdrag zonder nadere precisering van beslissingen te spreken, heeft artikel 27, sub 3, een algemene strekking. Beslissingen in kort geding zijn derhalve, evenals de andere beslissingen die in artikel 25 worden genoemd, aan de regels inzake onverenigbaarheid van het Executieverdrag onderworpen.
42
In de derde plaats doet het evenmin ter zake dat de regels voor nationale kortgedingprocedures al naar gelang de verdragsluitende staat meer kunnen verschillen dan de regels voor bodemprocedures.
43
Allereerst heeft het Executieverdrag immers niet tot doel, het formele recht van de verdragsluitende staten een te maken, maar de rechterlijke bevoegdheden voor de beslechting van geschillen in burgerlijke en handelszaken tussen de verdragsluitende staten te verdelen en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken (arresten van 15 mei 1990, zaak C-365/88, Hagen, Jurispr. blz. I-1845, punt 17, en 7 maart 1995, Shevill e.a., C-68/93, Jurispr. blz. I-415, punt 35).
44
In de tweede plaats blijkt uit punt 22 van het arrest Hoffmann, reeds aangehaald, dat de onverenigbaarheid betrekking moet hebben op de gevolgen van de rechterlijke beslissingen; zij betreft niet de voorwaarden voor ontvankelijkheid of de procedurele voorwaarden die bij de totstandkoming van die beslissingen in acht moeten worden genomen en die per verdragsluitende staat kunnen verschillen.
45
In het licht van voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld, dat de beslissingen in kort geding zoals die in het hoofdgeding aan de orde zijn, onverenigbaar zijn.
46
Het Tribunale te Bari heeft immers de vordering van Italian Leather jegens WECO, ertoe strekkende dat het laatstgenoemde zou worden verboden het merk LongLife te gebruiken voor de verkoop van haar leren producten, toegewezen, nadat het Landgericht Koblenz een gelijkluidende vordering van dezelfde eiser jegens dezelfde verweerder had afgewezen.
47
Op het eerste deel van de eerste vraag dient derhalve te worden geantwoord dat artikel 27, sub 3, van het Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat een buitenlandse beslissing in kort geding waarbij een schuldenaar wordt gelast bepaalde handelingen achterwege te laten, onverenigbaar is met een beslissing in kort geding in de aangezochte staat tussen dezelfde partijen waarbij het treffen van een dergelijke maatregel wordt geweigerd.
48
Ten aanzien van het tweede deel van de eerste vraag, dat betrekking heeft op de gevolgen van de onverenigbaarheid van een buitenlandse beslissing met een beslissing van een rechter van de aangezochte staat, moet allereerst worden vastgesteld dat, in de bewoordingen van het Jenard-rapport over het Executieverdrag (PB 1979, C 59, blz. 1, 45), [h]et […] buiten kijf [staat], dat de maatschappelijke orde van een lidstaat zou worden ondermijnd, indien men zich op twee met elkaar strijdige beslissingen zou kunnen beroepen.
49
Voorts zij eraan herinnerd dat artikel 27, sub 3, van het Executieverdrag bepaalt dat een beslissing niet wordt erkend indien zij onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte staat gegeven beslissing.
50
De in artikel 27, sub 3, van het Executieverdrag voorziene weigeringsgrond voor erkenning van beslissingen heeft dus een verplicht karakter, in tegenstelling tot wat volgt uit artikel 28, tweede alinea, van het op 16 september 1988 te Lugano gesloten Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 319, blz. 9). Krachtens deze bepaling kan erkenning van een beslissing worden geweigerd indien een van de in artikelen 54 ter, lid 3, en 57, lid 4, van dat Verdrag voorziene gevallen zich voordoet.
51
Ten slotte zou het in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, waarover het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het een van de doelstellingen van het Executieverdrag is (zie arresten van 4 maart 1982, Effer, 38/81,Jurispr. blz. 825, punt 6; 28 september 1999, GIE Groupe Concorde e.a., C-440/97, Jurispr. blz. I-6307, punt 23, en 19 februari 2002, Besix, C-256/00, Jurispr.blz. I-1699, punt 24), artikel 27, sub 3, aldus uit te leggen dat dit de rechter van de aangezochte staat de mogelijkheid geeft een buitenlandse beslissing te erkennen hoewel deze onverenigbaar is met een in deze verdragsluitende staat gegeven rechterlijke beslissing.
52
Gelet op de voorgaande overwegingen dient op het tweede deel van de eerste vraag te worden geantwoord dat de rechter van de aangezochte staat erkenning van een beslissing van een rechter van een andere verdragsluitende staat moet weigeren, wanneer hij vaststelt dat de buitenlandse beslissing onverenigbaar is met een door een rechter van de aangezochte staat tussen dezelfde partijen gegeven beslissing.
De tweede en derde vraag
53
Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeven de tweede en de derde vraag geen beantwoording.
Kosten
54
De kosten door de Duitse, de Griekse en de Italiaanse regering alsmede door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesgerichtshof bij beschikking van 10 februari 2000 gestelde vraag, verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 27, sub 3, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, bij het Verdrag van 25 oktober 1982 betreffende de toetreding van de Helleense Republiek en bij het Verdrag van 26 mei 1989 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, moet aldus worden uitgelegd dat een buitenlandse beslissing in kort geding waarbij een schuldenaar wordt gelast bepaalde handelingen achterwege te laten, onverenigbaar is met een beslissing in kort geding in de aangezochte staat tussen dezelfde partijen waarbij het treffen van een dergelijke maatregel wordt geweigerd.
