Procestaal: Engels.
HvJ EG, 27-04-2006, nr. C-423/04
ECLI:EU:C:2006:256
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
27-04-2006
- Magistraten
P. Jann, K. Schiemann, N. Colneric, J. N. Cunha Rodrigues, E. Juhász
- Zaaknummer
C-423/04
- Conclusie
F. G. JACOBS
- LJN
AX7792
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht (V)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2006:256, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 27‑04‑2006
ECLI:EU:C:2005:787, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 15‑12‑2005
Uitspraak 27‑04‑2006
P. Jann, K. Schiemann, N. Colneric, J. N. Cunha Rodrigues, E. Juhász
Partij(en)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
27 april 2006 *
In zaak C-423/04,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Social Security Commissioner (Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 14 september 2004, ingekomen bij het Hof op 4 oktober 2004, in de procedure
Sarah Margaret Richards
tegen
Secretary of State for Work and Pensions,
‘Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid — Richtlijn 79/7/EEG — Weigering, op leeftijd van 60 jaar ouderdomspensioen toe te kennen aan transseksueel die operatief van mannelijk naar vrouwelijk geslacht is overgegaan’
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Schiemann, N. Colneric, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur) en E. Juhász, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 oktober 2005,
gelet op de opmerkingen van:
- —
S. M. Richards, vertegenwoordigd door J. Sawyer en T. Eicke, barristers,
- —
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. Caudwell als gemachtigde, bijgestaan door T. Ward, barrister,
- —
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Martin en N. Yerrell als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 december 2005,
het navolgende Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4 en 7 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Richards, een persoon die operatief van geslacht is veranderd, en de Secretary of State for Work and Pensions (hierna: ‘Secretary of State’) betreffende de weigering van deze laatste om haar vanaf haar 60e verjaardag een ouderdomspensioen toe te kennen.
Rechtskader
Bepalingen van gemeenschapsrecht
3
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 luidt als volgt:
‘Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:
- —
de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen,
- —
de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,
- —
de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties.’
4
Artikel 7, lid 1, van dezelfde richtlijn bepaalt dat deze geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om van haar werkingssfeer uit te sluiten:
- ‘a)
de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties;
[…]’
Bepalingen van nationaal recht
5
Section 29(1) en (3) van de Births and Deaths Registration Act 1953 (wet van 1953 op het geboorte- en overlijdensregister) verbiedt elke wijziging van het geboorteregister, behoudens in geval van een verschrijving of feitelijke onjuistheid.
6
Section 44 van de Social Security Contributions and Benefits Act 1992 (wet van 1992 op de socialezekerheidsbijdragen en -uitkeringen) bepaalt dat een persoon een ouderdomspensioen van categorie A (het ‘normale’ ouderdomspensioen) kan genieten wanneer hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en voldoet aan verschillende premievoorwaarden.
7
Volgens bijlage 4, deel I, lid 1, bij de Pensions Act 1995 (wet van 1995 op de ouderdomspensioenen) is de pensioengerechtigde leeftijd van een man 65 jaar en van een vrouw die vóór 6 april 1950 is geboren, 60 jaar.
8
Op 1 juli 2004 werd de Gender Recognition Act 2004 (wet van 2004 op de geslachtserkenning; hierna: ‘wet van 2004’) goedgekeurd, die op 4 april 2005 in werking is getreden.
9
Krachtens deze wet mogen personen die reeds een geslachtsverandering hebben ondergaan of die een dergelijke ingreep overwegen, een geslachtserkenningscertificaat (‘gender recognition certificate’) aanvragen, op basis waarvan een bijna volledige erkenning van het gewijzigde geslacht kan worden bereikt.
10
Luidens section 2(1) van de wet van 2004 moet het geslachtserkenningscertificaat worden afgegeven wanneer de aanvrager onder meer de volgende voorwaarden vervult:
- ‘a)
hij lijdt of heeft geleden aan genderdysforie,
- b)
hij heeft gedurende twee jaar vóór het indienen van de aanvraag onder zijn nieuwe seksuele identiteit geleefd,
[…]’
11
Section 9(1) van de wet van 2004 bepaalt:
‘Wanneer aan een persoon een volledig geslachtserkenningscertificaat is afgegeven, is het geslacht van die persoon altijd het verworven geslacht (zodat in geval van een nieuwe mannelijke seksuele identiteit, de persoon wordt beschouwd als iemand van het mannelijk geslacht en in geval van een nieuwe vrouwelijke seksuele identiteit, als iemand van het vrouwelijk geslacht).’
12
Volgens section 9(2) van de wet van 2004 beïnvloedt het geslachtserkenningscertificaat niet de handelingen of gebeurtenissen die dateren van vóór de afgifte van het certificaat.
13
Bijlage 5, deel 2, lid 7, derde alinea, bij de wet van 2004 bepaalt met betrekking tot de pensioenuitkeringen:
‘[…] wanneer (onmiddellijk vóór het uitreiken van het certificaat) een persoon:
- a)
een man is die de leeftijd heeft bereikt waarop een vrouw van dezelfde leeftijd pensioengerechtigd is, maar
- a)
de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt,
moet deze persoon worden geacht […] de pensioengerechtigde leeftijd te hebben bereikt op de datum van uitreiking van het certificaat.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14
Richards is op 28 februari 1942 geboren en in haar geboorteakte is zij geregistreerd als van het mannelijk geslacht. Nadat bij haar genderdysforie was vastgesteld, onderging zij op 3 mei 2001 een operatieve geslachtsverandering.
15
Op 14 februari 2002 diende zij bij de Secretary of State een aanvraag in voor een ouderdomspensioen per 28 februari 2002, de dag waarop zij 60 jaar werd. Dit is de leeftijd waarop naar nationaal recht een vóór 6 april 1950 geboren vrouw in aanmerking komt voor een ouderdomspensioen.
16
Deze aanvraag werd bij beslissing van 12 maart 2002 afgewezen op grond dat‘de aanvraag [was] ingediend meer dan vier maanden voordat de aanvrager de leeftijd van 65 jaar zou bereiken’. 65 jaar is de pensioengerechtigde leeftijd voor mannen in het Verenigd Koninkrijk.
17
Nadat het bij het Social Security Appeal Tribunal ingestelde beroep was afgewezen, heeft Richards de zaak aanhangig gemaakt bij de Social Security Commissioner met het betoog dat, gelet op het arrest van het Hof van 7 januari 2004, K. B. (C-117/01, Jurispr.blz. I-541), de weigering om haar een ouderdomspensioen uit te keren vanaf de leeftijd van 60 jaar een schending vormt van artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en een met artikel 4 van richtlijn 79/7 strijdige discriminatie is.
