Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 27-03-2025, nr. C-67/24
ECLI:EU:C:2025:214
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
27-03-2025
- Magistraten
S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei
- Zaaknummer
C-67/24
- Roepnaam
Amozov
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:214, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 27‑03‑2025
Uitspraak 27‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Bevoegdheid inzake onderhoudsverplichtingen — Verordening (EG) nr. 4/2009 — Uitkeringen van levensonderhoud vastgesteld bij beslissing van een gerecht van een derde staat — Onderhoudsgerechtigden die in die derde staat wonen en die hetzij alleen de nationaliteit van die derde staat, hetzij die nationaliteit en die van een lidstaat hebben — Onderhoudsplichtige die onderdaan is van die lidstaat en zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft — Vordering tot wijziging van deze beslissing, ingediend door deze onderhoudsplichtige bij een gerecht in dezelfde lidstaat — Bepaling van het bevoegde gerecht
S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei
Partij(en)
In zaak C-67/24 [Amozov] i.,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 16 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 29 januari 2024, in de procedure
R. K.
tegen
K. Ch.,
D. K.,
E. K.,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: S. Rodin, kamerpresident, N. Piçarra en O. Spineanu-Matei (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, M. J. Ramos, V. Sequeira en M. Vara als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Rousseva en W. Wils als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van overweging 15 en de artikelen 3 en 6 tot en met 8 van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1, met rectificatie in PB 2013, L 8, blz. 19).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen R. K. enerzijds en zijn voormalige echtgenote, K. Ch., en zijn kinderen, D. K. en E. K., anderzijds over de wijziging van een beslissing van een gerecht van een derde staat waarbij het bedrag van de uitkeringen van levensonderhoud is vastgesteld.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 9 tot en met 11 en 15 tot en met 17 van verordening nr. 4/2009 luiden:
- ‘(9)
Een onderhoudsgerechtigde dient in een lidstaat gemakkelijk een beslissing te kunnen verkrijgen die automatisch, zonder enige andere formaliteit uitvoerbaar is in een andere lidstaat.
- (10)
Om deze doelstelling te bereiken, is het wenselijk een communautair instrument inzake onderhoudsverplichtingen te creëren waarin alle voorschriften inzake bevoegdheid en toepasselijk recht, erkenning en uitvoerbaarheid, tenuitvoerlegging van beslissingen, rechtsbijstand en samenwerking tussen centrale autoriteiten worden verenigd.
- (11)
Alle onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, dienen binnen de werkingssfeer van de verordening te vallen, dit om de gelijke behandeling van alle onderhoudsgerechtigden te garanderen. Voor de toepassing van deze verordening moet het begrip ‘onderhoudsverplichting’ autonoom geïnterpreteerd worden.
[…]
- (15)
Teneinde de behartiging van de belangen van onderhoudsgerechtigden te waarborgen en een goede rechtsbedeling in de Europese Unie te bevorderen, dienen de bevoegdheidsregels die voortvloeien uit verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)] te worden aangepast. Het feit dat de verweerder zijn gewone verblijfplaats in een derde staat heeft, mag niet langer een reden zijn om de toepassing van communautaire bevoegdheidsregels uit te sluiten, en er dient geen enkele verwijzing naar de bevoegdheidsregels van het nationale recht meer te worden opgenomen. In deze verordening dient dus te worden bepaald in welke gevallen een gerecht van lidstaat een subsidiaire bevoegdheid kan uitoefenen.
- (16)
Teneinde meer in het bijzonder een voorziening te bieden voor gevallen van rechtsweigering, dient in deze verordening ook een forum necessitatis (noodbevoegdheid) te worden opgenomen, waardoor een gerecht van een lidstaat in uitzonderlijke omstandigheden kennis kan nemen van een geschil dat een nauwe band met een derde staat heeft. Een dergelijk uitzonderlijk geval zou zich kunnen voordoen wanneer een procedure in de betrokken derde staat onmogelijk blijkt, bijvoorbeeld door een burgeroorlog, of wanneer van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij in dat land een procedure aanhangig maakt of voert. De op het forum necessitatis gebaseerde bevoegdheid kan evenwel alleen worden uitgeoefend als het geschil voldoende nauw verbonden is met de lidstaat van het gerecht waar de zaak aanhangig is gemaakt, bijvoorbeeld door de nationaliteit van een van de partijen.
- (17)
In een aanvullende bevoegdheidsregel dient te worden bepaald dat de onderhoudsplichtige, behoudens specifieke omstandigheden, een procedure tot wijziging van een bestaande onderhoudsbeslissing of tot verkrijging van een nieuwe beslissing alleen aanhangig kan maken in de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats had toen de beslissing werd gegeven en waar hij nog steeds gewoonlijk verblijft. Om te verzekeren dat het [op 23 november 2007 te 's‑Gravenhage gesloten Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden (hierna: ‘Haags verdrag van 2007’)] en deze verordening goed op elkaar aansluiten, dient dit voorschrift ook te gelden voor beslissingen van een derde staat die partij is bij het genoemde verdrag, voor zover dit tussen de betrokken staat en de Gemeenschap in werking is getreden en in de betrokken staat en in de Gemeenschap dezelfde onderhoudsverplichtingen dekt.’
4
Artikel 1 van deze verordening, met als opschrift ‘Toepassingsgebied’, bepaalt in lid 1:
‘Deze verordening is van toepassing op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap.’