- 2)
De rechter van de aangezochte staat moet erkenning van een beslissing van een rechter van een andere verdragsluitende staat weigeren, wanneer hij vaststelt dat de buitenlandse beslissing onverenigbaar is met een door een rechter van de aangezochte staat tussen dezelfde partijen gegeven beslissing.
Jann, Edward, La Pergola, Wathelet, Timmermans
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 juni 2002.
De griffier
R. Grass
De president van de Vijfde kamer
P. Jann
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑06‑2002
Conclusie 21‑02‑2002
P. LÉGER
Partij(en)
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 21 februari 20021.
Zaak C-80/00
Italian Leather SpA
tegen
WECO Polstermöbel GmbH & Co.
[verzoek van het Bundesgerichtshof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
EEG-Executieverdrag — Beslissingen waarbij uitspraak wordt gedaan op verzoeken om voorlopige of bewarende maatregelen — Begrip .onverenigbare beslissing — Tenuitvoerlegging in aangezochte staat
1
In de onderhavige prejudiciële zaak wordt het Hof verzocht om uitlegging van artikel 27, sub 3, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, het zogenoemde EEG-Executieverdrag.2. Volgens dit artikel kan een rechterlijke beslissing niet in een andere verdragsluitende staat worden erkend indien zij onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in die staat gegeven beslissing.
2
De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale beslissingen is, hebben als bijzonderheid, dat zij zijn uitgesproken in kortgedingprocedures die in elk van de twee verdragsluitende staten anders zijn geregeld. Dit aspect van het aan hem voorgelegde geschil is voor de verwijzende rechter aanleiding om zich af te vragen of de verschillende procedurele voorwaarden waarvan de vaststelling van voorlopige of bewarende maatregelen in elk van deze staten afhankelijk is, de beslissingen op een verzoek om dergelijke maatregelen onverenigbaar met elkaar maken.
3
Alvorens de belangrijkste aan het Hof voorgelegde vraag te beantwoorden, geef ik eerst de feiten in het hoofdgeding, de daaropvolgende procedure en het relevante rechtskader weer.
I. De feiten en de procedure in het hoofdgeding
4
Italian Leather SpA3. is een in Italië gevestigde rechtspersoon, die leren meubels onder de naam LongLife verhandelt.
5
WECO Polstermöbel GmbH & Co.4. is een in Duitsland gevestigde vennootschap die eveneens leren meubels verkoopt.
6
In 1996 heeft Italian Leather WECO op grond van een exclusiviteitscontract het recht verleend om gedurende vijf jaar binnen een bepaald geografisch gebied haar goederen te verkopen. Dit contract bevatte onder meer de volgende clausules:
‘2)
De afnemers mogen het merk Longlife slechts gebruiken voor de verkoop van meubels die met Longlife-leer zijn bekleed.
[…]
4)
De afnemer mag het merk Longlife niet zonder schriftelijke instemming van de leverancier voor eigen reclame gebruiken.5.
7
Als bevoegde rechter hebben partijen de rechter te Bari (Italië) aangewezen.
8
In 1998 heeft WECO Italian Leather verweten de overeenkomst gebrekkig uit te voeren. Zij deelde haar mee dat zij daarom niet zou instemmen met gemeenschappelijke reclame op komende handelsbeurzen, en haar eigen merk WECO zou presenteren.
9
Italian Leather heeft bij het Landgericht Koblenz (Duitsland), binnen wiens rechtsgebied zich de zetel van WECO bevindt, een kort geding aangespannen tegen WECO opdat het deze vennootschap zou worden verboden om onder het merk naturia longlife by Maurizio Danieli als onderhoudsvriendelijk voorgestelde leren producten te verkopen.
10
Het Landgericht Koblenz, dat op grond van artikel 24 van het Executieverdrag was aangezocht, heeft deze vordering bij vonnis van 17 november 1998 afgewezen wegens het ontbreken van een grond voor een maatregel in kort geding.6.
11
Volgens het Landgericht zou toewijzing van de vordering van Italian Leather neerkomen op een veroordeling van WECO tot uitvoering van het contract. Italian Leather zou niet hebben aangetoond dat er een gevaar bestaat voor onherstelbare schade of definitief verlies van een recht, wat naar Duits recht prealabele voorwaarden zijn voor het treffen van de gevraagde maatregel. WECO zou overigens al concrete maatregelen hebben genomen om reclame te maken en om haar producten met leer van andere leveranciers te verkopen. Ook zij zou derhalve aanzienlijke schade lijden, indien het gevraagde verbod zou worden opgelegd.
12
Italian Leather heeft tevens een verbod gevraagd aan het Tribunale te Bari. Bij beschikking van 28 december 1998 heeft dit gerecht WECO verboden het woord Longlife in bepaalde lidstaten, waaronder Duitsland, voor de verkoop van haar leren meubels te gebruiken, daarbij overwegend dat [h]et spoedeisend belang bestaat in het economisch nadeel voor verzoekster en de — onherstelbare — .juridische dood die eruit kan volgen.7.
13
Op verzoek van Italian Leather heeft het Landgericht Koblenz bij beschikking van 18 januari 1999 verlof verleend tot tenuitvoerlegging van de beschikking van het Tribunale te Bari en daaraan een dwangsom verbonden.
