Procestaal: Frans.
HvJ EG, 18-01-2007, nr. C-385/05
ECLI:EU:C:2007:37
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
18-01-2007
- Magistraten
C.W.A. Timmermans, R. Schintgen, R. Silva de Lapuerta, J. Makarczyk, L. Bay Larsen
- Zaaknummer
C-385/05
- LJN
AZ9052
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2007:37, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 18‑01‑2007
Uitspraak 18‑01‑2007
C.W.A. Timmermans, R. Schintgen, R. Silva de Lapuerta, J. Makarczyk, L. Bay Larsen
Partij(en)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
18 januari 2007*
In zaak C-385/05,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Conseil d'État (Frankrijk) bij beslissing van 19 oktober 2005, ingekomen bij het Hof op 24 oktober 2005, in de procedure
Confédération générale du travail (CGT),
Confédération française démocratique du travail (CFDT),
Confédération française de l'encadrement (CFE-CGC),
Confédération française des travailleurs chrétiens (CFTC),
Confédération générale du travail-Force ouvrière (CGT-FO)
tegen
Premier ministre,
Ministre de l'Emploi, de la Cohésion sociale et du Logement,
‘Sociale politiek — Richtlijnen 98/59/EG en 2002/14/EG — Collectief ontslag — Informatie en raadpleging van werknemers — Berekening van minimumaantallen werknemers — Bevoegdheid van lidstaten — Uitsluiting van werknemers die tot bepaalde leeftijdscategorie behoren’
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur), R. Silva de Lapuerta, J. Makarczyk en L. Bay Larsen, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 juni 2006,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Confédération générale du travail (CGT), vertegenwoordigd door A. Lyon-Caen, avocat,
- —
de Confédération française démocratique du travail (CFDT), vertegenwoordigd door H. Masse-Dessen, avocat,
- —
de Confédération française de l'encadrement (CFE-CGC), vertegenwoordigd door H. Masse-Dessen, avocat,
- —
de Confédération française des travailleurs chrétiens (CFTC), vertegenwoordigd door H. Masse-Dessen, avocat,
- —
de Confédération générale du travail-Force ouvrière (CGT-FO), vertegenwoordigd door T. Haas, avocat,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en C. Bergeot-Nunes als gemachtigden,
- —
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Enegren en G. Rozet als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 september 2006,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225, blz. 16) en van richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB L 80, blz. 29).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van verschillende beroepen die de Confédération générale du travail (CGT), de Confédération française démocratique du travail (CFDT), de Confédération française de l'encadrement (CFE-CGC), de Confédération française des travailleurs chrétiens (CFTC) alsmede de Confédération générale du travail-Force ouvrière (CGT-FO) bij de Conseil d'État hebben ingesteld tot nietigverklaring van ordonnantie nr. 2005-892 van 2 augustus 2005 betreffende de aanpassing van de regels voor het tellen van het aantal personeelsleden van een onderneming (JORF van 3 augustus 2005, blz. 12687; hierna: ‘ordonnantie nr. 2005-892’).
Rechtskader
Gemeenschapsregeling
3
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 98/59 luidt als volgt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
- ‘a)
collectief ontslag: het ontslag door een werkgever om één of meer redenen die geen betrekking hebben op de persoon van de werknemer, wanneer, ter keuze van de lidstaten, het aantal ontslagen
- i)
ofwel gedurende een periode van 30 dagen:
- —
ten minste 10 werknemers treft in plaatselijke eenheden met gewoonlijk meer dan 20, maar minder dan 100 werknemers;
- —
ten minste 10 % van het aantal werknemers treft in plaatselijke eenheden met gewoonlijk ten minste 100, maar minder dan 300 werknemers;
- —
ten minste 30 werknemers treft in plaatselijke eenheden met gewoonlijk ten minste 300 werknemers;
- ii)
ofwel gedurende een periode van 90 dagen ten minste 20 werknemers treft, ongeacht het aantal werknemers dat gewoonlijk in de desbetreffende plaatselijke eenheden werkzaam is;
- b)
vertegenwoordigers van de werknemers: de vertegenwoordigers van de werknemers volgens de wetgeving of het gebruik in de lidstaten.
