Procestaal: Spaans.
HvJ EG, 20-09-2007, nr. C-177/06
ECLI:EU:C:2007:538
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
20-09-2007
- Magistraten
K. Schiemann, L. Bay Larsen, J.-C. Bonichot, T. von Danwitz, C. Toader
- Zaaknummer
C-177/06
- LJN
BB7706
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2007:538, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 20‑09‑2007
Uitspraak 20‑09‑2007
K. Schiemann, L. Bay Larsen, J.-C. Bonichot, T. von Danwitz, C. Toader
Partij(en)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
20 september 2007*
In zaak C-177/06,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 88, lid 2, EG, ingesteld op 4 april 2006,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre en C. Urraca Caviedes als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
‘Steunmaatregelen van staten — Steunregeling — Onverenigbaarheid met gemeenschappelijke markt — Beschikking van Commissie — Uitvoering — Intrekking van steunregeling — Stopzetting uitkering van nog niet uitbetaalde steun — Terugvordering van ter beschikking gestelde steun — Niet-nakoming — Verweermiddelen — Onwettigheid van beschikking — Volstrekte onmogelijkheid tot uitvoering’
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: K. Schiemann, waarnemend voor de president van de Tweede kamer, L. Bay Larsen (rapporteur), J.-C. Bonichot, T. von Danwitz en C. Toader, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 april 2007,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de artikelen 2 en 3 van beschikkingen:
- —
2003/28/EG van de Commissie van 20 december 2001 betreffende een door Spanje in 1993 ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Álava (Spanje) (PB 2003, L 17, blz. 20);
- —
2003/86/EG van de Commissie van 20 december 2001 betreffende een door Spanje in 1993 ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Vizcaya (Spanje) (PB 2003, L 40, blz. 11);
- —
2003/192/EG van de Commissie van 20 december 2001 betreffende een door Spanje in 1993 ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Guipúzcoa (Spanje) (PB 2003, L 77, blz. 1; hierna, gezamenlijk: ‘litigieuze beschikkingen’),
althans door haar deze maatregelen niet overeenkomstig artikel 4 van deze beschikkingen mee te delen, de krachtens deze bepalingen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
I — Voorgeschiedenis van het geding
2
In 1993 hebben de Baskische provincies Álava, Vizcaya en Guipúzcoa fiscale maatregelen vastgesteld om de oprichting van ondernemingen te begunstigen.
3
Krachtens artikel 14 van de provinciale wetten nrs. 18/1993 van 5 juli van de provincie Álava, 5/1993 van 24 juni van de provincie Vizcaya en 11/1993 van 26 juni van de provincie Guipúzcoa, alle drie getiteld ‘Fiscale spoedmaatregelen ter ondersteuning van de investeringen en stimulering van de economische activiteit’ (Medidas Fiscales Urgentes de Apoyo a la Inversión e impulso de la Actividad Económica), zijn de in het tijdvak vanaf de inwerkingtreding van de provinciale wet tot en met 31 december 1994 opgerichte ondernemingen gedurende een periode van tien opeenvolgende belastingjaren vrijgesteld van vennootschapsbelasting, mits zij onder meer:
- —
worden opgericht met een minimumkapitaal van 20 miljoen ESP;
- —
tussen de datum van oprichting van de onderneming en 31 december 1995 een bedrag van minimaal 80 miljoen ESP investeren, en
- —
minstens tien arbeidsplaatsen creëren in de zes maanden volgend op hun oprichting.
4
Bij brief van 28 november 2000 heeft de Commissie jegens Spanje de procedure van artikel 88, lid 2, EG ingeleid ten aanzien van elk van deze drie belastingregelingen (hierna, gezamenlijk: ‘litigieuze belastingmaatregelen’).
5
Bij verzoekschriften, neergelegd op 9 februari 2001, hebben de Diputación Foral de Álava (zaak T-30/01), de Diputación Foral de Guipúzcoa (zaak T-31/01) en de Diputación Foral de Vizcaya (zaak T-32/01) drie beroepen tot nietigverklaring ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, elk tegen de haar betreffende beschikking tot inleiding van deze procedure.