14
Op hoger beroep van WECO heeft het bevoegde Oberlandesgericht de beschikking van 18 januari 1999 gewijzigd, daarbij overwegend dat de beschikking van het Tribunale te Bari onverenigbaar, in de zin van artikel 27, sub 3, Executieverdrag, was met de uitspraak van 17 november 1998 waarbij het Landgericht Koblenz het door Italian Leather gevraagde verbod heeft afgewezen.
15
Italian Leather heeft zich tegen de beslissing van het Oberlandesgericht voorzien bij het Bundesgerichtshof.
II. Rechtskader
Het Executieverdrag
16
Het Executieverdrag wordt ingevolge artikel 1, eerste alinea, toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen.
17
Titel III van het Executieverdrag geeft de regels volgens welke beslissingen die zijn gegeven door de gerechten van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staten worden erkend en ten uitvoer gelegd.
18
Artikel 26, eerste alinea, bepaalt: de in een verdragsluitende staat gegeven beslissingen worden in de overige verdragsluitende staten erkend zonder vorm van proces.
19
Een van de uitzonderingen op de erkenning van beslissingen in de aangezochte wordt genoemd in artikel 27, sub 3, dat bepaalt: beslissingen worden niet erkend […] indien de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in die staat gegeven beslissing.
De Duitse wettelijke bepalingen
20
Volgens het Bundesgerichtshof kan overeenkomstig § 935 Zivilprozeßordnung8. een voorlopige maatregel worden gelast, wanneer gevreesd moet worden dat door een verandering van de bestaande situatie de uitoefening van de rechten van een der partijen wordt verijdeld of in gevaar gebracht. In dat geval moet het aangezochte gerecht in wezen de bestaande situatie zeker stellen.9.
21
Volgens de verwijzende rechter kan volgens die bepaling […] de rechter een rechtsbetrekking ook voorlopig regelen, voorzover dit ter voorkoming van wezenlijke schade of ter verhindering van dreigend geweld of om andere redenen noodzakelijk lijkt.10.
III. De prejudiciële vragen
22
Het Bundesgerichtshof twijfelt over de uitlegging die moet worden gegeven aan artikel 27, sub 3, Executieverdrag wanneer het, zoals in het onderhavige geval, gaat om twee beslissingen in kort geding die zijn gegeven op grond van verschillende procedurele voorwaarden. Indien het de exequaturbeschikking van het Landgericht Koblenz van 18 januari 1999 zou bevestigen, vraagt het Bundesgerichtshof zich af, of het de dwangsom die het Landgericht Koblenz aan de Italiaanse beschikking heeft verbonden voor het geval deze niet zou worden uitgevoerd, kan of moet handhaven.
23
Bijgevolg heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
- ‘1)
Kunnen beslissingen in de zin van artikel 27, sub 3, Executieverdrag onverenigbaar zijn, wanneer zij slechts van elkaar afwijken wat de bijzondere voorwaarden betreft waaronder een bepaalde zelfstandige voorlopige maatregel (in de zin van artikel 24 Executieverdrag) kan worden genomen?
- 2)
Mag en moet de rechter van de aangezochte staat die overeenkomstig artikel 34, eerste alinea, en 31, eerste alinea, Executieverdrag een buitenlandse beslissing waarbij de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt gelast bepaalde handelingen achterwege te laten, uitvoerbaar verklaart, daarbij tegelijk de maatregelen gelasten die volgens het recht van de aangezochte staat voor de tenuitvoerlegging van een rechterlijk gebod noodzakelijk zijn?
- 3)
Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten de maatregelen die voor de uitvoerbaarheid van dit gebod in de aangezochte staat noodzakelijk zijn, ook dan worden getroffen, wanneer de te erkennen beslissing zelf geen vergelijkbare maatregelen naar het recht van de staat van herkomst inhoudt en dit recht helemaal niet voorziet in rechtstreekse uitvoerbaarheid van een soortgelijk rechterlijk gebod?’
IV. De onverenigbaarheid, in de zin van artikel 27, sub 3, Executieverdrag, van tegengestelde beslissingen die zijn gegeven in kortgedingprocedures waarvoor verschillende procedurele voorwaarden gelden (eerste prejudiciële vraag)
24
De eerste vraag betreft de onverenigbaarheid, in de zin van artikel 27, sub 3, Executieverdrag, van twee beslissingen11. in kort geding, gegeven door rechters in twee verdragsluitende staten naar aanleiding van een verzoek om een verbod op het gebruik van een merk.
25
In de formulering van het Bundesgerichtshof is deze vraag gebaseerd op de vooronderstelling dat de twee beslissingen enkel van elkaar afwijken wegens de verschillen in de voorwaarden voor de oplegging van het verbod. De naar Duits recht geldende gronden voor een maatregel in kort geding zouden strenger zijn dan die in de Italiaanse wettelijke regeling. Daardoor zou een verzoek om een verbod voor een Italiaanse rechter meer kans van slagen hebben dan voor een Duitse rechter.
26
Vooraf moeten twee opmerkingen worden gemaakt.
