AB 2003, 310
Bestuurlijke boete; bij het ontbreken van de mogelijkheid van contra-expertise op monsters moet de nationale rechter onderzoeken of er nog sprake kan zijn van een eerlijk proces; toelaatbaarheid bewijs.
HvJ EG 10-04-2003, ECLI:EU:C:2003:228, m.nt. A.J.C. de Moor-van Vugt
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
10 april 2003
- Magistraten
Wathelet, Timmermans, Jann, Von Bahr, Rosas
- Zaaknummer
C-276/01
- Noot
A.J.C. de Moor-van Vugt
- LJN
AN7481
- JCDI
JCDI:ADS660221:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Onbekend (V)
Bestuursrecht algemeen / Handhaving algemeen
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Bestuursrecht algemeen / Toezicht
EU-recht (V)
- Brondocumenten
ECLI:EU:C:2003:228, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 10‑04‑2003
- Wetingang
Richtlijn 89/397/EG art. 7 lid 1 tweede alinea; EVRM art. 6 lid 1; Awb art. 5:18
Essentie
Bestuurlijke boete; bij het ontbreken van de mogelijkheid van contra-expertise op monsters moet de nationale rechter onderzoeken of er nog sprake kan zijn van een eerlijk proces; toelaatbaarheid bewijs.
Samenvatting
Wanneer in strijd met de richtlijn geen tegenexpertise kon worden uitgevoerd op monsters van levensmiddelen, moet worden onderzocht of de resultaten van de analyses toch een toelaatbaar bewijs vormen in een beroep voor een nationale rechterlijke instantie tegen een administratief besluit (nl. een bestuurlijke boete, AdMvV), die uitsluitend of althans hoofdzakelijk op deze resultaten is gebaseerd. De toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen in een dergelijke procedure wordt niet door ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.