Voor de berekening van het aantal in de eerste alinea, sub a, bedoelde ontslagen wordt met ontslagen gelijkgesteld elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst die uitgaat van de werkgever om één of meer redenen die geen betrekking hebben op de persoon van de werknemers, op voorwaarde dat het ontslag ten minste vijf werknemers treft.’
4
Artikel 2, lid 1, van richtlijn 98/59 luidt als volgt:
‘Wanneer een werkgever overweegt tot collectief ontslag over te gaan, is hij verplicht de vertegenwoordigers van de werknemers tijdig te raadplegen teneinde tot een akkoord te komen.’
5
Artikel 3 van richtlijn 98/59 bepaalt:
‘1. De werkgever is verplicht van elk plan voor collectief ontslag schriftelijk kennis te geven aan de bevoegde overheidsinstantie.
1. […]
2. De werkgever is verplicht aan de vertegenwoordigers van de werknemers een afschrift van de in lid 1 bedoelde kennisgeving te doen toekomen.
2. De vertegenwoordigers van de werknemers kunnen hun eventuele opmerkingen aan de bevoegde overheidsinstantie richten.’
6
Artikel 5 van richtlijn 98/59 luidt als volgt:
‘Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers of om de toepassing van voor de werknemers gunstiger contractuele bepalingen te bevorderen of toe te staan.’
7
In de zevende en de achtste overweging van de considerans van richtlijn 2002/14 wordt verklaard:
‘(7) De sociale dialoog en het wederzijds vertrouwen binnen de ondernemingen dienen verbeterd te worden teneinde het anticiperen op risico's te bevorderen, de flexibiliteit van de organisatie van het werk te bevorderen en de toegang van de werknemers tot opleidingsmogelijkheden binnen de onderneming te handhaven in een kader van zekerheid, de bewustmaking van werknemers ten aanzien van de noodzaak van aanpassingen te stimuleren, de bereidheid van de werknemers om deel te nemen aan maatregelen en acties ter verbetering van hun inzetbaarheid te vergroten, de betrokkenheid van de werknemers bij de plannen voor de toekomst van de onderneming te bevorderen, en het concurrentievermogen daarvan te versterken.
(8) Van bijzonder belang is het bevorderen en intensiveren van informatie en raadpleging over de situatie en de vermoedelijke evolutie van de werkgelegenheid in de onderneming, alsmede, — wanneer de evaluatie van de werkgever wijst op een mogelijke bedreiging van de werkgelegenheid in de onderneming — over voorgenomen anticiperende maatregelen, met name inzake opleiding en ontwikkeling van de vaardigheden van de werknemers, zulks teneinde de negatieve effecten af te wenden of te verzachten, en de inzetbaarheid en het aanpassingsvermogen van de bedreigde werknemers te verbeteren.’
8
Bovendien heeft richtlijn 2002/14, volgens de achttiende overweging van de considerans ervan, als doel een algemeen kader in te voeren teneinde minimumvoorschriften vast te stellen die voor de gehele Gemeenschap gelden, zonder dat wordt belet dat de lidstaten voorzien in bepalingen die gunstiger zijn voor de werknemers.
9
Dat kader heeft tevens tot doel, zoals blijkt uit de negentiende overweging van de considerans van deze richtlijn, te vermijden dat administratieve, financiële en juridische beperkingen de oprichting en de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen belemmeren. Daartoe leek het dienstig, volgens de bewoordingen van diezelfde overweging, de werkingssfeer van deze richtlijn, naar keuze van de lidstaten, te beperken tot ondernemingen met ten minste 50 of vestigingen met ten minste 20 werknemers.
10
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2002/14 luidt als volgt:
‘Deze richtlijn heeft tot doel een algemeen kader van minimumvoorschriften vast te stellen met betrekking tot het recht van werknemers van ondernemingen of vestigingen in de Gemeenschap op informatie en raadpleging.’
11
Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- d)
‘werknemer’: een persoon die in de betrokken lidstaat op grond van het nationale arbeidsrecht en volgens de nationale praktijk bescherming geniet als werknemer;
[…]’
12
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2002/14 luidt als volgt:
‘Deze richtlijn is naar keuze van de lidstaten van toepassing op:
- a)
ondernemingen die in een lidstaat ten minste 50 werknemers in dienst hebben, of
- b)
vestigingen die in een lidstaat ten minste 20 werknemers in dienst hebben.