6
Na afloop van de formele onderzoeksprocedures heeft de Commissie de litigieuze beschikkingen vastgesteld.
7
Artikel 1 van elk van deze beschikkingen kwalificeert de betrokken belastingmaatregel als staatssteun en verklaart deze onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
8
De artikelen 2 tot en met 4 van elk van deze beschikkingen luiden als volgt:
‘Artikel 2
Spanje trekt de in artikel 1 bedoelde steunregeling in.
Artikel 3
1
Spanje neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 1 bedoelde en reeds onrechtmatig ter beschikking gestelde steun van de begunstigden terug te vorderen. Spanje heft alle uitkeringen van nog niet uitbetaalde steun op.
2
De terugvordering geschiedt onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures voor zover deze procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de onderhavige beschikking toelaten. […]
Artikel 4
Spanje deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen.’
9
Van de drie beschikkingen is aan het Koninkrijk Spanje officieel kennis gegeven bij brieven van 28 december 2001.
10
De in de artikelen 4 van elk daarvan bedoelde termijn van twee maanden is verstreken zonder dat de Commissie, naar haar zeggen, op de hoogte is gebracht van de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen.
11
Bij verzoekschriften, neergelegd op 26 maart 2002, hebben de Diputación Foral de Álava (zaak T-86/02), de Diputación Foral de Vizcaya (zaak T-87/02) en de Diputación Foral de Guipúzcoa (zaak T-88/02) drie beroepen tot nietigverklaring bij het Gerecht ingesteld, elk tegen de haar betreffende ongunstige beschikking.
12
De zaken T-30/01 tot en met T-32/01 en T-86/02 tot en met T-88/02 zijn door het Gerecht gevoegd en momenteel bij deze rechterlijke instantie aanhangig.
13
Na diverse brieven en herinneringen na 1 maart 2002, heeft de Commissie, van mening dat het Koninkrijk Spanje haar nog steeds geen inlichtingen over de uitvoering van de litigieuze beschikkingen had meegedeeld, besloten het onderhavige beroep wegens niet-nakoming in te stellen.
II — Procesverloop voor het Hof
14
Op 27 februari 2007 heeft het Hof verworpen een door het Koninkrijk Spanje krachtens artikel 82 bis van het Reglement voor de procesvoering ingediend verzoek om schorsing van de behandeling tot de uitspraak van de arresten in de zes voor het Gerecht aanhangige zaken.
III — Het beroep
A — Argumenten van partijen
1. Argumenten van de Commissie
15
De Commissie roept de artikelen 249 EG en 88, lid 2, EG in.
16
Volgens haar heeft het Koninkrijk Spanje bij het verstrijken van de in artikel 4 van elk der litigieuze beschikkingen gestelde termijn, noch de steunregelingen — voor zover deze nog golden — ingetrokken, noch de uitkering van nog niet uitbetaalde steun stopgezet, noch de reeds betaalde steun teruggevorderd, en derhalve de artikelen 2 en 3 van deze beschikkingen geschonden.
17
De Commissie wijst erop dat de beschikkingen, ondanks tal van herinneringen, zelfs niet waren uitgevoerd op de dag waarop het onderhavige beroep is ingesteld.
18
Zij betoogt dat het enige middel dat een lidstaat tegen een door de Commissie krachtens artikel 88, lid 2, EG ingesteld beroep wegens niet-nakoming kan aanvoeren, een volstrekte onmogelijkheid tot uitvoering van de beschikking is. Deze voorwaarde is in casu evenwel niet vervuld.
19
In geen geval kan het Koninkrijk Spanje zich op onwettigheid van de litigieuze beschikkingen beroepen, aangezien het geen beroep tot nietigverklaring daarvan heeft ingesteld.
