Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/1.4
1.4 Afbakening onderzoek, verklaring begripsgebruik
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS383371:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het toepassingsbereik van de Code is bepaald in het koninklijk besluit van 23 december 2004 tot vaststelling van nadere voorschriften omtrent de inhoud van het jaarverslag, Stb. 2004, 474, zoals laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 december 2009, Stb. 2009, 545.
Zie voor een praktische en rechtsvergelijkende beschouwing over dit fenomeen W.J.L. Calkoen, The One Tier Board in the changing and converging world of corporate governance, diss. Rotterdam 2011, IVO-reeks nr. 85, Deventer: Kluwer 2012.
Zie over de dga-B.V. M.J.G.C. Raaijmakers & G.J.H. van der Sangen, ‘De directeur- grootaandeelhouder in het nieuwe BV-recht’ in P.J. van der Korst, R. Abma & G.T.M.J. Raaijmakers (reds.), Handboek Onderneming en Aandeelhouder, Serie O&R nr. 69, Deventer: Kluwer 2012, p. 513-544.
Een aansporing tot het maken van dit onderscheid geeft B.F. Assink, De Januskop van het Ondernemingsrecht, oratie Rotterdam 2010, Deventer: Kluwer 2010, p. 41-47. Zie ook F.G.K. Overkleeft, ‘Vennootschappelijk belang en vennotenbelang’, in G.J. Meijer, P.M. Storm & L. Timmerman (reds.), Piet Sanders: een honderdjarige vernieuwer, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2012, p. 69-74.
Zie voor een pleidooi voor een bewust gebruik van dit begrip M.J.G.C. Raaijmakers, Naar een Wetboek Ondernemingsrecht, afscheidsrede Tilburg 2009, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2010 en zijn latere artikel ‘Tussen toen en nu: verbrokkeling en herintegratie van het ondernemingsrecht’, TvOB 2012, p. 111-117.
Bijvoorbeeld E.E. Gepken-Jager, G. van Solinge & L. Timmerman (reds.), VOC 1602-2002: 400 years of Company Law, Deventer: Kluwer 2005. Zie meer recent de bijdragen vanJ.M. de Jongh, in het bijzonder ‘Aandeelhoudersactivisten avant la lettre: de dolerende participanten van de VOC’ in M.J.A. Duker, L.J.A. Pieterse & A.P.J. Schild (reds.), WelBeraden: beschouwingen over de rechtsontwikkelingen in de rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009, p. 247-271, ‘Oligarchie in thema en variaties’ in P.J. van der Korst, R. Abma & G.T.M.J. Raaijmakers (reds.), Handboek Onderneming en Aandeelhouder, Serie O&R nr. 69, Deventer: Kluwer 2012, p. 3-34 en De Jongh 2014.
Monitoring Commissie Corporate Governance Code, De Nederlandse Corporate Governance Code: beginselen van deugdelijk ondernemingsbestuur en best practices bepalingen, 10 december 2008, Stcr 3 december 2009, nr. 18499, p. 1 e.v., tevens te raadplegen via
Monitoring Commissie Corporate Governance Code, De Nederlandse Corporate Governance Code, 8 december 2016, te te raadplegen via
Brief van Minister van Economische Zaken Kamp aan de Tweede Kamer houdende kabinetsreactie op de Code van Manen van 24 maart 2017, kenmerk DGBI-O/17025616, te raadplegen op
F.G.K. Overkleeft, ‘HR ABN AMRO at 5: over de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen’, in M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten & D.J. Oranje (reds.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2011-12, Van der Heijden-reeks nr. 112, Deventer: Kluwer 2012, p. 191-224.
Overkleeft 2009.
F.G.K. Overkleeft, ‘Technische oplossingen’ in B.F. Assink, K.F. Haak, J.M. de Jongh,A.J.P. Schild & M.J. Kroeze (reds.), De toekomst van het ondernemingsrecht – het ondernemingsrecht van de toekomst, liber amicorum L. Timmerman, IVO-reeks nr. 99, Deventer: Kluwer 2015, p. 377-392, F.G.K. Overkleeft, ‘De Code in de crisis: het derde nalevingsrapport van de Corporate Governance Code (2011), V&O 2012, p. 21-25 en F.G.K. Overkleeft, ‘Het nieuwe Action Plan op het gebied van het Europese ondernemingsrecht (2012)’, V&O 2013, p. 5-10.
