HR, 20-01-2015, nr. 14/03057
ECLI:NL:HR:2015:99
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-01-2015
- Zaaknummer
14/03057
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:99, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 20‑01‑2015; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2706, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2014:4292, Niet ontvankelijk
ECLI:NL:PHR:2014:2706, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑12‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:99, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 20‑01‑2015
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Partij(en)
20 januari 2015
Strafkamer
nr. S 14/03057
LNU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 2 juni 2014, nummer 21/008444-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2015.
Conclusie 16‑12‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Nr. 14/03057
Mr. Vegter
Zitting 16 december 2014
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juni 2014. Er is tijdig een schriftuur ingekomen.
2. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van doodslag. Anders dan de steller van het middel meent is het uitgangspunt in het bevestigde vonnis van de Rechtbank niet dat de verdediging een reële mogelijkheid heeft aangedragen, maar dat de door de verdediging geopperde mogelijkheid nader is onderzocht en dat de gedane (technische) onderzoeken het alternatieve scenario niet zonder meer uitsluiten. Dat is veel zuiniger uitgedrukt dan de steller van het middel wil en de kennelijk naar het oordeel van de veroordelende rechter hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid is in een uitvoerige bewijsoverweging ter zijde gesteld. Dat is toereikend en anders dan de steller van het middel meent is niet vereist dat de alternatieve lezing door bewijsmiddelen wordt uitgesloten (Corstens/Borgers, 2014, p. 849 en 856). Voor zover al sprake zou zijn van louter ‘circumstantial evidence’ valt niet in te zien dat en waarom dergelijk bewijs niet toereikend kan zijn.
3. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie nu de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG