Rechtbank Amsterdam 4 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:9.
HR, 13-02-2026, nr. 25/02288
ECLI:NL:HR:2026:230
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-02-2026
- Zaaknummer
25/02288
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:230, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1408
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2025:745
ECLI:NL:PHR:2025:1408, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:230
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑06‑2025
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2026-0017
Uitspraak 13‑02‑2026
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02288
Datum 13 februari 2026
ARREST IN HET INCIDENT
In de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats], Oostenrijk,
3. HEAD SPORTS HOLDINGS N.V.,
gevestigd te Willemstad, Curaçao,
4. HEAD UK LTD.,
gevestigd te Kendal, Verenigd Koninkrijk,
EISERS in het incident, verweerders in cassatie,
hierna gezamenlijk: Head c.s.,
advocaat: J.W.H. van Wijk,
tegen
1. ELSER & COMPANY LTD.,
gevestigd op de Britse Maagdeneilanden,
2. CARLISLE INVESTMENTS INC.,
gevestigd op de Britse Maagdeneilanden,
VERWEERSTERS in het incident, eiseressen tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: Elser c.s.,
advocaat: R.R. Verkerk,
en tegen
5. KPMG ALPEN TREUHAND GMBH,
gevestigd te Wenen, Oostenrijk,
6. BOOMDAAL B.V., voorheen HLB van Daal Audit B.V,
gevestigd te Waalwijk,
VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: KPMG c.s.,
advocaten: P.A. Fruytier en F.M. Dekker.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/13/702237 / HA ZA 21-480 van de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2023;
b. het arrest in de zaak 200.325.220/01 van het gerechtshof Amsterdam van 25 maart 2025.
Elser c.s. hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Head c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend en een incident tot zekerheidstelling opgeworpen.
KPMG c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. KPMG c.s. hebben het door hen opgeworpen incident tot zekerheidstelling ingetrokken.
Elser c.s. hebben geconcludeerd tot referte in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van KPMG c.s. en hebben een verweerschrift ingediend op het incident tot zekerheidstelling.
Head c.s. hebben voorts een uitlating in het incident genomen.
Elser c.s. hebben een reactie op uitlating in het incident ingediend.
De conclusie in het incident van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot het bevelen van het stellen van zekerheid door Elser c.s., ten behoeve van Head c.s., die voldoet aan de vereisten van art. 6:51 lid 2 BW voor de proceskosten van deze cassatieprocedure, voor een bedrag van € 11.665,00 binnen twee weken na de datum van het arrest in het incident; tot veroordeling van Elser c.s. in de kosten van het incident zijdens Head c.s., te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten indien Elser c.s. deze niet voldoet binnen veertien dagen na de datum waarop het arrest in het incident is gewezen; tot afwijzing van de incidentele vordering tot zekerheidstelling van Head c.s. voor het overige.
De advocaat van Elser c.s. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de incidentele vordering
2.1
In eerste aanleg hebben Elser c.s. zowel Head c.s. als KPMG c.s. in rechte betrokken en verklaringen voor recht en betaling van schadevergoeding gevorderd. De rechtbank1.heeft deze vorderingen afgewezen.
2.2
Elser c.s. zijn in hoger beroep gegaan van het vonnis van de rechtbank. Het hof2.heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
2.3
Nadat Elser c.s. cassatieberoep hadden ingesteld, hebben zowel Head c.s. als KPMG c.s. op de voet van art. 224 Rv in verbinding met art. 414 Rv een incidentele vordering ingediend strekkende tot veroordeling van Elser c.s. om zekerheid te stellen voor de proceskosten van het geding in cassatie op straffe van niet-ontvankelijkheid. Zij hebben aan hun incidentele vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat Elser c.s. zijn gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en geen woonplaats of vaste verblijfplaats in Nederland hebben en dat de Britse Maagdeneilanden geen partij zijn bij enig verdrag dat tot gevolg heeft dat er een tenuitvoerleggingsmogelijkheid van een proceskostenveroordeling bestaat.
2.4
Vervolgens hebben Elser c.s. zekerheid gesteld voor de proceskosten van KPMG c.s. Daarop hebben KPMG c.s. hun incidentele vordering ingetrokken, zodat daarop niet meer behoeft te worden beslist.
2.5
Vast staat dat Elser c.s. zijn gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en dat zij geen woonplaats of gewone verblijfplaats hebben in Nederland, zodat in zoverre is voldaan aan het vereiste van art. 224 lid 1 Rv. Gesteld noch gebleken is dat een van de in art. 224 lid 2 Rv bedoelde uitzonderingen zich voordoet. Elser c.s. zijn dus gehouden zekerheid te stellen. De vordering van Head c.s. tot het stellen van zekerheid ten bedrage van € 11.665,-- is daarmee toewijsbaar.
2.6
Elser c.s. hebben aangeboden de door Head c.s. verlangde zekerheid te stellen door een bedrag over te maken naar de derdenrekening van (i) het kantoor van de advocaten van Head c.s. in feitelijke instanties, (ii) het kantoor van de cassatieadvocaten van Head c.s., dan wel (iii) het kantoor van de cassatieadvocaten van KPMG c.s. Head c.s. hebben dit aanbod niet aanvaard, waartoe zij onder meer hebben aangevoerd – kort gezegd – dat de hiervoor onder (i) en (ii) bedoelde advocatenkantoren hebben laten weten dat zij op grond van hun interne regels niet toestaan dat hun derdenrekeningen hiervoor worden gebruikt. Head c.s. hebben verzocht om zekerheidstelling door storting op de derdenrekening van de cassatieadvocaat van Elser c.s. Uit het procesdossier blijkt niet dat Elser c.s. met het hiervoor onder (iii) bedoelde advocatenkantoor overeenstemming hebben bereikt over storting op de derdenrekening van dat kantoor ten behoeve van Head c.s.
2.7
Op grond van art. 6:51 lid 1 BW staat de vorm van de zekerheid in beginsel ter vrije keuze van degene die is verplicht tot het stellen van zekerheid.3.Indien deze partij ervoor kiest om zekerheid te stellen door storting op de derdenrekening van een advocatenkantoor, brengt het bepaalde in art. 6:51 lid 2 BW mee dat zij zich ervan dient te vergewissen dat het betrokken advocatenkantoor daaraan medewerking verleent.4.Een en ander betekent dat – anders dan Elser c.s. aanvoeren – hun uit art. 6:51 lid 1 BW voortvloeiende keuzevrijheid niet zo ver gaat dat Head c.s. waren gehouden om het hiervoor in 2.6 bedoelde aanbod van Elser c.s. tot zekerheidstelling te aanvaarden en dat de weigering van Head c.s. om dit aanbod te aanvaarden ertoe leidt dat hun incidentele vordering wegens gebrek aan belang moet worden afgewezen.
2.8
Head c.s. vorderen voorts aanvullende zekerheid voor het geval dat de hiervoor in 2.5 genoemde zekerheid op enig moment niet langer toereikend is. Head c.s. hebben de noodzaak van een aanvullende zekerheid echter niet toegelicht en ook geen bedrag genoemd. Dit onderdeel van de vordering is dus onvoldoende onderbouwd en zal daarom worden afgewezen.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
in het incident:
- beveelt dat Elser c.s. ten behoeve van Head c.s. zekerheid stellen voor een bedrag van € 11.665,-- ter zake van de proceskosten waartoe Elser c.s. in de procedure in cassatie zouden kunnen worden veroordeeld;
- bepaalt dat de zekerheid moet zijn gesteld uiterlijk op 27 februari 2026, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Elser c.s. in het cassatieberoep;
- veroordeelt Elser c.s. in de kosten van dit incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van Head c.s. begroot op € 800,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Elser c.s. deze niet binnen veertien na heden hebben voldaan;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 februari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑02‑2026
Gerechtshof Amsterdam 25 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:745.
Zie bijvoorbeeld HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1607, rov. 3.3.6.
Vgl. HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1740, rov. 3.2.2.
Conclusie 19‑12‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02288
Zitting 19 december 2025
CONCLUSIE IN HET INCIDENT
B.F. Assink
In de zaak
1. Elser & Company Ltd. (hierna: Elser)
2. Carlisle Investments Inc. (hierna: Carlisle)
(hierna tezamen: Elser c.s., in mannelijk enkelvoud)
tegen
1. [verweerder 1] (hierna: [verweerder 1] )
2. [verweerder 2] (hierna: [verweerder 2])
3. Head Sports Holding N.V. (hierna: Head Sports)
4. Head UK Ltd. (hierna: Head UK)
(hierna tezamen: Head c.s., in mannelijk enkelvoud)
5. KPMG Alpen Treuhand GmbH (hierna: KPMG)
6. Boomdaal B.V. (hierna: HLB; hierna tezamen met KPMG: KPMG c.s., in vrouwelijk enkelvoud)
Inleiding
1. Feiten
1.1
Voor zover hier van belang kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan rov. 2.1-2.12 van het bestreden arrest (hierna: het arrest).1.
(i) ‘Head’ is een wereldwijd bekend sportmerk en concern dat activiteiten verricht op het gebied van productie en verkoop van sportartikelen en sportkleding.
(ii) Nadat Head N.V. van de beurs was gehaald, is Head N.V. in mei 2015 omgezet in Head B.V. (hierna: Head). De aandelen in Head werden gehouden door Head Sports (97,79%), Stichting Head Option Plan (1,9%), Elser (0,28%) en Carlisle (0,03%). Het statutair bestuur van Head werd (laatstelijk) gevormd door de grootaandeelhouder in Head Sports, [verweerder 1] , en door [verweerder 2] (hierna gezamenlijk ook: het bestuur).
(iii) In het najaar van 2016 heeft het bestuur van Head het besluit genomen om Head te splitsen als bedoeld in art. 2:334cc BW.
(iv) Ondanks bezwaren van de zijde van Elser c.s. heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van Head op 21 december 2016 besloten Head conform voorstel te splitsen.
(v) Op 27 december 2016 heeft de splitsing plaatsgevonden, als gevolg waarvan Head is opgehouden te bestaan en Head Sales B.V. en Resle B.V. (hierna: Head Sales en Resle) zijn opgericht. Het gehele aandelenkapitaal van Head Sales is in handen gekomen van Head Sports en het gehele aandelenkapitaal van Resle is in handen gekomen van Elser c.s. De gehele onderneming van Head is ondergebracht in Head Sales en Resle verkreeg een bedrag in contanten groot € 214.517,00 dat werd gestort op een aparte bankrekening.
(vi) Head Sales is op 9 januari 2018 als verdwijnende rechtspersoon gefuseerd met Head UK als verkrijgende rechtspersoon.
2.Procesverloop2.
In eerste aanleg
2.1
Bij dagvaardingen van 16 april 2021 heeft Elser c.s. Head c.s., KPMG en HLB in rechte betrokken bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
Elser c.s. vordert, samengevat, dat de rechtbank: (i) voor recht verklaart dat Head c.s., KPMG en HLB gezamenlijk en ieder voor zich onrechtmatig hebben gehandeld, althans misbruik hebben gemaakt van recht; (ii) voor recht verklaart dat Head c.s. in strijd heeft gehandeld met art. 2:8 BW; (iii) Head c.s., KPMG en HLB hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 2.526.120,92 (inclusief wettelijke rente tot 16 april 2021), althans een nader door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente; en (iv) Head c.s., KPMG en HLB hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.
2.3
Hieraan legt Elser c.s., samengevat, het volgende ten grondslag. Elser c.s. heeft in het kader van de splitsing een onredelijk lage vergoeding ontvangen. Head c.s., KPMG en HLB hebben elk voor zich en gezamenlijk onrechtmatig gehandeld. Het kernverwijt ten aanzien van Head c.s. is (i) dat hij oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van een zuivere splitsing om minderheidsaandeelhouders buiten spel te zetten, waarbij (ii) Head c.s. bewust heeft aangestuurd op een te lage waardering van de onderneming door KPMG om de vergoeding aan Elser c.s. zo laag mogelijk te houden.3.Elser c.s. verwijt KPMG: (i) dat zij heeft meegewerkt aan de totstandkoming van een waarderingsrapport waarvan zij wist dat het was gebaseerd op eenzijdige, onvolledige en subjectieve informatie van het bestuur van Head, zonder toepassing van hoor en wederhoor;4.(ii) dat zij bij haar waardering onvoldoende onafhankelijk is geweest, zodat zij heeft gehandeld in strijd met internationale accountantsnormen en met haar zorgplicht jegens derden;5.en (iii) dat zij een te lage waardering heeft gegeven van Head, al dan niet in de wetenschap dat deze waardering gebruikt zou worden om de minderheidsaandeelhouders een zo laag mogelijke vergoeding toe te kennen.6.Elser c.s. verwijt HLB dat zij als accountant op grond van art. 2:334aa en 2:334cc BW de taak had te controleren of de voorgestelde splitsing (de ruilverhouding en de verdeling van aandeelhouders) naar haar oordeel redelijk was. HLB zou bij de uitoefening van haar taak geen hoor en wederhoor hebben toegepast, de subjectieve prognoses van het bestuur van Head niet hebben getoetst en onvoldoende onafhankelijk zijn geweest.7.
2.4
Head c.s., KPMG en HLB hebben ieder een incidentele conclusie ingediend, met daarin onder meer een exceptie van onbevoegdheid. Elser c.s. heeft in dit incident een conclusie van antwoord ingediend.
2.5
Bij tussenvonnis van 19 januari 20228.heeft de rechtbank alle incidenten afgewezen.
2.6
Head c.s., KPMG en HLB hebben een conclusie van antwoord ingediend.
2.7
Op 4 november 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.
2.8
Bij vonnis van 4 januari 20239.(hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van Elser c.s. afgewezen en hem hoofdelijk veroordeeld in de proces- en nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.
In hoger beroep
2.9
Bij appeldagvaarding met grieven van 31 maart 2023 is Elser c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof).
2.10
Head c.s., KPMG en HLB hebben memories van antwoord ingediend. KPMG heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
2.11
Elser c.s. heeft een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep ingediend.
2.12
Op 12 juni 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het hof.
2.13
Bij het arrest heeft het hof het vonnis bekrachtigd, Elser c.s. veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep verworpen.
In cassatie
2.14
Bij procesinleiding van 24 juni 2025 heeft Elser c.s. (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest.