18
Voor de verwijzende rechter heeft de Secretary of State betoogd dat de aanvraag van verzoekster in het hoofdgeding niet binnen de werkingssfeer van voormelde richtlijn valt. Volgens hem schrijft het gemeenschapsrecht immers enkel harmonisatiemaatregelen voor met betrekking tot prestaties bij ouderdom, zonder evenwel een aanspraak op dergelijke prestaties toe te kennen. Daarenboven is Richards niet gediscrimineerd ten opzichte van de personen met wie de vergelijking relevant is, te weten mannen die geen operatieve geslachtsverandering hebben ondergaan.
19
19 Teneinde in staat te zijn dit geding te beslechten, heeft de Social Security Commissioner besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
‘1)
Staat richtlijn 79/7 in de weg aan de weigering om aan een man-naar-vrouw transseksueel een ouderdomspensioen toe te kennen voordat zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, terwijl zij op de leeftijd van 60 jaar een dergelijk pensioen had kunnen ontvangen indien zij naar nationaal recht als vrouw werd beschouwd?
2)
Zo ja, vanaf welke datum treden de gevolgen van de uitspraak van het Hof over de eerste vraag in?’
De eerste vraag
20
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 zich verzet tegen een wetgeving die aan een persoon die van het mannelijk geslacht naar het vrouwelijk geslacht is overgegaan de toekenning van een ouderdomspensioen weigert op grond dat zij de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt, terwijl dezelfde persoon voor een dergelijk pensioen in aanmerking zou komen op de leeftijd van 60 jaar indien zij naar nationaal recht als vrouw werd beschouwd.
21
Om te beginnen zij opgemerkt dat het aan de lidstaten staat om te bepalen, onder welke voorwaarden de geslachtsverandering van een persoon rechtens wordt erkend (zie in die zin arrest K. B., reeds aangehaald, punt 35).
22
Om de eerste vraag te beantwoorden, moet om te beginnen worden beklemtoond dat richtlijn 79/7 op het gebied van de sociale zekerheid uitdrukking geeft aan het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, een van de grondbeginselen van gemeenschapsrecht.
23
Bovendien is volgens vaste rechtspraak van het Hof het recht om niet op grond van geslacht te worden gediscrimineerd, een van de fundamentele rechten van de mens, waarvan het Hof de eerbiediging dient te verzekeren (zie arresten van 15 juni 1978, Defrenne, 149/77, Jurispr. blz. 1365, punten 26 en 27, en 30 april 1996, P./S., C-13/94, Jurispr. blz. I-2413, punt 19).
24
De werkingssfeer van richtlijn 79/7 kan dan ook niet worden beperkt tot discriminaties verband houdend met het behoren tot het ene dan wel het andere geslacht. Gelet op haar doelstelling en op de aard van de rechten die zij beoogt te beschermen, dient deze richtlijn ook toepassing te vinden bij discriminaties die berusten op de geslachtsverandering van de betrokkene [zie in verband met richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40), arrest P./S., reeds aangehaald, punt 20].
25
De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt dat de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten voortvloeien uit de keuze van de nationale wetgever om een verschillende pensioengerechtigde leeftijd vast te stellen voor mannen en vrouwen. Nu artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 de lidstaten die mogelijkheid uitdrukkelijk biedt, mogen deze afwijken van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van ouderdomspensioenen. De omstandigheid dat, zoals in casu, het in de uitkeringsregeling gemaakte onderscheid op grond van geslacht de rechten van transseksuelen aantast, is irrelevant.
26
Dit betoog kan niet worden aanvaard.
27
Richards voert aan dat zij niet in het genot van een ouderdomspensioen is gesteld bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, de leeftijd waarop vrouwen die vóór 6 april 1950 zijn geboren in het Verenigd Koninkrijk voor een dergelijk pensioen in aanmerking komen.
28
De in het hoofdgeding aan de orde zijnde ongelijke behandeling berust op de omstandigheid dat Richards' nieuwe, via operatieve weg verkregen, geslacht niet wordt erkend voor de toepassing van de Pensions Act 1995.
29
Anders dan vrouwen wier geslacht niet het resultaat is van een operatieve geslachtsverandering en die op de leeftijd van 60 jaar in aanmerking komen voor een ouderdomspensioen, kan Richards één van de voorwaarden voor toekenning van dit pensioen niet vervullen, in casu die betreffende de pensioengerechtigde leeftijd.
30
Daar de ongelijke behandeling waarvan Richards het slachtoffer is, het gevolg is van haar geslachtsverandering, moet zij worden beschouwd als een ingevolge artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 verboden discriminatie.
31
Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat een nationale wetgeving die, doordat zij het nieuwe geslacht van een transseksueel niet erkent, deze laatste verhindert om te voldoen aan een voorwaarde voor de toekenning van een door het gemeenschapsrecht beschermd recht, in beginsel onverenigbaar is met de vereisten van gemeenschapsrecht (zie arrest K. B., reeds aangehaald, punten 30–34).
32
De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt dat door de beslissing van 12 maart 2002 tot weigering van de pensioenuitkering geen door het gemeenschapsrecht verleend recht is geschonden, omdat het recht op toekenning van een ouderdomspensioen enkel berust op nationaal recht.
33
Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak het gemeenschapsrecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten, onverlet laat en dat het bij gebreke van harmonisatie op communautair niveau derhalve elke lidstaat vrijstaat, de voorwaarden waaronder een persoon zich kan of moet aansluiten bij een stelsel van sociale zekerheid alsook de voorwaarden waaronder recht bestaat op uitkeringen vast te stellen. Niettemin dienen de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid het gemeenschapsrecht te eerbiedigen (arresten van 12 juli 2001, Smits en Peerbooms, C-157/99, Jurispr. blz. I-5473, punten 44–46, en 4 december 2003, Kristiansen, C-92/02,Jurispr. blz. I-14597, punt 31).
34
Overigens vallen met artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 strijdige discriminaties slechts onder de in artikel 7, lid 1, sub a, van deze richtlijn voorziene afwijking, indien zij noodzakelijk blijken voor de verwezenlijking van de doelstellingen die deze richtlijn nastreeft door de lidstaten toe te staan voor mannen en vrouwen een verschillende pensioengerechtigde leeftijd te handhaven (arrest van 7 juli 1992, Equal Opportunities Commission, C-9/91,Jurispr. blz. I-4297, punt 13).