2. Argumenten van de Spaanse regering
20
De Spaanse regering werpt primair een exceptie van onwettigheid ten aanzien van de litigieuze beschikkingen op. Subsidiair betwist zij dat haar niet-nakoming inzake de uitvoering van deze beschikkingen kan worden verweten.
a) Onwettigheid van de litigieuze beschikkingen
21
Onder verwijzing naar het arrest van 1 april 2004, Commissie/Italië (C-99/02, Jurispr. blz. I-3353, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak), a contrario gelezen, betoogt de Spaanse regering dat zij de onwettigheid van de ongunstige beschikkingen van de Commissie kan inroepen, ook al heeft zij geen beroep tot nietigverklaring ingesteld. Deze beschikkingen zijn immers niet definitief aangezien zij het voorwerp zijn van aanhangige beroepen tot nietigverklaring die door de betrokken provinciale regeringen bij het Gerecht zijn ingesteld.
22
De opgeworpen exceptie bestaat uit zes onderdelen: misbruik van bevoegdheid, toepassing van richtsnoeren die nog niet golden op het tijdstip waarop de litigieuze belastingmaatregelen zijn vastgesteld, schending van artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1), schending van de rechten van de verdediging in het kader van de procedure van vooronderzoek, schending van de rechten van de verdediging in het kader van de formele onderzoeksprocedure en schending van de motiveringsplicht.
b) Geen niet-nakoming
23
De Spaanse regering betwist dat er sprake is van niet-nakoming van de verplichtingen tot intrekking van de steunregelingen, voor zover deze nog zouden hebben gegolden, tot stopzetting van de uitkering van nog niet uitbetaalde steun en tot terugvordering van de reeds ter beschikking gestelde steun.
i) Verplichtingen tot intrekking van de steunregelingen, voor zover deze nog zouden hebben gegolden, en tot stopzetting van de uitkering van nog niet uitbetaalde steun
24
De Spaanse regering herinnert eraan dat de litigieuze belastingmaatregelen bestonden in vrijstellingen van vennootschapsbelasting gedurende een periode van tien opeenvolgende belastingjaren vanaf het jaar van oprichting van de nieuwe vennootschap.
25
Ook al zijn deze maatregelen niet formeel ingetrokken, zij golden slechts voor een beperkte periode, aangezien zij van toepassing waren op vennootschappen die in het tijdvak vanaf de inwerkingtreding, in 1993, van de provinciale wetten nrs. 18/1993, 5/1993 en 11/1993 tot en met 31 december 1994 zijn opgericht, en zij dus slechts tot vrijstellingen konden leiden tot de belastingaangifte die uiterlijk in juli 2005 werd ingediend.
26
In die omstandigheden sorteren de betrokken belastingregelingen geen effect meer.
ii) Verplichting tot terugvordering van de reeds ter beschikking gestelde steun
27
De Spaanse regering is van mening dat de Commissie haar ten onrechte verwijt dat zij voor de terugvordering van de reeds ter beschikking gestelde steun heeft gekozen voor de procedure naar nationaal recht waarbij wordt verklaard dat de te vernietigen handelingen bezwarend zijn, welke procedure volgens de Commissie de terugvordering buitensporig bemoeilijkt.
28
In werkelijkheid is echter gekozen voor de procedure tot herziening van nietige handelingen, welke de passende procedure is om de litigieuze beschikkingen correct uit te voeren.
29
Voor zover de Commissie het Koninkrijk Spanje ten onrechte heeft verweten dat het een terugvorderingsprocedure heeft gekozen waarmee de litigieuze beschikkingen niet konden worden uitgevoerd, kan deze lidstaat dan ook geen niet-nakoming worden toegerekend.
B — Beoordeling door het Hof
1. De exceptie van onwettigheid van de litigieuze beschikkingen
30
In het door het EG-Verdrag geschapen stelsel van rechtsmiddelen wordt onderscheiden tussen de beroepen van de artikelen 226 EG en 227 EG, bedoeld om te doen vaststellen dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, en die van de artikelen 230 EG en 232 EG, waarin de wettigheid van het handelen of nalaten van de gemeenschapsinstellingen kan worden getoetst. Deze rechtsmiddelen hebben uiteenlopende oogmerken en zijn aan verschillende regels onderworpen. Nu geen enkele verdragsbepaling uitdrukkelijk in die mogelijkheid voorziet, kan een lidstaat zich derhalve niet op de onwettigheid van een tot hem gerichte beschikking beroepen als verweer in een beroep wegens niet-nakoming dat is gebaseerd op de niet-uitvoering van die beschikking (zie met name arresten van 22 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-261/99, Jurispr. blz. I-2537, punt 18, en 26 juni 2003, Commissie/Spanje, C-404/00, Jurispr. blz. I-6695, punt 40).