2.15
Op 26 september 2025 heeft Head c.s. een conclusie houdende incidentele vordering tot zekerheidstelling tevens verweerschrift ingediend (hierna: de conclusie Head c.s. 26 sep). Daarin vordert hij - in het incident, samengevat - dat de Hoge Raad:
- Elser c.s. beveelt tot het stellen van zekerheid in de vorm van storting op de derdengeldenrekening van de advocaat van Elser c.s. (mr. R.R. Verkerk), althans in een vorm die voldoet aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW, tot het beloop van de som van de proceskosten tot betaling waarvan zij in cassatie zou kunnen worden veroordeeld, te begroten op ten minste € 11.665,00;
- met bepaling dat de zekerheid moet zijn gesteld uiterlijk binnen twee weken, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, na het te wijzen arrest in het incident, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Elser c.s. in het cassatieberoep;
- Elser c.s. beveelt om, indien de gestelde zekerheid op enig moment niet langer toereikend is wegens aanvullende proceskosten in deze cassatieprocedure (zoals nader vastgestelde griffierechten), op dezelfde wijze als hiervoor gevorderd aanvullende zekerheid te stellen binnen twee weken, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, nadat is gebleken dat de gestelde zekerheid ontoereikend is geworden, begroot op de hoogte van de aanvullende proceskosten, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Elser c.s. indien hij deze (aanvullende) zekerheid niet binnen voornoemde termijn stelt;
- met veroordeling van Elser c.s. in de kosten van het incident en wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
2.16
Op 26 september 2025 heeft KPMG c.s. een verweerschrift, tevens incidentele vordering tot zekerheidstelling proceskosten, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. Daarin vordert zij - in het incident, samengevat - dat de Hoge Raad, uitvoerbaar bij voorraad:
- Elser c.s. (hoofdelijk) veroordeelt, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Elser c.s. in het cassatieberoep, tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten door storting binnen veertien dagen na de datum van het in deze te wijzen arrest op de derdengeldenrekening van zijn advocaat, althans op een andere door de Hoge Raad te bepalen wijze, van een bedrag van € 14.265,00, althans € 11.665,00, althans een door de Hoge Raad in goede justitie te bepalen bedrag;
- Elser c.s. (hoofdelijk) veroordeelt om, indien de op grond van de hierboven vermelde vordering gestelde zekerheid op enig moment niet langer toereikend is wegens aanvullende proceskosten in deze cassatieprocedure (zoals nader vastgestelde griffierechten), op dezelfde wijze als hiervoor gevorderd aanvullende zekerheid te stellen binnen veertien dagen nadat is gebleken dat de gestelde zekerheid ontoereikend is geworden, begroot op de hoogte van deze aanvullende proceskosten, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Elser c.s. indien hij deze (aanvullende) zekerheid niet binnen voornoemde termijn stelt;
- Elser c.s. (hoofdelijk) veroordeelt in de kosten van het incident en wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van het arrest in dit incident.
2.17
Op 24 oktober 2025 heeft Elser c.s. een verweerschrift in reactie op de incidentele vorderingen tot zekerheidstelling proceskosten van Head c.s. ingediend (hierna: het verweerschrift Elser c.s. 24 okt). Op dezelfde datum heeft Elser c.s. tevens een verweerschrift ingediend in reactie op de incidentele vorderingen tot zekerheidstelling proceskosten en het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van KPMG.
2.18
Bij portaalbericht van 24 oktober 2025 (ingediend op 22 oktober 2025) heeft KPMG c.s. het door haar opgeworpen incident tot zekerheidstelling ingetrokken.
2.19
Op 14 november 2025 heeft Head c.s. een uitlating in het incident tot zekerheidstelling ingediend (hierna: de uitlating Head c.s. 14 nov).
2.20
Op 21 november 2025 heeft Elser c.s. een reactie op de uitlating in het incident tot zekerheidstelling ingediend (hierna: de reactie Elser c.s. 21 nov).
3. Bespreking van de incidentele vordering tot zekerheidstelling
3.1
Allereerst stel ik vast dat KPMG c.s. haar incidentele vordering heeft ingetrokken (zie onder 2.18 hiervoor), en dat Elser c.s. daartegen geen bezwaar heeft.10.Dit betekent dat alleen de incidentele vordering van Head c.s. behandeling behoeft. Daartoe schets ik hierna eerst een juridisch kader, gevolgd door een weergave van de stellingen van partijen en, tot slot, de beoordeling van de incidentele vordering.
Juridisch kader
3.2
Op de voet van art. 414 lid 1 Rv is de regeling van zekerheidstelling voor proceskosten (ook wel: cautio judicatum solvi),11.zoals neergelegd in art. 224 Rv, van toepassing in cassatie. Art. 414 lid 2 Rv bepaalt evenwel dat de oorspronkelijke verweerder (dus: gedaagde in eerste aanleg) die eiser tot cassatie is, geen zekerheid hoeft te stellen voor proceskosten. Een verweerder in cassatie hoeft ook geen zekerheid te stellen, ook niet indien hij incidenteel cassatieberoep instelt (art. 414 lid 3 Rv). Kort gezegd betekent dit dat in cassatie alleen zekerheid kan worden verlangd van een partij die in eerste aanleg eiser of verzoeker (of daarmee gelijk te stellen partij) was én principaal cassatieberoep heeft ingesteld.12.De in vroegere instanties gestelde zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van cassatie (art. 414 lid 4 Rv). Het incident moet gevoerd worden vóór alle weren van rechten (art. 414 lid 5 Rv). De Hoge Raad treedt in de beoordeling van incidentele verzoeken in cassatie op als feitenrechter.13.
3.3
Art. 224 lid 1 Rv bepaalt op zijn beurt dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding alhier, verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. De strekking van art. 224 Rv is te voorkomen dat een in het gelijk gestelde gedaagde wordt geconfronteerd met oninbaarheid van een proceskostenveroordeling als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in een land waar de eiser zijn woonplaats heeft.14.
3.4
Art. 224 lid 2 Rv bepaalt dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat, indien:
a. dit voortvloeit uit een verdrag of een “EG-verordening”;
b. een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding op grond van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, een verdrag, een “EG-verordening” of een wet ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter plaatse waar degene van wie zekerheid gevorderd wordt, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft;
c. redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding in Nederland mogelijk zal zijn;
d. daardoor voor degene van wie zekerheid wordt gevorderd de effectieve toegang tot de rechter zou worden belemmerd.
3.5
Op de voet van art. 224 lid 5 Rv wordt bij toewijzing van de incidentele vordering het bedrag bepaald tot beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt. Uit art. 224 lid 1 Rv volgt dat dit ziet op de proceskosten tot betaling waarvan de partij die zekerheid dient te stellen, veroordeeld zou kunnen worden (ook wel: de te liquideren proceskosten). Daartoe behoren ook de kosten van het incident tot zekerheidstelling, en in cassatie de kosten van een eventueel in te stellen incidenteel cassatieberoep.15.
3.6
Degene die zekerheidstelling vordert, zal moeten motiveren waarom de verplichting tot zekerheidstelling bestaat en tot welk bedrag zekerheid gesteld zou moeten worden.16.De uitspraak dient de som uit te drukken tot beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt (art. 224 lid 5 Rv). Onduidelijk is overigens wat art. 224 lid 1 Rv bedoelt met “de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.”17.In navolging van Cleveringa meent Snijders dat het noemen van schadevergoeding hier “zonder zin is”.18.
3.7
Art. 6:51 BW is van toepassing op de vorm van zekerheid. De vorm van zekerheid staat in beginsel ter vrije keuze van degene die de zekerheid moet stellen, zo volgt uit art. 6:51 lid 1 BW.19.Art. 6:51 lid 2 BW bepaalt dan dat de aangeboden zekerheid zodanig moet zijn dat de vordering en, zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen.20.Indien hieraan wordt voldaan, voldoet de zekerheid aan de daaraan te stellen eisen.21.Dit betekent dat de eiser in het incident in beginsel niet kan vorderen dat een bepaalde vorm van zekerheid, zoals een bankgarantie, gesteld moet worden.22.Gelet op de genoemde vrijheid voor degene die de zekerheid moet stellen, wordt in beginsel bepaald dat die zekerheid dient te voldoen aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW.23.Indien sprake is van een aanbod tot zekerheid dat zonder opgave van reden wordt afgewezen, kan een incidentele vordering tot zekerheidstelling afgewezen worden bij gebrek aan belang.24.
3.8
Het bepaalde in art. 6:51 lid 2 BW brengt evenwel ook met zich dat de rechter in de uitspraak waarbij hij zekerheidstelling beveelt, kan bepalen welke vorm van zekerheidstelling in elk geval voldoet aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW en dat, indien de desbetreffende partij een andere vorm van zekerheid stelt of aanbiedt, de rechter moet onderzoeken of die vorm in overeenstemming is met het bepaalde in art. 6:51 lid 2 BW.25.Storting op de derdengeldenrekening van de eigen (cassatie)advocaat26.of de (cassatie)advocaat van de wederpartij is, zo wordt aangenomen, in beginsel voldoende.27.Voldoende is zelfs een betalingstoezegging van die advocaat, inhoudende dat de proceskosten (in cassatie) door het kantoor worden betaald indien het cassatieberoep wordt verworpen.28.Daarnaast kan gedacht worden aan een storting op de kwaliteitsrekening van een notaris29.of een bankgarantie. Deze opsomming is niet-limitatief. Voor de advocatuur wijs ik nog wel op art. 6.19 lid 3 Verordening op de advocatuur (hierna: de Voda).30.
3.9
Het gevolg van het niet (tijdig) stellen van zekerheid, ondanks daartoe veroordeeld te zijn, wordt beheerst door art. 616 lid 3, aanhef en onder a Rv: dit komt neer op niet-ontvankelijkheid van de eiser in diens vordering.31.
3.10
Een executiegeschil dat voortvloeit uit een veroordeling tot het stellen van zekerheid wordt beslist door de voorzieningenrechter in de rechtbank die de zaak in eerste aanleg behandelde (art. 616 lid 1 Rv), behalve als het een uitspraak van de kantonrechter betreft, dan is hij bevoegd (art. 616 lid 2 Rv).
Stellingen van partijen
3.11
Aan zijn incidentele vordering tot zekerheidstelling legt Head c.s. - onbetwist - ten grondslag dat Elser c.s. is gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft.32.Daarnaast stelt hij dat zekerheid gesteld moet worden voor een bedrag van € 11.665,00. Dit bestaat uit griffierecht (€ 8.508,00), salaris advocaat in het incident (€ 800,00), salaris advocaat in het cassatieberoep (€ 2.200,00) en de nakosten (€ 157,00). Dit bedrag betwist Elser c.s. niet.33.
3.12
Elser c.s. heeft op zijn beurt gesteld dat hij zekerheid heeft aangeboden voor het bedrag van € 11.665,00 door storting hiervan op de derdengeldenrekening van (i) de cassatieadvocaat van Head c.s., (ii) de advocaat in feitelijke instanties van Head c.s., dan wel (iii) de cassatieadvocaat van KPMG c.s.34.Hieraan was de voorwaarde verbonden dat indien het cassatieberoep in het voordeel van Head c.s. zou uitvallen, uitkering zou plaatsvinden conform dat arrest. Zo niet, dan zou het bedrag na genoemde termijn worden teruggestort aan Elser c.s.35.Head c.s. zou dit aanbod evenwel niet hebben aanvaard, onder redengeving dat overmaken van een bedrag tot zekerheidstelling in strijd is met de interne richtlijnen van de kantoren van (i) en (ii). Ten aanzien van storting op de derdengeldenrekening van (iii) zou niets zijn gesteld.36.Omdat Head c.s. de aangeboden zekerheid die voldeed aan de eisen van de wet zonder voldoende goede gronden, althans zonder afdoende motivering, weigerde, dient, aldus Elser c.s., de incidentele vordering te worden verworpen wegens gebrek aan belang.37.
3.13
Daarnaast stelt Elser c.s. “[g]eheel ten overvloede” dat een bevel tot zekerheidstelling onverenigbaar is met art. 1 Eerste protocol EVRM en/of art. 6 EVRM.38.Elser c.s. verwijst naar het arrest EHRM 16 november 2010 (Perdigão/Portugal) waarin sprake was van een proceskostenveroordeling die net hoger was dan de toegekende onteigeningsvergoeding, hetgeen volgens de Grote Kamer zou leiden tot een excessieve last voor de partij die wordt onteigend, waardoor sprake zou zijn van een schending van art. 1 Eerste protocol EVRM. Dit zou van toepassing zijn op Elser c.s., omdat hij voor de onteigende aandelen € 214.517,00 heeft ontvangen terwijl Elser c.s. tot op heden al is veroordeeld tot proceskosten ter hoogte van € 208.842,00, waarin het eigen griffierecht en de kosten voor de partijdeskundige en advocaat nog niet verdisconteerd zijn.39.
3.14
Head c.s. heeft op zijn beurt ter reactie gesteld dat door de weigering van zekerheidstelling door storting op de derdengeldenrekening van (i) en (ii) thans geen sprake is van een aangeboden zekerheid die voldoet aan de eisen van art. 6:51 BW. Een advocaat is niet verplicht zijn derdengeldenrekening daarvoor ter beschikking te stellen. Daaruit volgt dat de cliënt van die advocaat niet verplicht kan worden genoegen te nemen met een dergelijk aanbod.40.De advocaten (i) en (ii) hadden bovendien een goede reden te weigeren: de eigen compliance-regels staan het niet toe, zij zouden Elser c.s. (en zijn bestuurders en aandeelhouders) moeten identificeren op grond van KYC-verplichtingen en mogelijk zou aan vereisten op grond van de Wwft moeten worden voldaan.41.Tot slot meent Head c.s. dat het EHRM-arrest Perdigão/Portugal in dit geval niet van toepassing is.42.
3.15
Elser c.s. stelt daarop dat Head c.s. de interne compliance-regels niet in het geding brengt, niet uitlegt waarom zekerheidstelling daadwerkelijk onmogelijk of buitensporig bezwaarlijk zou zijn, en niet toelicht waarom de plicht tot identificatie van Elser c.s. een probleem is en waarom die informatie niet is opgevraagd.43.Elser c.s. heeft daarentegen op drie manieren zekerheid aangeboden die voldoen aan art. 6:51 BW.44.Er bestaat een verplichting zekerheid aan te bieden, geen verplichting eindeloos door te onderhandelen. Elser c.s. heeft zekerheid aangeboden die voldoet aan de eisen van de wet, aldus nog steeds Elser c.s.45.
Beoordeling
3.16
3.17
De aanbiedingen van Elser c.s. om zekerheid te stellen door storting op de derdengeldenrekening van de (cassatie)advocaat van Head c.s. zijn afgeketst op de interne regelingen van de betrokken kantoren. Mij dunkt dat het al dan niet aanvaarden van derdengelden bij wijze van zekerheid ter discretie staat van die kantoren. In dit verband wijs ik ook op de hierboven genoemde regeling in de Voda. Aan de weigering van deze kantoren kan Elser c.s. m.i. geen rechten ontlenen. Zo bezien is dan ook geen sprake van een (onvoorwaardelijk) aanbod tot zekerheid dat voldoet aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW. Het aanbod gaat immers uit van de medewerking van een van de betrokken kantoren. Het betreft dan ook veeleer een voorwaardelijk aanbod, namelijk onder de voorwaarde dat het desbetreffende kantoor meewerkt. Daarmee is nog geen sprake van een aangeboden zekerheid die zodanig is “dat de vordering en, zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen.” Dit laat onverlet dat een storting op de derdengeldenrekening als zodanig in beginsel wel als voldoende zekerheid heeft te gelden. Zie onder 3.8 hiervoor.
3.18
Wat betreft het aanbod van Elser c.s. om zekerheid te verstrekken door middel van storting op de derdengeldenrekening van de cassatieadvocaat van KPMG c.s. geldt dat het dossier geen aanknopingspunten bevat te veronderstellen dat dit met dat kantoor is besproken, laat staan dat daarover overeenstemming is bereikt met dat kantoor. Dit lijkt mij toch wel een minimale voorwaarde om van een toereikend aanbod te kunnen spreken.