35
Ofschoon de considerans van richtlijn 79/7 de redenen voor de daarin neergelegde afwijkingen niet vermeldt, kan uit de aard van de in artikel 7, lid 1, van deze richtlijn voorkomende uitzonderingen worden afgeleid, dat de communautaire wetgever de lidstaten heeft willen toestaan tijdelijk de aan vrouwen toegekende voordelen op pensioengebied te handhaven, teneinde hen in staat te stellen hun pensioenstelsels op dit punt geleidelijk aan te passen zonder het ingewikkelde financiële evenwicht van die stelsels — een aspect dat niet kon worden genegeerd — te verstoren. Een van die voordelen is juist de in artikel 7, lid 1, sub a, van dezelfde richtlijn bedoelde mogelijkheid voor vrouwelijke werknemers om eerder in aanmerking te komen voor pensioen dan mannelijke werknemers (arrest Equal Opportunities Commission, reeds aangehaald, punt 15).
36
Volgens vaste rechtspraak moet de in artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 voorziene uitzondering op het verbod van discriminatie op grond van geslacht strikt worden uitgelegd (zie arresten van 26 februari 1986, Marshall, 152/84, Jurispr. blz. 723, punt 36, en Beets-Proper, 262/84, Jurispr. blz. 773, punt 38, alsook arrest van 30 maart 1993, Thomas e.a., C-328/91, Jurispr. blz. I-1247, punt 8).
37
Bijgevolg moet deze bepaling in die zin worden uitgelegd dat zij enkel betrekking heeft op de vaststelling van verschillende pensioengerechtigde leeftijden voor mannen en vrouwen. Een dergelijke maatregel is in het hoofdgeding echter niet aan de orde.
38
Uit het voorgaande volgt dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 in die zin moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wetgeving die aan een persoon die overeenkomstig de in het nationale recht gestelde voorwaarden van het mannelijk naar het vrouwelijk geslacht is overgegaan de toekenning van een ouderdomspensioen weigert op grond dat zij de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt, terwijl dezelfde persoon voor een dergelijk pensioen in aanmerking zou zijn gekomen op de leeftijd van 60 jaar indien zij naar nationaal recht als vrouw was beschouwd.
De tweede vraag
39
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, indien het Hof mocht beslissen dat richtlijn 79/7 in de weg staat aan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving, de werking van een dergelijk arrest in de tijd moet worden beperkt.
40
Slechts bij uitzondering kan het Hof krachtens een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid aanleiding vinden om beperkingen te stellen aan de mogelijkheid voor iedere belanghebbende, met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen opnieuw aan de orde te stellen (arresten van 2 februari 1988, Blaizot, 24/86, Jurispr. blz. 379, punt 28, en 23 mei 2000, Buchner e.a., C-104/98, Jurispr. blz. I-3625, punt 39).
41
Bovendien is het vaste rechtspraak, dat de mogelijke financiële gevolgen die een prejudicieel arrest voor een lidstaat zou kunnen hebben, op zich geen rechtvaardiging vormen voor een beperking van de werking van dit arrest in de tijd (arresten van 20 september 2001, Grzelczyk, C-184/99,Jurispr. blz. I-6193, punt 52, en 15 maart 2005, Bidar, C-209/03,Jurispr. blz. I-2119, punt 68).
42
Het Hof heeft slechts in zeer specifieke omstandigheden van deze mogelijkheid gebruikgemaakt, namelijk wanneer er gevaar bestond voor ernstige economische gevolgen, inzonderheid gezien het grote aantal op basis van de geldig geachte wettelijke regeling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen, en wanneer bleek dat particulieren en de nationale autoriteiten tot een met de communautaire regeling strijdig gedrag waren gebracht op grond van een objectieve, grote onzekerheid over de strekking van de communautaire bepalingen, aan welke onzekerheid het gedrag van andere lidstaten of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen eventueel had bijgedragen (arrest Bidar, reeds aangehaald, punt 69).
43
In het onderhavige geval zijn door de inwerkingtreding op 4 april 2005 van de wet van 2004 geschillen als dat naar aanleiding waarvan het hoofdgeding is ontstaan, tot het verleden gaan behoren. Daarenboven heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk, zowel in haar bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting, haar in het kader van het hoofdgeding ingediende verzoek om de werking van dit arrest in de tijd te beperken, niet gehandhaafd.
44
Bijgevolg moet op de tweede vraag geantwoord, dat er geen termen zijn om de werking van dit arrest in de tijd te beperken.
Kosten
45
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wetgeving die aan een persoon die overeenkomstig de in het nationale recht gestelde voorwaarden van het mannelijk naar het vrouwelijk geslacht is overgegaan de toekenning van een ouderdomspensioen weigert op grond dat zij de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt, terwijl dezelfde persoon voor een dergelijk pensioen in aanmerking zou zijn gekomen op de leeftijd van 60 jaar indien zij naar nationaal recht als vrouw was beschouwd.
- 2)
Er zijn geen termen aanwezig om de werking van dit arrest in de tijd te beperken.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑04‑2006
Conclusie 15‑12‑2005
F. G. JACOBS
Partij(en)
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 15 december 2005 1.
Zaak C-423/04
Sarah Margaret Richards
tegen
Secretary of State for Work and Pensions
1
Transseksuelen, in de woorden van het House of Lords, de hoogste rechterlijke instantie in het Verenigd Koninkrijk, worden‘geboren met het lichaam van een persoon van het ene geslacht maar hebben het onwrikbare geloof of gevoel dat zij van het andere geslacht zijn’. 2. De overtuiging tot het andere geslacht te behoren, is zo intens dat de transseksueel ertoe gedreven wordt om de bijbehorende lichamelijke correctie te ondergaan 3. door hormonale behandeling en operatieve geslachtsverandering. 4. Deze toestand is ook bekend onder de naam genderdysforie of geslachtelijke identiteitsstoornis.
2
Jan (voorheen James) Morris, de Anglo-Welshe journaliste en schrijfster van reisverhalen, vertelt dat, nadat zij in 1972 een operatieve geslachtsverandering had ondergaan ter voltooiing 5. van de uiterlijke transformatie tot vrouw — zij had altijd al het gevoel gehad een vrouw te zijn —, ‘een hoffelijk ambtenaar van het ministerie […] verontschuldigend uitlegde dat de kwestie van mijn ouderdomspensioen nog zou moeten worden opgelost’. 6. Meer dan 30 jaar later heeft het Verenigd Koninkrijk de Gender Recognition Act 2004 goedgekeurd, die de civielrechtelijke situatie van transseksuelen inzake onder meer pensioenen regelt. 7. De wet is op 4 april 2005 in werking getreden en heeft geen terugwerkende kracht.