5
Artikel 2 van deze verordening, met als opschrift ‘Definities’, bepaalt in lid 1, punt 1, het volgende:
‘In deze verordening wordt verstaan onder:
- 1.
‘beslissing’, een door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, […]’.
6
Artikel 3 van deze verordening, met als opschrift ‘Algemene bepalingen’, bepaalt:
‘In de lidstaten zijn op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd:
- a)
het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- b)
het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- c)
het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de staat van personen, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat verbonden is met dit verzoek, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust, of
- d)
het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat verbonden is met dit verzoek, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.’
7
Artikel 4 van verordening nr. 4/2009, met als opschrift ‘Forumkeuze’, bepaalt in lid 1:
‘Partijen kunnen overeenkomen dat ter zake van geschillen die tussen hen zijn gerezen of zullen rijzen in verband met onderhoudsverplichtingen, het volgende gerecht of de volgende gerechten bevoegd zijn’.
8
Artikel 5 van deze verordening, met als opschrift ‘Bevoegdheid gebaseerd op de verschijning van de verweerder’, bepaalt:
‘Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten.’
9
Artikel 6 van deze verordening, met als opschrift ‘Subsidiaire bevoegdheid’, bepaalt:
‘Indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4 en 5 bevoegd is, en indien geen enkel gerecht van een staat die partij is bij het verdrag [betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano op 30 oktober 2007 (hierna: ‘Verdrag van Lugano’), waarvan de sluiting namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008 (PB 2009, L 147)], maar die geen lidstaat is, op grond van de bepalingen van genoemd verdrag bevoegd is, zijn de gerechten van de lidstaat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de partijen bevoegd.’
10
Artikel 7 van deze verordening, met als opschrift ‘Forum necessitatis’, luidt als volgt:
‘Indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4, 5 en 6 bevoegd is, kunnen de gerechten van een lidstaat in uitzonderingsgevallen kennisnemen van een geschil indien in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt.
Het geschil moet voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.’
11
Artikel 8 van verordening nr. 4/2009, met als opschrift ‘Beperking ten aanzien van procedures’, bepaalt:
- ‘1.
Is een beslissing gegeven in een lidstaat of in een staat die partij is bij het Haagse verdrag van 2007 waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, dan kan de onderhoudsplichtige niet in een andere lidstaat een procedure aanhangig maken om de beslissing te wijzigen of een nieuwe beslissing te verkrijgen zolang de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats behoudt in de staat waar de beslissing is gegeven.
- 2.
Lid 1 is niet van toepassing indien:
- a)
de partijen overeenkomstig artikel 4 zijn overeengekomen dat de gerechten van die andere lidstaat bevoegd zijn,
- b)
de onderhoudsgerechtigde zich op grond van artikel 5 onderwerpt aan de bevoegdheid van de gerechten van die andere lidstaat,
- c)
de bevoegde autoriteit in de staat van herkomst die partij is bij het Haagse verdrag van 2007 haar bevoegdheid tot wijziging van de beslissing of tot het geven van een nieuwe beslissing niet kan uitoefenen of weigert deze uit te oefenen, of
- d)
de in de staat van herkomst die partij is bij het Haagse verdrag van 2007 gegeven beslissing niet kan worden erkend of uitvoerbaar verklaard in de lidstaat waar een procedure tot wijziging van de beslissing of tot verkrijging van een nieuwe beslissing wordt overwogen.’
Bulgaars recht
12
Artikel 4, lid 1, punten 1 en 2, van de Kodeks na mezhdunarodnoto chastno pravo (wetboek internationaal privaatrecht) bepaalt:
- ‘(1)
Bulgaarse gerechten en andere Bulgaarse instanties zijn internationaal bevoegd indien
- 1.
de gedaagde of verweerder zijn gewone verblijfplaats, statutaire zetel of plaats van werkelijke leiding in de Republiek Bulgarije heeft;
- 2.
de eiser of verzoeker de Bulgaarse nationaliteit heeft of een rechtspersoon naar Bulgaars recht is.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13
R. K., die de Bulgaarse nationaliteit bezit, was gehuwd met K. Ch., die de Canadese nationaliteit heeft. Zij hebben twee kinderen gekregen, D. K. en E. K., die Canadese en Bulgaarse onderdanen zijn.
14
Bij een in 2017 gewezen arrest heeft het hooggerechtshof van de provincie Québec, afdeling gezinsaangelegenheden, district Terrebonne (Canada), de echtscheiding van R. K. en K. Ch. uitgesproken en uitspraak gedaan over de ouderlijke verantwoordelijkheid. Bij dat arrest heeft deze rechter verzoeker in het hoofdgeding ertoe verplicht elk van beide kinderen een bedrag van 613,75 Canadese dollar (CAD) (ongeveer 407 EUR) aan kinderalimentatie te betalen en zijn voormalige echtgenote een bedrag van 2 727,50 CAD (ongeveer 1 809 EUR) aan partneralimentatie.
15
Verzoeker in het hoofdgeding heeft bij de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld tot wijziging van de aldus vastgestelde onderhoudsverplichtingen, strekkende tot verlaging van het bedrag van de toegekende alimentatie voor een van die kinderen, die nog minderjarig is, en tot intrekking van de alimentatie die is vastgesteld ten gunste van zijn voormalige echtgenote en het andere meerderjarige kind. Op de datum van indiening van deze vordering woonde verzoeker in het hoofdgeding in de stad Sofia (Bulgarije) en woonden verweerders in het hoofdgeding in Canada.
