Rb. Rotterdam, 18-01-2024, nr. C/10/642609 / FA RK 22-5435
ECLI:NL:RBROT:2024:495
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
18-01-2024
- Zaaknummer
C/10/642609 / FA RK 22-5435
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2024:495, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 18‑01‑2024; (Beschikking)
ECLI:NL:RBROT:2023:12738, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 28‑11‑2023; (Beschikking)
ECLI:NL:RBROT:2022:12286, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 19‑12‑2022; (Beschikking)
Uitspraak 18‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Vervolg op [ECLI:NL:RBROT:2022:12286 en ECLI:NL:RBROT:2023:12738]. Gezamenlijk gezag toegewezen. Ambtshalve verwezen naar ECLI:NL:RBROT:2023:12346 en in aanvulling daarop geoordeeld over de bewoording van de gezagspassage in de akte van erkenning, die niet strookt met artikel 49, eerste lid, aanhef en onder g van het Besluit burgerlijke stand 1994.
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/642609 / FA RK 22-5435
Beschikking van 18 januari 2024 over het ouderlijk gezag
in de zaak van:
[naam01] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats01],
advocaat mr. J. Oversluizen te Rotterdam.
In deze zaak is belanghebbende:
[naam02] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats02],
advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam.
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de beschikking van 28 november 2023;
- -
het bericht met bijlage van de man van 7 december 2023;
- -
het bericht van de vrouw van 9 januari 2024.
2. De beoordeling
2.1.
Ouderlijk gezag
2.1.1.
Bij beschikking van 28 november 2023 heeft de rechtbank de beslissing ten aanzien van het gezag over de minderjarige [minderjarige01], geboren op [geboortedatum01] 2011 te [geboorteplaats01], aangehouden in afwachting van toezending van de akte van erkenning van de minderjarige door de man en de reactie van de vrouw.
2.1.2.
Uit het bericht met bijlage van de man van 7 december 2023 blijkt dat op 7 december 2023 een akte van erkenning van de minderjarige door de man is opgemaakt. Bij bericht van 9 januari 2024 heeft de vrouw bericht dat uit de door de man overgelegde akte blijkt dat de man de minderjarige heeft erkend.
2.1.3.
Gelet op het vorenstaande en onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen in de beschikking van 28 november 2023 zal de rechtbank het verzoek van de man tezamen met de vrouw te worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige toewijzen.
2.1.4.
Ambtshalve is de rechtbank van oordeel dat aan toewijzing van het verzoek niet in de weg staat dat de akte van erkenning deze passage bevat: “Gezag: De moeder uit wie het kind is geboren oefent alleen het gezag uit”. De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 1 december 2023 (ELCI:NL:RBROT:2023:12346), rechtsoverwegingen 2.1.3 tot en met 2.1.3.3. Voor zover de hierboven geciteerde passage niet moet worden gelezen als verklaring van de ouders, maar als beoordeling of constatering van de ambtenaar van de burgerlijke stand – de redactie van de passage laat een dergelijke lezing open –, strookt deze vermelding niet met artikel 49, eerste lid, aanhef en onder g van het Besluit burgerlijke stand 1994. Die bepaling ziet immers op een verklaring van de ouders, niet op wat de ambtenaar van de burgerlijke stand meent met betrekking tot het gezag.
2.2.
Proceskosten
2.2.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
wijzigt het ouderlijk gezag over de minderjarige in die zin, dat de man en de vrouw dit gezag over de minderjarige vanaf de datum van deze beschikking gezamenlijk uitoefenen;
3.2.
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.A.J. Ysebaert, griffier, op 18 januari 2024. | ||
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Verzoeker en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere manier bekend is geworden.
Uitspraak 28‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Vervolg op [ECLI:NL:RBROT:2022:12286]. Vervangende toestemming erkenning gegeven. Gezamenlijk gezag zal worden toegewezen na ontvangst akte van erkenning.