31
Dit zou slechts anders kunnen zijn, indien de betrokken handeling zulke ernstige en kennelijke gebreken vertoont dat zij als non-existent kan worden aangemerkt (reeds aangehaalde arresten Commissie/Frankrijk, punt 19, en Commissie/Spanje, punt 41).
32
Dit geldt eveneens in het kader van een beroep wegens niet-nakoming op basis van artikel 88, lid 2, tweede alinea, EG (reeds aangehaalde arresten Commissie/Frankrijk, punt 20, en Commissie/Spanje, punt 42).
33
In dit verband moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje in zijn memories niet heeft verklaard dat de litigieuze beschikkingen waren aangetast door een gebrek op grond waarvan deze handelingen als non-existent konden worden beschouwd.
34
In elk geval kan de Spaanse regering zich niet onder verwijzing naar het reeds aangehaalde arrest Commissie/Italië beroepen op de voor het Gerecht aanhangige beroepen tot nietigverklaring die door de betrokken provincies zijn ingesteld.
35
De omstandigheid dat het Hof in dit arrest en in andere arresten heeft benadrukt dat in de bij hem aanhangige zaken niet binnen de gestelde termijn een beroep tot nietigverklaring was ingesteld of dat een dergelijk beroep was verworpen, wettigt op zich niet de conclusie dat de onwettigheid van een gemeenschapshandeling omgekeerd als verweer kan worden ingeroepen in het kader van een beroep wegens niet-nakoming, enkel op grond dat tegen deze handeling een beroep tot nietigverklaring aanhangig is.
36
Er zij immers aan herinnerd dat de litigieuze beschikkingen worden vermoed wettig te zijn en ondanks de beroepen tot nietigverklaring voor het Koninkrijk Spanje verbindend blijven in al hun onderdelen (zie arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 26).
37
Hieruit volgt dat, behoudens in het geval van non-existentie van een handeling, een lidstaat in het kader van een beroep wegens niet-nakoming op basis van artikel 88, lid 2, tweede alinea, EG niet de onwettigheid van een ongunstige beschikking van de Commissie kan tegenwerpen wanneer een rechtstreeks beroep tegen deze beschikking bij de gemeenschapsrechter aanhangig is (zie met betrekking tot zaken waarin beroepen tot nietigverklaring aanhangig waren, arresten van 27 juni 2000, Commissie/Portugal, C-404/97, Jurispr. blz. I-4897, en 1 juni 2006, Commissie/Italië, C-207/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
38
Uit het voorgaande volgt dat de onderzochte exceptie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2. De vraag of er sprake is van niet-nakoming
a) De grieven betreffende de verplichtingen tot intrekking van de steunregelingen, voor zover deze nog zouden gelden, en tot stopzetting van de uitkering van de nog niet uitbetaalde steun
39
Artikel 2 van elk van de litigieuze beschikkingen legt het Koninkrijk Spanje de verplichting op om de betrokken steunregeling, voor zover deze nog zou gelden, in te trekken. Artikel 3, lid 1, tweede volzin, van elk van deze beschikkingen eist de stopzetting van de uitkering van de nog niet uitbetaalde steun.
40
Zoals de Spaanse regering onderstreept, golden de steunregelingen enkel voor uiterlijk op 31 december 1994 opgerichte vennootschappen.
41
Zij zouden evenwel effect sorteren gedurende tien belastingjaren, dus meerdere jaren na de datum van de litigieuze beschikkingen.
42
Krachtens de artikelen 2 en 3, lid 1, tweede volzin, van elk van deze beschikkingen stond het bijgevolg aan het Koninkrijk Spanje, de intrekking van de steunregelingen alsook van de nog niet toegekende rechten op belastingvrijstelling, te verzekeren.
43
De Spaanse regering betwist niet dat de steunregelingen alsook de op de datum van de litigieuze beschikkingen nog niet toegekende rechten op belastingvrijstelling niet zijn ingetrokken.