16
Ter ondersteuning van deze vordering heeft verzoeker in het hoofdgeding opgemerkt dat hij in Canada zijn faillissement had aangevraagd, welk faillissement op 21 juni 2018 was uitgesproken met de opstelling van een certificaat door een erkende curator ter vaststelling van bevrijding van zijn betalingsverplichtingen, en dat hij Canada in 2019 had verlaten om naar Sofia te verhuizen. Hij heeft ook aangegeven dat hij sinds eind 2018 werkloos was en dat hij geen onroerende of roerende goederen bezat.
17
De Sofiyski rayonen sad heeft de betrokken gerechtelijke stukken via rechtshulp aan verweerders in het hoofdgeding betekend op hun in het verzoekschrift vermelde adres in Canada. Aangezien verweerders niet op dit adres zijn aangetroffen, zijn zij opgeroepen door toezending van een bericht aan hun in Bulgarije geregistreerde adres en is hun een bijzondere vertegenwoordiger toegewezen.
18
In zijn verweerschrift stelt deze vertegenwoordiger dat de Bulgaarse rechter onbevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot wijziging van de betrokken onderhoudsverplichtingen, aangezien verweerders in het hoofdgeding, onderhoudsgerechtigden, hun gewone verblijfplaats niet in Bulgarije hadden.
19
Bij beschikking van 6 maart 2023 heeft de Sofiyski rayonen sad de procedure beëindigd omdat de Bulgaarse rechter niet internationaal bevoegd was. Deze rechter heeft op basis van met name overweging 15 van verordening nr. 4/2009 vastgesteld dat deze verordening van algemene toepassing is en ook geldt ten aanzien van derde landen zoals Canada.
20
Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen deze beslissing hogere voorziening ingesteld bij de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije). Bij beschikking van 1 augustus 2023 heeft deze rechter die beschikking van de Sofiyski rayonen sad vernietigd en de zaak terugverwezen naar de Sofiyski rayonen sad met het oog op de voortzetting van de procedure.
21
Ter motivering van deze beslissing tot vernietiging heeft de Sofiyski gradski sad ten eerste geoordeeld dat de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 en volgende van verordening nr. 4/2009 niet gelden ten aanzien van derde landen. Ten tweede heeft deze rechter opgemerkt dat overweging 15 van deze verordening betrekking heeft op vorderingen van onderhoudsgerechtigden en niet op vorderingen van onderhoudsplichtigen en dat deze overweging niet moet worden gelezen in samenhang met artikel 3 van die verordening, dat voorziet in algemene bevoegdheidsregels, maar met artikel 6 van die verordening, dat de subsidiaire bevoegdheid regelt. Ten derde heeft die rechter vastgesteld dat het Unierecht niet van toepassing is op de voormalige echtgenote van verzoeker in het hoofdgeding, die een Canadese onderdaan is. Ten vierde heeft deze rechter opgemerkt dat op de rechtsbetrekkingen tussen de partijen in het hoofdgeding het internationale recht bij gebreke van een verdrag inzake onderhoudsverplichtingen tussen de Republiek Bulgarije en Canada niet van toepassing is. Bijgevolg heeft de Sofiyski gradski sad de bevoegdheid van de Bulgaarse rechter vastgesteld op grond van de Bulgaarse nationaliteit van verzoeker in het hoofdgeding, overeenkomstig de nationale regels van internationaal privaatrecht.
22
De Sofiyski rayonen sad verklaart het niet eens te zijn met de uitlegging van de Sofiyski gradski sad en vraagt zich af of een beslissing in het hoofdgeding op basis van de bindende vaststellingen van laatstgenoemde rechter in strijd is met de bepalingen van verordening nr. 4/2009.
23
In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of de Sofiyski gradski sad terecht heeft geoordeeld dat de betrekkingen tussen personen die op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie verblijven en onderdanen van derde landen volgens overweging 15 van verordening nr. 4/2009 worden uitgesloten van de toepassing van deze verordening.
24
In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of een vordering tot wijziging van een beslissing tot vaststelling van het bedrag van onderhoudsuitkeringen die ten dele strekt tot verlaging van dat bedrag en ten dele tot afschaffing van die uitkeringen, onder het begrip ‘onderhoudsvordering’ valt, een begrip dat essentieel is voor de vaststelling van de materiële werkingssfeer van verordening nr. 4/2009. De verwijzende rechter voert aan dat er in dit verband twijfel kan bestaan wegens de in de overwegingen 9 tot en met 11 van deze verordening uiteengezette doelstelling van bescherming van onderhoudsgerechtigden. Hij wenst tevens te vernemen of de bevoegdheidsregels van die verordening van toepassing zijn op dergelijke vorderingen tot wijziging, met uitzondering van de regel van artikel 8 van deze verordening, die volgens hem niet van toepassing is omdat Canada pas sinds 1 februari 2024 partij is bij het Haagse verdrag van 2007.
25
Voor het geval dat zou worden geoordeeld dat dergelijke vorderingen onder de bevoegdheidsregels van verordening nr. 4/2009 vallen, wenst de verwijzende rechter in de derde plaats te vernemen of de in artikel 6 van deze verordening bedoelde subsidiaire bevoegdheid van toepassing is wanneer twee verweerders in het hoofdgeding naast hun gemeenschappelijke nationaliteit met die van verzoeker in het hoofdgeding, ook de nationaliteit van een derde staat hebben.
