HR, 09-11-2018, nr. 17/05999
ECLI:NL:HR:2018:2086
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-11-2018
- Zaaknummer
17/05999
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑11‑2018
ECLI:NL:HR:2018:2086, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑11‑2018; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2017:9614, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
NLF 2018/2516 met annotatie van Wendy Nent
BNB 2019/13 met annotatie van A.O. LUBBERS
FED 2019/27 met annotatie van R.M.P.G. NIESSEN-COBBEN
NTFR 2018/2728 met annotatie van drs. W.A. Romijn
FutD 2018-2932
Viditax (FutD) 2018110904
Beroepschrift 09‑11‑2018
Edelhoogachtbaar College,
Namens [X] B.V. te [Z] heeft ondergetekende […] op 21 december 2017 zonder aanvoering van gronden beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, d.d. 7 november 2017, nummer 16/01210, betreffende de opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2010, aanslagnummer [001], dagtekening 30 augustus 2014.
Het beroep betreft de vraag of bepaalde inkomsten in totaal groot € 121.181, die zijn genoten door belanghebbende, kwalificeren voor de toepassing van het tonnageregime van artikel 3.22 lid 5 letter d van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001. Het betreffen hier de inkomsten die door het Hof opgenomen zijn onder vaststaande feiten onderdeel 2.7.
Bij brief d.d. 21 december 2018 heeft de Griffier bij uw Raad ons verzocht om uiterlijk op 1 februari 2018 de gronden van cassatie aan te voeren, waartoe wij thans overgaan.
Tevens is er verzocht om een bewijs van volmacht te overleggen. Een kopie van deze volmacht is door ons als bijlage 1 toegevoegd.
Betaling van het verschuldigde griffierecht heeft inmiddels plaatsgevonden.
Aan het beroep liggen de volgende — zo nodig in onderlinge samenhang te beschouwen — middelen van cassatie ten grondslag:
Grief I
Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 3.22 lid 5 letter d Wet op de Inkomstenbelasting 2001 en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming tot nietigheid leidt, in het bijzonder van het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste doordat het Gerechtshof de door belastingplichtige genoten voordelen groot € 121.181 ten onrechte gerekend heeft tot de reguliere, buiten het bereik van het tonnageregime van artikel 3.22 lid 5 letter d Wet op de Inkomstenbelasting 2001 vallende, winst.
Met name spitst de vraag zich toe op de vraag wat verstaan moet worden onder volledig bemanning en technische beheer zoals in het hiervoor genoemde wetsartikel staat vermeld. In ons beroepschrift en tijdens de zitting is door ons aangegeven is dat het in de hedendaagse scheepvaart onmogelijk is om alle beheersactiviteiten zelf te verrichten.
Met name de stelling van de inspecteur dat men de bemanning zelf in dienst moet hebben is in strijd met de hedendaagse realiteit. De bemanning van de door belanghebbende te managen zeeschepen is in dienst van een in Nederland gevestigd crewingbureau. Belanghebbende verricht echter de selectie, houdt toezicht op de prestaties van deze bemanning en legt verantwoording af richting de scheepseigenaren. Het enige wat het crewingbureau doet is het verrichten van de loonadministratie en het uitbetalen van de salarissen.
In rechtsoverweging 4.3 stelt het Gerechtshof dat het tonnageregime uitsluitend van toepassing is indien de belastingplichtige zelf alle technische en beheerswerkzaamheden verricht, waaronder moet worden begrepen dat zodanige werkzaamheden onder diens verantwoordelijkheid worden verricht. Uit deze laatste bijzin blijkt naar onze mening duidelijk dat het toegestaan is werkzaamheden uit te besteden aan derden mits men verantwoordelijk is voor deze werkzaamheden.
Ondanks dat het Gerechtshof dit in rechtsoverweging 4.2. heeft gesteld komt zij in rechtsoverweging 4.5 tot de conclusie dat door belanghebbende zelf of onder haar verantwoordelijkheid niet alle technische en beheerswerkzaamheden met betrekking tot het schip zijn verricht en zou het tonnageregime derhalve niet van toepassing zijn.
Dit oordeel is naar onze mening onbegrijpelijk en derhalve in strijd met het recht. In rechtsoverweging 4.5 staat eveneens vermeld dat [E] vanaf 1 december 2010 op de loonlijst staat van belanghebbende. Er zou volgens het Hof door belanghebbende geen poging gedaan zijn om haar achteraf te belonen voor de door haar op die datum verrichte werkzaamheden. Er was voor 1 december 2010 volgens het Hof geen arbeidsovereenkomst tussen [E] en belanghebbende.