Een belangrijke afbakening van dit onderzoek houdt in dat deze dissertatie alleen ziet op de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen. Dat is een bewuste keuze. Met de aanduiding ‘beursvennootschap’ doel ik specifiek op een naamloze vennootschap (N.V.) waarvan de aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Een andere afbakening is dat dit onderzoek alleen ziet op beursvennootschappen waarop de Nederlandse Corporate Governance Code van toepassing is.1 Qua ondernemingsrechtelijke inrichting van de beursvennootschap wordt uitgegaan van een reguliere ‘two tier’ structuur waarbij de vennootschap naast een bestuur een aparte raad van commissarissen heeft. Hoewel de in deze dissertatie neergelegde observaties over aandeelhouders in beursvennootschappen ook zouden gelden voor de situatie van een vennootschap met een unitaire bestuursstructuur (‘one tier’ structuur),2 past hier de kanttekening dat ik dit niet heb onderzocht. Tot slot ga ik, in aansluiting op de gangbare praktijk, uit van een N.V. waarop de structuurregeling van artikelen 2:152 e.v. BW niet van toepassing is. Nu het overgrote deel van de Nederlandse beursvennootschappen op holding-niveau is vrijgesteld van de verplichte toepassing van het structuurregime, neem ik voor mijn analyse de niet-structuurvennootschap als uitgangspunt. Wel komt de structuurregeling aan de orde als onderdeel van de historische beschrijving van de ontwikkeling van het ‘klassieke’ ondernemingsrecht.
De beperking van dit onderzoek tot enkel beursvennootschappen heeft wezenlijke implicaties voor de reikwijdte en de bruikbaarheid van de bevindingen ervan. Juridisch gezien vertonen een besloten vennootschap (B.V.) van een directeur-grootaandeelhouder (dga) enerzijds en een beursvennootschap anderzijds weliswaar vele gelijkenissen, maar feitelijk en praktisch gezien zijn het toch zeer verschillende dingen.3 De eigenheid van verschillende typen en grootten van ondernemingen wordt in het ondernemingsrecht van Boek 2 BW slechts met mate onderkend, maar zij is er wel degelijk. Hetzelfde geldt voor open begrippen zoals het vennootschappelijk belang: de strekking en inhoud hiervan is in de context van een ‘open’ beursvennootschap wezenlijk anders dan in de besloten verhoudingen van een joint-venture-B.V. of een holding-B.V.4 De observaties in dit onderzoek over het vennootschappelijk belang en andere open normen in het ondernemingsrecht moeten dus als strikt context gebonden worden beschouwd en kunnen niet zonder meer worden veralgemeniseerd naar niet-beursgenoteerde N.V.’s of B.V.’s.
De tweede relevante afbakening van deze dissertatie is gelegen in een beperking in rechtsgebied. Het onderzoek ziet op het ondernemingsrecht voor beursvennootschappen. De aanduiding “ondernemingsrecht” is bewust gekozen ten opzichte van het beperktere begrip “vennootschapsrecht”.5 Het gebruik van het containerbegrip ondernemingsrecht maakt het mogelijk om naast de wettelijke bepalingen van Boek 2 BW ook de Code tot een bron van tot het rechtsgebied behorende rechtsregels te rekenen (op de vraag of dat terecht is kom ik nog terug). Het financieel toezichtrecht dat op beursvennootschappen van toepassing is uit hoofde van de beursnotering van hun effecten valt evenwel buiten het bestek van dit onderzoek. Waar relevant zullen bepaalde toezichtrechtelijke bepalingen worden betrokken in de analyse van het ondernemingsrechtelijk kader. Ook zullen enkele hoofdlijnen van de ontwikkeling van het financieel toezichtsrecht worden aangeduid. Voor het overige blijft het financieel toezichtsrecht, ook wat betreft de publieke handhaving van deze voorschriften door de AFM, buiten beschouwing.