27
Ten eerste: hoewel in de prejudiciële vraag het accent wordt gelegd op de verschillen tussen de Duitse en de Italiaanse procedure, wordt in de verwijzingsbeschikking niet precies aangegeven welke procedureregels naar Italiaans recht van toepassing zijn. Wel heeft het Bundesgerichtshof, na een uiteenzetting van de redenen op grond waarvan het Landgericht Koblenz van oordeel was dat niet was voldaan aan de voorwaarde voor het opleggen van het gevraagde verbod, vermeld dat het Tribunale te Bari deze voorwaarde anders heeft beoordeeld.12. Uit deze precisering kan worden afgeleid dat het verschil tussen de twee beslissingen te wijten is aan het feit dat de twee rechters verschillend oordelen over dezelfde procedurele voorwaarde, en niet aan het bestaan van wezenlijk verschillende nationale rechtskaders.
28
Bij gebreke van nadere gegevens over de redenen van de verwijzende rechter voor zijn vraag over de procedurele voorwaarden waaronder de gevraagde maatregel kan worden getroffen, moet evenwel worden aangenomen dat de in het nationale recht neergelegde gronden voor een maatregel in kort geding in de twee verdragsluitende staten niet identiek zijn.
29
Ten tweede: de veronderstelling dat het enige kenmerkende verschil tussen de twee kortgedingbeslissingen is gelegen in het verschil tussen de nationale procedurele voorwaarden voor een verbodsmaatregel, gaat voorbij aan het feit dat de beslissingen ook verschillen door hun gevolgen. Bij de Duitse beslissing werd het verzoek om een verbod afgewezen; bij de Italiaanse beslissing werd dit verbod opgelegd.
30
Deze vaststelling heeft gevolgen voor de inhoud van de door het Hof te beantwoorden prejudiciële vraag. De vraag van de verwijzende rechter zou geen zin hebben wanneer, ondanks het bestaan van verschillende gronden voor het treffen van maatregelen in kort geding, hun gevolgen in dezelfde richting zouden gaan. In een dergelijk geval zou de buitenlandse beslissing ongetwijfeld verenigbaar zijn met die welke in de aangezochte staat is gegeven.
31
Artikel 27 vormt immers een belemmering voor de verwezenlijking van een van de fundamentele doelstellingen van het Executieverdrag, het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen zoveel mogelijk te vergemakkelijken door de invoering van een eenvoudige en snelle executieprocedure. Deze uitzondering op het beginsel van de onderlinge erkenning van beslissingen moet derhalve strikt worden uitgelegd.13. Bovendien moet de toepassing ervan beperkt blijven tot beslissingen waarvan de rechtsgevolgen, indien zij gelijktijdig zouden intreden in dezelfde verdragsluitende staat, de maatschappelijke orde in de aangezochte staat zouden verstoren.14.
32
In het arrest van 4 februari 1988, Hoffmann, oordeelde het Hof dat, om vast te stellen of van onverenigbaarheid in de zin van die bepaling sprake is, moet worden nagegaan of de betrokken beslissingen rechtsgevolgen hebben die elkaar onderling uitsluiten.15. Men kan dan ook bijvoorbeeld moeilijk verdedigen dat beslissingen die op een uiteenlopende motivering berusten, doch dezelfde rechtsgevolgen hebben, onverenigbaar zijn doordat zij de maatschappelijke orde in de aangezochte staat kunnen verstoren.16. Ook al berusten beslissingen op uiteenlopende gronden, zij kunnen naast elkaar bestaan indien de daaruit voortvloeiende rechtsnormen niet onverenigbaar met elkaar zijn.
33
Wanneer de in nationale wettelijke bepalingen neergelegde gronden voor een beslissing in kort geding uiteenlopen, maar de met toepassing van deze procedurele voorwaarden gegeven beslissingen geen onderling onverenigbare gevolgen opleveren, kan de buitenlandse beslissing dus zeker niet als onverenigbaar met die in de aangezochte staat worden aangemerkt.
34
Bijgevolg kan het feit dat de voorwaarden in de nationale procedures voor een beslissing in kort geding niet identiek zijn, niet los worden gezien van de constatering dat de twee litigieuze beslissingen op het verzoek om een verbod, tot lijnrecht tegenovergestelde uitkomsten hebben geleid. Juist wegens de onverenigbaarheid van de beslissingen door de gevolgen ervan, in de zin van het reeds aangehaalde arrest Hoffmann, vraagt het Bundesgerichtshof zich af of de onverenigbaarheid van de beslissingen blijft bestaan, wanneer deze is veroorzaakt door verschillen die kenmerkend zijn voor de procedurele voorwaarden die daarvoor gelden.
35
De aarzeling over de uitlegging van artikel 27, sub 3, Executieverdrag hangt ook hiermee samen dat de beslissingen, hoe verschillend zij ook mogen zijn, het geschil niet ten gronde, dat wil zeggen niet in materieelrechtelijke zin, beslissen. De kans van slagen voor de verzoekende partij hangt hoofdzakelijk samen met de mate van toegankelijkheid van de maatregelen die de kortgedingrechter kan treffen, en waarvoor het nationale recht de regels vaststelt. De procedurele verschillen brengen zelf het gevaar mee van onverenigbaarheid van beslissingen, zodat het niet zeker is dat in casu een Italiaanse beslissing ten gronde, gegeven krachtens het op het geschil toepasselijke materiële recht, onverenigbaar zou zijn met een onder dezelfde voorwaarden gegeven Duitse beslissing.