Naar onze mening gaat het Gerechtshof hier voorbij aan het feit dat er reeds op 25 januari 2010 door belanghebbende met de beherend vennoot van het schip een zogenaamd ‘Vertragsreedervertrag’ is gesloten en dat de werkzaamheden op basis van deze overeenkomst onder verantwoordelijkheid van belanghebbende zijn verricht. Naar onze mening is het irrelevant dat [E] voor de werkzaamheden die zij voor 1 december 2010 heeft verricht geen beloning heeft ontvangen. Gezien de bewoordingen van het Gerechtshof is naar onze mening feitelijk vast komen te staan dat zij voor 1 december 2010 namens de belanghebbende de werkzaamheden heeft verricht waartoe deze krachtens het gesloten ‘Vertragsreedervertrag’ verplicht was. Hiermee zijn naar onze mening de werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van belanghebbende verricht en is er derhalve sprake van volledig bemanning en technische beheer in de zin van artikel 3.22 lid 5 letter b van de Wet op de Inkomstenbelasting. Door dit te miskennen heeft het Gerechtshof haar beslissing op onjuiste gronden genomen.
Het oordeel van het Gerechtshof is onbegrijpelijk. Het Hof had op grond van de in het geding gebrachte feiten moeten oordelen dat de aanslag op onjuiste gronden is opgelegd en dat de aanslag derhalve moet worden vernietigd behoudens de toegekende vergoeding van € 80.000 voor het verrichten van bouwtoezicht. Nu het Hof deze feiten — zonder nadere motivering — niet in zijn oordeel heeft betrokken, heeft het Gerechtshof de betwiste aanslag ten onrechte in stand gelaten.
Grief II
Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 3.22 lid 5 letter d Wet op de Inkomstenbelasting 2001, alsmede het vertrouwensbeginsel en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming tot nietigheid leidt, in het bijzonder van het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste.
Op grond van de afgegeven tonnagebeschikking mocht belanghebbende erop vertrouwen dat op de door haar uit het verrichten van scheepsmanagement ontvangen inkomsten onderworpen zullen zijn aan het tonnageregime. Alvorens de inspecteur de tonnagebeschikking af te geven had het op de weg van de inspecteur gelegen om te onderzoeken of aan de voorwaarden voor toepassing het tonnageregime voldaan was.
Door dit niet te doen mocht belanghebbende erop vertrouwen dat het tonnageregime van toepassing is op de door haar genoten inkomsten uit het verrichten van volledig bemanning en technische beheer, nu deze zoals onder grief I is aangegeven onder haar verantwoordelijkheid worden verricht. In dit verband is het frappant te noemen dat op dit moment bij het aanvragen van een tonnagebeschikking er door de inspecteur uitgebreid vragen worden gesteld omtrent de inhoud van de werkzaamheden die aan de aanvraag ten grondslag liggen.
Het oordeel van het Gerechtshof is onbegrijpelijk. Het Gerechtshof had op grond van de in het geding gebrachte feiten moeten oordelen dat de aanslag op onjuiste gronden is opgelegd en dat de aanslag derhalve moet worden vernietigd, behoudens een correctie van € 80.000 voor het verrichten van bouwtoezicht. Nu het Hof de hierboven genoemde feiten — zonder nadere motivering — niet in zijn oordeel heeft betrokken, heeft het Gerechtshof de betwiste aanslag ten onrechte in stand gelaten.
Grief III
Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 3.22 lid 5 letter d Wet op de Inkomstenbelasting 2001, alsmede het gelijkheidsbeginsel en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming tot nietigheid leidt, in het bijzonder van het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste.
Eveneens heeft het Gerechtshof geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is. Tijdens de zitting heeft belanghebbende twee namen van belastingplichtigen genoemd bij wie wel het tonnageregime van toepassing zou zijn op de door deze belastingplichtigen verrichte shipmanagementactiviteiten. Het Hof stelt vast dat de inspecteur gemotiveerd heeft betwist dat het hier om gelijke gevallen gaat. Naar de mening van belanghebbende heeft de inspecteur slechts in algemene bewoordingen gesteld dat het hier niet om vergelijkbare gevallen ging. Inhoudelijk heeft de inspecteur op geen enkele manier zijn betwisting onderbouwd. Belanghebbende is van mening dat het Gerechtshof de inspecteur wel heel makkelijk laat weg komen met een dergelijke algemene stelling en is van mening dat het Gerechtshof uitgebreider onderzoek had moeten doen naar de beweringen van de inspecteur dat er geen sprake was van gelijke gevallen te meer daar de inspecteur op dit gebied beschikt op een enorme kennisvoorsprong in vergelijking met belanghebbende. De stelling dat belanghebbende niet heeft voldaan aan haar stelplicht, althans niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel is derhalve onjuist.
