Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/8.2
8.2 Geschiedenis
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS373441:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2010-2011, 32 887, nr. 3 (MvT), p. 29.
Veenstra (2013), § 2.
Hammerstein namens de Commissie Vennootschapsrecht, advies over het concept wetsvoorstel tot aanpassing van het enquêterecht, d.d. 19 oktober 2010, p. 2.
Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht, Opmerkingen in het kader van de consultatie over het Voorontwerp van de wet tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het enquêterecht, d.d. 8 januari 2010, p. 3.
Kamerstukken II 2010-2011, 32 887, nr. 3 (MvT), p. 29. Zie voor het antwoord op die vraag § 5.4.
Kamerstukken II 2010-2011, 32 887, nr. 3 (MvT), p. 36.
De curator is sinds de wijziging van het enquêterecht in 2013 bevoegd om een enquêteverzoek in te dienen bij de vennootschap in wier faillissement hij is aangesteld als curator. Voordien kon hij dat niet. De positie van de curator in het enquêterecht is echter niet geheel nieuw. De curator in het faillissement van een moedervennootschap kon al een enquête verzoeken bij een dochtervennootschap (§ 3.1.7).
De toelichting op de enquêtebevoegdheid van de curator zoals opgenomen art. 2:346 lid 3 BW is summier. De minister vermeldt slechts dat de Commissie Vennootschapsrecht heeft geadviseerd om de curator in het geval van het faillissement van de rechtspersoon eveneens (dat wil zeggen naast het bestuur, de raad van commissarissen onderscheidenlijk de niet uitvoerende bestuurders) de enquêtebevoegdheid toe te kennen. De achterliggende gedachte is volgens de minister “dat ook de curator er belang bij kan hebben dat wordt vastgesteld of voorafgaand aan het faillissement wanbeleid heeft plaatsgevonden.”1
Opvallend is dat in de consultatiereacties op het conceptwetsvoorstel nagenoeg niet is ingegaan op de vraag of het nodig dan wel wenselijk is dat de curator de enquêtebevoegdheid wordt toegekend. Dit laat zich mogelijk verklaren door het feit dat de minister pas naderhand, in zijn reactie op het advies van de Commissie Vennootschapsrecht in de consultatieronde, lid 3 aan art. 2:346 BW heeft toegevoegd.2 Het voorstel om de curator de enquêtebevoegdheid toe te kennen, licht de Commissie vennootschapsrecht evenmin toe.3 Ook de eerdere reactie op het conceptwetsvoorstel van de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht biedt niet meer duidelijkheid:
“Onduidelijk is of, indien de rechtspersoon de bevoegdheid krijgt een onderzoek bij zichzelf uit te lokken, die bevoegdheid in een faillissementssituatie door de curator als belast met het beheer van de boedel uitgeoefend zal kunnen worden. De Gecombineerde Commissie gaat ervan uit dat het de bedoeling is dat de curator deze bevoegdheid krijgt. Dit zou bij voorkeur in de wet (artikel 2:346 BW) moeten worden opgenomen maar anders in ieder geval in de memorie van toelichting. Dat voorkomt dat die vraag mogelijk ooit weer door de rechter moet worden beslist.”4
Welk belang de curator heeft bij de enquêtebevoegdheid wordt derhalve niet duidelijk. De minister verwijst enkel naar de toelichting op art. 2:350 BW, waar de vraag aan de orde komt voor wiens rekening de kosten van een enquêteprocedure komen bij een failliete vennootschap.5 Over het belang van de curator bij het indienen van een enquêteverzoek zegt hij slechts het volgende:
“Op zichzelf kan een enquête bij een failliete vennootschap nuttig zijn, zeker wanneer het faillissement samenhangt met mogelijk wanbeleid.”6
In de daaropvolgende passages bespreekt de minister in het kader van de Garantstelling curatoren dat een enquêteprocedure een belangrijke rol kan spelen bij een aansprakelijkheidsprocedure tegen bestuurders en commissarissen. Met dit laatste wil hij het (kennelijke) belang van de curator bij een enquêteprocedure benadrukken: de curator kan feiten vergaren en laten vaststellen bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid.