Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.6:7.6 Conclusie
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.6
7.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608341:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Commissie normstellende rol Hoge Raad 2008, p. 12.
Beweringen dat de Commissie Hammerstein I deze probleemstelling voor het eerst formuleerde zijn onjuist, zie bijv. Von Schmidt auf Altenstadt 2009, p. 10-12.
Zo ook Haak 2003a, p. 206.
Anders: Van Duijvendak-Brand 2010, p. 554.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.1.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De discussie over enig verlofstelsel in cassatie is, in de woorden van de Commissie Hammerstein I, geworteld in de gedachte dat “een te grote belasting met zaken die er niet wezenlijk toe doen, drukt op de ruimte die beschikbaar is voor de belangrijke zaken, zodat het moeilijker is die tijdig af te doen en om daaraan de aandacht te besteden die ze verdienen”.1 In plaats van blote werklastverlichting, is het debat steeds gericht geweest op een goede verdeling van schaarse capaciteit.2 Schaars, omdat wordt aangenomen dat de capaciteit van de Hoge Raad niet significant kan worden uitgebreid. Daarom rijst vanzelf de vraag welke taken de Hoge Raad met gebruikmaking van die beperkte capaciteit moet vervullen. Zo bezien schuilt achter het concrete probleem van de hoge instroom en de lange doorlooptijden de fundamentele vraag welke functie cassatierechtspraak heeft: behartiging van belangen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en/of rechtsbescherming.3 Anders geformuleerd: indien een maximum aan capaciteit van de Hoge Raad wordt aangenomen, zijn in termen van werklast geformuleerde problemen onlosmakelijk verbonden met principiële vragen over de taken van de Hoge Raad. Het één staat niet los van het ander.4
Dit verband komt bij artikel 80a RO concreet terug in de discussie over welke zaken voor niet-ontvankelijkverklaring binnen dit verlofstelsel in aanmerking komen. Gelet op de relatie die een keuze voor enige afbakening van zaken heeft met de functies van de cassatierechtspraak, valt op dat de wetgever in 2012 de betekenis van de toegangsvoorwaarden niet van een eensluidende toelichting heeft voorzien. Beroepen die ‘niet tot cassatie kunnen leiden’ zijn nog wel af te bakenen (vgl. art. 81 RO), maar de categorie beroepen die van ‘onvoldoende belang’ zijn om in cassatie te behandelen, is vloeibaar en vaag. De tekst van de wet laat aan de Hoge Raad in twee opzichten zeer veel beoordelingsruimte (belang; onvoldoende). Aan de wetsgeschiedenis zijn hoogstens de grenzen te ontlenen dat beroepen die nopen tot beantwoording van vragen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling moeten worden behandeld, en dat de Hoge Raad zich niet moet ontwikkelen tot het als contrastmiddel opgevoerde Amerikaanse Hooggerechtshof. De eerste grens valt evenals de onvoldoende-belangmaatstaf zelf binnen de beoordelingsruimte van de Hoge Raad, terwijl de tweede grens vooralsnog te ver van de Nederlandse horizon afligt om van wezenlijke betekenis te zijn. Dat betekent dat de Hoge Raad op grond van artikel 80a RO aanzienlijke ruimte heeft voor inhoudelijke en vrije toegangsbeoordeling.
Vanuit een procedureel perspectief geeft artikel 80a RO voorts ruimte voor afgescheiden toegangsonderzoek. De procedure in cassatie kan in 80a-gevallen worden verkort doordat onder meer het parket kan afzien van het nemen van een conclusie, toegang tot cassatie mede afhankelijk is van de toelichting op de 80a-maatstaven in de schriftuur en in 80a-gevallen kan worden volstaan met een standaardmotivering. Deze combinatie van inhoudelijke en vrije toegangsbeoordeling met afgescheiden toegangsonderzoek maakt dat artikel 80a RO in termen van dit boek als verlofstelsel kan worden gekwalificeerd.
Binnen de grenzen van de Wet versterking cassatierechtspraak bestaat dus veel ruimte voor inhoudelijke, vrije en afgescheiden toegangsbeoordeling. De Hoge Raad legt op die ruimte ook een claim, in die zin dat hij in de overzichtsarresten niet voorziet in hulpmaatstaven onder de wettelijke criteria van artikel 80a RO en voorts overweegt dat de vraag welke beroepen voor 80a-afdoening in aanmerking komen zich “niet leent voor een uitputtende en min of meer definitieve beantwoording. Het zal daarbij immers in hoge mate aankomen op de omstandigheden van het geval. Bovendien valt te verwachten dat de met voormelde wet geïntroduceerde ‘selectie aan de poort’ zich zal ontwikkelen.”5
Bij de aldus aangekondigde ontwikkeling van selectie aan de poort zal de Hoge Raad de grenzen van het verdragsrecht scherp in het oog moeten houden. Hoewel artikel 80a RO hoogstwaarschijnlijk als leave to appeal kan worden gekwalificeerd, waardoor het toezicht van het EHRM terughoudend zal zijn, en hoewel aan cassatie doorgaans twee instanties voorafgaan, waardoor de mensenrechten op beroep en een eerlijk proces niet of beperkt van toepassing zijn, kan een schending van vooral artikel 6 EVRM niet worden uitgesloten. Schending van artikel 6 EVRM bij 80a-afdoening van beroepen inhoudende klachten over de redelijke termijn in de cassatiefase is niet ondenkbaar. Ook het ontbreken van op de zaak toegesneden motivering, vooral in gevallen waarin over de juistheid van het schuldoordeel in de bestreden uitspraak kan worden getwijfeld, kan problematisch zijn. Tot slot is niet uitgesloten dat het EHRM het afzien van een conclusie door het parket bij de Hoge Raad opvat als een impliciet advies waarop conform de Borgers-rechtspraak moet kunnen worden gereageerd. Het verlofstelsel in cassatie is daarmee gelet op het verdragsrecht wezenlijk minder problematisch dan artikel 410a Sv, maar geheel uitgesloten is schending van het verdragsrecht niet. Oplossingen hiervoor komen nu in hoofdstuk 8 aan de orde.