36
Het Bundesgerichtshof heeft vastgesteld dat het Landgericht Koblenz het recht van Italian Leather op een bevel tot nalaten niet ten principale heeft afgewezen17., doch enkel heeft geoordeeld dat niet was voldaan aan de voorwaarde voor verlening van de gevraagde maatregel.18. Volgens het Landgericht Koblenz strekte het verzoek van Italian Leather tot regeling van de tussen partijen bestaande rechtsbetrekkingen en was het niet beperkt tot handhaving van de bestaande situatie. Van de noodzaak om ernstige schade te voorkomen, een van de voorwaarden voor een beslissing in kort geding, was geen sprake.19. Het Tribunale te Bari heeft op grond van de nationale procedurebepalingen een andere beslissing genomen.
37
Uit de prejudiciële vraag moet dan ook worden begrepen, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 27, sub 3, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat een buitenlandse beslissing waarbij een verbod wordt opgelegd, in de zin van deze bepaling onverenigbaar is met een beslissing in de aangezochte staat tussen dezelfde partijen waarbij een dergelijke maatregel wordt geweigerd, wanneer de tegengestelde gevolgen van de twee beslissingen zijn toe te schrijven aan de verschillen tussen de procedurele voorwaarden waarvan het nationale recht de vaststelling van het verbod in de staat van herkomst en in de aangezochte staat laat afhangen.
38
Zoals reeds opgemerkt, sluiten de rechtsgevolgen van beslissingen als die in het hoofdgeding elkaar onderling uit.
39
De Italiaanse rechter heeft het door Italian Leather gevraagde verbod toegewezen, nadat de Duitse rechter een identiek verzoek van dezelfde verzoekster had afgewezen.
40
Het feit dat een rechter in een verdragsluitende staat een verzoek toewijst dat identiek is aan een verzoek dat door een rechter in een andere verdragsluitende staat werd afgewezen, hoeft in exequaturprocedures niet per definitie twijfels op te roepen ten aanzien van het al dan niet verenigbaar zijn van twee beslissingen.
Zo werd bijvoorbeeld in de reeds genoemde zaak Hoffmann een buitenlandse beslissing waarbij een echtgenoot was veroordeeld om aan zijn vrouw uit hoofde van zijn uit het huwelijk voortvloeiende onderhoudsverplichtingen alimentatie te betalen, onverenigbaar geacht met een in de aangezochte staat gegeven beslissing waarbij tussen de betrokkenen de echtscheiding was uitgesproken. Hoewel deze twee tussen dezelfde partijen gegeven beslissingen niet hetzelfde voorwerp hadden, werden zij niettemin geacht onder artikel 27, sub 3, Executieverdrag te vallen.
41
In casu zijn de feiten van het hoofdgeding veel eenvoudiger te analyseren, aangezien de twee rechters in hun uitspraken op hetzelfde verzoek tegengesteld hebben beslist.
42
Het argument dat de beslissing waarbij de gevraagde maatregel wordt opgelegd, verenigbaar is met die waarbij het verzoek werd afgewezen, aangezien de ene beslissing positieve gevolgen heeft terwijl de andere het toepasselijke recht onveranderd laat, kan niet worden aanvaard.20.
43.
Er moet immers van worden uitgegaan dat de beslissing — wat ook de rechtsgrondslag ervan moge zijn — waarbij een verzoek niet-ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard, rechtsgevolgen heeft. De weigering van een verbod is op zichzelf een positieve handeling, ook wanneer deze wordt gekenmerkt door het ontbreken van materiële gevolgen. De afwijzingsbeslissing kan dus collideren met een beslissing die het tegenovergestelde effect heeft.
44
Onderzocht moet worden of beslissingen die onverenigbaar zijn in de zin van het arrest Hoffmann, dit blijven wanneer deze onverenigbaarheid berust op verschillen in de nationaalrechtelijke procedurele voorwaarden waarvan de oplegging van het verbod afhangt.
45
De tekst en de doelstellingen van het Executieverdrag kunnen hier uitkomst bieden.
46
Artikel 27, sub 3, van het Executieverdrag geeft niet aan wat onder onverenigbaar moet worden verstaan. Het stelt deze kwalificatie afhankelijk van de voorwaarde dat de buitenlandse beslissing waarvan erkenning wordt geweigerd, en de beslissing in de aangezochte staat zijn gegeven tussen dezelfde partijen. Verder bevat het geen enkele andere voorwaarde, zoals de voorwaarde dat de procedures voor de twee nationale rechters vergelijkbaar of identiek zijn.
47
Ik voeg hieraan toe dat het gevaar van onverenigbaarheid in de zin van artikel 27, sub 3, van het Executieverdrag losstaat van de aard van de betrokken beslissing, mits deze beantwoordt aan de definitie van artikel 25 Executieverdrag.
48
Bij de uitlegging van laatstgenoemde bepaling heeft het Hof gepreciseerd dat een handeling slechts als een beslissing in de zin van het Executieverdrag kan worden aangemerkt, wanneer zij uitgaat van een rechterlijke instantie van een verdragsluitende staat die op eigen gezag de geschilpunten tussen partijen beslecht.21.Artikel 25 maakt evenwel geen enkel onderscheid tussen de beslissingen van nationale rechters naar gelang de kenmerken van de procedures waarin zij werden gegeven.
49
Het Hof heeft duidelijk beklemtoond dat voor de toepassing van artikel 27, sub 3, Executieverdrag een andere uitlegging niet in aanmerking kan komen, aangezien de definitie van het in artikel 25 genoemde begrip beslissing geldt voor alle bepalingen van het Executieverdrag waarin deze term wordt gebezigd.22.