3
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing van de Social Security Commissioner, Londen, dat is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Gender Recognition Act 2004, stelt de vraag aan de orde of het in strijd is met richtlijn 79/7 8. dat een lidstaat weigert, een man-naar-vrouw transseksueel een ouderdomspensioen toe te kennen vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, terwijl die persoon vanaf 60 jaar recht zou hebben op pensioen indien zij naar nationaal recht als vrouw moest worden beschouwd.
Het relevante gemeenschapsrecht
4
Artikel 1 van richtlijn 79/7 bepaalt:
‘Deze richtlijn beoogt de geleidelijke tenuitvoerlegging, voor wat betreft de in artikel 3 genoemde gebieden van de sociale zekerheid en van de andere factoren van sociale bescherming, van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, hierna ‘beginsel van gelijke behandeling’ genoemd.’
5
Artikel 2 bepaalt dat de richtlijn van toepassing is op de beroepsbevolking.
6
Luidens artikel 3, lid 1, sub a, is de richtlijn van toepassing op wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen onder meer ouderdom.
7
Artikel 4, lid 1, bepaalt:
‘Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect […] is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:
[…]
- —
de berekening van de prestaties, waaronder begrepen […] de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties.’
8
Artikel 7, lid 1, luidt als volgt:
‘Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om van haar werkingssfeer uit te sluiten:
- a)
de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen […]
[…]’
Relevante nationale wetgeving vóór het arrest Goodwin
9
In Engeland en Wales moet ingevolge Section 1 van de Births and Deaths Registration Act 1953 (wet van 1953 op het geboorte- en overlijdensregister) de geboorte van elk kind worden geregistreerd door de Registrar of Births and Deaths van het gebied waar het kind geboren is. Het geslacht van het kind moet op de geboorteakte worden vermeld. De wet van 1953 voorziet in correctie door de Registrar in geval van verschrijvingen of feitelijke onjuistheden; het officiële standpunt is dat een wijziging enkel mag worden doorgevoerd indien bij de inschrijving van de geboorte een vergissing is gemaakt. Het feit dat het later in het leven van een persoon duidelijk wordt dat zijn of haar ‘psychologische’ geslacht niet het geregistreerde geslacht is, wordt niet beschouwd als een feitelijke onjuistheid bij de oorspronkelijke inschrijving bij de geboorte. In het bijzonder de inschrijving in het geboorteregister van een persoon die een medische en chirurgische behandeling ondergaat om van geslacht te veranderen, wordt niet geacht een onjuistheid te bevatten.
10
Het Department for Work and Pensions (voorheen het Department of Social Security; hierna: ‘DWP’) registreert elke Britse onderdaan ten behoeve van de sociale zekerheid op basis van de gegevens in de geboorteakte. Voor de pensioengerechtigde leeftijd wordt het geslacht van een persoon dus bepaald aan de hand van het biologische (natale) geslacht.
11
De premiebijdragen voor de sociale zekerheid worden door de werkgever ingehouden op het loon van de werknemer en afgedragen aan de Inland Revenue (Britse belastingdienst), die ze overdraagt aan het DWP. Thans verrichten de werkgevers die inhoudingen voor een vrouwelijke werknemer tot de pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar en voor een mannelijke werknemer tot de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar. Het DWP voert voor man-naar-vrouw transseksuelen een beleid waarbij dezen met het DWP kunnen overeenkomen om de socialezekerheidsbijdragen die verschuldigd zijn na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar — die door de werkgever die meent dat zijn werknemer een vrouw is niet meer worden ingehouden — rechtstreeks aan het DWP te betalen. De door de werkgever in het geval van vrouw-naar-man transseksuelen na het 60e levensjaar verrichte inhoudingen kunnen door de werknemer rechtstreeks van het DWP worden teruggevorderd. 9.
12
Volgens lid 1 van bijlage 4 bij de Pensions Act 1995 (wet van 1995 op de ouderdomspensioenen) is de pensioengerechtigde leeftijd van mannen 65 jaar; volgens lid 2 van deze bijlage bereikt een vrouw die vóór 6 april 1950 geboren is, de pensioengerechtigde leeftijd wanneer zij 60 jaar wordt. 10.
Het arrest Goodwin en de Gender Recognition Act 2004
13
Op 11 juli 2002 heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens zijn arrest gewezen in de zaak Goodwin. 11. Verzoekster in deze zaak, een postoperatieve man-naar-vrouw transseksueel, beriep zich op schending van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op het gebied van de rechtspositie van transseksuelen in het Verenigd Koninkrijk, in het bijzonder hun behandeling met betrekking tot werkgelegenheid, sociale zekerheid, pensioen en huwelijk.
14
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat de artikelen 8 (eerbiediging van privéleven) en 12 (recht om te huwen) geschonden waren. Met betrekking tot artikel 8 wees het Hof op het ontbreken van wettelijke erkenning van de geslachtsverandering en merkte het in het bijzonder op dat het feit dat verzoekster voor de wet een man bleef, gevolgen had voor haar leven, ‘omdat het geslacht rechtens relevant is en er onderscheid wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen, onder meer inzake pensioenen en pensioengerechtigde leeftijd’. Met betrekking tot artikel 12 zag het Hof geen rechtvaardiging om transseksuelen in alle omstandigheden het recht te ontzeggen om als een persoon van het nieuwe geslacht te huwen. 12.
15
Het Verenigd Koninkrijk heeft aan het arrest Goodwin uitvoering gegeven met de Gender Recognition Act 2004 (wet inzake de geslachtserkenning; hierna: ‘Act’), die op 4 april 2005 in werking is getreden. Volgens deze Act kunnen transseksuelen (ongeacht of zij een operatieve geslachtsverandering hebben ondergaan) een ‘geslachtserkenningscertificaat’ aanvragen, dat, in de bewoordingen van de verwijzende rechter ‘de sleutel is tot een bijna volledige erkenning van zijn of haar verworven geslacht’.