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/642609 / FA RK 22-5435
Beschikking van 28 november 2023 over vervangende toestemming voor erkenning/het ouderlijk gezag/de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam01] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats01],
advocaat mr. J. Oversluizen te Rotterdam.
In deze zaak is belanghebbende:
[naam02] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats02],
advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam.
In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:
[naam03] , advocaat te [plaatsnaam01], hierna te noemen de bijzondere curator.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2022;
- -
het bericht met bijlagen van de man van 16 oktober 2022;
- -
de beschikking van deze rechtbank van 19 december 2022, waarbij [naam03] is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;
- -
het verslag van bevindingen van de bijzondere curator van 13 maart 2023;
- -
het verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 20 oktober 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2023. Daarbij zijn verschenen:
- -
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- -
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- -
de bijzondere curator;
- -
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam04].
1.3.
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt.
2. De vaststaande feiten
2.1.
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
Op [geboortedatum01] 2011 is te [geboorteplaats01] uit de vrouw geboren:
[minderjarige01], hierna te noemen de minderjarige.
2.3.
De man is de verwekker van de minderjarige.
2.4.
De minderjarige is niet erkend.
2.5.
De vrouw en de minderjarige onthouden de man toestemming tot erkenning van de minderjarige.
3. De beoordeling
3.1.
Bij beschikking van 19 december 2022 heeft de rechtbank de zaak met betrekking tot de afstamming van de minderjarige aangehouden. De rechtbank verwijst naar en neemt over wat ten aanzien van dat onderwerp is opgenomen in die beschikking.
3.2.
Vervangende toestemming
3.2.1.
Het verzoek strekt tot het aan de man verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige.
3.2.2.
De vrouw refereert zich aan het verzoek van de man.
3.2.3.
De bijzondere curator adviseert het verzoek toe te wijzen.
3.2.4.
Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW kan de toestemming van de vrouw dan wel de toestemming van de minderjarige van twaalf jaren of ouder, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang komt, mits de man de verwekker is van de minderjarige.
3.2.5.
De rechtbank moet daarbij de belangen van de minderjarige, de man en de vrouw wegen. De vrouw heeft met name belang bij het in stand houden van een ongestoorde verhouding met de minderjarige. De man heeft belang bij het ontstaan van een familierechtelijke betrekking tussen hem en de minderjarige. De belangen van de minderjarige kunnen zowel zijn gelegen in een ongestoorde verhouding met de vrouw, als in het ontstaan van een familierechtelijke betrekking met de man.
Die afweging mag niet leiden tot schade aan de belangen van de minderjarige of de vrouw. Van schade aan de belangen van de minderjarige is sprake als ten gevolge van de erkenning voor de minderjarige een reëel risico ontstaat dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling.
3.2.6.
Omdat tussen partijen vaststaat dat de man de verwekker is van de minderjarige, overweegt de rechtbank ten aanzien van de belangenafweging als volgt.
3.2.6.1. De erkenning stelt de familierechtelijke betrekking van de man tot de minderjarige vast en is als zodanig in het belang van de man en de minderjarige. Niet is gesteld of gebleken dat de erkenning het belang van de vrouw bij het in stand houden van een ongestoorde verhouding met de minderjarige zal schaden. Ook is niet gesteld of gebleken dat ten gevolge van de erkenning voor de minderjarige een reëel risico ontstaat dat zij wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling.
3.2.6.2. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling komt naar voren dat de minderjarige op dit moment het contact met de man afwijst, maar de rechtbank ziet hierin geen aanleiding om de man de gevraagde toestemming te onthouden. Erkenning behelst de schriftelijke vastlegging van wat nu eenmaal zo is: de minderjarige stamt af van de man. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen en zowel de vereiste toestemming van de vrouw als de vereiste toestemming van de minderjarige voor erkenning van de minderjarige door de man vervangen door de toestemming van de rechtbank.
3.2.7.
Wellicht ten overvloede wijst de rechtbank de man erop dat hij zelf met deze beschikking naar de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente, waar de minderjarige is geboren, dient te gaan om de akte van erkenning te laten opmaken.