3.19
Head c.s., daarentegen, heeft bij e-mail van diens advocaat van 14 oktober 202547.gesuggereerd dat Elser c.s. zekerheid kan stellen door storting op de derdengeldenrekening van Elser c.s.’ eigen cassatieadvocaat. Na daartoe op 22 oktober 2025 gerappelleerd te zijn, heeft een advocaat van Elser c.s. (van hetzelfde kantoor als voornoemde cassatieavocaat) bij e-mail van 23 oktober 2025 laten weten nog geen reactie van Elser c.s. te hebben gehad op dit aanbod. Uit het feit dat dit aanbod is doorgeleid naar Elser c.s. leid ik af dat er geen interne richtlijnen zijn binnen dat kantoor die zich verzetten tegen het houden van derdengelden ter zekerheid voor proceskosten. Het enige wat Elser c.s. hierover meldt, is dat “[i]n geval van zekerheid op de rekening van de eigen advocaat discussie [kan] ontstaan over de voorwaarden. Alleen daarom al is daar niet voor gekozen.”48.Deze afwijzing van de suggestie van Head c.s. is m.i. weinig bevredigend. Niet valt in te zien waarom de “voorwaarden” voor storting op de derdengeldenrekening van de eigen advocaat (wezenlijk) anders zouden zijn dan bij storting op de derdengeldenrekening van de advocaat van de wederpartij.49.
3.20
Bij deze stand van zaken dient Elser c.s. (alsnog) veroordeeld te worden tot het stellen van zekerheid voor proceskosten die voldoet aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW. Gelet op de vrijheid die de steller van de zekerheid in beginsel toekomt, zou ik hieraan geen nadere voorwaarden willen stellen. Ook is m.i. onwenselijk Elser c.s. al te veel in te snoeren door middel van, bijvoorbeeld, een bevel tot het stellen van een bankgarantie van een Nederlandse bank onder bepaalde voorwaarden (mogelijk is Elser c.s. daartoe niet in staat, om wat voor reden dan ook). Head c.s. vordert primair, kort gezegd, storting op de derdengeldenrekening van Elser c.s.’ eigen cassatieadvocaat. Ten aanzien daarvan koester ik enige schroom, gelet op de hiervoor besproken discretie die de advocaat toekomt in de inzet van diens derdengeldenrekening. Toewijzing van die vordering zou immers niet alleen een verplichting voor Elser c.s. in het leven roepen, maar ook voor diens cassatieadvocaat. Wel geef ik partijen - vrijblijvend - mee dat het storten van de zekerheid op de derdengeldenrekening van Elser c.s.’ eigen cassatieadvocaat, en wel van het onbetwiste bedrag van € 11.665,00, een nader onderzoek waard lijkt.
3.21
Head c.s. heeft daarnaast aanvullende zekerheid gevorderd voor het geval de gestelde zekerheid op enig moment niet langer toereikend is wegens aanvullende proceskosten in deze cassatieprocedure. Head c.s. heeft de noodzaak van een aanvullende zekerheid echter niet (noemenswaardig) toegelicht50.en ook geen concreet bedrag genoemd. Dit onderdeel van de vordering is dus onvoldoende onderbouwd en dient daarom te worden afgewezen.51.
3.22
Ter afronding wijd ik nog enkele opmerkingen aan het beroep van Elser c.s. op het EHRM-arrest Perdigão/Portugal,52.waaruit zou moeten volgen dat een bevel tot zekerheidstelling onverenigbaar is met art. 1 Eerste protocol EVRM en/of art. 6 EVRM. Los van de vraag of op dit argument gerespondeerd hoeft te worden, nu dit “[g]eheel ten overvloede” wordt aangevoerd, meen ik dat het (ook) op inhoudelijke gronden heeft te falen.
3.23
Ten eerste faalt het beroep op het EHRM-arrest Perdigão/Portugal in verbinding met art. 6 EVRM om de eenvoudige reden dat dit arrest geen inbreuk op dit artikel vaststelt.53.
3.24
Ook het beroep op dit arrest in verbinding met art. 1 Eerste protocol EVRM faalt. Dit arrest zag op het specifieke geval dat een perceel grond in eigendom toebehorend aan Perdigão c.s.54.was onteigend door de Portugese overheid. Na diverse procedures hierover werd een vergoeding van € 197.236,25 vastgesteld. Echter, na vaststelling van de proceskosten (althans: ‘court fees’) bleek dat Perdigão c.s. de Staat netto € 15.000,00 moest betalen,55.terwijl diezelfde Staat de eigendom van het betrokken perceel had verkregen door middel van de onteigening. Over dit specifieke geval overweegt het EHRM in dit arrest:56.
Clearly the intended outcome of Article 1 of Protocol No. 1 was not achieved here: not only were the applicants deprived of their land, but in addition they had to pay the State EUR 15,000.
3.25
Het gaat aldus om het specifieke geval waarin proceskosten betaald moesten worden aan de Staat in het kader van een procedure naar aanleiding van een onteigening. Het ligt anders in een civielrechtelijk geschil. Dit volgt uit de volgende overweging verderop in dit arrest:57.
[The Court] notes, however, that in the present case the applicants were parties to legal proceedings against the State concerning the fixing of compensation for an expropriation carried out by the State in the exercise of its public-authority functions. The Court considers that this case is to be distinguished, when examining the question of proportionality, from those where court fees are charged in private-law disputes. In the particular circumstances of the case it might appear paradoxical that the State should take away with one hand - in court fees - more than it has awarded with the other. In such a situation, the difference in legal nature between the obligation for the State to pay compensation for expropriation and the obligation of litigants to pay court fees does not constitute an obstacle to the overall examination of the proportionality of the impugned interference.
3.26
Tot slot heeft te gelden dat dit arrest niet zag op een incident tot zekerheidstelling voor proceskosten, maar op een geschil dat geheel uitgeprocedeerd was.58.Elser c.s. heeft in cassatie (en eventueel na vernietiging en verwijzing) nog een kans het tij te keren. Dat station was Perdigão c.s. al lang en breed gepasseerd.
4. Conclusie
De conclusie strekt:
- tot het bevelen van het stellen van zekerheid door Elser c.s., ten behoeve van Head c.s., die voldoet aan de vereisten van art. 6:51 lid 2 BW voor de proceskosten van deze cassatieprocedure, voor een bedrag van € 11.665,00 binnen twee weken na de datum van het arrest in het incident;
- tot veroordeling van Elser c.s. in de kosten van het incident zijdens Head c.s., te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten indien Elser c.s. deze niet voldoet binnen veertien dagen na de datum waarop het arrest in het incident is gewezen;
- tot afwijzing van de incidentele vordering tot zekerheidstelling van Head c.s. voor het overige.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑12‑2025
Zie Hof Amsterdam 25 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:745.
Partijen hebben in dit stadium van de procedure nog geen procesdossier gefourneerd. Het procesverloop is een weergave van hetgeen ik heb kunnen afleiden uit de uitspraken in feitelijke instanties en de overige beschikbare stukken in cassatie.
Ontleend aan Rb. Amsterdam 4 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:9, rov. 5.12.
Ontleend aan Rb. Amsterdam 4 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:9, rov. 5.24.
Ontleend aan Rb. Amsterdam 4 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:9, rov. 5.25.
Ontleend aan Rb. Amsterdam 4 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:9, rov. 5.27.
Ontleend aan Rb. Amsterdam 4 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:9, rov. 5.30.
Zie Rb. Amsterdam 19 januari 2022, zaak-/rolnummer: C/13/702237 / HA ZA 21-48 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Zie Rb. Amsterdam 4 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:9.
Zie het verweerschrift in reactie op de incidentele vorderingen tot zekerheidstelling proceskosten ex art. 414 Rv jo. art. 224 Rv en het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep d.d. 24 oktober 2025 zijdens Elser c.s., nr. 1. Elser c.s. heeft, naar ik begrijp, zekerheid gesteld door storting op de derdengeldenrekening van de cassatieadvocaat van KPMG c.s.
Zie uitgebreid over de achtergrond en ratio van de zekerheidstelling voor proceskosten bijv. A-G Snijders (ECLI:NL:PHR:2022:530) voor HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1740, NJ 2022/380, onder 4.2-4.7.
Zie bijv. A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2021:55) voor HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, NJ 2021/166, onder 2.8, met verdere verwijzingen in noot 18 aldaar.
Zie bijv. B.T.M. van der Wiel, ‘De cassatieprocedure’, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 237, met verdere verwijzingen in noot 159 aldaar.
Zie bijv. HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, NJ 2021/166, rov. 3.2.1; HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580, NJ 2019/426, rov. 3.2.1; HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:36, NJ 2019/51, rov. 3.3.2, steeds onder verwijzing naar Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 392.
Zie bijv. HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, NJ 2021/166, rov. 3.2.2. Zie ook G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2024 (bijgewerkt t/m 29 januari 2024), art. 224 Rv, aant. 5.
De onderstreping voeg ik toe.
Zie bijv. HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1607, NJ 2019/411, rov. 3.3.6. Zie ook Snijders 2024, art. 224 Rv, aant. 11; A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2021:55) voor HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, NJ 2021/166, onder 2.7, 2.24.
Zie bijv. HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1740, NJ 2022/380, rov. 3.2.2. Zie ook Snijders 2024, art. 224 Rv, aant. 11.
Zie bijv. Snijders 2024, art. 224 Rv, aant. 11; A-G Snijders (ECLI:NL:PHR:2022:530) voor HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1740, NJ 2022/380, onder 4.31.
Zie bijv. HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1607, NJ 2019/411, rov. 3.3.6.
Zie bijv. HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1607, NJ 2019/411, rov. 3.3.6 en het dictum onder 4, eerste gedachtestreepje.
Zie bijv. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:408, RvdW 2017/344, rov. 4.4, tweede alinea.
Zie bijv. HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1740, NJ 2022/380, rov. 3.2.2.
Zie bijv. A-G Snijders (ECLI:NL:PHR:2023:22) voor HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:314, RvdW 2023/288, onder 3.8.
Zie bijv. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:408, RvdW 2017/344, rov. 4.4, tweede alinea i.c.m. rov. 4.2.
Hiervoor heeft de Hoge Raad bijzondere regels gegeven, zie HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1181, NJ 2023/352, rov. 3.4-3.5.
Dit lid luidt: “Een advocaat doet derdengelden niet tot zekerheid strekken van hemzelf, zijn praktijk of enige derde.” De toelichting daarbij bepaalt: “Het derde lid bepaalt dat de derdengelden niet tot zekerheid kunnen dienen. Dat is logisch omdat de stichting derdengelden of de advocaat niet de rechthebbende is van de gelden. Als de derdengelden wel tot zekerheid zouden kunnen worden gesteld, worden deze daardoor wel betrokken bij een eventueel faillissement. De regelgeving is juist bedoeld om dat te voorkomen.”
Zie bijv. Snijders 2024, art. 224 Rv, aant. 12; A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2021:55) voor HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, NJ 2021/166, onder 2.9.
Zie conclusie Head c.s. 26 sep, p. 3.
Zie bijv. verweerschrift Elser c.s. 24 okt, nr. 3.
Zie verweerschrift Elser c.s. 24 okt, nr. 4.
Zie verweerschrift Elser c.s. 24 okt, nr. 3.
Zie verweerschrift Elser c.s. 24 okt, nr. 5.
Noot 6 van het verweerschrift Elser c.s. 24 okt verwijst in dit verband naar: “Zie o.a. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:408, rov. 4.4: “Ook overigens zou de vordering bij gebrek aan belang niet toewijsbaar zijn, nu [verweerster] c.s. zonder opgave van reden het hiervoor in 4.2 vermelde aanbod van Objective Finance c.s. hebben afgewezen.””
Zie verweerschrift Elser c.s. 24 okt, nr. 6.
Zie verweerschrift Elser c.s. 24 okt, nr. 6.
Zie uitlating Head c.s. 14 nov, nr. 8.
Zie uitlating Head c.s. 14 nov, nr. 9.
Zie uitlating Head c.s. 14 nov, nrs. 12-17.
Zie reactie Elser c.s. 21 nov, nrs. 5-6.
Zie reactie Elser c.s. 21 nov, nrs. 3-4.
Zie reactie Elser c.s. 21 nov, nr. 8.
Hieraan voeg ik toe dat de werking van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de wederkerige erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken uit 1967 (Trb. 1967, 197) op grond van art. X kan worden uitgebreid tot elk gebied voor welks internationale betrekkingen de regering van het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk is, maar dat is ten aanzien van de Britse Maagdeneilanden niet gebeurd (ontleend aan A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2019:637) voor HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1607, NJ 2019/411, noot 16 aldaar). Voor zover ik heb kunnen nagaan is het Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken (Trb. 2024, 42), waarbij het Verenigd Koninkrijk sinds 1 juli 2025 partij is, evenmin uitgebreid tot de Britse Maagdeneilanden.
Overgelegd bij uitlating Head c.s. 14 nov.
Zie verweerschrift Elser c.s. 24 okt, noot 3 aldaar.
In de e-mail van 6 oktober 2025 van, kort gezegd, de advocaat van Elser c.s. aan de advocaat van Head c.s. worden al voorwaarden gesteld die mutatis mutandis ingezet kunnen worden bij storting op de derdengeldenrekening van de eigen advocaat.
Ik lees dat ook niet in uitlating Head c.s. 14 nov, nrs. 17-18.
Zie bijv. HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:314, RvdW 2023/288, rov. 2.2.2.
Elser c.s. vermeldt geen zaaknummer of ECLI, maar hoogstwaarschijnlijk doelt hij op EHRM 16 november 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:1116JUD002476806, NJ 2011/589 (Perdigão/Portugal).
De zaak betrof twee klagers.
Zie punt 69. Dit betrof overigens een reeds door de Portugese rechter naar beneden bijgesteld bedrag. Eerder was vastgesteld dat € 309.052,71 aan court fees verschuldigd was, inhoudende dat Perdigão c.s. de Staat na aftrek van de onteigeningsvergoeding € 111.816,46 verschuldigd was; zie punt 26.
Zie punt 71.
Zie punt 72. Zie hierover ook annotator P.C.E. van Wijmen onder NJ 2011/589, in nr. 10. De onderstreping voeg ik toe.
Zie punt 10-35.
Beroepschrift 24‑06‑2025
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE IN CASSATIE
24 juni 2025
Eiseressen tot cassatie zijn Elser & Company Ltd en Carlisle Investments Inc., vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid gevestigd op de Britse Maagdeneilanden (‘Elser c.s ’). In deze zaak worden zij vertegenwoordigd door advocaat bij de Hoge Raad mr. R.R. Verkerk (Houthoff, Weena 355, 3013 AL Rotterdam).
Verweerders zijn
- 1.
Dhr. [verweerder 1], wonende aan de [adres], [postcode] Monaco (‘[verweerder 1]’) en
- 2.
Dhr. [verweerder 2], wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats], Oostenrijk (‘[verweerder 2]’) en
- 3.
Head Sports Holding N.V., een naamloze vennootschap naar het recht van Curaçao, gevestigd te Willemstad en kantoorhoudende aan de Santa Rosaweg K 20, Vinik Plaza, Willemstad, Curaçao (‘Head Sports’) en
- 4.
Head UK Ltd, een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar het recht van Engeland en Wales, gevestigd te Kendal en kantoorhoudende aan de Beezon Road 2, LA9 6BW Kendal, Verenigd Koninkrijk (‘Head UK’)
Verweerders 1–4 (‘Head c.s.’) zijn in hoger beroep bijgestaan door mrs. R.G.J. de Haan, F.C. Perrick en L.M. Leek, A&O Shearman, Apollolaan 15 (1077 AG) Amsterdam
- 5.
KPMG Alpen Treuhand GmbH, een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar het recht van Oostenrijk, gevestigd te Wenen (‘KPMG’), in hoger beroep bijgestaan door haar advocaten: mr. C. Jeloschek en mr. S.P.S. Hartogh, Kennedy Van der Laan, Postbus 58188 (1040 HD) Amsterdam en
- 6.