26
In de vierde en laatste plaats vraagt deze rechter zich af of hij zich overeenkomstig artikel 7 van deze verordening bevoegd kan verklaren op grond van het ‘forum necessitatis’.
27
Daarop heeft de Sofiyski rayonen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet overweging 15 van verordening [nr. 4/2009] aldus worden uitgelegd dat deze overweging niet in de weg staat aan nationale rechtspraak volgens welke de internationale bevoegdheid van de rechterlijke instanties om kennis te nemen van onderhoudsvorderingen ten behoeve van personen die hun gewone verblijfplaats in een derde staat (in casu Canada) hebben, wordt bepaald door het nationale recht en niet door [deze] verordening?
- 2)
Moeten de artikelen 3 en 8 van verordening [nr. 4/2009] aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan nationale rechtspraak volgens welke het begrip ‘onderhoudsvordering’ geen vorderingen tot verlaging van onderhoudsuitkeringen omvat en de artikelen 3 tot en met 6 van de verordening enkel van toepassing zijn op vorderingen tot toekenning van onderhoudsuitkeringen?
- 3)
Moet artikel 6 van verordening [nr. 4/2009] aldus worden uitgelegd dat het begrip ‘gemeenschappelijke nationaliteit’ ook betrekking heeft op situaties waarin een of meer partijen een dubbele nationaliteit hebben, of heeft het alleen betrekking op gevallen waarin de nationaliteiten volledig identiek zijn?
- 4)
Moet artikel 7 van verordening [nr. 4/2009] aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan de erkenning dat zich een ‘uitzonderingsgeval’ voordoet wanneer de onderhoudsplichtige een vordering tot verlaging van de onderhoudsuitkeringen instelt en de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats in een derde land heeft en geen andere band met de Europese Unie heeft dan zijn nationaliteit?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Opmerkingen vooraf
28
Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. De omstandigheid dat een nationale rechterlijke instantie bij de formulering van een prejudiciële vraag formeel heeft verwezen naar bepaalde voorschriften van het Unierecht, staat er niet aan in de weg dat het Hof deze rechterlijke instantie alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de zaak die bij haar aanhangig is, ongeacht of daar in de vragen naar wordt verwezen. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechterlijke instantie verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (arrest van 4 oktober 2024, Herbaria Kräuterparadies, C-240/23, EU:C:2024:852, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29
Zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, hebben de twijfels van de verwijzende rechter betrekking op, ten eerste, de materiële werkingssfeer van verordening nr. 4/2009, voor zover deze rechter met zijn eerste en tweede vraag wenst te vernemen of een vordering tot wijziging van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen die ten dele ertoe strekt een alimentatiebedrag te verlagen en ten dele ertoe strekt de betrokken verplichtingen te beëindigen en welke vordering de onderhoudsplichtige heeft ingesteld tegen de onderhoudsgerechtigden die hun gewone verblijfplaats in een derde staat hebben die geen partij is bij het Haagse verdrag van 2007, net als een verzoek tot verkrijging van een dergelijke beslissing, binnen de werkingssfeer van deze verordening en de daarin neergelegde bevoegdheidsregels valt. Voor het geval dat deze verordening in casu van toepassing is, vraagt deze rechter zich ten tweede af hoe een aantal van deze regels moet worden uitgelegd om te bepalen of hij krachtens deze verordening bevoegd is om kennis te nemen van een vordering als die in het hoofdgeding.
30
Bijgevolg moeten de eerste en de tweede vraag, die betrekking hebben op de werkingssfeer van verordening nr. 4/2009, samen worden onderzocht en moeten vervolgens achtereenvolgens de derde en de vierde vraag, die betrekking hebben op de bevoegdheidsregels van de artikelen 6 en 7 van deze verordening, worden onderzocht.
Eerste en tweede vraag
31
Met zijn eerste en tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 1, van verordening nr. 4/2009, gelezen in het licht van overweging 15 van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat een vordering tot wijziging van een door een gerecht van een derde staat die geen partij is bij het Haagse verdrag van 2007 gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, welke vordering ten dele ertoe strekt een alimentatiebedrag te verlagen en ten dele ertoe strekt de betrokken verplichtingen te beëindigen en door de onderhoudsplichtige, die onderdaan is van een lidstaat en zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van die lidstaat, bij een gerecht van die lidstaat is ingesteld tegen de onderhoudsgerechtigden die hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van die derde staat hebben, van wie er één onderdaan is van uitsluitend die derde staat en de anderen onderdaan zijn van die derde staat en van deze lidstaat, binnen de werkingssfeer van deze verordening valt.
32
Overeenkomstig artikel 1, lid 1, van verordening nr. 4/2009 is deze verordening van toepassing op ‘onderhoudsverplichtingen’ die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap.
33
Volgens overweging 15 van deze verordening mag ‘[h]et feit dat de verweerder zijn gewone verblijfplaats in een derde staat heeft, […] niet langer een reden zijn om de toepassing van communautaire bevoegdheidsregels uit te sluiten’.