50
Bij lezing van de toepasselijke bepalingen moet dan ook worden aangenomen dat beslissingen in nationale kortgedingprocedures, die zich kenmerken door specifieke regels en dus meer dan andere procedures per verdragsluitende staat kunnen variëren, onder dezelfde rechtsregeling vallen als de overige in artikel 25 bedoelde beslissingen.
51
Dit wordt bevestigd door de rechtspraak waarin het Hof heeft verklaard dat artikel 24 Executieverdrag niet uitsluit dat voorlopige of bewarende maatregelen onder de in de artikelen 25 tot en met 49 Executieverdrag vastgestelde voorwaarden kunnen worden erkend en ten uitvoer gelegd.23. Men kan er niet van uitgaan dat het Executieverdrag van toepassing is op procedures die tot dergelijke maatregelen leiden, zonder daarbij tegelijkertijd de mogelijkheid onder ogen te zien dat de betrokken beslissingen onverenigbaar zijn.
De in het hoofdgeding krachtens artikel 24 Executieverdrag gegeven beslissing is weliswaar niet de beslissing waarvoor om exequatur is verzocht, maar dit neemt niet weg dat de beslissingen waarbij voorlopige of bewarende maatregelen worden bevolen, waartoe ook een beslissing kan worden gerekend waarbij een verbod wordt opgelegd ter voorkoming van blijvende economische schade24., door het Hof niet naar hun aard worden uitgesloten van de in artikel 27, sub 3, bedoelde regeling voor beslissingen in het algemeen.25.
52
De doelstelling van het Executieverdrag bevestigt wat de bewoordingen reeds doen vermoeden.
53
Volgens het rapport Jenard staat het buiten kijf, dat de maatschappelijke orde zou worden ondermijnd, indien men zich op twee met elkaar strijdige beslissingen zou kunnen beroepen.26. Het criterium van ondermijning van de maatschappelijke orde dat, zoals bekend, ten grondslag ligt aan artikel 27, sub 3, Executieverdrag, moet als richtsnoer dienen bij de uitlegging van deze bepaling.
54
Het reeds aangehaalde arrest Hoffmann vormt een perfecte illustratie van het belang van een strikte uitlegging van artikel 27, sub 3, Executieverdrag, daar het de onverenigbaarheid van de twee beslissingen afhankelijk stelt van de onverenigbaarheid van de door de rechter van de staat van herkomst gegevens normering met die gegevens op het grondgebied van de aangezochte staat. Deze benadering van de onverenigbaarheid van beslissingen, die meer uitgaat van hun gevolgen dan van hun wezenlijke inhoud27., lijkt mij pragmatischer en doet meer recht aan het vereiste van strikte uitlegging van de bepaling.
55
In dit arrest neemt het Hof stilzwijgend aan dat de beslissing van een verdragsluitende staat waarvan de tenuitvoerlegging op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat tot rechtsgevolgen leidt die elkaar onderling uitsluiten, een verstoring van de maatschappelijke orde vormt. Dit oordeel geldt in de eerste plaats voor beslissingen die, zoals in casu, tegengestelde gevolgen hebben.
56
Om zich hiervan te overtuigen, hoeft men zich slechts de gevolgen in te denken van de situatie waarin een staat volgens zijn nationale recht van overheidswege de tenuitvoerlegging zou moeten afdwingen van twee beslissingen waarvan de ene een verzoek toewijst en de andere het afwijst. De maatschappelijke orde in de verdragsluitende staten wordt gewaarborgd door het bestaan van de rechtsstaat. De continuïteit van de rechtsstaat is afhankelijk van de mogelijkheid van elk rechtssubject om gebruik te maken van het bestaande systeem van rechtsbedeling ten einde een daadwerkelijke toepassing van de geldende rechtsnormen te verkrijgen. Dit gehele bouwwerk zou in gevaar komen indien de daarbinnen genomen beslissingen door de erkenning of de tenuitvoerlegging van tegenstrijdige beslissingen ter discussie zouden kunnen worden gesteld.
57
De voorwaarden waaronder de beslissingen zijn gegeven, doen weinig ter zake. Het risico van verstoring van de maatschappelijke orde is niet minder groot indien beslissingen met onverenigbare gevolgen op grond van verschillende procedurele voorwaarden zijn gegeven.
58
Indien wordt aangenomen dat een rechterlijke uitspraak, ook wanneer deze is gebaseerd op specifieke nationaalrechtelijke voorwaarden, een beslissing in de zin artikel 25 van het Executieverdrag is, dient deze uitspraak evenals elke andere beslissing op het grondgebied van de verdragsluitende staten gelding te hebben. Het gevaar schuilt in de collisie van tegengestelde normeringen, waarvan de bindende werking niet afneemt door het feit dat de beslissingen zijn gegeven in kortgedingprocedures die verschillend zijn geregeld.
In het hoofdgeding is niet beweerd dat een beslissing in de Italiaanse of in de Duitse kortgedingprocedure minder bindende werking zou hebben dan een beslissing ten principale.
59
Ik ben van mening dat de erkenning van een beslissing in kort geding als die in het hoofdgeding, om reden dat de onverenigbare aard ervan is te herleiden tot procedurele verschillen, een even groot risico van verstoring van de maatschappelijke orde in de aangezochte staat zou meebrengen als de erkenning van een onverenigbare beslissing in een bodemprocedure.