HLB van Daal Audit B.V. een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid statutair gevestigd te Waalwijk (‘HLB van Daal’ of ‘HLB’), in hoger beroep bijgestaan door haar advocaat mr. E.M. van Orsouw, Kennedy Van der Laan, Postbus 58188 (1040 HD) Amsterdam
hierna gezamenlijk: ‘Verweerders’.
Bestreden uitspraak
Elser c.s. stellen cassatieberoep in tegen het arrest, uitgesproken op 25 maart 2025, van Gerechtshof te Amsterdam (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummer 200.325.220/01 tussen Elser c.s. als appellanten en Verweerders als geïntimeerden (het ‘arrest’).
Verschijningsdatum verweerders
Verweerders worden opgeroepen om ten laatste op woensdag 27 augustus 2025 bij de Hoge Raad te verschijnen, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur 's ochtends schriftelijk of digitaal. De Hoge Raad is gevestigd aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
Middel van cassatie
Elser c.s. voeren tegen het arrest het volgende middel van cassatie aan:
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
Inhoudsopgave van deze procesinleiding
A. | Inleiding | 4 | |
|---|---|---|---|
B. | Feitelijke achtergronden | 5 | |
C. | Klachten | 9 | |
1. | Het hof miskent dat een eerlijke procedure waarin van de hoogte van de vergoeding ten volle aan de orde kan komen onontbeerlijk is | 9 | |
1.1. | Inleiding op de klachten over o.m. rov. 3.10—3.32, 3.34, 3.40 en 3.76 | 9 | |
1.2. | Hof miskent belang van een procedure met voldoende waarborgen. | 10 | |
1.3. | Aanvaardbaarheid van de ruziesplitsing als uitstotingsmechanisme | 19 | |
1.4. | Veegklacht | 23 | |
2. | Hof miskent belang van transparantie en hoor en wederhoor bij waardering als waarborgen ter bescherming van minderheidsaandeelhouders | 24 | |
2.1. | Inleiding op klachten over rov. 2, 3.33—3.41 | 24 | |
2.2. | Hof miskent dat splitsingsregels niet uitputtend zijn (rov. 3.39) | 25 | |
2.3. | Klachten over termijn en transparantie (rov. 3.33—3.40) | 28 | |
2.4. | Klachten over de voorgeschiedenis (rov. 2, 3.41) | 31 | |
2.5. | Hof gaat voorbij aan de kern van de argumenten | 33 | |
3. | Hof miskent het belang van een eerlijke en redelijke vergoeding bij gedwongen uitstoting van minderheidsaandeelhouders | 34 | |
3.1. | Inleiding op klachten over rov. 3.42—3.75 | 34 | |
3.2. | Hof miskent dat de aanzienlijk lagere vergoeding onevenredig is | 35 | |
3.3. | Hof gaat niet afdoende in op gebreken rapport KPMG | 37 | |
4. | Hof miskent het gebrek aan onafhankelijkheid van de zijde van de betrokken accountant HLB | 46 | |
4.1. | Inleiding op klachten over rov. 3.69—3.73 | 46 | |
4.2. | HLB heeft naar eigen zeggen slechts marginaal getoetst. | 47 | |
4.3. | HLB was niet voldoende onafhankelijk | 47 | |
4.4. | Oordeel over wet- en regelgeving accountants | 49 | |
5. | Voortbouwklacht en proceskosten | 50 |
A. Inleiding
1.
Head is een groot wereldwijd sportconglomeraat. Head is een marktleider in onder de meer de ski-, racket- en duiksport. De vennootschap is rechthebbende van verschillende wereldwijd bekende sportmerken en heeft sponsorcontracten met topatleten als Novak Djokovic en Lindsey Vonn.1. Haar jaaromzet bedraagt loopt in de honderden miljoenen en zij realiseert al jaren miljoenen winst. In 2023 werd bijvoorbeeld een hoge winst gerealiseerd van EUR 55 miljoen.
2.
Head was ooit beursgenoteerd aan de New York Stock Exchange. Elser c.s. hebben kort na de beursgang aandelen gekocht. In 2016 hebben zij gedwongen afstand moeten doen van hun aandelenbelang. Dit gebeurde middels een juridische splitsing ex artikel 2:334cc BW. Het voorstel daartoe was gedaan door het bestuur. De voorzitter van het bestuur was tevens de (indirecte) grootaandeelhouder. De waarde van de onderneming is vastgesteld op basis van inschattingen van het bestuur en bepaald met behulp van een rapport van KPMG. HLB was als accountant betrokken en heeft verklaard dat de ruilverhouding van de aandelen redelijk was op de voet van artikel 2:334aa jo. 2:334cc BW.
3.
Elser c.s. hadden er begrip voor dat de meerderheidsaandeelhouder enig aandelen wilde worden. Zij meenden echter dat de hen toegekende vergoeding te laag was. Zij verzochten een voorlopig deskundigenbericht. De aldus benoemde onafhankelijke deskundige kwam tot een waardering die meer dan vijftig procent hoger lag dan die van KPMG. Elser c.s. begonnen vervolgens deze bodemprocedure om alsnog een reële en redelijke vergoeding te krijgen. Het hof wees de vordering af.
4.
Onderdeel 0 klaagt over het oordeel van het hof dat geen aanspraak bestaat op een waardebepaling door de rechter. Artikel 1 EP en artikel 6 EVRM brengen mee dat een aandeelhouder niet mag worden onteigend dan na een met waarborgen omkleed proces dat voorziet in een eerlijke procedure en een overall assessment. Het onderdeel maakt duidelijk dat de splitsing — die enkel en alleen voorziet in een redelijkheidstoets van de accountant — daartoe niet voldoet.
5.
Onderdelen 2 en 4 klagen over de waardering en de redelijkheidstoets op basis waarvan de vergoeding voor hun aandelen is vastgesteld. Elser c.s. hebben toegelicht dat geen transparantie is betracht, geen hoor en wederhoor is toegepast en de betrokken waarderingsdeskundige en accountant niet werkelijk onafhankelijk waren. Elser c.s. werden pas twaalf dagen voor de algemene vergadering
van aandeelhouders van de splitsende vennootschap geïnformeerd. De rapporten waren toen reeds afgerond. Elser c.s. hebben mede op basis van het ontbreken van deze waarborgen geklaagd dat het effectueren van de splitsing strijdig is met artikel 2:8 BW, artikel 3:13 BW en artikel 6:162 BW.
6.
Onderdeel 3 klaagt dat het hof heeft miskend dat bij de splitsing geen reële en redelijke vergoeding is toegekend. Zoals de onafhankelijke deskundige bevestigt en het hof ook onderschrijft is het immers aannemelijk dat de waarde van de onderneming van de splitsende vennootschap in werkelijkheid aanmerkelijk hoger is dan vastgesteld door KPMG. De onafhankelijke deskundige kwam tot een waardering die ruim vijftig procent hoger lag.
B. Feitelijke achtergronden
Inleiding
7.
Het hof is in deze zaak slechts heel kort op de feitelijke gang van zaken ingegaan. Elser c.s. hechten eraan de niet betwiste feiten hier iets uitgebreider uiteen te zetten. Daarbij speelt dat in de latere klachten op onderdelen wordt geklaagd dat het hof relevante feiten niet afdoende in de beoordeling heeft betrokken.
Oprichting HEAD en beursgang
8.
Head werd opgericht op 24 augustus 1998.2. [verweerder 1] was bestuurder en was aanvankelijk de enige (indirecte) aandeelhouder.3. In 2000 werd Head een beursgenoteerde vennootschap met aandelen die verhandeld werden aan de beurzen van Wenen en New York (NYSE).4. Elser c.s. hebben hun aandelen via de beurs verworven.5. [verweerder 1] bleef als grootaandeelhouder en bestuurder de feitelijke controle over Head uitoefenen.6. Dit volgt ook uit de prospectussen.7.
Grootaandeelhouder [verweerder 1] probeert vergeefs alle aandelen te verkrijgen
9.
Grootaandeelhouder [verweerder 1] heeft verschillende pogingen gedaan om alle aandelen te verkrijgen.8. In 2011 is een besluit genomen tot een aandelenemissie die zou leiden tot aanzienlijke verwatering van de bestaande aandeelhouders.9. Dit leidde tot meldingen bij de effectenbeurzen, onderzoek van toezichthouders en kritiek van onder meer de beleggersvereniging in Oostenrijk.10. De plannen voor de emissie werden omschreven als een ‘appaling legalized raid’.11. Het besluit is, nadat een onderzoek voor marktmanipulatie werd aangekondigd, uiteindelijk teruggedraaid.12. De aandelenkoersen waren toen reeds aanzienlijk gedaald.13.
10.
[verweerder 1] heeft enige tijd later via Head Sports een openbaar bod gedaan op de aandelen van de minderheidsaandeelhouders.14. Het initiële bod per aandeel bedroeg EUR 1. Het bod werd vervolgens verhoogd tot EUR 1,80. Dat laatste bod geschiedde onder de voorwaarde dat een belang zou worden verkregen van ten minste 99,5% van het uitstaande kapitaal. Dit aanbod werd niet door (voldoende) aandeelhouders aanvaard, waarna het bod kwam te vervallen.
11.
Vervolgens bracht [verweerder 1] op 28 maart 2014 een onvoorwaardelijk bod uit van EUR 1,60.15. Dat aanbod werd maar door een deel van de minderheidsaandeelhouders geaccepteerd. Ondertussen nam het handelsvolume op de beurs steeds verder af.16. In 2008 verloor Head haar notering aan de NYSE.17. Zij viel daardoor niet langer onder toezicht van de SEC. In 2015 eindigde ook de notering aan de beurs van Wenen.18. Op dat moment had [verweerder 1] een (in)direct belang van 66,28% in Head. 19.
12.
Uiteindelijk werd Head in 2015 omgezet in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.20. De resterende minderheidsaandeelhouders werden daarbij verplicht om binnen twintig dagen volmachten te verstrekken.21. Daartoe werd een door een notaris gelegaliseerde handtekening vereist.22. Bij het uitblijven daarvan zouden hun aandelen vervallen. Deze aandeelhouders raakten hun aandelen kwijt tegen een vergoeding van EUR 0,70 per aandeel.23. Dit bedrag was aanzienlijk lager dan eerdere biedingen en werd niet verder toegelicht, behalve dat de vergoeding was vastgesteld op verzoek van de meerderheidsaandeelhouder.24.
Elser c.s. verliezen hun aandelen als gevolg van een ruziesplitsing
13.
Elser c.s. bleven uiteindelijk over als laatste minderheidsaandeelhouders.25. Ook zij werden uiteindelijk gedwongen hun aandelen op te geven. Dat ging niet middels de voor de hand liggende wettelijke uitkoopprocedure. In plaats daarvan werd het instrument van de zuivere splitsing ingezet.26. In de literatuur spreekt men ook wel van een ‘ruziesplitsing’.
14.
Op 15 november 2016 deden [verweerder 1] en [verweerder 2] als bestuurders een splitsingsvoorstel.27. Twee andere bestuurders van de vennootschap waren kennelijk niet betrokken en zijn voor de algemene vergadering afgetreden.28. Op 21 december 2016 vond die bewuste algemene vergadering van aandeelhouders plaats, alwaar de meerderheidsaandeelhouder ondanks nader te noemen bezwaren ten gunste van de splitsing stemde.
15.
Head zou als gevolg van de splitsing ophouden te bestaan en haar vermogen zou worden verdeeld over twee nieuwe vennootschappen: Head Sales B.V. en Resle B.V.29. De gehele onderneming ging over op Head Sales B.V., met als enig aandeelhouder Head Sports (en daarmee indirect [verweerder 1]). Elser c.s. verkregen aandelen in Resle B.V. Dit betrof vennootschap met geen andere activa dan een bankrekening waarop een bedrag stond van EUR 214.517. Elser c.s. ontvingen een bericht dat de bestuurder zou terugtreden en de vennootschap zou worden opgeheven na betaling van het banksaldo.30.
16.
Aldus verkreeg [verweerder 1] de volledige controle over de onderneming. Elser c.s. ontvingen in ruil voor hun aandelen een geldbedrag van EUR 214.517.
Elser c.s. hebben bezwaren geuit tegen de ruziesplitsing
17.
Hoewel Elser c.s. begrip hadden voor de wens van de grootaandeelhouder om volledige controle te verkrijgen, waren zij ontevreden over de gang van zaken rond de splitsing. Elser c.s. werden hierover pas op een zeer laat moment geïnformeerd (zie hierover verder sub onderdeel 2.3.2). Zij vernamen pas over de op handen zijnde splitsing twaalf dagen voor de aandeelhoudersvergadering waarbij over het voorstel werd gestemd.31. Daarmee werden zij geconfronteerd met volledig afgeronde waarderingsrapporten waarvan zij eerder niet wisten dat die in voorbereiding waren.
18.
Elser c.s. hadden met name inhoudelijke bedenkingen bij de uitgevoerde waardering waarop hun vergoeding was gebaseerd.32. Deze was tot stand gekomen met behulp van de vaste accountant van Head: KPMG.33. HLB verklaarde dat die waardering redelijk zou zijn. Elser c.s. waren daarbij niet betrokken en het waarderingsrapport vertoonde naar hun mening serieuze gebreken (zie hierover o.m. subonderdeel 3.3).34. Hun uitdrukkelijke bezwaren werden echter terzijde geschoven en de splitsing is ondanks hun verzet doorgezet.35.
De waardering van de aandelen
19.
De vergoeding die Elser c.s. voor hun aandelen ontvingen, was gebaseerd op een waardering van de waarde van de gesplitste vennootschap ter hoogte van EUR 68 miljoen door KPMG. Andere deskundigen, waaronder de later door de rechter benoemde deskundige, kwamen tot veel hogere waarderingen. De onafhankelijke deskundige kwam tot een waardering op basis van een discounted cash flow methode van de onderneming van EUR 104 miljoen. De deskundige heeft daarnaast ter controle ook een peer group analyse gemaakt. Die analyse leidt tot een waardering van EUR 166 miljoen.36.
20.
Rapporten van Lonsin Capital en Grant Thornton komen op basis van andere methoden tot nog veel hogere waarderingen dan de onafhankelijke deskundige. Die waarderingen en de methoden komen slechts kort aan de orde in subonderdeel 3.3.4, § 130.
21.
Elser c.s. maken in deze procedure aanspraak op een reële en redelijke vergoeding voor hun onteigende aandelen.
C. Klachten
1. Het hof miskent dat een eerlijke procedure waarin van de hoogte van de vergoeding ten volle aan de orde kan komen onontbeerlijk is
1.1. Inleiding op de klachten over o.m. rov. 3.10—3.32, 3.34, 3.40 en 3.76
22.
Elser c.s. hebben in deze procedure uiteengezet dat de juridische splitsing niet dezelfde waarborgen biedt als bijvoorbeeld de wettelijke uitkoopregeling.37. De uitkoopregeling biedt immers alle ruimte voor hoor en wederhoor, leidt tot een benoeming van een onafhankelijke deskundige en voorziet uiteindelijk in een vaststelling van de hoogte van de vergoeding door een onafhankelijke rechter.
23.
Elser c.s. hebben gesteld dat zij niet onteigend mogen worden anders dan na een degelijk, met waarborgen omkleed, proces dat voorziet in een eerlijke en volledige beoordeling van de omvang van de aan hen toegekende vergoeding. Zij hebben in dat kader een beroep gedaan verschillende wettelijke bepalingen en op artikel 1 EP en artikel 6 EVRM.38.