34
Zo blijkt uit de bewoordingen zelf van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 4/2009, gelezen in het licht van overweging 15 ervan, dat de bevoegdheidsregels van deze verordening een algemene strekking hebben, aangezien zij ertoe kunnen leiden dat de bevoegdheid van een gerecht van een derde staat wordt vastgesteld en deze verordening van toepassing is op ‘onderhoudsverplichtingen’, zonder dat enig onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds vorderingen van onderhoudsgerechtigden tot toekenning van alimentatie en tot verhoging van het bedrag van alimentatie en anderzijds vorderingen van onderhoudsplichtigen tot wijziging van onderhoudsverplichtingen die ertoe strekken dergelijke bedragen te verminderen of deze verplichtingen te beëindigen.
35
Een dergelijke uitlegging vindt steun in de opzet van verordening nr. 4/2009.
36
Deze verordening bevat immers in hoofdstuk II, met als opschrift ‘Bevoegdheid’, alle regels die van toepassing zijn op de aanwijzing van het gerecht dat bevoegd is op het gebied van onderhoudsverplichtingen, terwijl overweging 15 van deze verordening verduidelijkt dat geen enkele verwijzing naar de bevoegdheidsregels van het nationale recht meer dient te worden opgenomen aangezien de regels van de genoemde verordening worden geacht uitputtend te zijn [zie in die zin arrest van 5 september 2019, R (Bevoegdheid inzake onderhoudsverplichtingen), C-468/18, EU:C:2019:666, punt 42].
37
Wat in het bijzonder de vraag betreft of een vordering tot wijziging van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen die is gegeven door een gerecht van een derde staat die geen partij is bij het Haagse verdrag van 2007 en welke vordering is ingesteld door de onderhoudsplichtige, net als een vordering tot toekenning van alimentatie, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4/2009 en dus onder de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 7 van deze verordening valt, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het begrip ‘onderhoudsverplichting’, zoals in overweging 11 van deze verordening wordt weergegeven, een autonoom Unierechtelijk begrip is.
38
In de tweede plaats gebruikt verordening nr. 4/2009 systematisch de uitdrukking ‘onderhoudsverplichtingen’. Zo definieert artikel 2, lid 1, punt 1, van deze verordening het begrip ‘beslissing’ bijvoorbeeld als een beslissing inzake ‘onderhoudsverplichtingen’, beogen de algemene bevoegdheidsregels van artikel 3 van die verordening de gerechten aan te wijzen die bevoegd zijn om uitspraak te doen op het gebied van ‘onderhoudsverplichtingen’, en kunnen de partijen overeenkomstig artikel 4 van deze verordening een forumkeuze maken om geschillen in verband met ‘onderhoudsverplichtingen’ te beslechten.
39
In de derde plaats maakt verordening nr. 4/2009 weliswaar onderscheid tussen onderhoudsgerechtigden en onderhoudsplichtigen, maar dit neemt niet weg dat hierin ook het begrip ‘verweerder’ wordt gebruikt zonder onderscheid te maken tussen verweerders die onderhoudsgerechtigde of onderhoudsplichtige zijn. Zo verwijst overweging 15 van deze verordening naar de gewone verblijfplaats van de ‘verweerder’ in een derde staat. Verder bevat artikel 3, onder a), van die verordening de regel dat het gerecht van de plaats waar de ‘verweerder’ zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd is.
40
In dit verband heeft het Hof reeds vastgesteld dat artikel 3 van deze verordening de onderhoudsgerechtigde ‘wanneer hij als verzoeker handelt’ de mogelijkheid biedt om bij het instellen van zijn vordering een andere bevoegdheidsgrondslag te kiezen dan die van artikel 3, onder a) [zie in die zin arrest van 5 september 2019, R (Bevoegdheid inzake onderhoudsverplichtingen), C-468/18, EU:C:2019:666, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41
Bijgevolg is een door de onderhoudsplichtige ingestelde vordering tot wijziging van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen in het kader waarvan de onderhoudsgerechtigde als verweerder optreedt, een vordering ‘inzake onderhoudsverplichtingen’ en valt zij binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4/2009, net als een vordering tot toekenning van alimentatie die is ingesteld door de onderhoudsgerechtigde.
42
Uit de omstandigheid dat artikel 8, lid 1, van verordening nr. 4/2009 van toepassing is op de bijzondere situatie van een vordering tot wijziging van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen die is gegeven in een lidstaat of in een staat die partij is bij het Haagse verdrag van 2007 waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, kan niet worden afgeleid dat een vordering tot wijziging van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen gegeven door een gerecht van een derde staat die geen partij is bij dat verdrag, niet binnen de werkingssfeer van deze verordening valt.
43
Bijgevolg moet in andere dan de in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 4/2009 bedoelde situaties het gerecht dat internationaal bevoegd is om kennis te nemen van een dergelijke vordering, worden bepaald overeenkomstig de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 7 van deze verordening.
44
Een dergelijke uitlegging beantwoordt aan de door verordening nr. 4/2009 nagestreefde doelstelling van bescherming van de onderhoudsgerechtigde. Volgens de algemene bevoegdheidsregels van artikel 3 van deze verordening wordt de bevoegdheid van het aangezochte gerecht om kennis te nemen van een vordering tot wijziging van een beslissing inzake een onderhoudsverplichting die geen nevenverzoek is bij een verzoek betreffende de staat van personen of de ouderlijke verantwoordelijkheid, immers bepaald aan de hand van het criterium van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde, hetzij overeenkomstig artikel 3, onder a), van deze verordening, indien de onderhoudsgerechtigde als verweerder handelt, hetzij overeenkomstig artikel 3, onder b), van deze verordening, wanneer hij als verzoeker handelt.