16
De wet voorziet met name in de instelling van een Gender Recognition Panel (geslachtserkenningscomité). Section 2 van de Act bepaalt dat het Panel een geslachtserkenningscertificaat moet uitreiken als het ervan overtuigd is dat de verzoeker:
- ‘a)
[…] lijdt of heeft geleden aan genderdysforie,
- b)
[…] gedurende twee jaar vóór het indienen van de aanvraag onder zijn nieuwe seksuele identiteit [heeft] geleefd,
- c)
van plan is tot de dood als een persoon van het verworven geslacht te leven’
en voldoet aan een aantal vereisten met betrekking tot het voorleggen van voldoende bewijs als vermeld in Section 3 van de Act.
17
Section 13 en bijlage 5 van de Gender Recognition Act 2004 regelen de toegang tot socialezekerheidsuitkeringen en pensioenen. Lid 7, derde alinea, van bijlage 5 bepaalt dat:
‘[…] wanneer (onmiddellijk voor het uitreiken van het certificaat) een persoon
- a)
een man is die de leeftijd heeft bereikt waarop een vrouw van dezelfde leeftijd pensioengerechtigd is, maar
- b)
de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt,
moet deze persoon worden geacht […] de pensioengerechtigde leeftijd te hebben bereikt op de datum van uitreiking van het certificaat.’
13.
Feiten en procesverloop in het hoofdgeding
18
Verzoekster is geboren in 1942. Bij de geboorte is zij geregistreerd als van het mannelijk geslacht.
19
Nadat bij haar genderdysforie was vastgesteld, onderging verzoekster op 3 mei 2001 een operatieve geslachtsverandering. De verwijzende rechter heeft haar daarom omschreven als een postoperatieve man-naar-vrouw transseksueel.
20
In februari 2002 diende verzoekster een aanvraag in voor een ouderdomspensioen vanaf haar 60e verjaardag.
21
Deze aanvraag werd afgewezen op grond dat zij was ingediend meer dan vier maanden voordat de aanvrager de leeftijd van 65 jaar, de pensioengerechtigde leeftijd voor mannen in het Verenigd Koninkrijk, zou bereiken.
22
Verzoekster ging in beroep bij de Social Security Appeal Tribunal. Dit enkel op nationaal recht gebaseerde beroep werd verworpen.
23
Verzoekster betoogde in hoger beroep bij de Social Security Commissioner, dat de weigering om haar een pensioen toe te kennen op de leeftijd waarop elke andere vrouw voor pensioen in aanmerking zou komen, een met richtlijn 79/7 strijdige, ontoelaatbare discriminatie vormde.
24
Het staat vast dat verzoekster binnen de personele werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt en dat het betrokken nationale pensioenstelsel door de materiële werkingssfeer van deze richtlijn wordt gedekt.
25
De Social Security Commissioner heeft bijgevolg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
‘1)
Staat richtlijn 79/7 in de weg aan de weigering om aan een man-naar-vrouw transseksueel een ouderdomspensioen toe te kennen voordat zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, terwijl zij op de leeftijd van 60 jaar een dergelijk pensioen had kunnen ontvangen indien zij naar nationaal recht als vrouw werd beschouwd?
2)
Zo ja, vanaf welke datum treden de gevolgen van de uitspraak van het Hof over de eerste vraag in?’
26
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door verzoekster, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie, die allen vertegenwoordigd waren ter terechtzitting.
Rechtspraak van het Hof inzake transseksuelen en discriminatie
27
Het Hof heeft een arrest gewezen in twee zaken waarin een transseksueel beweerde op grond van geslacht te zijn gediscrimineerd. In beide gevallen was de verwijzingsbeschikking afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk.
28
In de zaak P./S. 14. werd het Hof in wezen gevraagd, of het ontslag van een transseksuele werknemer op een grond die verband hield met zijn geslachtsverandering, discriminatie op grond van geslacht vormde in de zin van de richtlijn gelijke behandeling. 15.
29
Het Hof beantwoorde de oproep van advocaat-generaal Tesauro om een ‘moedige’ beslissing te nemen. Het oordeelde als volgt:
‘[…] het beginsel van gelijke behandeling‘van mannen en vrouwen’, waarvan sprake is in de titel, de preambule en de bepalingen van de richtlijn, [houdt] de uitsluiting in […]‘van iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht’[…]
Daarmee geeft de richtlijn op het betrokken gebied uitdrukking aan het gelijkheidsbeginsel, dat een van de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht is.
Zoals voorts het Hof reeds herhaaldelijk heeft vastgesteld, is het recht om niet op grond van zijn geslacht te worden gediscrimineerd, een van de fundamentele rechten van de mens, waarvan het Hof de eerbiediging dient te verzekeren […]
Het toepassingsgebied van de richtlijn kan dan ook niet worden beperkt tot discriminaties verband houdend met het behoren tot het ene dan wel het andere geslacht. Gelet op haar doelstelling en op de aard van de rechten die zij beoogt te beschermen, dient de richtlijn ook toepassing te vinden bij discriminaties die, zoals in casu, berusten op de geslachtsverandering van de betrokkene.
Dergelijke discriminaties zijn immers voornamelijk zo niet uitsluitend gebaseerd op het geslacht van de belanghebbende. Wanneer iemand dus wordt ontslagen op grond dat hij/zij een geslachtsverandering wenst te ondergaan of heeft ondergaan, wordt hij/zij slechter behandeld dan degenen die behoren tot het geslacht waartoe hij/zij voor die operatie werd geacht te behoren.
Door een dergelijke discriminatie te gedogen, zou afbreuk worden gedaan aan het respect voor de waardigheid en de vrijheid, waarop de betrokkene recht heeft en dat het Hof dient te beschermen.’
16.
30
Het Hof concludeerde dan ook dat de richtlijn zich verzette tegen het ontslag van een transseksueel op een grond die verband hield met zijn geslachtsverandering.
31
Verzoekster in de zaak K. B. 17. was een vrouw die samenleefde met de vrouw-naar-man transseksueel R, met wie zij volgens de wet niet kon huwen. K. B. werd ervan op de hoogte gebracht dat, mocht zij als eerste overlijden, R geen weduwnaarspensioen zou kunnen ontvangen, omdat enkel de langstlevende echtgenoot recht had op deze uitkering en het volgens het nationale recht niet mogelijk was om buiten een wettig huwelijk als ‘echtgenoot’ te worden erkend. K. B. stelde een vordering in wegens discriminatie op grond van geslacht. Aan het Hof werd de vraag voorgelegd of het pensioenstelsel, in strijd met het gemeenschapsrecht, discrimineerde op grond van geslacht, door een persoon in een situatie als die van R uit te sluiten. 18.
