Biases in de boardroom en de raadkamer
Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/Bijlage 2:Bijlage 2 Niet-juridische verklarende woordenlijst
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/Bijlage 2
Bijlage 2 Niet-juridische verklarende woordenlijst
Documentgegevens:
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111435:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De betekenis van de begrippen moeten worden gelezen binnen de context van deze dissertatie.
Androcentrisme – in het kader van genderdiversiteit: de man is de standaard, de vrouw de afwijking.
Attractor – begrip uit de DST vertaald naar de context van deze dissertatie, waarin de DST begrippen metaforisch gebruikt worden: het normale, aangeleerde, patroonachtige gedrag van het team.
Authority bias – dat aan de mening van een persoon met autoriteit veel waarde wordt gehecht en dit vervolgens de mening van de ander beïnvloedt.
Aversive racists – individuen die laag scoren op het gebied van expliciete vooroordelen, maar hoog op het gebied van impliciete vooroordelen.
Biases – de systematische ongewenste invloeden in de besluit- en oordeelsvorming, die voortkomen uit de menselijke geest (bestaande uit het bewuste en het onbewuste), maar niet altijd als zodanig onderkend worden omdat de mens zich niet bewust is van deze invloeden. In verhouding tot heuristieken zijn biases de invloeden op oordelen en heuristieken zijn hierbij een van de processen die tot biases leiden.
Compilational emergence – de optimaliteitsgedachte: dat een groep idealiter meer kan bereiken dan de optelsom van wat de individuen kunnen bereiken.
Confabulatie – het achteraf creëren van de illusie dat voor een onbewust genomen beslissing allerlei bewuste redenen aanwezig waren.
Confirmation bias – de bias die ervoor zorgt dat onbewust met name aandacht wordt geschonken aan informatie die het standpunt bevestigt, in plaats van aan informatie die het standpunt ontkracht. Ook wel tunnelvisie genoemd.
Conformity effect – het fenomeen dat een individu zichzelf sociaal wenselijk wil presenteren, waarde toekent aan de mening van de groep over hem en daarop zijn mening aanpast naar het groepsgemiddelde.
Costs of communication – de theorie dat een individu in de communicatie met anderen vaak iets te verliezen heeft, bijvoorbeeld zijn reputatie.
Diversiteit – gaat over verschillen tussen personen, bijvoorbeeld genderverschilen.
Dynamische systeemtheorie – de theorie van het beschrijven van niet-lineaire dynamische systemen. Oorspronkelijk een tak van wiskunde, maar in deze dissertatie in overdrachtelijke zin gebruikt om het gedrag van complexe dynamische systemen te beschrijven.
External scaffolding – het manipuleren van de omgeving van een persoon om diens cognitieve processen te helpen. In het kader van de zoektocht naar bestuurskandidaten: het weglaten van bepaalde gegevens, zoals bijvoorbeeld naam en geslacht, ter bevordering van het vellen van een unbiased oordeel.
Fractals – begrip uit de DST vertaald naar de context van deze dissertatie, waarin de DST begrippen metaforisch gebruikt worden: kleine patronen die door herhaling op schaalgrootte (scale-invariance) zorgen voor symmetrie. Door symmetrie kunnen in de wetenschap concepten toegepast worden op meerdere gebieden.
Groupthink – het fenomeen waarbij een groep zo gericht is op consensus en overeenstemming, dat de groep daardoor de overweging van realistische alternatieven overslaat.
Group polarization – de neiging van een groep meer risicovolle beslissingen te nemen, dan de individuele leden als gemiddelde genomen zouden hebben.
Halo-effect – de invloed van een globale indruk op de evaluaties van andere eigenschappen van die persoon. Het halo-effect ontstaat als een deductie van de impliciete persoonlijkheidstheorie die ervan uitgaat dat ‘aardige mensen aardige eigenschappen hebben’ en ‘onaardige mensen onaardige eigenschappen’. Als we een persoon van wie we weinig afweten ‘mogen’, gaan we vaak ervan uit dat die persoon waarschijnlijk eveneens positieve karaktertrekken heeft.