60
Bovendien zou een uitlegging van artikel 27, sub 3, Executieverdrag die om procedurele redenen onverenigbare beslissingen van de werkingssfeer van deze bepaling zou uitsluiten, het nut ervan verminderen, aangezien de gerechtelijke procedures in burgerlijke en handelszaken, of het nu gaat om gewone of om kortgedingprocedures, in de verdragsluitende staten nog lang niet onderling zijn geharmoniseerd.
61
Mijns inziens mag de aard van de gronden die tot onderling onverenigbare beslissingen leiden, of zij nu materieelrechtelijk zijn dan wel resulteren uit de toepasselijke procedure, geen rol spelen bij de redenering die de rechter volgt wanneer hij een uitspraak wil doen over hun onverenigbaarheid.
62
Volledigheidshalve zal ik nog ingaan op de door het Bundesgerichtshof opgeworpen vraag over de beoordelingsbevoegdheid van de rechter die wordt verzocht om erkenning of tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing. Het vraagt zich af of in geval van een afwijking tussen de beide betrokken beslissingen die de toepassing van artikel 27, sub 3, Executieverdrag rechtvaardigt, aan de rechter van de aangezochte staat niet de mogelijkheid zou moeten worden toegekend om deze bepaling niet toe te passen wanneer vanuit het perspectief van deze staat geen bijzondere verstoring van de maatschappelijke orde te duchten is.28.
63
De door het Bundesgerichtshof voorgestelde benadering lijkt mij niet in overeenstemming met het Executieverdrag, met name niet met artikel 27, sub 3.
64
De vaststelling dat een buitenlandse beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte staat gegeven beslissing, vormt naar mijn mening een onoverkomelijke belemmering voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van die buitenlandse beslissing op het grondgebied van de aangezochte staat.
65
De gelijktijdige tenuitvoerlegging van twee beslissingen waarvan de rechtsgevolgen elkaar onderling uitsluiten, betekent niets meer of minder dan de ontkenning van de doeltreffendheid van het recht, dat dan immers door het bestaan van twee tegengestelde normeringen wordt verlamd. Een op de rechtsstaat gefundeerde maatschappij verliest haar inhoud, wanneer de regels van de maatschappelijke orde waarop zij berust worden ontkracht, zodat deze tegenstrijdigheid tussen normen of, zo men wil, hun wederzijdse vernietiging, op zich in strijd met de maatschappelijke orde is.
66
Hieruit volgt dat het niet aan een rechter staat om te beoordelen in welke mate een buitenlandse beslissing de maatschappelijke orde kan verstoren, wanneer is gebleken dat zij onverenigbaar is, in de zin van het reeds aangehaalde arrest Hoffmann, met de in de aangezochte staat gegeven beslissing. De verstoring van de maatschappelijke orde is inherent aan deze onverenigbaarheid van de rechtsgevolgen van de twee beslissingen.
67
Een dergelijke beoordelingsbevoegdheid zou betekenen dat de rechter, naar gelang zijn eigen beoordeling van de maatschappelijke orde en ondanks de eigen rechtsgevolgen van elke beslissing, voor de ene dan wel de andere beslissing kan kiezen. Dat zou erop neerkomen dat een uitzondering op artikel 27, sub 3, Executieverdrag in het leven wordt geroepen die nergens uit de bewoordingen valt af te leiden.
68
Daarom kan hem een dergelijke bevoegdheid niet worden toegekend.
69
Uit het voorgaande volgt dat een buitenlandse beslissing waarbij een verbod wordt opgelegd, onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte staat gegeven beslissing waarbij een dergelijke maatregel wordt geweigerd, zelfs wanneer de tegengestelde gevolgen van de beide beslissingen zijn toe te schrijven aan de verschillen tussen de procedurele voorwaarden waarvan het nationale recht de vaststelling van een verbodsmaatregel in de staat van herkomst en in de aangezochte staat laat afhangen.
70
De rechter die om erkenning of tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing is verzocht, is niet bevoegd om het verzoek toe te wijzen op grond dat deze beslissing onvoldoende verstoring van de maatschappelijke orde veroorzaakt, wanneer de in de staat van herkomst gegeven beslissing onverenigbaar is, in de zin van artikel 27, sub 3, Executieverdrag, met de in de aangezochte staat gegeven beslissing.
71
De tweede en de derde vraag behoeven slechts te worden beantwoord in geval van een ontkennend antwoord op de vraag of de buitenlandse beslissing, onafhankelijk van de voorwaarden in de nationale rechtsregels voor de vaststelling van een verbodsmaatregel, onverenigbaar is, in de zin van artikel 27, sub 3, Executieverdrag, met de in de aangezochte staat gegeven beslissing. Deze vragen van het Bundesgerichtshof behoeven derhalve niet te worden beantwoord.
Conclusie
72
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de vraag van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:
Artikel 27, sub 3, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd, dat een buitenlandse beslissing waarbij een verbod wordt opgelegd, in de zin van dit artikel onverenigbaar is met een in de aangezochte staat tussen dezelfde partijen gegeven beslissing waarbij een dergelijk verbod wordt geweigerd, zelfs wanneer de tegengestelde gevolgen van de twee beslissingen zijn toe te schrijven aan de verschillen tussen de procedurele voorwaarden waarvan het nationale recht de vaststelling van het verbod in de staat van herkomst en in de aangezochte staat laat afhangen.