44
Hieruit volgt dat de grieven van de Commissie betreffende de artikelen 2 en 3, lid 1, tweede volzin, van elk van de litigieuze beschikkingen gegrond zijn.
b) De grieven betreffende de verplichtingen tot terugvordering van de reeds ter beschikking gestelde steun
45
In geval van een ongunstige beschikking inzake onwettige steun geschiedt de door de Commissie gelaste terugvordering daarvan volgens de voorwaarden van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999, dat bepaalt:
‘[…] terugvordering [dient] onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat te geschieden, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie toelaten. Daartoe nemen de betrokken lidstaten in geval van een procedure voor een nationale rechtbank alle nodige maatregelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om dit doel te bereiken, onverminderd de communautaire wetgeving.’
46
Volgens vaste rechtspraak bestaat het enige verweer dat een lidstaat tegen een door de Commissie krachtens artikel 88, lid 2, EG ingesteld beroep wegens niet-nakoming kan aanvoeren, in een volstrekte onmogelijkheid om de beschikking correct uit te voeren (zie onder meer reeds aangehaalde arresten Commissie/Frankrijk, punt 23, en Commissie/Spanje, punt 45, alsook arrest van 12 mei 2005, Commissie/Griekenland, C-415/03, Jurispr. blz. I-3875, punt 35).
47
In de onderhavige zaak is de verplichting tot terugvordering opgenomen in artikel 3, leden 1, eerste volzin, en 2, van elk van de litigieuze beschikkingen.
48
Het Koninkrijk Spanje beroept zich niet op een volstrekte onmogelijkheid om deze bepalingen uit te voeren.
49
Het betoogt enkel dat de procedure die voor de terugvordering van de reeds ter beschikking gestelde steun is gekozen, de passende procedure is om de beschikkingen correct uit te voeren.
50
Het legt evenwel geen enkel bewijsstuk over betreffende met name de identiteit van de begunstigden van de steun, de bedragen van de toegekende steun en de procedures die daadwerkelijk en met bekwame spoed met het oog op de terugvordering van deze steun zijn aangewend.
51
Derhalve bewijst het niet, dat binnen de in artikel 4 van elk van de litigieuze beschikkingen gestelde termijn maatregelen zijn genomen die in de zin van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 een onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van de litigieuze beschikkingen verzekerden met betrekking tot de reeds ter beschikking gestelde steun.
52
Bijgevolg zijn de grieven van de Commissie betreffende artikel 3, leden 1, eerste volzin, en 2, van elk van de litigieuze beschikkingen gegrond.
53
Uit een en ander volgt dat het beroep gegrond is voor zover de Commissie het Koninkrijk Spanje verwijt, niet alle maatregelen te hebben genomen die noodzakelijk zijn om de betrokken steunregelingen in te trekken, de uitkering van de nog niet uitbetaalde steun stop te zetten en de reeds ter beschikking gestelde steun terug te vorderen.
54
Het Hof behoeft zich niet uit te spreken over de conclusies die ertoe strekken, het Koninkrijk Spanje te doen veroordelen op grond dat het de Commissie geen mededeling heeft gedaan van de in het vorige punt bedoelde maatregelen, nu deze lidstaat die verplichtingen immers niet binnen de gestelde termijn heeft uitgevoerd (zie arresten van 4 april 1995, Commissie/Italië, C-348/93, Jurispr. blz. I-673, punt 31, en 1 juni 2006, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 53).
55
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de artikelen 2 en 3 van elk van de litigieuze beschikkingen, de krachtens deze bepalingen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
IV — Kosten
56
Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
- 1)
Door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de artikelen 2 en 3 van elk van de beschikkingen:
- —
2003/28/EG van de Commissie van 20 december 2001 betreffende een door Spanje in 1993 ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Álava (Spanje);
- —
2003/86/EG van de Commissie van 20 december 2001 betreffende een door Spanje in 1993 ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Vizcaya (Spanje);
- —
2003/192/EG van de Commissie van 20 december 2001 betreffende een door Spanje in 1993 ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Guipúzcoa (Spanje),
is het Koninkrijk Spanje de krachtens deze bepalingen op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
- 2)
Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑09‑2007