32
Na te hebben vastgesteld dat een overlevingspensioen dat werd betaald in het kader van de betrokken bedrijfspensioenregeling ‘beloning’ vormde in de zin van artikel 141 EG en de richtlijn gelijke beloning, overwoog het Hof dat:
‘[…] artikel 141 EG zich in beginsel verzet tegen een wettelijke regeling waardoor in strijd met het EVRM een paar als K. B. en R niet kan voldoen aan het huwelijksvereiste waaraan moet zijn voldaan voor de toekenning aan één van hen van een bestanddeel van de beloning van de andere partner. Het staat aan de nationale rechter om te onderzoeken of, in een geval als in het hoofdgeding, een persoon in de situatie van K. B. met een beroep op artikel 141 EG de erkenning kan verlangen van zijn recht om zijn partner in aanmerking te laten komen voor een overlevingspensioen.’
19.
De eerste vraag
33
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of richtlijn 79/7 zich verzet tegen de weigering door een lidstaat om aan een man-naar-vrouw transseksueel een ouderdomspensioen toe te kennen vóór de leeftijd van 65 jaar, terwijl die persoon op de leeftijd van 60 jaar voor een dergelijk pensioen in aanmerking zou zijn gekomen indien zij naar nationaal recht als vrouw werd beschouwd.
34
Verzoekster en de Commissie betogen dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het Verenigd Koninkrijk is de tegenovergestelde mening toegedaan.
35
Verzoekster en de Commissie verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar de arresten P./S. 20. en K. B. 21.
36
In de zaak P./S. besliste het Hof in wezen dat ontslag op‘een grond verband houdend met […] geslachtsverandering’ neerkomt op een met artikel 5, lid 1, van de richtlijn gelijke behandeling strijdige discriminatie op grond van geslacht. 22.
37
Het is duidelijk dat het ‘beginsel van gelijke behandeling’ dat in artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 tot uitdrukking komt op het gebied van de sociale zekerheid, dezelfde doelstelling en dezelfde uitwerking heeft als het ‘beginsel van gelijke behandeling’ dat in artikel 5, lid 1, van de richtlijn gelijke behandeling tot uitdrukking komt op het gebied van arbeidsvoorwaarden. Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 bepaalt dat dit beginsel in het bijzonder directe of indirecte discriminatie op grond van geslacht uitsluit, onder meer met betrekking tot de voorwaarden inzake de duur van het recht op die prestaties onder wettelijke ouderdomspensioenregelingen.
38
Verzoekster in de onderhavige zaak wordt een pensioen geweigerd waarop zij thans recht zou hebben gehad wanneer zij bij haar geboorte als van het vrouwelijke geslacht was geregistreerd. De beweerde discriminatie vloeit dus voort uit het verzuim van het Verenigd Koninkrijk om het door transseksuelen verworven geslacht gelijk te stellen met het bij de geboorte geregistreerde geslacht van andere personen.
39
In de zaak P./S. oordeelde het Hof dat wanneer een persoon wordt ontslagen op grond dat hij/zij een geslachtsverandering wenst te ondergaan of heeft ondergaan, hij/zij slechter wordt behandeld dan degenen die behoren tot het geslacht waartoe hij/zij voor die operatie werd geacht te behoren. 23.
40
Indien deze benadering in het onderhavige geval werd gevolgd, dan zou verzoekster derhalve moeten worden vergeleken met‘personen die behoren tot het geslacht waartoe zij voor de operatieve geslachtsverandering werd geacht te behoren’. Bij deze personen zou het gaan om mannelijke pensioenaanvragers die geen recht op pensioen hebben vóór de leeftijd van 65 jaar, zodat er van discriminatie geen sprake zou zijn.
41
Ik ben het echter met de Commissie eens dat bij de toepassing van de voorschriften inzake discriminatie op grond van geslacht op transseksuelen een andere redenering moet worden gevolgd dan het klassieke model, dat altijd is gebaseerd op rechtstreekse vergelijking tussen mannen en vrouwen.
42
De zaak P./S. was een bijzonder duidelijk geval van discriminatie, daar vaststond dat het ontslag was gegeven ‘wegens redenen verband houdend met een geslachtsverandering’. Of de vergelijking plaatsvond met een man was die niet van plan was een operatieve geslachtsverandering te ondergaan of met een vrouw die een dergelijke operatie niet had ondergaan, het resultaat zou hetzelfde zijn geweest: vergeleken met een dergelijke persoon was verzoekster benadeeld.
43
Hetzelfde kan worden gezegd van de beslissing van het House of Lords in de zaak A./Chief Constable of West Yorkshire Police 24., waar de benadering van het Hof van Justitie in de zaak P./S. werd gevolgd om de correcte vergelijkingsbasis te bepalen. 25. Deze zaak had eveneens betrekking op rechtstreekse discriminatie vanwege geslachtsverandering.
44
De situatie in de zaak K. B. lag anders. Om tot de conclusie te komen dat de uitsluiting van een van vrouw tot man geworden transseksuele partner van een vrouwelijk lid van het National Health Service Pension Scheme een met artikel 141 EG strijdige discriminatie op grond van geslacht vormde, vergeleek het Hof het paar met ‘[een] heteroseksue[el][paar] waarin geen van beide partners zijn identiteit aan een ingreep tot geslachtsverandering ontleent, zodat zij met elkaar kunnen huwen’. 26. De correcte vergelijkingsbasis voor de vrouw-naar-man transseksueel was bijgevolg een man wiens identiteit niet het gevolg was van een operatieve geslachtsverandering.
45
Dit lijkt mij in de onderhavige zaak eveneens de correcte vergelijkingsbasis. Verzoekster wordt pensioen geweigerd in omstandigheden waarin zij, indien zij bij de geboorte als vrouw was geregistreerd, daarvoor in aanmerking zou zijn gekomen. De beweerde discriminatie vloeit dus voort uit het verzuim van het Verenigd Koninkrijk om een transseksueel in zijn verworven geslacht gelijk te stellen met personen die bij de geboorte zijn geregistreerd als van dat geslacht, wat precies het voorwerp was van het geschil in de zaak K. B. Mijns inziens is in de onderhavige zaak, die een man-naar-vrouw transseksueel betreft, de correcte vergelijkingsbasis een vrouw wier identiteit niet het gevolg is van een operatieve geslachtsverandering.
