NJB 2020/2737:Hoofdelijk aansprakelijkheid voor het aan de benadeelde partij toegewezen schadebedrag,art. 6:166 BW: de hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die tengevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan één van de tot de desbetreffendegroep behorende personen aan te spreken. De regeling voorziet in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in een ieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. De enkele vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid van artikel 141 lid 2, onder 1º, Sr staat niet in de weg aan de toepassing van artikel 6:166 BW. Recht op een onpartijdige rechter, art. 6 lid1 EVRM en art. 14 lid 1 IVBPR: in casu is dit recht niet geschonden omdat de oudste rechter ter terechtzitting in hoger beroep een uitlating heeft gedaan die verband houdt met een in de desbetreffende rechtszaak te beantwoorden rechtsvraag. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De enkele omstandigheid dat de rechter tijdens de behandeling van de zaak een uitlating heeft gedaan over regelgeving of rechtspraak die mogelijk van belang is voor de beoordeling van de aan de orde zijnde vragen, betreft niet een uitzonderlijke omstandigheid als hiervoor bedoeld