3.2.8.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen.
3.3.
Ouderlijk gezag
3.3.1.
De man verzoekt tezamen met de vrouw te worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
3.3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.3.3.
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.3.4.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
3.3.5.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders, ook na een verbroken relatie, gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Hiervan wordt alleen afgeweken als sprake is van een van de hiervoor genoemde afwijzingsgronden. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het ligt op de weg van partijen om hun gezamenlijke verantwoordelijkheid als ouders van de minderjarige op te pakken. Van partijen mogen daartoe inspanningen worden verwacht. De rechtbank gaat ervan uit dat dit beide partijen zal lukken. Als ouders bij een gezagsbeslissing er onderling niet uitkomen, dan kan de rechtbank een beslissing nemen. Als blijkt dat een van de ouders de andere ouder tegenwerkt – door te traineren of toestemmingen te onthouden voor zaken die in het belang van de minderjarige zijn –, dan moet die ouder er rekening mee houden dat dit kan leiden tot eenhoofdig gezag.
3.3.6.
Omdat gezamenlijk gezag pas mogelijk is na erkenning, zal de rechtbank in deze beschikking het gezag nog niet wijzigen, maar die formele beslissing aanhouden. Het is nu eerst aan de man om de erkenning zo snel mogelijk daadwerkelijk te regelen.
3.3.7.
Van de man wordt verwacht dat hij binnen twee maanden na het uitspreken van deze beschikking de rechtbank de akte van erkenning toezendt. De rechtbank stelt de vrouw daarna in de gelegenheid zich binnen twee weken uit te laten over de vraag of uit de door de man overgelegde akte inderdaad de erkenning blijkt. Voor een heropening van het debat over de wenselijkheid van gezamenlijk gezag is geen plaats. De rechtbank zal na ontvangst van de stukken in beginsel zonder nadere mondelinge behandeling een beschikking geven.
3.4.
Zorg- dan wel omgangsregeling
3.4.1.
De man verzoekt vaststelling van een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) dan wel regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling).
3.4.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en zij verzoekt de man het recht op omgang met de minderjarige te ontzeggen voor onbepaalde duur althans voor bepaalde duur.
3.4.3.
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen alsmede, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:
- a.
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
- b.
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
- c.
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
- d.
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
3.4.4.
Op grond van de stukken en de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen reden is om de man de omgang met de minderjarige te ontzeggen.
3.4.4.1. De man en de minderjarige hebben kennelijk in het najaar van 2022 een conflict gehad over het inspreken van een spraakbericht en mogelijk had de man anders moeten reageren. Sindsdien is er geen omgang meer tussen de man en de minderjarige en op dit moment wijst de minderjarige het contact met de man af.
3.4.4.2. De rechtbank is met de raad van oordeel dat er een vorm van contact moet komen. Contact met de andere ouder is belangrijk voor de identiteitsontwikkeling van kinderen. Contact maakt het ook mogelijk dat eerdere negatieve ervaringen kunnen worden besproken en uitgepraat zodat de weg wordt geopend voor een beter contact in de toekomst. Kinderen moeten ook leren conflicten met hun ouders op te lossen. Van ouders wordt verwacht dat zij daarin hun kinderen bijstaan. Het gegeven dat de minderjarige geen contact met de man wil is geen statisch gegeven. Het is ook aan de vrouw om zich ervoor in te spannen contact tot stand te brengen (artikel 1:247 lid 3 BW).