46
Om deze reden is het mijns inziens in strijd met artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7, dat een lidstaat weigert aan een man-naar-vrouw transseksueel ouderdomspensioen toe te kennen vóór de leeftijd van 65 jaar, terwijl die persoon vanaf 60 jaar recht zou hebben op pensioen indien zij naar nationaal recht als vrouw werd beschouwd.
47
Het Verenigd Koninkrijk betoogt echter dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 niet van toepassing is omdat het Verenigd Koninkrijk gebruik heeft gemaakt van de in artikel 7, lid 1, sub a, geboden mogelijkheid om de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd uit te sluiten van de werkingssfeer van de richtlijn.
48
Verzoekster en de Commissie werpen op dat verzoekster niet erover klaagt dat voor mannen en vrouwen verschillende pensioengerechtigde leeftijden gelden, maar er bezwaar tegen maakt dat zij, als vrouw, haar pensioen niet op de vastgestelde leeftijd kan ontvangen, enkel omdat het Verenigd Koninkrijk haar verworven geslacht niet erkent.
49
Ik ben het er mee eens dat artikel 7, lid 1, sub a, in casu irrelevant is.
50
Het Hof heeft geoordeeld dat discriminatie die in beginsel in strijd is met artikel 4, lid 1, slechts onder de uitzondering van artikel 7, lid 1, sub a, valt indien zij noodzakelijk blijkt voor de verwezenlijking van de doelstellingen die de richtlijn nastreeft door de lidstaten toe te staan voor mannen en vrouwen een verschillende pensioengerechtigde leeftijd te handhaven. 27.
51
Dit is niet aan de orde in de onderhavige zaak, waarin verzoekster in wezen opkomt tegen de grondslag waarop het Verenigd Koninkrijk een persoon indeelt in een bepaald geslacht om dan te bepalen of deze persoon de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. De uitzondering van artikel 7, lid 1, sub a, is van toepassing op wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de vaststelling van verschillende pensioengerechtigde leeftijden voor mannen en vrouwen. Zij is niet van toepassing op voorschriften die betrekking hebben op de — andere — kwestie van de bepaling van het geslacht van de betrokken persoon.
52
Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk kan verzoekster niet enerzijds beweren dat discriminatie op grond van geslacht in de zin van artikel 4, lid 1, mede discriminatie op grond van geslachtsverandering omvat en anderzijds staande houden dat de uitzondering op het verbod van discriminatie op grond van geslacht die het Verenigd Koninkrijk maakt op basis van artikel 7, niet van toepassing is op de discriminatie waarover zij klaagt.
53
Toch stelt de regering van het Verenigd Koninkrijk mijns inziens ten onrechte dat deze redenering gebrekkig is. Anders dan deze regering betoogt, kan een aangelegenheid onder een algemeen discriminatieverbod vallen en tegelijkertijd buiten een specifieke uitzondering op dat verbod vallen.
54
Uit de bewoordingen van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7, dat bepaalt dat ‘iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten’, blijkt duidelijk dat het daarin neergelegde discriminatieverbod bedoeld is om alomvattend te zijn. Het Hof heeft geoordeeld dat de bepaling‘iedere discriminatie op grond van geslacht in algemene, ondubbelzinnige bewoordingen uitsluit’. 28.Artikel 4, lid 1, vermeldt enkele specifieke voorbeelden van contexten waarin discriminatie verboden is, te weten de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen, de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening, de berekening van de prestaties en de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties.
55
Daarentegen heeft het Hof geoordeeld dat, gelet op het fundamentele belang van het beginsel van gelijke behandeling, de in artikel 7, lid 1, sub a, voorziene afwijking van het verbod van discriminatie op grond van geslacht strikt moet worden uitgelegd. 29. Zoals gezegd, mag op grond van deze bepaling een specifiek geval van verschillende behandeling van mannen en vrouwen, namelijk bij de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de mogelijke gevolgen daarvan voor andere uitkeringen, worden gehandhaafd. Deze vorm van discriminatie op grond van geslacht is in het onderhavige geval niet aan de orde.
56
In de onderhavige zaak valt de gelaakte gedraging onder het algemene verbod van artikel 4, lid 1, van de richtlijn gelijke behandeling en buiten de in artikel 7, lid 1, sub a, bedoelde uitzondering daarop.
57
Ik zou hieraan willen toevoegen, dat de vraag vanaf welk stadium een transseksueel recht heeft op dezelfde behandeling, in de zin van richtlijn 79/7, als personen van zijn of haar verworven geslacht, ter terechtzitting aan de orde is geweest. In casu hoeft dit probleem echter niet te worden opgelost, aangezien het hier een postoperatieve transseksueel betreft wier recht bijgevolg duidelijk is.
58
Ik stel derhalve voor op de eerste vraag te antwoorden, dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 zich verzet tegen de weigering door een lidstaat om aan een postoperatieve man-naar-vrouw transseksueel een ouderdomspensioen toe te kennen vóór de leeftijd van 65 jaar, terwijl die persoon op de leeftijd van 60 jaar voor een dergelijk pensioen in aanmerking zou komen indien zij naar nationaal recht als vrouw werd beschouwd.
De tweede vraag
59
De tweede vraag van de verwijzende rechter is aan de orde indien de eerste vraag wordt beantwoord in de door mij in punt 58 voorgestelde zin. In dat geval vraagt de verwijzende rechter of de werking van de uitspraak van het Hof betreffende de eerste vraag in de tijd moet worden beperkt.
60
De verwijzende rechter heeft de tweede vraag kennelijk gesteld naar aanleiding van een door de Secretary for Work and Pensions tijdens de procedure opgeworpen middel, dat in de verwijzingsbeslissing wordt samengevat als volgt:
‘Mocht het Hof […] besluiten dat het gemeenschapsrecht in de weg staat aan de discriminatie waartegen appellante opkomt, zal de Secretary of State het Hof vragen om de gevolgen in de tijd te beperken zoals in het arrest van 17 mei 1990, Barber (C-262/88, Jurispr. blz. I-1889, punten 40–44), en vast te stellen dat het arrest in deze zaak geen grond vormt om aanspraak te maken op een pensioen vanaf een tijdstip gelegen vóór de datum van dat arrest, behalve in het geval van diegenen die […] een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld.’
61
De regering van het Verenigd Koninkrijk geeft in haar schriftelijke opmerkingen evenwel te kennen — en ter terechtzitting heeft zij dit herhaald — dat zij geen beperking in de tijd van de werking van de uitspraak van het Hof vordert.
