Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.4.1
5.4.1 Opschortingsrecht en (bijzonder) verhaalsrecht met voorrang op grond van de wet
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585927:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Als de vordering van de retentor voortspruit uit een overeenkomst die de schuldenaar in zijn verhouding tot de ouder gerechtigde bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan met de retentor of als de retentor geen reden had om aan de bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen.
Zie voor het oude recht, HR 1 mei 1964, NJ 1965,339, m.nt. JHB. Aan art. 60 lid 1 Fw ligt hetzelfde beginsel ten grondslag; vgl. Kortmann & Faber 1995, p. 174. Zie evenwel het in 1992 toegevoegde art. 60 lid 2 Fw, op grond waarvan de curator de zaak kan opeisen en verkopen. Het retentierecht kan ook worden ingeroepen tegen de schuldeisers van derden als bedoeld in art. 3:291 BW, zoals de derde-rechthebbende. Zie Fesevur 1992, nr. 19 (p. 62); Biemans 2009f, par. 2.3 (p. 82, nt. 31). Vgl. voorts Biemans 2009c.
Dit doet zich bijvoorbeeld voor als een bewaarnemer, een bruiklener of een dief een zaak in reparatie geeft en de rekening onbetaald laat en art. 3:291 lid 2 BW van toepassing is. De retentor kan zich verhalen op een zaak die niet aan zijn schuldenaar toebehoort. Zie ook Biemans 2009c.
271. Bij het retentierecht dient te worden onderscheiden tussen het opschortingsrecht ten aanzien van de verplichting tot afgifte van een zaak, en het (bijzonder) verhaalsrecht met voorrang op de zaak die wordt teruggehouden. De retentor heeft een opschortingsbevoegdheid jegens zijn wederpartij, de schuldenaar. Het retentierecht, dat door de uitoefening daarvan ontstaat, kan hij mede inroepen tegen personen met een jonger recht op de zaak (art. 3:291 lid 1 BW), personen met een ouder recht op de zaak (art. 3:291 lid 2 BW)1 en andere schuldeisers van zijn schuldenaar (art. 6:53 BW).2 Op grond van de wet kan de schuldeiser zijn vordering op de zaak verhalen met voorrang boven allen tegen wie hij het retentierecht kan inroepen (art. 3:292 BW). In voorkomende gevallen kan de retentor zich verhalen op een zaak die aan een ander dan zijn schuldenaar toebehoort.3 Om zich met voorrang op de zaak te kunnen verhalen, dient hij een executoriale titel te verkrijgen en onder zichzelf executoriaal beslag te laten leggen. Eindigt het retentierecht, bijvoorbeeld omdat de zaak in de macht van de schuldenaar of de rechthebbende komt (art. 3:294 BW), dan eindigt ook het (bijzondere) verhaalsrecht met voorrang ten aanzien van de zaak.