24.
Het hof erkent dat aandelen moeten worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 EP EVRM (rov. 3.12). Het hof overweegt onder verwijzing naar vaste rechtspraak dat de bescherming van eigendom niet absoluut is en dat een inbreuk gerechtvaardigd kan zijn indien deze is (i) voorzien bij wet, (ii) een gerechtvaardigd algemeen belang dient, en (iii) proportioneel is (rov. 3.12). Het hof benadrukt (terecht) dat het bij de proportionaliteitstoets onder andere van belang is in ‘hoeverre een aanspraak bestaat op een vergoeding’ (rov. 3.18). Het hof onderkent ook dat een minderheidsaandeelhouder de voorkeur zou hebben voor een onafhankelijke rechterlijke toetsing boven een ‘waardering van de vaste accountant van de vennootschap waarbij de minderheidsaandeelhouder niet betrokken is’ gevolgd door een (beperkte) redelijkheidstoets (rov. 3.42).
25.
Het hof oordeelt evenwel dat de wettelijke regeling voorziet in een accountantstoets, en dat die waarborgt ‘dat aanspraak bestaat op een redelijke vergoeding’ en dat om die reden sprake is van ‘een redelijke mate van evenredigheid tussen het door de aandeelhouderssplitsing nagestreefde algemeen belang en de inbreuk op het eigendomsrecht’ (zie o.m. rov. 3.14 en 3.20). Het hof oordeelt, vanwege die accountantstoets en ook omdat rechtsmiddelen kunnen worden aangewend tegen de splitsing, dat de splitsing voldoet als middel om aandeelhouders uit te stoten. Het hof concludeert dat niet is gebleken dat het ‘gebruik van de aandeelhouderssplitsing om aandeelhouders uit te stoten oneigenlijk is of anderszins (wegens het ontbreken van waarborgen, in het bijzonder een waardering door de rechter) inbreuk maakt op’ artikel 1 EP EVRM (rov. 3.28, 3.32). Het hof oordeelt op basis hiervan dat geen aanspraak bestaat op de waarborg van een ‘vaststelling van de waardevergoeding door een onafhankelijke rechter’' (rov. 3.24). Het hof toetst tegen die achtergrond alleen of sprake is van ‘wezenlijke gebreken’ (rov. 3.32). Het hof weigert over te gaan tot een ‘volledige inhoudelijke herbeoordeling’ van de toegekende vergoeding (rov. 3.76).
26.
Dit middelonderdeel klaagt over deze meer algemene juridische beoordeling door het hof in m.n. rov. 3.10—3.32, 3.34, 3.40 en 3.76. Het middelonderdeel klaagt dat wettelijke nationaalrechtelijke normen zijn miskend, zoals die in artikel 2:8 BW, artikel 3:13 BW en artikel 6:162 BW. Het onderdeel klaagt ook dat niet is voldaan aan de elementaire vereisten die volgen uit (onder meer) artikel 1 EP EVRM en artikel 6 EVRM. Geheel in lijn met de structuur van het arrest zal pas in de latere middelonderdelen worden ingegaan op de vraag of gezien de concrete omstandigheden in deze zaak sprake is van een onevenredige inbreuk op de rechten van de minderheidsaandeelhouders (zie rov. 3.30 e.v.).
1.2. Hof miskent belang van een procedure met voldoende waarborgen
1.2.1. Inleiding: relevante rechtsnorm Artikel 1 EP en Artikel 6 EVRM
27.
Artikel 1 EP EVRM beschermt het recht op eigendom. Artikel 6 EVRM schrijft voor dat eenieder bij de vaststelling van burgerlijke rechten recht heeft op ‘een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak (…) door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.’
28.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een onteigening enkel gerechtvaardigd is na een met waarborgen omkleed proces dat voorziet in een eerlijke volledige beoordeling en toekenning van een vergoeding ‘overall assessment’. Zie in dit verband bijvoorbeeld de vaak aangehaalde standaarduitspraak in de zaak Estahious t. Griekenland:
- ‘29.
The Court considers that, where an individual's property has been expropriated, there should be a procedure ensuring an overall assessment of the consequences of the expropriation, including the award of an amount of compensation in line with the value of the expropriated property, the determination of the persons entitled to compensation and the settlement of any other issues relating to the expropriation.’ 39.
29.
De EHRM Guide bevat identieke bewoordingen onder verwijzing naar latere standaardarresten. De Guide benadrukt ook onder verwijzing naar vaste rechtspraak dat staten moeten voorzien in eerlijke procedures om (onteigenings)geschillen te beslechten tussen private partijen onderling:
- ‘158.
When an individual's property is subject to expropriation, there must be a procedure which ensures an overall assessment of the consequences of the expropriation, including the granting of compensation in relation to the value of the expropriated property, the determination of the holders of the right to compensation and any other issue relating to the expropriation, as well as the costs of the proceedings (Alfa Glass Anonymi Emboriki Etairia Yalopinakon v. Greece, 2021, § 36; Pálka and Others v. the Czech Republic, 2022, §§ 62—50). ’
- ‘218.
(…) Although Article 1 of Protocol No. 1 contains no explicit procedural requirements, the existence of positive obligations of a procedural character under this provision was recognised by the Court both in cases involving State authorities (Jokela v. Finland, § 45; Zehentner v. Austria, § 73) and in cases between private parties only.
- 219.
Thus, in cases belonging to the latter category the Court has held that States are under an obligation to afford judicial procedures that offer the necessary procedural guarantees and therefore enable the domestic courts and tribunals to adjudicate effectively and fairly any disputes between private persons (…)’ 40.
30.
Algemeen wordt aangenomen dat uit deze normen voortvloeit dat bij (gedwongen) aandelenoverdracht, aandeelhouders recht hebben op een met waarborgen omkleed proces, een onafhankelijke gerechtelijke waardering, resulterende in een billijke prijs.41. De Nederlandse wetgever heeft recent de wettelijke geschillenregeling herzien en in dat kader de relevante normen als volgt samengevat ‘Het voornoemde beginsel van ongestoord genot van eigendom van artikel 1 EP EVRM en het recht op eerlijk proces van artikel 6 EVRM vereisen voor onteigening een procedure die met voldoende procedurele waarborgen is omkleed. Zo dient volgens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een beslissing tot onteigening gepaard te gaan met een mogelijkheid om op te komen tegen deze beslissing of compensatie te vragen.’42.
31.
In het Van den Berg-arrest is geoordeeld dat de wettelijke geschillenregeling niet onverenigbaar is met artikel 1 EP EVRM. De reden daarvoor is dat deze voorziet in essentiële waarborgen. De Hoge Raad overweegt in het bijzonder dat ‘a. de onafhankelijke rechter moet vaststellen dat van de hiervoor genoemde, aan de aandeelhouder toe te rekenen gedragingen sprake is, terwijl b. de na deskundigenbericht door deze rechter vastgestelde waarde van de aandelen moet worden vergoed.’43.
32.
In het Versatel-arrest is bepaald dat de wettelijke uitkoopprocedure ook strookt met artikel 1 EP EVRM.44. A-G Timmerman merkt daarover op in zijn conclusie: ‘Ik acht het vooral van belang dat de uitkoopregeling waarborgen biedt teneinde een adequate prijsbepaling van de aandelen te verzekeren.’45. Maeijer is dezelfde mening toegedaan: ‘[d]e uitkoopregeling is niet in strijd met art. 1 Eerste Protocol bij EVRM (…). Die regeling is immers met wettelijke waarborgen ter bescherming van de belangen van minderheidsaandeelhouders omgeven (…).’46.
33.
Het Flora-arrest zag op een openbaar bod, en de in dat verband geldende uitkoopprocedure als bedoeld in artikel 2:359c BW. Uit de uitspraak blijkt duidelijk De Hoge Raad overweegt dat de fundamentele rechten van minderheidsaandeelhouders worden beschermd doordat de aandeelhouder aanspraak heeft op een door de rechter bepaalde ‘billijke prijs’. Die regeling is om die reden niet in strijd met artikel 1 EP EVRM.47.
34.
De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgelaten of het gebruik van een fusie of splitsing, met als doel een minderheidsaandeelhouder uit te stoten, voldoet aan de vereisten van artikel 1 EP EVRM en artikel 6 EVRM. Dat is — zoals hierna zal worden toegelicht — verre van vanzelfsprekend. Daarbij speelt dat de wet in zo een geval niet (expliciet) voorziet in waarborgen, zoals een transparant en eerlijk proces dat resulteert in een waardebepaling door een onafhankelijke rechter.
35.
Veel auteurs benadrukken het belang van de prijsbepaling door een onafhankelijke rechter, vooral in het licht van artikel 6 EVRM. De Vries schrijft tegen die achtergrond bijvoorbeeld dat bij een (grensoverschrijdende) fusie niet kan worden volstaan met een waardering door een onafhankelijke deskundige. Hij acht een procedure waarbij de rechter uiteindelijk beslist over een (aanvullende) geldelijke vergoeding niet slechts gewenst, maar tevens noodzakelijk.48.
36.
De Europese wetgever heeft in de regeling van de grensoverschrijdende splitsing voorzien in een door de rechter toetsbare schadeloosstelling (artikel 2:334qq lid 3 BW). Deze regeling voorziet overigens uitdrukkelijk niet in het faciliteren van een cash-out splitsing die kan fungeren als alternatief voor uitstootregelingen:
‘De gewijzigde Vennootschapsrichtlijn voorziet niet in een (…) regeling voor een grensoverschrijdende ruziesplitsing. (…) In andere gevallen dan dat een aandeelhouder een verzoek tot schadeloosstelling doet, voorziet de gewijzigde Vennootschapsrichtlijn niet in een mogelijkheid dat de aandeelhouder van de splitsende vennootschap slechts aandeelhouder wordt van één van de verkrijgende vennootschappen.’ 49.
37.
Sommige auteurs benadrukken dat een juridische fusie ongeschikt is om een aandeelhouder uit te stoten juist omdat die geen waarborgen kent.50. Schild schrijft in dat verband:
‘Zoals hiervoor aangegeven, stelt het EHRM bij de ontneming van eigendom hoge eisen aan de mate waarin en de wijze waarop een rechthebbende wordt gecompenseerd. Daarmee verdraagt zich slecht dat een aandeelhouder (…) genoegen moet nemen met een vanwege de vennootschap vastgestelde uitkering in geld. De omstandigheid dat een accountant moet verklaren dat de gekozen ruilverhouding een redelijke is, legt weliswaar enig gewicht in de schaal, maar kan dit bezwaar niet wegnemen. Wat vanuit het oogpunt van rechtsbescherming klemt, is de afwezigheid van een onafhankelijke deskundige die met tussenkomst van de rechter en op kosten van de vennootschap adviseert over de waarde van de aandelen.’ 51.
38.
Voor de in deze zaak centraal staande juridische splitsing geldt hetzelfde. Ook deze voorziet op zichzelf niet in dezelfde waarborgen als de uitkoop- of uitstootregeling. De Europese wetgever heeft in de regeling van de grensoverschrijdende splitsing voorzien in een door de rechter toetsbare schadeloosstelling. Deze regeling voorziet uitdrukkelijk niet in het faciliteren van een cash-out splitsing die kan fungeren als alternatief voor uitstootregelingen:
‘De gewijzigde Vennootschapsrichtlijn voorziet niet in een (…) regeling voor een grensoverschrijdende ruziesplitsing. (…) In andere gevallen dan dat een aandeelhouder een verzoek tot schadeloosstelling doet, voorziet de gewijzigde Vennootschapsrichtlijn niet in een mogelijkheid dat de aandeelhouder van de splitsende vennootschap slechts aandeelhouder wordt van één van de verkrijgende vennootschappen.’ 52.
39.
Prof. Koster schreef naar aanleiding van een eerdere uitspraak in deze zaak:
‘Het springende punt hier lijkt te zijn dat weliswaar een door het bestuur aangewezen accountant een verklaring heeft afgelegd, doch er komt geen rechter aan te pas zoals bij de uitkoopregeling. Dit knelt mogelijk ook vanuit EVRM perspectief (…).’ 53.
40.
Het hof heeft deze normen niet vooropgesteld. In de navolgende middelonderdelen wordt nader uitgewerkt en toegelicht dat en waarom deze normen niet, althans in ieder geval niet op de juiste wijze zijn toegepast.
1.2.2. Accountantstoets biedt aandeelhouder geen ‘overall assessment’
41.
Het hof oordeelt met juistheid dat de wetgever bij de totstandkoming van de regeling inzake splitsing heeft voorzien in een accountantstoets. Het hof oordeelt dat een dergelijke toets als ‘zwaar’ of ‘zwaarder’ moet worden aangemerkt. Volgens het hof biedt deze toets afdoende waarborgen voor minderheidsaandeelhouders die daarmee worden uitgestoten en kan deze toets rechtvaardigen dat een nadere volledige toetsing en/of toekenning van de vergoeding door de rechter achterwege blijft (zie o.m. rov. 3.14, 3.20, 3.32).
42.
De wettelijke splitsingsregeling die voorziet in de accountantstoets sluit aan bij artikel 8 van de toenmalige Zesde Richtlijn.54. Die bepaling schrijft voor dat een beoordeling moet worden verricht door ‘een of meer van de vennootschap onafhankelijke deskundigen die door de overheid of de rechter zijn aangewezen of toegelaten’.55. Het hof lijkt te veronderstellen dat de wet alle ruimte laat voor een (eenzijdig) door het bestuur geselecteerde accountant die ook andere werkzaamheden verricht voor de vennootschap en geen waarborgen hanteert, zoals hoor en wederhoor.56. Daarover klaagt onderdeel 4. Wat daar ook van zij: het hof oordeelt dat het bestuur eenzijdig een accountant mag selecteren die vervolgens geen hoor en wederhoor toepast (rov. 3.39). Het gevolg is dat de toetsing zelf niet kan en zal kwalificeren als een eerlijke ‘procedure’ zoals bedoeld in de hiervoor besproken rechtspraak van het EHRM.
43.
Het hof verduidelijkt bij de beschrijving van de toepasselijke maatstaf dat de accountant moet oordelen dat de voorgestelde verdeling ‘redelijk’ is (zie rov. 3.14). Het hof spreekt elders van een ‘redelijkheidstoetsing’ (zie rov. 3.32). Die omschrijving die aansluit bij de tekst van de wet laat ruimte voor een minder indringende toets. HLB heeft zijn taakomschrijving in deze zaak de wettelijke toets overigens ook zo opgevat, is uitgegaan van de juistheid van het verstrekte waarderingsrapport en heeft naar eigen zeggen enkel ‘marginaal’ getoetst (subonderdeel 4).57. Omdat de waardering van ondernemingen geen exacte wetenschap is, zal een deskundige in de regel een zeer brede range van waarderingen als redelijk aanmerken. Een (mogelijk lage) waardering door het bestuur met tegenstrijdige belangen, gevolgd door een beperkte redelijkheidstoets is — zoals het hof terecht onderkend — geen aantrekkelijk vooruitzicht voor een minderheidsaandeelhouder (rov. 3.42). Dat is een recept voor een vergoeding die veel lager uitvalt dan wanneer een (werkelijk) onafhankelijke accountant of rechter zelfstandig de waarde van de aandelen bepaalt. Wat daar ook van zij: een redelijkheidstoets biedt geen ‘overall assessment’ ten aanzien van de hoogte van de toegekende vergoeding als bedoeld in de hiervoor besproken rechtspraak van het EHRM.