De lidstaten bepalen op welke wijze deze minimumaantallen worden berekend.’
13
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2002/14 luidt als volgt:
‘De lidstaten stellen overeenkomstig dit artikel in nadere regelingen vast hoe het recht op informatie en raadpleging op het passende niveau wordt uitgeoefend en houden daarbij rekening met de beginselen van artikel 1 en laten vigerende bepalingen en/of praktijken die voor de werknemers gunstiger zijn, onverlet.’
14
Artikel 11 van richtlijn 2002/14 bepaalt dat de lidstaten alle nodige maatregelen moeten treffen om te allen tijde in staat te zijn, de bij deze richtlijn opgelegde resultaten te garanderen.
Nationale regeling
15
Krachtens artikel L. 421-1 van de Franse Code du travail moet elke vestiging die ten minste elf werknemers in dienst heeft, voorzien in een personeelsafvaardiging.
16
Volgens de artikelen L. 321-2 en L. 321-3 van dat wetboek moeten de werkgevers die ontslag om economische redenen overwegen, de ondernemingsraad of de personeelsafgevaardigden bijeenroepen en raadplegen wanneer het voorgenomen ontslag ten minste 10 werknemers treft in eenzelfde periode van 30 dagen.
17
Vóór vaststelling van ordonnantie nr. 2005-892 luidde artikel L. 620-10 van de Code du travail als volgt:
‘Voor de uitvoering van de bepalingen van dit wetboek wordt het aantal personeelsleden van een onderneming berekend als volgt:
Werknemers met een contract voor onbepaalde duur voor voltijdarbeid en thuiswerkers worden volledig meegeteld bij de berekening van het aantal personeelsleden van de onderneming.
Werknemers met een contract voor bepaalde duur, uitzendkrachten en door een externe onderneming ter beschikking gestelde werknemers, met inbegrip van tijdelijke werknemers, worden bij de berekening van het aantal personeelsleden van de onderneming meegeteld naar verhouding van hun aanwezigheid tijdens de laatste twaalf maanden. Werknemers met een contract voor bepaalde duur, met een contract voor tijdelijke arbeid of door een externe onderneming ter beschikking gestelde werknemers tellen echter niet mee bij de berekening van het aantal personeelsleden wanneer zij een afwezige werknemer of een werknemer met een geschorst arbeidscontract vervangen.
Werknemers met een arbeidscontract voor deeltijdarbeid, ongeacht de soort van hun arbeidscontract, worden meegeteld voor het deel dat gelijk is aan het quotiënt van het totaal van de in hun arbeidscontract vastgestelde arbeidsuren en de wettelijk of contractueel bepaalde arbeidsduur.’
18
Bij artikel 1 van ordonnantie nr. 2005-892 is dat artikel L. 620-10 aangevuld met de volgende alinea:
‘Werknemers die vanaf 22 juni 2005 zijn aangeworven en jonger dan 26 jaar zijn, worden, totdat zij de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt, niet meegeteld bij de berekening van het aantal personeelsleden van de onderneming waar zij zijn tewerkgesteld, ongeacht de soort van arbeidsovereenkomst die zij en deze onderneming hebben gesloten. Deze bepaling kan niet tot gevolg hebben dat een orgaan voor personeelsvertegenwoordiging wordt afgeschaft of dat een mandaat van een personeelsvertegenwoordiger vervalt. De bepalingen van deze alinea gelden tot en met 31 december 2007.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19
Uit het bij het Hof ingediende dossier blijkt dat de Eerste minister in zijn algemene beleidsverklaring van 8 juni 2005 aan het parlement een noodplan heeft voorgelegd om de onrustbarende werkgelegenheidssituatie in Frankrijk bij te sturen. Opdat de in dat plan voorgestelde maatregelen vanaf 1 september 2005 in werking konden treden, heeft de regering verzocht om een machtiging om bij wege van ordonnantie wetgeving te kunnen aannemen.