Hindsight bias – het fenomeen dat het resultaat van een bepaalde beslissing of handeling achteraf gezien overduidelijk en voorzienbaar lijkt te zijn. Het is de neiging te overschatten in hoeverre een gebeurtenis voorkomen had kunnen worden. Kennis van het resultaat heeft hierbij invloed op het oordeel over het verleden.
Implementation intention – een concrete geformuleerde, doelgerichte intentie.
Implicit association test – een test die de reactiesnelheid van een persoon bij bijvoorbeeld categorisering van concepten meet. Door groepen mensen met positieve en negatieve items te associëren kunnen de reactietijden inzicht geven in impliciete biases.
Implicit gender bias – de bias die resulteert in een ongelijke beoordeling en dientengevolge ongelijke behandeling van vrouwen ten opzichte van mannen.
Inclusie – het gedrag, de waarden en de spelregels om uiteindelijk ervoor te zorgen dat iedereen daadwerkelijk wordt betrokken en opgenomen in ‘de groep’.
Information bias – de bias die leidt tot selectiviteit bij het verzamelen van informatie.
Knobe effect – het effect dat mensen bij een negatief resultaat eerder een causaal verband leggen met een bepaalde handeling in het verleden, dan bij een positief resultaat.
Myopia – het falen van de zoektocht naar de werkelijke oorzaak.
Nominal group technique – een techniek om het beslissingsproces van een groep op te delen in drie delen: (1) informatie verzamelen op individueel niveau; (2) gestructureerde feedback en groepsinteractie; (3) gesloten stemmen.
Orientation bias – bij de zoektocht naar informatie onbewust een bepaalde (sterke) hypothese als uitgangspunt kiezen.
Peturbatie – begrip uit de DST vertaald naar de context van deze dissertatie, waarin de DST begrippen metaforisch gebruikt worden: een verstoring van het team, van buitenaf, gericht op de attractor van het team.
Power laws – begrip uit de DST vertaald naar de context van deze dissertatie, waarin de DST begrippen metaforisch gebruikt worden: power laws beschrijven de functionele relatie tussen componenten, waarbij sprake is van een exponentiële groeiverhouding.
Representative heuristics – het fenomeen dat redeneringen door vergelijking tot stand komen.
Rescue bias – bij de zoektocht naar informatie worden feiten in tegenspraak met de hypothese onbewust, dan wel bewust, buiten beschouwing gelaten.
Response bias – dat een persoon het antwoord geeft waarvan hij denkt dat dit het antwoord is dat de ander wil horen.
Same sex favouring – het fenomeen dat men geneigd is te kiezen voor iemand van de gelijke sekse. Hier behandeld in het kader van de selectie van bestuurskandidaten.
Scale-invariance – begrip uit de DST vertaald naar de context van deze dissertatie, waarin de DST begrippen metaforisch gebruikt worden: de invariatie in schaalgrootte van patronen. Zie ook: fractals.
Similarity/attraction theory – volgens deze theorie kiest een individu in een groep eerder een persoon die op hem lijkt om mee te communiceren dan iemand die niet op hem lijkt. Zie voorts: same sex favouring.
Supra-individueel niveau – in het kader van de rvb en de rvc: het niveau van de groep dat uitstijgt boven de individuen. Het niveau van het collectief.
Synchronisatie – begrip uit de DST vertaald naar de context van deze dissertatie, waarin de DST begrippen metaforisch gebruikt worden: het effect dat twee processen door verloop van tijd gaan synchroniseren. Dit kan zich in een team bijvoorbeeld uiten in communicatie tussen twee leden.
Willful blindness – de neiging van een groep reeds bekende feiten, strategieën en meningen te bespreken in plaats van aandacht te schenken aan de feiten en de meningen die hun originele standpunt tegenspreken.