Het oordeel van het Gerechtshof is onbegrijpelijk. Het Gerechtshof had op grond van de in het geding gebrachte feiten moeten oordelen dat de aanslag op onjuiste gronden is opgelegd en dat de aanslag derhalve moet worden vernietigd, behoudens een correctie van € 80.000 voor het verrichten van bouwtoezicht. Nu het Hof de hierboven genoemde feiten — zonder nadere motivering — niet in zijn oordeel heeft betrokken, heeft het Gerechtshof de betwiste aanslag ten onrechte in stand gelaten.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande mogen wij uw Raad in overweging geven, de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden, waarvan beroep in cassatie, te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien, althans na vernietiging van de uitspraak van het Gerechtshof de zaak naar een ander Gerechtshof te verwijzen om alsnog overeenkomstig uw aanwijzingen tot een juiste afdoening van de geschillen te komen.
Gegeven de conclusie verzoekt belanghebbende om toekenning van een proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het betaald griffierecht.
Toezending van dit beroepschrift geschiedt in vijfvoud per aangetekende post alsmede per fax.
Met verschuldigde hoogachting,
Uitspraak 09‑11‑2018
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting. Art. 3.22 Wet IB 2001. Tonnageregeling. Aan het enkel geven van een beschikking tot toepassing van de tonnageregeling kan niet het vertrouwen worden ontleend dat de in een jaar behaalde winst is aan te merken als winst uit zeescheepvaart.
Partij(en)
9 november 2018
nr. 17/05999
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 november 2017, nr. 16/01210, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord‑Nederland (nr. LEE 15/5043) betreffende een aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft met het oog op de exploitatie van het motorschip [C] (hierna: het schip) op 23 december 2010 de Inspecteur verzocht om toepassing van de tonnageregeling als bedoeld in artikel 3.22 Wet IB 2001. Bij beschikking van 24 mei 2011 (hierna: de beschikking) heeft de Inspecteur dit verzoek ingewilligd met ingang van 1 januari 2010.
2.1.2.
Bij het vaststellen van de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de beschikking ten onrechte is gegeven, aangezien naar zijn mening belanghebbende niet het volledige bemanning- en technische beheer van het schip verricht. Op die grond heeft de Inspecteur de hoogte van de door belanghebbende behaalde winst niet bepaald aan de hand van de tonnage van het schip, maar aan de hand van de door belanghebbende gerealiseerde opbrengsten en de door haar gemaakte kosten.
2.2.1.
Het tweede middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende aan het geven van de beschikking niet het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat de in het jaar 2010 behaalde winst mag worden bepaald aan de hand van de tonnage van het schip. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de Inspecteur, alvorens de beschikking te geven, had moeten onderzoeken of belanghebbende in Nederland voor een ander het volledige bemanning- en technische beheer van het schip verricht.
2.2.2.
Deze opvatting miskent dat het geven van een beschikking als de onderhavige niet een beoordeling vereist of inhoudt van de feitelijk door de betrokken belastingplichtige te verrichten activiteiten. Een dergelijke beschikking houdt slechts in i) dat, indien de door de belastingplichtige te verrichten activiteiten winst opleveren die als ‘winst uit zeescheepvaart’ als bedoeld in artikel 3.22, lid 4, Wet IB 2001 kan worden aangemerkt, de belastingplichtige deze winst zal mogen bepalen aan de hand van de tonnage van de schepen waarmee die winst wordt behaald, en ii) dat de in het eerste lid van dat artikel vermelde – normale – regels voor de winstbepaling in zoverre niet van toepassing zijn. De vraag of en in hoeverre winst uit zeescheepvaart is behaald met de exploitatie van een schip, een en ander in de zin van artikel 3.22, leden 4 en 5, Wet IB 2001, komt pas aan de orde bij de bepaling van de heffingsgrondslag voor de inkomstenbelasting onderscheidenlijk vennootschapsbelasting.
Gelet op het vorenstaande kan aan het enkel geven van een beschikking tot toepassing van de tonnageregeling niet het vertrouwen worden ontleend dat in een jaar behaalde winst is aan te merken als de met de exploitatie van een schip behaalde winst uit zeescheepvaart, waarvan de omvang wordt bepaald aan de hand van de tonnage van dat schip. Het tweede middel faalt daarom.
2.3.
Het eerste en het derde middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2018.