44.
Het hof kon in ieder geval niet concluderen dat op basis van de accountantstoets en de hierna te bespreken waarborg van rechtsmiddelen reeds sprake is van een voldoende sluitende regeling die beantwoordt aan Het hof oordeelt op basis hiervan ook ten onrechte dat de ‘aandeelhouderssplitsing als uitstootmethode (…) op zichzelf voldoet’ aan de vereisten van artikel 1 EP EVRM (rov. 3.29). Die accountantstoets biedt de minderheidsaandeelhouder — zoals blijkt uit het voorgaande — geen eerlijke procedure die voorziet in ‘an overall assessment of the consequences of the expropriation, including the granting of compensation in relation to the value of the expropriated property’ als vereist op de voet van artikel 1 EP en artikel 6 EVRM (zie §§ 27—39 hiervoor).58.
1.2.3. Rechtsmiddel tegen splitsing biedt evenmin een ‘overall assessment’
45.
Het hof oordeelt terecht dat minderheidsaandeelhouders een ‘redelijke mogelijkheid’ moeten hebben ‘om hun zaak voor de verantwoordelijke autoriteiten te brengen’ (rov. 3.22). Het hof oordeelt dat die redelijke mogelijkheden bestaan en wijst er daartoe onder meer op dat er ‘rechtsmiddelen [bestaan] waarmee verweer tegen de inbreuk op het eigendomsrecht kan worden gevoerd’ (rov. 3.14). Het hof overweegt daartoe onder andere dat men vernietiging van de splitsing kan vorderen en wekt de suggestie59. dat die route in deze zaak ten onrechte niet is bewandeld (rov. 3.23, 3.40).
46.
Voor zover het hof heeft willen oordelen dat deze rechtsmiddelen een ‘redelijke mogelijkheid’ bieden om de splitsing ongedaan te maken omdat de toegewezen vergoeding te laag is, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans, is dat oordeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Het hof miskent immers dat de rechter een splitsing ‘alleen kan vernietigen’ op basis van limitatieve gronden genoemd in artikel 2:334u lid 1 BW. Het gaat om vier beperkte gronden, zoals het geval waarin de splitsingsakte geen authentiek geschrift is. De wetgever heeft heel bewust ‘de kans dat een splitsing aan vernietiging blootstaat zoveel mogelijk (…) beperkt’.60. Dit alles strookt met de richtlijnen waar de regeling van de splitsing aan is ontleend.61. Daarbij speelt dat een vernietiging van een splitsing veel complicaties met zich kan brengen.62. Uw Raad oordeelde dat de mogelijkheid van vernietiging ‘zeer strikt’ moet worden uitgelegd en exclusief bedoeld is.63.
47.
Minderheidsaandeelhouders hebben er niet altijd bezwaar tegen dat zij hun aandelen moesten prijsgeven. Zo ook in dit geval. Elser c.s. hadden uitsluitend bezwaren tegen de in hun ogen te lage vergoeding die hen is toegekend.64. Indien de hoogte van de vergoeding te laag is vastgesteld, dan levert dat op zichzelf echter geen grond op voor vernietiging als bedoeld in artikel 2:334u lid 1 BW. Wellicht is dit een factor die zou kunnen worden meegewogen in het kader van de vernietigingsgrond onder 2:334u lid 1 sub c. Maar in dat geval zal het hooguit een gezichtspunt zijn dat wordt afgewogen tegen andere belangen, waaronder dat van de meerderheidsaandeelhouder en rechtszekerheid. De hoogte van de vergoeding is dus een kwestie die daarin hoe dan ook niet ten volle zelfstandig en separaat aan de orde kan komen. De vernietiging biedt volgens een aantal auteurs tegen die achtergrond slechts ‘schijnbescherming’ aan minderheidsaandeelhouders.65.
48.
Het hof concludeert aldus ten onrechte dat op basis van de accountantstoets en de mogelijkheid de splitsing op limitatieve gronden te vernietigen ‘op zichzelf’ reeds sprake was van een procedure die voldoet aan de eisen van artikel 1 EP en artikel 6 EVRM. Noch de accountantstoets noch de vernietiging voorziet in een ‘an overall assessment of the consequences of the expropriation, including the granting of compensation in relation to the value of the expropriated property’ als vereist op de voet van artikel 1 EP en artikel 6 EVRM (zie §§ 27—38 hiervoor).
1.2.4. Een ‘wezenlijke gebreken’ toets biedt ook geen ‘overall assessment’
49.
Het hof onderschrijft als gezegd dat in geval van een onteigening een ‘redelijke mogelijkheid voor klagers [dient te bestaan] om hun zaak voor de verantwoordelijke autoriteiten te brengen’. Het hof overweegt dat een poging kan worden ondernomen ‘een voorziening in kort geding’ te verzoeken, althans, dat in een bodemprocedure de ‘gehanteerde waardering aan de orde kan worden gesteld’ (rov. 3.23). Dat oordeel is juist: het is mogelijk en moet ook mogelijk zijn om de gehanteerde waardering ten overstaan van de rechter aan de orde te stellen.66.
50.
Het hof heeft geoordeeld dat het mogelijk is in kort geding te vorderen dat wordt afgezien van een splitsing. In theorie is dat juist (zie specifiek voor deze zaak subonderdeel 2.3 hierna). Veel minderheidsaandeelhouders hebben er begrip voor dat een meerderheidsaandeelhouder uit legitieme praktische of organisatorische redenen alle aandelen wilde verkrijgen (zie ook rov. 3.17 en 3.31 tweede zin).67. Zo ook in dit geval. Elser c.s. waren er niet op uit een splitsing als zodanig te blokkeren. Zij wilden enkel een reële en redelijke vergoeding. Een voorziening in kort geding biedt naar zijn aard weinig ruimte voor complexe bewijslevering door (onafhankelijke) deskundigen. Een kort geding voorziet bovendien slechts in een voorlopige voorziening, niet in een (definitief) oordeel over de hoogte van de vergoeding. Om een kortgeding te beginnen gelden daarnaast bijzondere vereisten, zoals dat sprake moet zijn van een spoedeisend belang. Een schuldeiser die een definitief en volledig oordeel wenst over de hoogte van de vergoeding is in zoverre aangewezen op bodemprocedure, althans, zou daar in ieder geval voor mogen kiezen.
51.
Het hof oordeelt ten onrechte dat in een bodemprocedure ten overstaan van de rechter geen sprake kan zijn van een volledige inhoudelijke herbeoordeling. Het hof oordeelt dat geen aanspraak kan worden gemaakt op ‘vaststelling van de waarde(vergoeding) door een onafhankelijke rechte?’ op de voet van artikel 1 EP EVRM (rov. 3.24). Het hof concludeert immers dat de ‘aandeelhouderssplitsing als uitstootmethode (…) op zichzelf voldoet’ aan de vereisten van artikel 1 EP EVRM (rov. 3.29). Het hof vervolgt dat het dus dat een rechter enkel zou moeten nagaan of sprake is van ‘wezenlijke gebreken’ (in rov. 3.32) en niet kan en mag overgaan tot een ‘volledige inhoudelijke herbeoordeling’ van de waardering en de op basis daarvan toegekende vergoeding (rov. 3.76).
52.
De beoordeling van het hof brengt mee dat een meerderheidsaandeelhouder tevens bestuurder al dan niet met behulp van de vaste accountant een waardering kan maken (rov. 3.32). Die waardering wordt vervolgens door een accountant enkel aan een (beperkte) ‘redelijkheidstoets’ onderworpen. Minderheidsaandeelhouders hoeven bij die waardering volgens het hof niet te worden betrokken of zelfs maar geïnformeerd, met als gevolg dat zij de hoogte van de vergoeding in dat stadium niet in een eerlijke procedure ten volle aan de orde kunnen stellen (rov. 3.39). Dat kan evenmin in een vernietigingsprocedure. Het komt dus aan op de toetsing door de rechter in een gewone civiele procedure als dit. Het oordeel van het hof brengt echter mee dat een ‘overall assessment’ in zo een procedure ook niet aan de orde kan zijn. Dan wordt immers een terughoudende ‘wezenlijke gebreken’ maatstaf gehanteerd.
53.
Het oordeel van het hof dat een volledige inhoudelijke beoordeling achterwege zou moeten blijven is onverenigbaar met het nationale recht. Voor de ‘wezenlijke gebreken’ maatstaf bestaat immers geen enkele wettelijke grond en ook geen precedent. Andere nationaalrechtelijke regelingen die voorzien in een gedwongen onteigening van een minderheidsaandeelhouder voorzien in een volle rechterlijke vaststelling van een reële en redelijke prijs. Die regelingen zijn om die reden in overeenstemming met artikel 1 EP EVRM en artikel 6 EVRM (zie §§ 31—33). De terughoudende benadering in deze zaak wijkt hiervan af en strookt om die reden niet met deze fundamentele bepalingen. Het hof heeft ten onrechte geen ruimte heeft geboden voor een ‘procedure which ensures an overall assessment of the consequences of the expropriation, including the granting of compensation in relation to the value of the expropriated property’ als bedoeld in de rechtspraak over artikel 1 EP en artikel 6 EVRM (zie §§ 27—38 hiervoor)
1.3. Aanvaardbaarheid van de ruziesplitsing als uitstotingsmechanisme
1.3.1. Inleiding
54.
Het hof oordeelt terecht dat een meerderheidsaandeelhouder in beginsel een legitiem belang kan hebben om niet belast te worden met het bestaan van minderheidsaandeelhouders. Het hof oordeelt ook terecht dat het een meerderheidsaandeelhouder in beginsel vrijstaat om al dan niet gebruik te maken van de wettelijke uitkoopregeling in art. 2:201a BW (rov. 3.34). Die regeling is inderdaad niet noodzakelijkerwijs exclusief. Een meerderheidsaandeelhouder kan in voorkomende gevallen gebruik maken van andere regelingen, zoals bijvoorbeeld een uitstootprocedure op basis van de (vernieuwde) geschillenregeling op de voet van art. 2:336a e.v. BW.
55.
Elser c.s. erkennen ook dat minderheidsaandeelhouders er rekening me kunnen of moeten houden dat een vennootschap als gevolg van fusie, splitsing of omzetting een gedaantewisseling kan ondergaan.68. Dat betekent echter niet dat een splitsing onder alle omstandigheden aanvaardbaar is. Elser c.s hebben in deze zaak en in dit kader benadrukt dat de splitsing zoals in deze zaak is toegepast minder waarborgen kent dan bijvoorbeeld de wettelijke uitkoopprocedure.69. Daarbij speelt in het bijzonder dat de aandeelhouderssplitsing niet voorzag in een door de rechter benoemde onafhankelijke deskundige die hoor en wederhoor toepaste en evenmin in een vaststelling van de waarde van de vergoeding voor hun aandelen door een onafhankelijke rechter.
56.
Het hof oordeelt ten onrechte dat er geen enkel bezwaar bestaat en dat het niet oneigenlijk is om de aandeelhoudersplitsing enkel en alleen te gebruiken om minderheidsaandeelhouders uit te stoten (zie o.m. 3.17, 3.27, 3.28 en 3.34). Het hof oordeelt ook ten onrechte dat in zo een geval geen andere waarborgen hoeven te worden geboden dan voorzien in de volgens het hof evenredige wettelijke regeling van de splitsing, ook niet als dat ertoe leidt dat een minderheidsaandeelhouder dan verstoken is van waarborgen die zijn voorzien in andere regelingen, zoals hoor en wederhoor bij de totstandkoming van de waardering en een onafhankelijke vaststelling van de vergoeding door de rechter (zie o.m. rov. 3.17, 3.20, 3.24, 3:29 3.31, 3.34).
1.3.2. Klachten die zien op het doel van de aandeelhouderssplitsing
57.
De splitsingsregeling is blijkens de wetsgeschiedenis vooral bedoeld voor gevallen waarin een onderneming in twee delen wordt opgedeeld. De memorie van toelichting noemt het voorbeeld van een rechtspersoon die activiteiten heeft die in ‘twee divisies zijn ondergebracht’. Een ander voorbeeld betreft twee aandeelhouders die in ‘onmin’ zijn geraakt en als gevolg van een splitsing elk verder kunnen met een eigen vennootschap.70. De wetsgeschiedenis biedt geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat het de bedoeling was dat één van de vennootschappen na de splitsing dan een lege vennootschap zou zijn die over niets meer beschikt dan een banksaldo. De regeling is nimmer gepresenteerd als instrument om minderheidsaandeelhouders op die manier uit te stoten. De regeling is evenmin door de wetgever naar voren geschoven als alternatief voor de geschillenregeling en de uitkoopregeling.
58.
De aandeelhouderssplitsing heeft mede als doelstelling om ‘een passende bescherming’ van de rechten van minderheidsaandeelhouders te waarborgen.71. De wetgever heeft willen voorkomen dat minderheidsaandeelhouders zouden worden benadeeld en daartoe onder andere bepaald dat het besluit tot splitsing moet worden goedgekeurd door een drievierde meerderheid. De memorie van toelichting verduidelijkt ‘[d]eze zware eis voorkomt dat het artikel wordt misbruikt om bij splitsing minderheidsaandeelhouders af te schepen met aandelen in een vennootschap die minder waard zijn dan de aandelen die de meerderheidsaandeelhouders voor zichzelf bestemmen.’72.
59.
Het hof gaat gezien het voorgaande uit van een onjuiste uitleg van de bedoelingen van de wettelijke regeling van de splitsing. Die regeling is nooit beoogd en kan niet, althans zeker niet onder alle omstandigheden, fungeren als instrument om minderheidsaandeelhouders geheel uit te stoten. Daarvan is sprake als zij aandelen verkrijgen in een vennootschap met geen andere activa dan een geldbedrag. Dat dit niet beoogd is geldt in het bijzonder als, zoals het hof lijkt te oordelen, geen andere waarborgen zouden gelden dan expliciet voorzien in de splitsingsregeling. Dan zou een minderheidsaandeelhouder verstoken kunnen zijn van waarborgen die wel gelden bij een uitstoot- of uitkoopprocedure. Dan is de splitsingsregeling, anders dan het hof lijkt te oordelen, niet langer evenwichtig en passend.
60.
Head c.s. dachten wellicht een leemte in de wet te hebben gevonden waarmee een minderheidsaandeelhouder zonder waarborgen die anders wel gelden zouden kunnen worden uitgestoten. Maar zo een onevenwichtige uitleg van de wet is onjuist, want strijdig met de hiervoor beschreven bedoeling van de wetgever om minderheidsaandeelhouders adequaat te beschermen.73. Het hof heeft althans miskend dat als deze splitsingsregeling als uitstootmechanisme wordt gebruikt op een wijze waarbij basale waarborgen voor minderheidsaandeelhouders ontbreken, dat de regeling dan wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de regeling is beoogd, althans dat dit onevenredige gevolgen heeft voor de minderheidsaandeelhouder. In beide gevallen kan of zal dat misbruik opleveren in de zin van artikel 3:13 BW. In beide gevallen levert dat ook strijd op met de andere ingeroepen zorgvuldigheidsnormen.
1.3.3. Klachten over waarborgen en de maatstaven van Artikel 2:8 en 6:162 BW
61.
Hof Amsterdam 20 december 2007, JOR 2008/36 (Shell) zag op een zaak waarbij een fusieregeling werd gebruikt om minderheidsaandeelhouders uit te stoten.74. Die aandeelhouders kregen namelijk geen belang in een verkrijgende vennootschap, zij kregen enkel en alleen een geldbedrag.