62
In elk geval blijkt duidelijk uit de rechtspraak van het Hof dat de werking in de tijd slechts wordt beperkt in zeer specifieke omstandigheden, waarin het‘gevaar be[staat] voor ernstige economische gevolgen, inzonderheid gezien het grote aantal op basis van de geldig geachte wettelijke regeling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen’. 31
63
n de onderhavige zaak zijn er verschillende factoren die gezamenlijk de economische gevolgen van een bevestigend antwoord op de eerste vraag van de verwijzende rechter tot een minimum herleiden. In de eerste plaats is het aantal transseksuelen in het Verenigd Koninkrijk, volgens de cijfers van deze regering zelf, klein: in het jaar 2000 waren het er naar schatting 2 000 tot 5 000 31. (uiteraard gaat het hier om transseksuelen van alle leeftijden) op een bevolking van bijna 60 miljoen. In de tweede plaats schaft het Verenigd Koninkrijk voor alle personen die na 5 april 1955 zijn geboren het verschil in pensioengerechtigde leeftijd tussen mannen en vrouwen geleidelijk af. 32. In de derde plaats wordt een man-naar-vrouw transseksueel aan wie uit hoofde van de Gender Recognition Act 2004 een geslachtserkenningscertificaat is uitgereikt en die de leeftijd heeft bereikt waarop een vrouw van dezelfde leeftijd pensioengerechtigd is, behandeld alsof zij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt wanneer het certificaat wordt uitgereikt. Het ligt derhalve voor de hand dat het aantal personen dat zich in dezelfde situatie bevindt als verzoekster geen gevaar zal opleveren voor ernstige economische gevolgen in het Verenigd Koninkrijk. Dergelijke gevolgen zullen zelfs van nog geringe betekenis zijn in de hele Europese Unie, aangezien reeds in veel lidstaten mannen en vrouwen op dezelfde leeftijd met pensioen gaan en transseksuelen rechtens volledig worden erkend in hun verworven geslacht. 33.
64
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat, indien het Hof de eerste vraag van de verwijzende rechter bevestigend beantwoordt, er geen termen aanwezig zijn om de werking van het arrest in de tijd te beperken.
Conclusie
65
Op grond van het bovenstaande stel ik voor de door de Social Security Commissioner, London, voorgelegde vragen te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, verzet zich tegen de weigering door een lidstaat om aan een postoperatieve man-naar-vrouw transseksueel een ouderdomspensioen toe te kennen vóór de leeftijd van 65 jaar, terwijl die persoon op de leeftijd van 60 jaar voor een dergelijk pensioen in aanmerking zou komen indien zij naar nationaal recht als vrouw werd beschouwd.
- 2)
Er zijn geen termen aanwezig om de werking van dit arrest in de tijd te beperken.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑12‑2005
Oorspronkelijke taal: Engels.
Arrest Bellinger/Bellinger [2003] 2 AC 467, per Lord Nicholls of Birkenhead.
Aanbeveling van de Raad van Europa nr. 1117 van 29 september 1989 betreffende de positie van transseksuelen.
Niet van toepassing op de Nederlandse versie.
Na acht jaar hormonenbehandeling, met naar schatting minimaal 12 000 oestrogeenpillen (Morris, J., Conundrum, Coronet, 1974, blz. 102).
Conundrum, blz. 149.
Zie hierna, punten 15 en 16.
Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB1979, L 6, blz. 24).
Dit punt en de voorafgaande punten zijn min of meer letterlijk overgenomen uit de punten 23, 25, 28, 37 en 40 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Goodwin/Verenigd Koninkrijk 2002 (35 EHRR 447), zoals door de nationale rechter in zijn verwijzingsbeschikking uiteengezet ter samenvatting van de relevante wetgeving.
Een vrouw die vóór of op 5 april 1950 geboren is bereikt de pensioengerechtigde leeftijd op haar 60e verjaardag en een vrouw die op of na 6 april 1955 is geboren als zij 65 jaar wordt. Voor vrouwen die tussen die data geboren zijn, geldt een glijdende schaal.
Aangehaald in voetnoot 9.
Punten 71, 76 en 103.
Lid 7, tweede alinea, bevat een overeenkomstige bepaling met betrekking tot de status van vrouw-naar-man transseksuelen.
Arrest van 30 april 1996, P./S. (C-13/94,Jurispr. blz. 2143).
Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40).
Punten 17–22.
Arrest van 7 januari 2004, K. B. (C-117/01,Jurispr. blz. I-541).
Richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB L 45, blz. 19) (hierna: ‘richtlijn gelijke beloning’).
Punt 36 en dictum.
Aangehaald in voetnoot 14.
Aangehaald in voetnoot 17.
Aangehaald in voetnoot 14.
Punt 21.
[2005] 1 AC 51.
Zie de conclusie van Baroness Hale, in het bijzonder punten 56–58.
Punt 31.
Zie arrest van 7 juli 1992, Equal Opportunities Commission (C-9/91,Jurispr. blz. I-4297, punt 13).
Arrest van 4 december 1986, Federatie Nederlandse Vakbeweging (71/85,Jurispr. blz. 3855, punt 18).
Arrest van 30 maart 1993, Thomas e.a. (C-328/91,Jurispr. blz. I-1247, punt 8).
30Meest recent: arrest van 15 maart 2005, Bidar (C-209/03,Jurispr. blz. I-2119, punt 69).
Zie het United Kingdom Home Office Report van de Interdepartmental Working Group on Transsexual People (april 2000), waarnaar in punt 87 van het arrest Goodwin wordt verwezen.
Zie voetnoot 10.
Volgens de door de Commissie gepubliceerde MISSOC (Mutual Information System on Social Protection) tabellen ‘Sociale bescherming in de lidstaten van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en in Zwitserland’ is de pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen dezelfde in Cyprus, Denemarken, Finland, Frankrijk, Duitsland, Hongarije, Nederland, Ierland, Luxemburg, Portugal, Spanje en Zweden. Advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer merkt in zijn conclusie in de zaak K. B. op dat vóór de uitbreiding van 2004 alle lidstaten behalve het Verenigd Koninkrijk en Ierland wijzigingen van de geboorteregisters toestonden na operatieve geslachtsveranderingen (zie punt 28 van de conclusie). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in het in voetnoot 9 vermelde arrest Goodwin verklaard dat van de 37 lidstaten van de Raad van Europa slechts vier dergelijke wijzigingen niet toestonden (zie punt 55 van de uitspraak). Deze vier zijn Albanië, Andorra, Ierland en het Verenigd Koninkrijk.