Om ontwikkelingen te kunnen beschrijven is het ook noodzakelijk om een beginsituatie te definiëren en uiteen te zetten. Een beschrijving van de meer dan vier eeuwen durende ontwikkeling van het Nederlandse vennootschapsrecht vanaf de Vereenigde Oostindische Compagnie gaat het bestek van deze dissertatie te buiten, bovendien is dit reeds grondig en gedegen door anderen gedaan.6 Ik beperk me daarom tot het schetsen van enkele voor het onderwerp van deze dissertatie relevante hoofdlijnen in de geschiedenis van het ondernemingsrecht tot aan de moderniseringsgolf aan het begin van de 21ste eeuw die uitmondde in de introductie van de Code (2003), de uitbreiding van aandeelhoudersrechten in Boek 2 BW (2004) en in de sanctionering van een sterkere positie van aandeelhouders in de rechtspraak van de Ondernemingskamer. Het ondernemingsrecht van vóór deze moderniseringsgolf zal ik kortheidshalve aanduiden als het “klassieke ondernemingsrecht”. Het ondernemingsrecht zoals dit er na deze moderniseringsgolf is gaan uitzien, wordt mede aangeduid als het “nieuwe ondernemingsrecht”.
Ik pretendeer geen volledigheid in de beschrijving van de rechtsontwikkeling van het klassieke ondernemingsrecht, noch in de weergave van de relevante achtergrond waartegen deze rechtsontwikkeling zich heeft voorgedaan. Het onderzoek richt zich in hoofdzaak op de (rechts)ontwikkelingen in het ondernemingsrecht voor zover die de positie van de aandeelhouder(s) in beursvennootschappen raken, beïnvloeden of hier anderszins voor van belang zijn.
Dit betekent dat thema’s zoals bestuurdersbezoldiging, de nieuwe tegenstrijdig belang-regeling voor bestuurders en commissarissen, wettelijke beperkingen aan de hoeveelheid bestuurderschappen en commissariaten en voorstellen voor diversiteitsquotas voor raden van bestuur en raden van commissarissen op een enkele verwijzing na onbesproken zullen blijven.
Ter afsluiting van dit onderdeel wijs ik nog op enkele definities en korte aanduidingen voor begrippen die ik in het navolgende zal hanteren.
Ik ga uit van een raad van bestuur, bestaande uit meerdere bestuurders. Met het woord “bestuur” duid ik de raad van bestuur als orgaan van de vennootschap aan. Individuele personen die zitting hebben in het bestuur noem ik “bestuurder” en gezamenlijk “bestuurders”.
Voor de raad van commissarissen geldt een soortgelijke aanduiding. Het orgaan wordt aangeduid als “raad van commissarissen” of kortweg “RvC”, de individuele leden van de RvC worden aangeduid als “commissaris” of “RvC-lid”
De wettelijke term ‘algemene vergadering van aandeelhouders’ wordt in overeenstemming met staand gebruik afgekort tot “AVA”. Hiermee kan afhankelijk van de context zowel het orgaan van de vennootschap worden bedoeld als de feitelijke (jaarlijkse) aandeelhoudersvergadering.
Met “de Code” wordt verwezen naar de Nederlandse Corporate Governance Code. Afhankelijk van de context is dit hetzij de Code Tabaksblat 2003 dan wel de geactualiseerde versie van de Code zoals gepresenteerd door de Monitoring Commissie Corporate Governance Code (Commissie Frijns, naar haar voorzitter) op 10 december 2008.7 Waar de context niet duidelijk is, zal expliciet worden verwezen naar de Code Tabaksblat 2003 dan wel de Code Frijns 2008. Op een enkele plaats wordt tevens verwezen naar de herziene Code die de Monitoring Commissie Corporate Governance Code onder voorzitterschap van Van Manen op 8 december 2016 heeft gepubliceerd.8 Op het moment van afronding van dit manuscript was deze nieuwe versie van de Code evenwel nog niet formeel aangewezen als gedragscode in de zin van artikel 2:391 lid 5 BW, zij het dat het kabinet in maart 2017 te kennen heeft gegeven dat dit op korte termijn zal gebeuren.9 Andere gedragscodes dan de Code, zoals de Code Banken, zullen telkens met de volledige naam worden aangeduid.
Dit onderzoek bouwt ten dele voort op eerdere publicaties over bepaalde deelonderwerpen. Onderdelen van Hoofdstuk 6 zijn eerder,gepubliceerd in een boekbijdrage van mijn hand uit 2012.10 In Hoofdstuk 5 en Hoofstuk 6 zijn voorts enkele passages opgenomen afkomstig uit mijn artikel over het agenderingsrecht voor aandeelhouders in beursvennootschappen uit 2009.11 Verder zijn bepaalde passages uit Hoofdstuk 5 en Hoofdstuk 6 over de Code Tabaksblat, de Code Frijns en het nieuwe EU Action Plan gebaseerd op mijn eerdere publicaties over deze onderwerpen.12
Dit manuscript is afgesloten op 27 maart 2017.