20
Artikel 1 van wet nr. 2005-846 van 26 juli 2005 (JORF van 27 juli 2005, blz. 12223) verleent de regering aldus de machtiging om bij wege van ordonnantie alle maatregelen te nemen, onder meer, tot aanpassing van de regels voor het tellen van het aantal personeelsleden van een onderneming ter uitvoering van arbeidsrechtelijke bepalingen of ter nakoming van krachtens andere wetten opgelegde financiële verplichtingen, teneinde de aanwerving, vanaf 22 juni 2005, van werknemers jonger dan 26 jaar te bevorderen.
21
Op 2 augustus 2005 heeft de regering bij wege van ordonnantie nr. 2005-892 maatregelen genomen tot aanpassing van de regels voor het tellen van het aantal personeelsleden van een onderneming en bepaald dat deze ordonnantie uitwerking heeft tot en met 31 december 2007.
22
Tegen ordonnantie nr. 2005-892 zijn bij de Conseil d'État beroepen ingesteld door de CGT, de CFDT, de CFE-CGC, de CFTC en de CGT-FO.
23
Ter ondersteuning van hun beroepen hebben verzoeksters in het hoofdgeding met name als middel aangevoerd dat de bij ordonnantie nr. 2005-892 ingevoerde aanpassing van de regels voor het tellen van het aantal personeelsleden voorbijgaat aan de doelstellingen van de richtlijnen 98/59 en 2002/14.
24
De verwijzende rechter merkt op dat, hoewel de bestreden bepaling van ordonnantie nr. 2005-892 niet rechtstreeks tot gevolg heeft dat de nationale bepalingen ter uitvoering van de richtlijnen 98/59 en 2002/14 niet meer van toepassing zijn, de toepassing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepaling, voor vestigingen die meer dan 20 werknemers tellen, waarvan er evenwel minder dan 11 ouder dan 26 jaar zijn, ertoe kan leiden dat de werkgever wordt ontheven van een aantal verplichtingen die uit deze twee richtlijnen voortvloeien.
25
Derhalve heeft de Conseil d'État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Dient, gelet op het doel van richtlijn [2002/14], dat volgens artikel 1, lid 1, ervan bestaat in het vaststellen van een algemeen kader van minimumvoorschriften met betrekking tot het recht van werknemers van ondernemingen of vestigingen in de Gemeenschap op informatie en raadpleging, de aan de lidstaten verleende bevoegdheid om te bepalen volgens welke methode de in de richtlijn vastgestelde minimumaantallen werknemers worden berekend, aldus te worden uitgelegd dat de lidstaten kunnen bepalen dat bepaalde categorieën van werknemers pas na een bepaalde tijd in aanmerking worden genomen voor de toepassing van deze minimumaantallen?
- 2)
In hoeverre kan richtlijn [98/59] aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een regeling waarbij bepaalde vestigingen die gewoonlijk meer dan 20 werknemers in dienst hebben, zij het tijdelijk, worden ontheven van de verplichting een werknemersvertegenwoordigingsstructuur op te zetten, als gevolg van de toepassing van regels voor het tellen van het aantal personeelsleden waarbij bepaalde categorieën van werknemers niet worden meegeteld voor de toepassing van de bepalingen tot inrichting van deze vertegenwoordiging?’
26
In zijn verwijzingsbeslissing heeft de Conseil d'État het Hof verzocht, de prejudiciële verwijzing krachtens artikel 104 bis, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering te behandelen volgens een versnelde procedure.
27
Dat verzoek is afgewezen bij beschikking van de president van het Hof van 21 november 2005.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
28
Vooraf zij opgemerkt dat volgens de rechtspraak van het Hof de bevordering van de werkgelegenheid een rechtmatige doelstelling van sociaal beleid vormt, en dat de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikken bij de keuze van de maatregelen die kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van hun sociaal beleid (zie met name arresten van 9 februari 1999, Seymour-Smith en Perez, C-167/97, Jurispr. blz. I-623, punten 71 en 74, en 20 maart 2003, Kutz-Bauer, C-187/00, Jurispr. blz. I-2741, punten 55 en 56).
29
De beoordelingsvrijheid waarover de lidstaten inzake sociaal beleid beschikken, mag evenwel niet tot gevolg hebben dat een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht of een bepaling van dat recht van zijn of haar inhoud wordt beroofd (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Seymour-Smith en Perez, punt 75, en Kutz-Bauer, punt 57).