45
In casu moet om te beginnen worden opgemerkt dat Canada op de datum waarop het in punt 14 van het onderhavige arrest genoemde arrest is gewezen, geen partij was bij het Haagse verdrag van 2007. Uit de voorgaande overwegingen volgt evenwel dat, ook al is in het hoofdgeding niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 4/2009, de vordering tot wijziging van de in dat arrest vastgestelde onderhoudsverplichtingen binnen de werkingssfeer van deze verordening valt. De verwijzende rechter moet dus nagaan of hij bevoegd is om kennis te nemen van een dergelijke vordering door achtereenvolgens te onderzoeken of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 3 van deze verordening en, in voorkomend geval, aan die van de artikelen 6 en 7 van die verordening.
46
Bovendien moet over de bevoegdheidsgronden van artikel 3 van verordening nr. 4/2009 worden opgemerkt dat artikel 3, onder c) en d), in casu niet van toepassing is, aangezien deze vordering tot wijziging geen nevenverzoek is bij een verzoek betreffende de staat van personen of een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. De verwijzende rechter lijkt zijn bevoegdheid evenmin op artikel 3, onder a) en b), te kunnen baseren. Laatstgenoemde bepaling verwijst immers naar hetzij het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, hetzij het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, in casu in beide gevallen Canada.
47
Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, van verordening nr. 4/2009, gelezen in het licht van overweging 15 van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat een vordering tot wijziging van een door een gerecht van een derde staat die geen partij is bij het Haagse verdrag van 2007 gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, welke vordering ten dele ertoe strekt een alimentatiebedrag te verlagen en ten dele ertoe strekt de betrokken verplichtingen te beëindigen en door de onderhoudsplichtige die onderdaan is van een lidstaat en zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van die lidstaat, bij een gerecht van die lidstaat is ingesteld tegen de onderhoudsgerechtigden die hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van die derde staat hebben, van wie er één onderdaan is van uitsluitend die derde staat en de anderen onderdaan zijn van die derde staat en van deze lidstaat, binnen de werkingssfeer van deze verordening valt.
Derde vraag
48
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6 van verordening nr. 4/2009 aldus moet worden uitgelegd dat de regel van subsidiaire bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de partijen van toepassing is wanneer verweerders naast de nationaliteit van de lidstaat van het aangezochte gerecht, de nationaliteit van een derde staat bezitten.
49
Artikel 6 van verordening nr. 4/2009 voorziet in een subsidiaire bevoegdheid ten gunste van de gerechten van de lidstaat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de partijen, indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4 en 5 van deze verordening bevoegd is, en indien geen enkel gerecht van een staat die partij is bij het Verdrag van Lugano, maar die geen lidstaat is, op grond van de bepalingen van dat verdrag bevoegd is.
50
In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 6 geen enkele verwijzing naar het recht van de lidstaten bevat om de precieze draagwijdte van het begrip ‘gemeenschappelijke nationaliteit’ te definiëren en geen onderscheid maakt naargelang een persoon een of meer nationaliteiten heeft. De enige voorwaarde voor de toepassing van de bevoegdheidsgrond van artikel 6 is dat de partijen een gemeenschappelijke nationaliteit hebben.
51
Aangezien verzoeker in het hoofdgeding en zijn kinderen een gemeenschappelijke nationaliteit hebben, te weten de Bulgaarse nationaliteit, kan deze band in casu op grond van artikel 6 van verordening nr. 4/2009 de grondslag vormen voor de bevoegdheid van de verwijzende rechter bij wie de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vorderingen ten aanzien van die kinderen aanhangig zijn. Deze rechter is daarentegen niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering betreffende de voormalige echtgenote van verzoeker in het hoofdgeding, aangezien zij enkel de Canadese nationaliteit bezit.
52
Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 6 van verordening nr. 4/2009 aldus moet worden uitgelegd dat de regel van subsidiaire bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de partijen van toepassing is wanneer verweerders naast de nationaliteit van de lidstaat van het aangezochte gerecht, de nationaliteit van een derde staat bezitten.
Vierde vraag
53
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, aangezien uit het antwoord op de derde vraag blijkt dat de verwijzende rechter zijn bevoegdheid om kennis te nemen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vorderingen jegens de kinderen van verzoeker in het hoofdgeding kan baseren op artikel 6 van verordening nr. 4/2009, alleen de vordering tot beëindiging van de alimentatie die ten gunste van verzoekers voormalige echtgenote was vastgesteld, in het licht van artikel 7 van deze verordening moet worden onderzocht.
54
Bijgevolg wenst de verwijzende rechter met zijn vierde vraag in wezen te vernemen of artikel 7 van verordening nr. 4/2009 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘uitzonderingsgevallen’ in de zin van dit artikel, op grond waarvan het gerecht van een lidstaat van een geschil kennis kan nemen krachtens de in dat artikel neergelegde bevoegdheidsregel van het forum necessitatis, de situatie omvat waarin een vordering tot wijziging van een door een gerecht van een derde staat die geen partij is bij het Haagse verdrag van 2007 gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen die is gegeven door een gerecht van een derde staat die geen partij is bij het Haagse verdrag van 2007, welke vordering ertoe strekt de betrokken verplichtingen te beëindigen, door de onderhoudsplichtige die onderdaan is van een lidstaat en zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van die lidstaat, bij een gerecht van die lidstaat is ingesteld tegen de onderhoudsgerechtigde die onderdaan is van die derde staat en zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van die derde staat heeft.