3.4.4.3. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat er een eerste contact kan zijn in de vorm van een theemoment van een uur waarbij de man en de minderjarige met elkaar in gesprek gaan en daarna op zondag van 12.00 uur tot 14.00 uur. De rechtbank zal in die zin beslissen en de door de man gevraagde regeling afwijzen, omdat die op dit moment niet realistisch is. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw haar toezegging tijdens de mondelinge behandeling zal nakomen en via de huisarts hulpverlening voor de minderjarige zal inschakelen. Ook vertrouwt de rechtbank erop dat de vrouw haar uiterste best zal doen om dat theemoment, zoals de raad het voorstelde, te realiseren. Van de man wordt verwacht dat hij zich zal inspannen om er daadwerkelijk voor de minderjarige te zijn. Hij moet daadwerkelijk aandacht hebben voor haar en haar leven. Van de man wordt verwacht dat hij de minderjarige niet inzet voor ‘eigen doelen’ zoals het inspreken van een spraakbericht voor een kwestie waar de minderjarige verder buiten staat. De rechtbank verwacht ook van de man dat hij voor dit voorval zijn excuus zal aanbieden aan de minderjarige.
3.4.4.4. Er is geen aanleiding om de behandeling van de zaak met betrekking tot de omgang aan te houden, omdat de rechtbank in staat is op de voorliggende verzoeken een beslissing te nemen.
3.5.
Proceskosten
3.5.1.
Omdat ten aanzien van het gezag nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4. De beslissing
De rechtbank:
4.1.
verleent [naam01], geboren op [geboortedatum02] te [geboorteplaats02], vervangende toestemming voor erkenning van:
[minderjarige01], geboren op [geboortedatum01] 2011 te [geboorteplaats01];
4.2.
draagt de man op de rechtbank binnen twee maanden na heden de akte van erkenning aan de rechtbank te zenden, onder verzending van een kopie van de akte aan de vrouw;
4.3.
stelt de vrouw in de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van de akte zich schriftelijk uit te laten als bedoeld in rechtsoverweging 3.3.7.;
4.4.
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 28 november 2023 als beëindigd;
4.5.
stelt vast dat de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (zolang de man geen gezag heeft) dan wel de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (vanaf het moment dat de man gezag krijgt) als volgt zal zijn:
- de man heeft binnen vier weken na de datum van deze beschikking contact met de minderjarige in de vorm van een theemoment van een uur waar hun negatieve ervaring kan worden besproken;
- daarna heeft de man eenmaal per veertien dagen op zondag van 12.00 uur tot 14.00 uur contact met de minderjarige;
4.6.
verklaart onderdelen 4.1. en 4.5. van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte, behalve wat is verzocht ten aanzien van het gezag over de minderjarige;
en voordat verder wordt beslist:
4.8.
bepaalt dat de beslissing ten aanzien van het gezag wordt aangehouden tot 1 februari 2024 PRO FORMA.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.A.J. Ysebaert, griffier, op 28 november 2023. | ||
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Verzoeker en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere manier bekend is geworden.
Uitspraak 19‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Benoeming bijzondere curator bij erkenningsgeschil.
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/642609 / FA RK 22-5435
Beschikking van 19 december 2022 over benoeming bijzondere curator op grond van artikel 1:212 BW
in de zaak over de minderjarige:
[kind01] ,
geboren op [geboortedatum01] 2011 te [geboorteplaats01].
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 04 augustus 2022 ingekomen verzoekschrift (met bijlagen) van
[naam01] ,
wonende te [woonplaats01],
advocaat mr. J. Oversluizen te Rotterdam.
2. De beoordeling
2.1.
Het verzoek betreft (onder meer) de afstamming van de minderjarige, zodat een bijzondere curator moet worden benoemd die de minderjarige zal vertegenwoordigen in deze afstammingsprocedure, die binnen vier weken na de datum van deze beschikking in vijfvoud schriftelijk verslag doet van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek inneemt.
2.2.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak aanhouden tot na te noemen datum, in afwachting van het hiervoor genoemde verslag van de bijzondere curator.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
benoemt tot bijzondere curator over gemelde minderjarige:
[naam02], kantoorhoudende te [adres01], om de minderjarige te vertegenwoordigen;
3.2.
bepaalt dat de bijzondere curator binnen vier weken na de datum van deze beschikking in vijfvoud schriftelijk verslag doet van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek inneemt;
en voor verder te beslissen:
3.3.
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 februari 2023 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijke verslag van de bijzondere curator.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, rechter tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.M. Brito op 19 december 2022. | ||
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.