Eerste vraag
30
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 2002/14 aldus dient te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen aan een nationale regeling waarbij een bepaalde categorie van werknemers, zij het tijdelijk, wordt uitgesloten bij de berekening van het aantal werknemers in de zin van deze bepaling.
31
Dienaangaande zij opgemerkt dat volgens artikel 2, sub d, van richtlijn 2002/14 onder een werknemer in de zin van deze richtlijn dient te worden verstaan, een persoon die in de betrokken lidstaat op grond van het nationale arbeidsrecht en volgens de nationale praktijk bescherming geniet als werknemer.
32
Hieruit volgt dat, aangezien de in de bestreden nationale bepaling bedoelde werknemers jonger dan 26 jaar ontegenzeggelijk worden beschermd op grond van de nationale arbeidsrechtelijke regeling, zij werknemers in de zin van richtlijn 2002/14 vormen.
33
Hoewel artikel 3, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn bepaalt dat het aan de lidstaten staat, te bepalen op welke wijze de minimumaantallen werknemers worden berekend, ziet deze bepaling evenwel op het bepalen van de wijze waarop de minimumaantallen werknemers worden berekend, en niet op het definiëren zelf van het begrip werknemer.
34
Aangezien in richtlijn 2002/14 wordt bepaald welke personen bij deze berekening in aanmerking komen, is het de lidstaten echter niet toegestaan, bepaalde categorieën van personen die oorspronkelijk in aanmerking kwamen, bij deze berekening uit te sluiten. Hoewel deze richtlijn de lidstaten niet voorschrijft op welke wijze zij de werknemers die binnen de werkingssfeer ervan vallen, moeten meetellen bij de berekening van de minimumaantallen werknemers, schrijft zij wel voor dat zij deze werknemers moeten meetellen.
35
Volgens de rechtspraak van het Hof mogen de lidstaten, wanneer in een gemeenschapsbepaling wordt verwezen naar de nationale wettelijke regelingen en praktijken, immers geen maatregelen nemen die de nuttige werking van de communautaire regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt, kunnen ondermijnen (zie in die zin arrest van 9 september 2003, Jaeger, C-151/02, Jurispr. blz. I-8389, punt 59).
36
Wat inzonderheid richtlijn 2002/14 betreft, zij opgemerkt dat zowel volgens artikel 137 EG, dat de rechtsgrondslag van deze richtlijn vormt, als volgens de achttiende overweging van de considerans en artikel 1, lid 1, ervan deze richtlijn tot doel heeft, minimumvoorschriften vast te stellen met betrekking tot het recht op informatie en raadpleging van de werknemers in de in de Gemeenschap gelegen ondernemingen en vestigingen.
37
Bovendien staat vast dat de bij richtlijn 2002/14 ingevoerde regeling, afgezien van enkele uitzonderingen in artikel 3, leden 2 en 3, ervan van toepassing is op alle in artikel 2, sub d, van deze richtlijn bedoelde werknemers.
38
Een regeling als die in het hoofdgeding, die — zoals de advocaat-generaal in punt 28 van zijn conclusie heeft opgemerkt — tot gevolg heeft dat bepaalde werkgevers worden ontheven van de bij richtlijn 2002/14 opgelegde verplichtingen en dat hun werknemers bij deze richtlijn erkende rechten worden ontnomen, kan echter deze rechten van hun inhoud beroven en aldus deze richtlijn elke nuttige werking ontnemen.
39
Bovendien blijkt uit de door de Franse regering ingediende opmerkingen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling een verlichting beoogt van de verplichtingen die voor de werkgevers voortvloeien uit het feit dat door de aanwerving van extra werknemers de minimumaantallen die voor hen gelden met name voor de toepassing van de uit richtlijn 2002/14 voortvloeiende verplichtingen, kunnen worden overschreden.