62.
De Ondernemingskamer oordeelde dat de waarborg van een vaststelling van het door de minderheidsaandeelhouders te ontvangen vergoeding door een onafhankelijke rechter van groot belang is. Als een fusie wordt gebruikt als uitstootmechanisme op een wijze waarbij die waarborg vervalt, dan brengt dat op zichzelf reeds mee brengt dat de fusieregeling onverenigbaar is met artikel 2:8 BW:
‘3.25
Uit het vorenstaande volgt dat naar het oordeel van de Ondernemingskamer de juridische fusie in beginsel niet (mede) kan dienen als methode voor het, anders dan als bijkomstigheid, uitstoten van (een) minderheidsaandeelhouder(s) door toekenning van — uitsluitend — een betaling in geld in plaats van toekenning van aandelen in de verkrijgende vennootschap. Dit oordeel vindt bevestiging in de omstandigheid dat juist de vaststelling van die betaling, niet zijnde een bijbetaling, niet is omgeven met bijzondere waarborgen ter bescherming van de belangen van minderheidsaandeelhouder(s), waaronder met name de vaststelling door een onafhankelijke rechter van de voor de aandelen te betalen prijs. (…)
3.27
(…) In het bijzonder doordat de minderheidsaandeelhouders worden gedwongen hun aandelen in de verdwijnende vennootschap af te staan zonder dat de door de verkrijgende vennootschap te betalen prijs door de rechter wordt vastgesteld, vormt een zodanige inbreuk op de bescherming van de belangen van de minderheidsaandeelhouder dat het oordeel moet luiden dat het gebruik maken van de juridische fusie als in casu is geschied in strijd is met de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 2:8 BW.’
63.
De Shell-uitspraak strookt met het arrest HR 14 september 2007, NJ 2007/610 (Versatel). Uw Raad oordeelde dat een minderheidsaandeelhouder er rekening mee moet houden dat een vennootschap door fusie, splitsing of omzetting een gedaantewisseling kan ondergaan. Uw Raad vervolgt:
‘[d]it neemt niet weg dat een besluit tot fusie dat enkel en alleen de strekking heeft minderheidsaandeelhouders uit te stoten, in strijd kan zijn met hetgeen van het bestuur van een beursvennootschap jegens haar aandeelhouders op de voet van art. 2:8 BW wordt gevorderd door de redelijkheid en billijkheid.’ 75. In die zaak werd vervolgens overigens de uitkoopregeling gevolgd waardoor aandeelhouders aanspraak behielden op een rechterlijke vaststelling van hun vergoeding.
64.
Het hof verwerpt in deze zaak het beroep op het arrest in de zaak Shell. Het hof overweegt daartoe dat een relevant verschil zou bestaan tussen de regeling inzake de fusie en die van de splitsing (zie rov. 3.14,76. 3.25—3.27). Het hof stelt dat de aandeelhouderssplitsing anders dan de juridische fusie bedoeld is aandeelhouders te scheiden (rov. 3.27).
65.
Dat oordeel is rechtens onjuist. De regeling van de aandeelhouderssplitsing is weliswaar bedoeld om aandeelhouders te splitsen, maar daarmee is nog niet gezegd dat deze ook bedoeld is om uitsluitend te worden gebruikt als mechanisme om een minderheidsaandeelhouder uit te stoten (zie subonderdeel 1.3.2). Daarvan is sprake als een minderheidsaandeelhouder aandelen verkrijgt in een vennootschap die enkel beschikt over een geldbedrag. Anders dan het hof oordeelt bestaat op dit punt overigens ook geen rechtens relevant verschil tussen de regeling van de fusie of splitsing. De regeling van de splitsing is ontleend aan de zogenoemde Zesde Richtlijn 82/891/EEG.77. De considerans van die richtlijn maakt duidelijk dat het juist de bedoeling was om ten aanzien van de regelingen van de fusie en splitsing gelijkwaardige waarborgen en bescherming te bieden voor minderheidsaandeelhouders.78. De regelingen in de richtlijn alsook in de latere codificerende richtlijn zijn tegen die achtergrond bewust gelijkgetrokken en gebruiken precies dezelfde bewoordingen.79.
66.
Uit het voorgaande volgt dat het gebruik van een splitsing met als doel een minderheidsaandeelhouder uit te stoten juist vanwege het ontbreken van waarborgen bij de waardebepaling, juist in gevallen als dit waarin de deskundige eenzijdig is benoemd, minderheidsaandeelhouders niet heeft betrokken en geen sprake is geweest van een waardebepaling door een onafhankelijke rechter, strijdig is met artikel 2:8 BW en/of artikel 6:162 BW.
1.4. Veegklacht
67.
De klachten van dit middelonderdeel tegen de door het hof vooropgestelde en nadien toegepaste rechtsnormen zien in het bijzonder op de bestreden overwegingen in rov. 3.10—3.29. Zij raken ook direct vergelijkbare (rechts)overwegingen waarin soortgelijke oordelen zij vervat, waaronder die in rov. 3.31, 3.32, 3.34, 3.40 en 3.76.
68.
Als een of meer van de klachten van dit middelonderdeel slagen, dan betekent dit dat het hof is uitgegaan van onjuiste rechtsnormen en dat alle daarop voortbouwende overwegingen, die zien op een toepassing van die normen in het licht van de omstandigheden van het geval, eveneens worden geraakt. Het gevolg is dat het arrest en het dictum in hun geheel moeten worden vernietigd.
69.
De voorgaande klachten zien op de juridische vooropstellingen in het arrest. De strekking daarvan is dat die op zichzelf reeds onverenigbaar zijn met artikel 2:8 BW, artikel 3:13 BW, artikel 6:162 BW en artikel 1 EP EVRM. In de navolgende overwegingen zal ten overvloede worden toegelicht dat zulks eens te meer klemt, althans hoe dan ook het geval is, in het licht van de overige concrete omstandigheden in deze zaak.
2. Hof miskent belang van transparantie en hoor en wederhoor bij waardering als waarborgen ter bescherming van minderheidsaandeelhouders
2.1. Inleiding op klachten over rov. 2, 3.33–3.41
70.
Elser c.s. hebben uitvoerig betoogd dat de procedure die door de betrokken partijen is toegepast om te komen tot een waardering van de waarde van hun aandelen niet transparant is verlopen en dat daarbij geen hoor en wederhoor is toegepast. Elser c.s. hebben daartoe onder andere aangegeven dat zij als enige overgebleven aandeelhouders pas twaalf dagen voor de aandeelhoudersvergadering voor het eerst werden geïnformeerd over het voorstel tot splitsing en de vergoeding die zij in dat kader zouden ontvangen: ‘alles was toen uiteraard al in kannen en kruiken: KPMG had haar waardering al afgerond en HLB had deze goedgekeurd.’80. Geen van de betrokken partijen had dus voorafgaand aan de waardering hoor en wederhoor toegepast. Volgens KPMG lag het toepassen van hoor en wederhoor ‘niet in de rede’.81. HLB stelde dat ‘de accountant geen verplichting heeft om de aandeelhouders te horen’.82.
71.
Nadat Elser c.s. werden geïnformeerd kregen zij geen inzage in de onderliggende stukken waar de waarderingsrapporten op waren gebaseerd. Het gevolg daarvan was dat de waardering waarop de aan hen toegekende vergoeding was gebaseerd niet konden controleren en verifiëren. Deze onderliggende stukken zijn pas enkele jaren later verstrekt, nadat de door de het hof benoemde onafhankelijke deskundige daarom vroeg.83.
72.
Elser c.s. hebben op basis van het voorgaande bepleit dat bij de vaststelling van het bedrag dat aan hen werd toegekend belangrijke waarborgen ontbraken. Als de uitkoopprocedure zou zijn toegepast dan zou het proces van de benoeming van het deskundige transparant zijn verlopen, dan zouden onderliggende gegevens zijn gedeeld en dan zou bij de totstandkoming van het rapport hoor en wederhoor zijn toegepast.84.
73.
De Ondernemingskamer publiceerde begin dit jaar een leidraad voor waarderingsdeskundigen die van toepassing is op o.m. uitstoting en uittreding.85. Die leidraad maakt duidelijk dat de ook bij toepassing van de geschillenregeling sprake is van betere waarborgen. De Ondernemingskamer zal dan een deskundige benoemen. De leidraad verduidelijkt in een aantal bepalingen dat de deskundige hoor en wederhoor zal moeten toepassen (art. 5.13 e.v). Daarbij geldt als uitgangspunt dat ‘alle partijen zoveel mogelijk kennis kunnen nemen van de gegevens waarop het deskundigenonderzoek en deskundigenbericht worden gebaseerd’ (art. 5.14).
74.
Elser c.s. hebben aangevoerd dat het ontbreken van transparantie en hoor en wederhoor bij de waardering belangrijke omstandigheden zijn die meebrengen dat in dit geval sprake was van een schending van artikel 2:8 BW, artikel 3:13 BW, artikel 6:162 BW en/of artikel 1 EP EVRM.86. Het hof heeft deze stellingen verworpen en daartoe in het bijzonder geoordeeld dat buiten de wettelijke regels van de splitsing om geen verplichting bestond om belanghebbenden te horen of om transparantie te betrachten (rov. 3.33—3.41).
2.2. Hof miskent dat splitsingsregels niet uitputtend zijn (rov. 3.39)
75.
Het hof verwerpt het beroep op het ontbreken van de waarborgen van transparantie en hoor en wederhoor. De kern van de beoordeling luidt als volgt:
‘Niet uit artikel 1 EP, niet uit het Nederlands burgerlijk (proces)recht en niet uit de rechtspraak valt een verplichting op te maken op grond waarvan Head c.s., KPMG en/of HLB gehouden waren Elser c.s. te betrekken bij de totstandkoming van de aandeelhouderssplitsing en bijbehorende waardering, op een andere wijze dan volgt uit de regeling van de aandeelhouderssplitsing’ (rov. 3.39).
76.
Dit algemene oordeel is onjuist omdat deze uitgaat van een onjuiste en te restrictieve benadering waarbij enkel en alleen wordt gekeken naar de wettelijke regels over de aandeelhouderssplitsing.
77.
Ten eerste: het hof miskent dat het niet alleen van belang is acht te slaan op de wettelijke regeling, maar ook op de algemene doelstellingen van die regeling. De wettelijke regeling van de aandeelhouderssplitsing moet immers worden toegepast met inachtneming van de doelstellingen daarvan die onder andere blijken uit de considerans van de Zesde Richtlijn 82/891/EEG. Daar staat dat het de bedoeling is dat ‘aandeelhouders van de vennootschappen die aan de splitsing deelnemen behoorlijk en zo objectief mogelijk worden voorgelicht en dat een passende bescherming van hun rechten wordt gewaarborgd’. De restrictieve benadering van het hof leidt niet tot een behoorlijke voorlichting, strookt dus niet met deze doelstelling, en is alleen al daarom onjuist.
78.
Ten tweede: het oordeel dat buiten de regeling van de aandeelhouderssplitsing geen verplichting voortvloeit of kan voortvloeien om minderheidsaandeelhouders te informeren of om hoor en wederhoor toe te passen is ook onjuist omdat het de structuur van onze wetgeving miskent. De regels over de splitsing zijn niet exclusief en uitputtend bedoeld, in die zin dat nooit een recht of verplichting zou kunnen ontstaan die daarin niet uitdrukkelijk is genoemd. Bestuurders, meerderheidsaandeelhouders of financiële dienstverleners zijn per slot van rekening ook gebonden aan tal van andere wetten en voorschriften die gelijktijdig van toepassing zijn. Daaruit kunnen ook voorschriften voortvloeien. In het vennootschapsrecht komt immers zonder twijfel hoe dan ook betekenis toe aan algemene rechtsnormen, zoals artikel 2:8 BW, artikel 3:13 BW en artikel 6:162 BW.87. Dat volgt bijvoorbeeld uit het hiervoor aangehaalde arrest Versatel88. en het arrest Funda.89. Elser c.s. hebben op die normen een beroep gedaan.
79.
Ten derde, het hof oordeelt ten onrechte dat uit de rechtspraak geen aanspraak zou kunnen bestaan op een veel verdergaande mate van transparantie dan voorzien in de regeling van de splitsing. Elser c.s. hebben toegelicht dat in deze zaak sprake was van een tegenstrijdig belang. [verweerder 1] was immers zowel als bestuurder als grootaandeelhouder betrokken bij de splitsing (zie subonderdeel 3.3.3, rov. 3.51). Elser c.s. hebben in de pleitnota in eerste aanleg verwezen naar vaste rechtspraak waaruit volgt dat in zo een geval waarin sprake is of kan zijn van belangenverstrengeling ook informatie moet worden verstrekt ‘waarop (…) minderheidsaandeelhouders als zodanig geen recht hebben’.90. De Hoge Raad overwoog bijvoorbeeld in het Joral-arrest: ‘In tegenstrijdig-belangsituaties van het bestuur (zal) mogen worden verwacht dat het de verschillende belangen gescheiden houdt en dat het zo veel mogelijk zorgvuldigheid en openheid betracht.’91. Een recente dissertatie over informatierechten van aandeelhouders bevestigt dat dit bestendige rechtspraak is.92.
80.
Ten vierde, het hof stelt ook ten onrechte dat artikel 1 EP EVRM geen verplichting mee zou brengen of kunnen brengen die verplicht minderheidsaandeelhouders te betrekken op een andere wijze dan dat ‘volgt uit de regeling van de aandeelhouderssplitsing’. Uit artikel 1 EP EVRM volgt evenwel dat men niet onteigend mag worden anders dan na een met waarborgen omkleed proces dat voorziet in een eerlijke volledige beoordeling van de omvang van de vergoeding (zie subonderdeel 1.2). Het recht op een eerlijke beoordeling omvat zonder twijfel het recht op hoor en wederhoor. Verdragen zijn hoger in rang dan de nationale wet- en regelgeving. Het hof miskent dat toepassing van nationale wet- en regelgeving achterwege moet blijven als dat leidt tot een schending van artikel 1 EP EVRM en/of artikel 6 EVRM.
81.
Ten vijfde, voor zover het hof dit alles niet zou hebben miskend maar een specifiek op deze zaak toegesneden oordeel zou hebben willen vellen, dan is de beoordeling onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft in de bestreden overwegingen immers niet kenbaar aan de hand van de specifieke omstandigheden van dit Geval93. getoetst of deze rechtsnormen in dit geval noopten tot meer transparantie en/of hoor en wederhoor bij de totstandkoming van de bepaling van de waarde van de aandelen.
82.
Ten zesde en tot slot: Het oordeel dat buiten de regeling van de aandeelhouderssplitsing volgens het burgerlijk recht geen verplichting voortvloeit of kan voortvloeien om minderheidsaandeelhouders te informeren of om hoor en wederhoor toe te passen is tot slot ook onjuist omdat dit geen werkelijke respons is op de kernstelling die in deze zaak is ingenomen. Die kernstelling luidt dat het gebrek aan transparantie en het gebrek van hoor en wederhoor bij de totstandkoming van de waardering belangrijke omstandigheden zijn bij de toepassing van normen zoals artikel 2:8 BW, artikel 3:13 BW en artikel 6:162 BW en artikel 1 EP EVRM.94. Zelfs als vergaande transparantie of hoor en wederhoor wettelijk niet vereist zouden zijn, dan nog zijn dit wel relevante omstandigheden die in een concreet geval eraan bij kunnen dragen dat sprake is van een schending van één of meer van deze open normen.