De rechter die om erkenning of tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing is verzocht, is niet bevoegd om het verzoek toe te wijzen op grond dat deze beslissing onvoldoende verstoring van de maatschappelijke orde veroorzaakt, wanneer de in de staat van herkomst gegeven beslissing onverenigbaar is, in de zin van artikel 27, sub 3, Executieverdrag, met de in de aangezochte staat gegeven beslissing.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑02‑2002
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 1972, PB L 299, blz. 32. De hier toepasselijke versie van het EEG-Executieverdrag is de versie zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en — gewijzigde tekst — blz. 77), het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1), en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1; hierna: Executieverdrag). Een geconsolideerde versie van het Executieverdrag, zoals gewijzigd bij deze drie verdragen, is bekendgemaakt in PB 1990, C 189, blz. 2.
Hierna: Italian Leather.
Hierna: WECO.
Zie de verwijzingsbeschikking.’
Krachtens artikel 24 van het Executieverdrag zijn de rechterlijke autoriteiten van een verdragsluitende staat bevoegd om voorlopige of bewarende maatregelen te treffen, zelfs indien een gerecht van een andere verdragsluitende staat krachtens dit Verdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.
Aangehaald door het Bundesgerichtshof in de verwijzingsbeschikking.
Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: ZPO.
Zie de verwijzingsbeschikking.
Idem.
Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat de in kort geding gegeven beslissing, waarbij het Landgericht Koblenz het door Italian Leather ingediende verzoek om een verbod op het gebruik door WECO van het merk LongLife, afwees, een beslissing is in de zin van artikel 25 Executieverdrag, hetgeen door partijen ook niet wordt betwist. Hetzelfde geldt voor de kortgedingbeschikking waarbij hetzelfde verzoek door het Tribunale te Bari werd toegewezen, en waarvan de erkenning op Duits grondgebied het voorwerp vormt van het hoofdgeding. Uit die bepaling volgt immers dat elke door een gerecht van een verdragsluitende staat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, een beslissing in de zin van artikel 25 Executieverdrag vormt.
De door de verwijzende rechter genoemde voorwaarde komt in wezen neer op de noodzaak van het voorkomen van wezenlijke schade of van een dreigend gevaar voor de verzoeker in kort geding.
Zie als voorbeeld van vaste rechtspraak arrest van 11 mei 2000, Renault (C-38/98, Jurispr. blz. I-2973, punt 26).
Zie Jenard, P., Rapport over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, blz. 45 (PB 1979, C 59, blz. 1, hierna: rapport Jenard).
145/86, Jurispr. blz. 645, punt 22.
Zie conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Hoffmann, reeds aangehaald, punten 10 en 11.
Zie de verwijzingsbeschikking.
Idem.
Idem.
De regering van het Verenigd Koninkrijk lijkt deze stelling te verdedigen, wanneer zij verklaart bij lezing van de verwijzingsbeschikking […] niet goed in te zien welke onverenigbaarheid er tussen de twee beslissingen kan bestaan (punt 9 van haar opmerkingen) of wanneer zij ter terechtzitting stelt niet in te zien in welk opzicht de rechtsgevolgen van het Duitse vonnis onverenigbaar kunnen zijn met de rechtsgevolgen van het Italiaanse vonnis. Zij voegt hieraan toe dat de weigering om een voorlopige of bewarende maatregel te treffen een beslissing is die in de andere verdragsluitende staten niet behoeft te worden erkend of ten uitvoer gelegd, zodat de vraag rijst of de onverenigbaarheid ervan met een in een andere verdragsluitende staat gegeven beslissing een weigering om deze laatste beslissing te erkennen rechtvaardigt (idem, punt 22). Volgens deze regering zou het in strijd zijn met het doel van het Executieverdrag om de erkenning van een buitenlandse beslissing te weigeren op grond dat deze onverenigbaar is met een beslissing van de aangezochte staat waarbij een erkenning dus geen rol kan spelen (idem, punt 24).
Arrest van 2 juni 1994, Solo Kleinmotoren (C-414/92, Jurispr. blz. I-2237, punt 17).
Idem, punt 20.
Arrest van 21 mei 1980, Denilauler (125/79, Jurispr. blz. 1553, punt 17). Zie ook arrest van 6 maart 1980, De Cavel (120/79, Jurispr. blz. 731, punten 9 en 10).
Het gaat daarbij om maatregelen die ter zake van onderwerpen die binnen de werkingssfeer van het Executieverdrag vallen, bedoeld zijn om een feitelijke of juridische situatie te handhaven ter bewaring van rechten waarvan de erkenning langs andere weg wordt gevraagd voor de rechter die van het bodemgeschil kennis neemt (arrest van 17 november 1998, Van Uden, C-391/95, Jurispr. blz. I-7091, punt 37).
Zie ook arrest Van Uden, reeds aangehaald, punt 34, waar staat dat: wanneer derhalve de gevorderde voorlopige maatregelen betrekking hebben op een onderwerp dat tot de materiële werkingssfeer van het Executieverdrag behoort, […] dit verdrag van toepassing [is].
Blz. 45.
De uitdrukking is van advocaat-generaal Darmon in zijn conclusie in de zaak Hoffmann, reeds aangehaald, punt 10.
Zie de verwijzingsbeschikking, punt 3.