55
Artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 4/2009 bepaalt dat indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening bevoegd is, de gerechten van een lidstaat in uitzonderingsgevallen kennis kunnen nemen van een geschil indien in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt. Krachtens de tweede alinea van artikel 7 moet het geschil voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.
56
Artikel 7 van verordening nr. 4/2009 stelt aldus vier cumulatieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat een gerecht van een lidstaat waarbij een verzoek inzake onderhoudsverplichtingen is ingediend, zich bij wijze van uitzondering bevoegd kan verklaren op grond van het forum necessitatis. Ten eerste moet dit gerecht vaststellen dat geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van verordening nr. 4/2009. Ten tweede moet het bij hem aanhangige geding nauw verbonden zijn met een derde staat. Ten derde kan de betrokken procedure in die derde staat niet redelijkerwijs aanhangig worden gemaakt of worden gevoerd, of blijkt een procedure daar onmogelijk. Ten vierde en tot slot moet het geschil ook voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt [arrest van 1 augustus 2022, MPA (Gewone verblijfplaats — Derde land), C-501/20, EU:C:2022:619, punt 99].
57
Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of al deze voorwaarden zijn vervuld opdat hij zich in voorkomend geval kan baseren op de bevoegdheidsregel van artikel 7 van verordening nr. 4/2009, moeten voor elk van deze voorwaarden en gelet op de door deze rechter verstrekte gegevens, de volgende verduidelijkingen worden gegeven.
58
Wat in de eerste plaats de eerste in punt 56 van dit arrest vermelde voorwaarde betreft, moet worden opgemerkt dat het niet volstaat dat het aangezochte gerecht vaststelt dat het zelf niet bevoegd is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van verordening nr. 4/2009, maar moet het zich er ook van vergewissen dat geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van die artikelen bevoegd is [arrest van 1 augustus 2022, MPA (Gewone verblijfplaats — Derde land), C-501/20, EU:C:2022:619, punt 101].
59
Wat in casu de ten gunste van de voormalige echtgenote van verzoeker in het hoofdgeding ingestelde vordering tot intrekking van de alimentatie betreft, lijkt aan deze voorwaarde te zijn voldaan, aangezien de toepassing van artikel 3, onder a) en b), van deze verordening leidt tot de vaststelling dat de Canadese gerechten bevoegd zijn, terwijl artikel 3, onder c) en d), en de artikelen 4 en 5 van die verordening niet van toepassing lijken te zijn op het hoofdgeding. Aangezien verzoeker in het hoofdgeding en zijn voormalige echtgenote geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben, is artikel 6 van deze verordening evenmin van toepassing.
60
Wat in de tweede plaats de voorwaarde betreft dat het bij het gerecht aanhangige geding nauw verbonden moet zijn met een derde staat, lijkt aan deze voorwaarde ook te zijn voldaan in het hoofdgeding aangezien de voormalige echtgenote van verzoeker in het hoofdgeding, onderhoudsgerechtigde op grond van de beslissing waarvan wijziging wordt gevorderd, haar gewone verblijfplaats in Canada heeft en de Canadese nationaliteit heeft. Bovendien is deze beslissing gegeven door een gerecht van die derde staat.
61
In de derde plaats is het, wil het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, in uitzonderlijke gevallen de in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 bedoelde bevoegdheid kunnen uitoefenen, ook van belang dat de betrokken procedure redelijkerwijs niet aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd of onmogelijk blijkt te zijn voor de gerechten van de betrokken derde staat [arrest van 1 augustus 2022, MPA (Gewone verblijfplaats — Derde land), C-501/20, EU:C:2022:619, punt 106].
62
Hoewel in overweging 16 van deze verordening burgeroorlog wordt genoemd als voorbeeld van een geval waarin de procedure in de betrokken derde staat onmogelijk blijkt te zijn, en aldus het uitzonderlijke karakter wordt geïllustreerd van de gevallen waarin de bevoegdheid op basis van het forum necessitatis kan worden uitgeoefend, bevat deze verordening geen aanwijzingen over de omstandigheden waarin het aangezochte gerecht van een lidstaat zou kunnen vaststellen dat de procedure inzake onderhoudsverplichtingen redelijkerwijs niet aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd voor de gerechten van de betrokken derde staat. Uit voornoemde overweging 16 blijkt evenwel dat ‘[t]eneinde meer in het bijzonder een voorziening te bieden voor gevallen van rechtsweigering’, het forum necessitatis is ingesteld waardoor het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, in uitzonderlijke omstandigheden kennis kan nemen van een geschil dat een nauwe band heeft met een derde staat ‘wanneer van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij in [die derde staat] een procedure aanhangig maakt of voert’ [arrest van 1 augustus 2022, MPA (Gewone verblijfplaats — Derde land), C-501/20, EU:C:2022:619, punt 107].
63
Enerzijds kan het gerecht van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt dus, om zijn bevoegdheid op artikel 7 van verordening nr. 4/2009 te baseren, van degene die om een onderhoudsbijdrage verzoekt niet verlangen dat hij aantoont dat hij de vordering in kwestie vruchteloos bij de gerechten van de betrokken derde staat aanhangig heeft gemaakt of een poging daartoe heeft ondernomen. Het volstaat dus dat het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, gelet op alle feitelijke en juridische gegevens van de zaak, zich ervan kan vergewissen dat de hinderpalen in de betrokken derde staat van dien aard zijn dat het onredelijk zou zijn om van de verzoeker te verlangen dat hij de onderhoudsvordering bij de gerechten van die derde staat instelt [arrest van 1 augustus 2022, MPA (Gewone verblijfplaats — Derde land), C-501/20, EU:C:2022:619, punt 108].