40
De door diezelfde regering bepleite uitlegging van richtlijn 2002/14, namelijk dat artikel 3, lid 1, van deze richtlijn de lidstaten niet verbiedt, nadere regelingen in te voeren, zoals met de in het hoofdgeding aan de orde zijn bepaling is gebeurd, betreffende de wijze waarop de minimumaantallen werknemers worden berekend waarbij bepaalde categorieën van werknemers zelfs tijdelijk worden uitgesloten voor zover deze uitsluiting wordt gerechtvaardigd door een doelstelling van algemeen belang, bestaande in de bevordering van de werkgelegenheid voor jongeren, en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, is onverenigbaar met artikel 11, lid 1, van deze richtlijn, dat bepaalt dat de lidstaten alle nodige maatregelen moeten nemen om te allen tijde in staat te zijn, de bij richtlijn 2002/14 opgelegde resultaten te garanderen, doordat deze uitlegging impliceert dat het deze staten is toegestaan, zich, zij het tijdelijk, te onttrekken aan deze door het gemeenschapsrecht voorgeschreven duidelijke en precieze resultaatsverbintenis (zie mutatis mutandis arrest van 4 juli 2006, Adeneler, C-212/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 68).
41
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2002/14 aldus dient te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarbij een bepaalde categorie van werknemers, zij het tijdelijk, wordt uitgesloten bij de berekening van het aantal werknemers in de zin van deze bepaling.
Tweede vraag
42
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 98/59 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarbij een bepaalde categorie van werknemers, zij het tijdelijk, wordt uitgesloten bij de berekening van het in deze bepaling vastgestelde aantal werknemers.
43
Om op de aldus geherformuleerde vraag te antwoorden, zij in de eerste plaats vastgesteld dat richtlijn 98/59 beoogde een vergelijkbare bescherming van de rechten van de werknemers in de verschillende lidstaten in geval van collectief ontslag te verzekeren en ervoor te zorgen dat de lasten die de regels tot inrichting van deze bescherming voor de ondernemingen van de Gemeenschap meebrengen, onderling minder sterk verschillen (zie mutatis mutandis arrest van 8 juni 1994, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-383/92, Jurispr. blz. I-2479, punt 16).
44
In de tweede plaats zij opgemerkt dat uit de artikelen 1, lid 1, en 5 van richtlijn 98/59 volgt dat deze beoogt, een minimumbescherming inzake de voorlichting en raadpleging van de werknemers in geval van collectief ontslag in te voeren, waarbij de lidstaten vrij blijven, nationale maatregelen te nemen die voor deze werknemers gunstiger zijn.
45
Evenwel dient te worden vastgesteld dat de in artikel 1, lid 1, van richtlijn 98/59 vastgestelde minimumaantallen precies dergelijke minimumvoorschriften vormen waarvan de lidstaten alleen kunnen afwijken indien zij voor de werknemers gunstigere maatregelen nemen.
46
Volgens de rechtspraak van het Hof is een nationale wettelijke regeling die het mogelijk maakt, afbreuk te doen aan de onvoorwaardelijke bescherming die een richtlijn de werknemers garandeert, immers in strijd met het gemeenschapsrecht (arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 21).
47
Bovendien kan richtlijn 98/59, anders dan de Franse regering stelt, niet aldus worden uitgelegd dat de wijze waarop deze minimumaantallen worden berekend, en dus deze minimumaantallen zelf, aan het eigen inzicht van de lidstaten worden overgelaten, aangezien deze uitlegging de lidstaten toestaat, de werkingssfeer van deze richtlijn te wijzigen en aldus deze richtlijn haar volle werking te ontnemen.
48
Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing en uit de punten 73 en 74 van de conclusie van de advocaat-generaal, kan een nationale bepaling als die in het hoofdgeding, de collectiviteit van werknemers die zijn tewerkgesteld in bepaalde ondernemingen die gewoonlijk meer dan 20 werknemers in dienst hebben, de rechten die zij ontlenen aan richtlijn 98/59, zij het tijdelijk ontnemen, en daardoor afbreuk doen aan de nuttige werking van deze richtlijn.
49
Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 98/59 aldus dient te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarbij een bepaalde categorie van werknemers, zij het tijdelijk, wordt uitgesloten bij de berekening van het in deze bepaling vastgestelde aantal werknemers.
Kosten
50
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap, dient aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarbij een bepaalde categorie van werknemers, zij het tijdelijk, wordt uitgesloten bij de berekening van het aantal werknemers in de zin van deze bepaling.
- 2)
Artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag, dient aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarbij een bepaalde categorie van werknemers, zij het tijdelijk, wordt uitgesloten bij de berekening van het in deze bepaling vastgestelde aantal werknemers.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑01‑2007