64
Anderzijds is het — aangezien, zoals in overweging 16 van verordening nr. 4/2009 staat te lezen, de op het forum necessitatis gebaseerde bevoegdheid ‘meer in het bijzonder’ tot doel heeft om een voorziening te bieden voor gevallen van rechtsweigering — in beginsel gerechtvaardigd dat het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, zich op die bevoegdheid kan beroepen in uitzonderlijke gevallen en onder voorbehoud van een uitvoerige analyse van de in de betrokken derde staat geldende procedurevoorwaarden, wanneer de toegang tot de rechter in die derde staat rechtens of feitelijk wordt belemmerd, meer bepaald door de toepassing van procedurevoorwaarden die discriminerend zijn of indruisen tegen de fundamentele waarborgen van een eerlijk proces [arrest van 1 augustus 2022, MPA (Gewone verblijfplaats — Derde land), C-501/20, EU:C:2022:619, punt 110].
65
In casu bevat het verzoek om een prejudiciële beslissing geen enkele beoordeling van de eventuele onmogelijkheid voor verzoeker in het hoofdgeding om een procedure in Canada in te leiden. Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om deze beoordeling te verrichten in het licht van alle omstandigheden van het geval, moet worden opgemerkt dat, net als het standpunt dat de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft ingenomen, uit de gegevens waarover het Hof beschikt niet blijkt dat een dergelijke onmogelijkheid kan worden aangevoerd met betrekking tot Canada.
66
In de vierde en laatste plaats moet het betrokken geding ‘voldoende nauw verbonden’ zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt. Een dergelijke band, zoals blijkt uit overweging 16 van verordening nr. 4/2009, kan bestaan in de nationaliteit van een van de partijen [arrest van 1 augustus 2022, MPA (Gewone verblijfplaats — Derde land), C-501/20, EU:C:2022:619, punt 111]. Dit lijkt in casu het geval te zijn, aangezien verzoeker in het hoofdgeding de Bulgaarse nationaliteit heeft.
67
Gelet op een en ander dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 7 van verordening nr. 4/2009 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘uitzonderingsgevallen’ in de zin van dit artikel, op grond waarvan het gerecht van een lidstaat van een geschil kennis kan nemen krachtens de in dat artikel neergelegde bevoegdheidsregel van het forum necessitatis, de situatie omvat waarin een vordering tot wijziging van een door een gerecht van een derde staat die geen partij is bij het Haagse verdrag van 2007 gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, welke vordering ertoe strekt de betrokken verplichtingen te beëindigen, door de onderhoudsplichtige die onderdaan is van een lidstaat en zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van die lidstaat, bij een gerecht van die lidstaat is ingesteld tegen de onderhoudsgerechtigde die onderdaan is van die derde staat en zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van die derde staat heeft, mits een dergelijke vordering redelijkerwijs niet aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd of onmogelijk blijkt te zijn voor de gerechten van de betrokken derde staat.
Kosten
68
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, gelezen in het licht van overweging 15 van deze verordening,
moet aldus worden uitgelegd dat
een vordering tot wijziging van een door een gerecht van een derde staat die geen partij is bij het op 23 november 2007 te 's‑Gravenhage gesloten Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, welke vordering ten dele ertoe strekt een alimentatiebedrag te verlagen en ten dele ertoe strekt de betrokken verplichtingen te beëindigen en door de onderhoudsplichtige die onderdaan is van een lidstaat en zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van die lidstaat, bij een gerecht van die lidstaat is ingesteld tegen de onderhoudsgerechtigden die hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van die derde staat hebben, van wie er één onderdaan is van uitsluitend die derde staat en de anderen onderdaan zijn van die derde staat en van deze lidstaat, binnen de werkingssfeer van deze verordening valt.
- 2)
Artikel 6 van verordening nr. 4/2009
moet aldus worden uitgelegd dat
de regel van subsidiaire bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de partijen van toepassing is wanneer verweerders naast de nationaliteit van de lidstaat van het aangezochte gerecht, de nationaliteit van een derde staat bezitten.
- 3)
Artikel 7 van verordening nr. 4/2009
moet aldus worden uitgelegd dat
het begrip ‘uitzonderingsgevallen’ in de zin van dit artikel, op grond waarvan het gerecht van een lidstaat van een geschil kennis kan nemen krachtens de in dat artikel neergelegde bevoegdheidsregel van het forum necessitatis, de situatie omvat waarin een vordering tot wijziging van een door een gerecht van een derde staat die geen partij is bij het op 23 november 2007 te 's‑Gravenhage gesloten Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, welke vordering ertoe strekt de betrokken verplichtingen te beëindigen, door de onderhoudsplichtige die onderdaan is van een lidstaat en zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van die lidstaat, bij een gerecht van die lidstaat is ingesteld tegen de onderhoudsgerechtigde die onderdaan is van die derde staat en zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van die derde staat heeft, mits een dergelijke vordering redelijkerwijs niet aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd of onmogelijk blijkt te zijn voor de gerechten van de betrokken derde staat.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑03‑2025
Procestaal: Bulgaars.