2.3. Klachten over termijn en transparantie (rov. 3.33—3.40)
2.3.1. Oordeel over ontduiking uitkoopprocedure (rov. 3.34 en 3.35)
83.
Het hof oordeelt terecht dat de wens van een meerderheidsaandeelhouder om niet belast te worden met de aanwezigheid van minderheidsaandeelhouders op zichzelf legitiem is (rov. 3.34). Het hof oordeelt dat ‘van ‘ontduiking’ van de [uitkoopregeling] geen sprake kan zijn’. Het hof bedoelt daarmee kennelijk dat een meerderheidsaandeelhouder kan kiezen om de uitkoopregeling al dan niet te gebruiken. Het hof vervolgt dat in het prospectus niet is gesteld dat daarvan noodzakelijkerwijs gebruik gemaakt moet worden. Dat alles is op zichzelf juist (zie ook § 54 e.v.). Het hof vervolgt met enkele overwegingen over de doelstellingen van de aandeelhouderssplitsing. Die overwegingen zijn, als daarin enige beslissing zou zijn vervat, onjuist danwel onbegrijpelijk op de gronden genoemd in subonderdeel 1.3. Zij vormen ook geen respons op de kernstelling dat het ontbreken van waarborgen meebrengt dat het besluit tot splitsing strijdig is met open normen.
2.3.2. oordeel over on redelijk korte termijn en kort geding (rov. 3.38—3.40)
84.
Elser c.s. hebben geklaagd dat zij niet tijdig zijn geïnformeerd over het voorstel tot splitsing. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd:
- a.
Op 8 november 2016 kwam het (definitieve) KPMG-Rapport tot stand.95. Op 15 november 2016 heeft het bestuur het besluit genomen inhoudende een voorstel tot de splitsing.96.
- b.
Elser c.s. hebben als enige overgebleven aandeelhouders die stukken niet direct gekregen. Zij hebben toegelicht dat zij pas zijn geïnformeerd op 9 december 2016. Dat gebeurde middels een oproeping voor de algemene vergadering van aandeelhouders van 21 december 2025.97.
- c.
Elser c.s. hebben direct per brief en later ook in rechte kenbaar gemaakt dat de hen gegunde termijn van twaalf dagen in de drukke periode voor kerst, mede gezien het feit dat haar vertegenwoordigers in het buitenland zijn gevestigd, onredelijk kort was.98.
85.
Het hof verwerpt (kennelijk) de stelling dat de termijn van twaalf dagen onredelijk kort was (rov. 3.40). Het hof oordeelt (kennelijk ook op dit punt) dat niet is komen vast te staan dat onvoldoende transparant is gehandeld. Het hof oordeelt (kennelijk) dat in dit kader belang toekomt aan de regeling van de splitsing en dat niet vaststaat dat die niet is nagekomen (rov. 3.38 en 3.39).
86.
Het oordeel van het hof dat de termijn van twaalf dagen niet te kort was en niet is komen vast te staan dat onvoldoende transparant is gehandeld, is rechtens onjuist. Het hof miskent dat de wettelijke regeling van de splitsing bepaalt dat aandeelhouders een maand voorafgaand aan de algemene vergadering kennis moeten kunnen nemen van relevante stukken, waaronder het splitsingsbesluit en het accountantsrapport (zie art. 2:334h en 2:2334m BW). De richtlijnen waarop die termijn is gebaseerd zijn op dit punt nog duidelijker:
‘Iedere aandeelhouder heeft het recht ten minste een maand vóór de datum van de algemene vergadering die over het splitsingsvoorstel moet besluiten (…) kennis te nemen van ten minste de volgende bescheiden (…)’ 99.
87.
De verwerping van de stelling dat de termijn te kort was en het oordeel dat niet is gebleken dat onvoldoende transparant is gehandeld, is in het licht van de ingenomen stellingen en wettelijke normen die (ambtshalve) toegepast hadden moeten worden in ieder geval onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het gezien de gevolgen van de splitsing, complexiteit van de materie, de omvang van deze vennootschap en de noodzaak deskundigen in te schakelen zozeer zou mogen worden afgeweken aan een termijn die volgt uit de wet en daaraan ten grondslag liggende richtlijn.
88.
Het slagen van één van de hiervoor genoemde klachten raken ook de vervolgoverweging dat ‘niet valt in te zien dat Elser c.s. geen kort geding hadden kunnen starten om de aandeelhouderssplitsing tegen te houden als zij daar gronden toe zagen’. Het hof verbindt overigens (terecht) geen enkele gevolgen aan deze overweging. Zekerheidshalve wordt hier nogmaals opgemerkt dat nooit enig principieel bezwaar is aangevoerd tegen het verlies van de aandelen.100. Elser c.s. hebben er begrip voor dat een minderheidsaandeelhouder alle aandelen wilde hebben en zagen aldus geen ‘gronden’ om een kortgeding te beginnen om de splitsing in zijn geheel te blokkeren. Zij wilden slechts een reële en redelijke vergoeding en kozen om die reden voor deze bodemprocedure.
89.
Het slagen van de hiervoor genoemde klachten over de onredelijk korte termijn hebben ook gevolgen voor de eerdere en latere beoordeling. Het hanteren van een onredelijke termijn in strijd met de letter en/of de geest van de wet is immers een relevante omstandigheid bij de toepassing van open normen als bedoeld in o.m. artikel 2:8 BW, artikel 3:13 BW en artikel 6:162 BW en artikel 1 EP EVRM.101.
2.3.3. Geen transparantie onderliggende stukken na de splitsing (rov. 3.36 en 3.37)
90.
Elser c.s. hebben geklaagd dat zij ten tijde van de splitsing de onderliggende informatie behorend bij de waarderingsrapporten meermaals hebben opgevraagd maar niet hebben gekregen. Het ging in het bijzonder om de data die ten grondslag lagen aan het waarderingsrapport van KPMG. Zonder die gegevens was het niet mogelijk de juistheid van dat rapport te verifiëren.102. Verzoeken om die informatie zijn echter steevast geweigerd. Dat blijkt ook uit het citaat op de zitting in eerste aanleg in de verzoekschriftprocedure.103.
91.
Een kleine drie jaar na de splitsing heeft het hof een deskundige benoemd die de betreffende gegevens ook nodig had en ook heeft opgevraagd.104. Head c.s. hebben toen pas voor het eerst een groot deel van de onderliggende stukken verstrekt.105. Elser c.s. hebben dit ten grondslag gelegd aan hun stelling dat bij de waardering geen transparantie is betracht en dat dit ook een omstandigheid is die relevant is bij de toepassing van normen zoals artikel 2:8 BW, artikel 3:13 BW, artikel 6:162 BW en artikel 1 EP EVRM.106.
92.
Het hof heeft hier niet begrijpelijk op gerespondeerd. Het hof oordeelt dat uit de beschikkingen van het hof in de verzoekschriftprocedure ‘geenszins volgt’ dat relevante informatie is achtergehouden die verstrekt had moeten worden (rov. 3.36). Dat zulks zou blijken uit de beschikkingen in de verzoekschriftprocedure is echter nooit gesteld.107. De daaropvolgende overweging bespreekt alleen twee stukken die uiteindelijk nooit zijn verstrekt en waarvan de deskundige heeft gesteld dat die niet relevant zijn (rov. 3.37). Die overweging is wellicht juist, maar betreft geen begrijpelijke respons op de stellingen die in rechte zijn ingenomen. Waar het om gaat is dat jarenlang ten onrechte geweigerd is onderliggende stukken te verstrekken. Dat strookt niet met de normen zoals hiervoor besproken in §§ 73, 77 en 79. Deze omstandigheid is relevant in het kader van de beoordeling van de in deze zaak ingeroepen zorgvuldigheidsnormen.
2.4. Klachten over de voorgeschiedenis (rov. 2, 3.41)
2.4.1. Inleiding
93.
Het hof oordeelt in rov. 2 dat het hof voor zover relevant acht zal slaan op stellingen zoals aangevoerd door Elser c.s. Het hof voegt daaraan toe dat het de rechter vrij staat ‘een selectie te maken van de feiten die hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt’. Vervolgens bespreekt het hof in één pagina een heel beperkte selectie van feiten en omstandigheden. Het hof gaat uiteindelijk niet, althans, zeer summier in op aangehaalde feiten, waaronder bijvoorbeeld de stellingen zien op de voorgeschiedenis.
2.4.2. Stellingen over de voorgeschiedenis
94.
Elser c.s. zijn in de stukken onder andere uitvoerig ingegaan op de voorgeschiedenis. Zij hebben toegelicht dat eerder pogingen zijn ondernomen om hen en andere minderheidsaandeelhouders te benadelen. Dit is in de inleiding van dit middel onder verwijzing naar de vindplaatsen in de stukken toegelicht (zie § 9—11). Daar is bijvoorbeeld gewezen op de plannen voor een aandelenemissie die zou leiden tot aanzienlijke verwatering van de bestaande aandeelhouders. In de media verschenen berichten waarin de plannen werden bestempeld als een ‘appaling legalized raid’. Toen de toezichthouder een onderzoek wilde beginnen naar marktmanipulatie werd het voorstel ingetrokken.
95.
Elser c.s. hebben een beroep gedaan op het samenstel van feiten in deze zaak. Zij hebben duidelijk gemaakt dat ook de eerdere voortdurende pogingen minderheidsaandeelhouder buiten spel te zetten meebrengen dat in strijd is gehandeld met o.m. artikel 2:8 BW, artikel 3:13 en artikel 6:162 BW.108. Elser c.s. hebben in dit kader gesteld dat de voorgeschiedenis laat zien dat hun belangen en die van andere minderheidsaandeelhouders structureel zijn verwaarloosd.109.
96.
Het hof heeft de relevante feiten die zien op deze voorgeschiedenis niet vastgesteld en niet besproken. Het hof heeft de stelling dat eerder voortdurend de ‘belangen van minderheidsaandeelhouders werden verwaarloosd’ slechts in één enkele zin besproken en verworpen. Het hof oordeelt niets meer of anders dan dat ‘de relevantie van eerdere uitstootprocedures ten aanzien van andere minderheidsaandeelhouders voor het onderhavige geschil ontbreekt’ (rov. 3.41).
2.4.3. Rechter is niet vrij om te bepalen welke feiten relevant zijn (rov. 2)
97.
Het algemene oordeel in rov. 2 dat het de rechter vrij zou staan zelf te bepalen welke selectie van feiten hem relevant voorkomen is rechtens onjuist. De rechter heeft op dit punt immers geen (vergaande) discretionaire bevoegdheid of vrijheid. De vraag of feitelijke stellingen relevant zijn moet immers worden beoordeeld aan de hand van de ingeroepen rechtsnormen.110. In deze zaak is in het bijzonder een beroep gedaan op de (open) normen als vervat in artikelen 2:8, 3:13, 6:162 BW en artikel 1 EP EVRM. Het is vaste rechtspraak dat bij de toepassing van deze normen acht moet worden geslagen op de ‘omstandigheden van het geval’.111. Indien en voor zover een partij essentiële en mogelijk relevante (feitelijke) stellingen inneemt is de rechter gehouden daarop te responderen.112.
2.4.4. De relevantie van de voorgeschiedenis (rov. 3.41)
98.
Het hof oordeelt zonder nadere motivering dat ‘de relevantie van eerdere uitstootprocedures ten aanzien van andere minderheidsaandeelhouders voor het onderhavige geschil ontbreekt’ (rov. 3.41). Dit oordeel is hoe dan ook onbegrijpelijk, omdat het geen begrijpelijke respons op de ingenomen stellingen. Die stellingen waren niet beperkt tot uitstootprocedures ten aanzien van andere minderheidsaandeelhouders. Die stellingen zagen op alle minderheidsaandeelhouders, waaronder uitdrukkelijk ook Elser c.s. Zoals bij pleidooi verwoord: ‘dit handelen raakte ook’ Elser c.s.113. Zij hadden de aandelen immers (kort) na de beursgang gekocht.114.
99.
Het oordeel in rov. 3.41 getuigt voorts van een onjuiste rechtsopvatting omdat de ingeroepen stellingen relevant zijn of kunnen zijn voor een beroep op open redelijkheids- en zorgvuldigheidsnormen als artikel 2:8 BW, artikel 3:13 BW, artikel 6:162 BW en artikel 1 EP EVRM. Het hof miskent namelijk dat voor een beroep op deze normen de ‘omstandigheden van het geval’ in de beoordeling betrokken moeten worden. De stelling dat eerder sprake was van handelen waarbij de belangen van een minderheidsaandeelhouder structureel zijn verwaarloosd zal in dat kader niet buiten beschouwing mogen worden gelaten. De beoordeling is in ieder geval onvoldoende gemotiveerd, omdat zonder nadere motivering, die geheel ontbreekt, niet valt in te zien dat en waarom dit eerdere handelen in dit specifieke geval niet relevant zou kunnen zijn voor de inkleuring van de ingeroepen rechtsnormen.
2.5. Hof gaat voorbij aan de kern van de argumenten
100.
Elser c.s. hebben aangevoerd dat de voorgeschiedenis, het gebrek aan transparantie, hoor en wederhoor en (echte) onafhankelijkheid belangrijke factoren zijn die meebrengen dat sprake is of kan zijn van een schending van artikel 2:8 BW, artikel 3:13 BW, artikel 6:162 BW en/of artikel 1 EP EVRM.115. Het hof heeft de stellingen niet in die sleutel beoordeeld. Althans, deze niet kenbaar meegewogen in de overwegingen waarin deze normen aan het slot van het arrest kort worden genoemd (rov. 3.77). Aldus is het hof niet werkelijk ingegaan op de essentiële stelling die in dit verband is ingenomen.
3. Hof miskent het belang van een eerlijke en redelijke vergoeding bij gedwongen uitstoting van minderheidsaandeelhouders
3.1. Inleiding op klachten over rov. 3.42—3.75.
101.
Het hof gaat in het arrest in op de verschillende waarderingen (rov. 3.43—3.75). Het hof volgt — kort samengevat — het oordeel van de deskundige dat het aannemelijk is dat de waarde van de onderneming in werkelijkheid hoger is dan de waardering van KPMG (rov. 3.48—3.49). Dit onderdeel klaagt dat het hof daaraan ten onrechte geen consequenties verbindt en ten onrechte oordeelt dat desondanks geen sprake is van een onevenredige benadeling. Dit onderdeel vervolgt met een aantal klachten over de overwegingen die zien op de waardering door KPMG.
102.
Ter nadere inleiding en toelichting van de navolgende klachten wordt eerst ingegaan op de relevante rechtsnormen. Het hof erkent dat aandelen moeten worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 EP EVRM (rov. 3.12). Het hof overweegt onder verwijzing naar vaste rechtspraak dat de bescherming van eigendom niet absoluut is en dat een inbreuk gerechtvaardigd kan zijn indien deze is voorzien bij wet, een gerechtvaardigd algemeen belang dient, en proportioneel is (rov. 3.12). Het hof benadrukt (terecht) dat het bij de proportionaliteitstoets onder andere van belang is in ‘hoeverre een aanspraak bestaat op een vergoeding’ (rov. 3.18).
103.
Het is vaste rechtspraak dat bij een onteigening de vergoeding redelijk moet zijn in verhouding tot de waarde van het goed dat onteigend is.116. Uitgangspunt is dat een volledige compensatie wordt geboden, met dien verstande dat het algemeen belang kan meebrengen dat daarvan wordt afgeweken. Als de vergoeding niet redelijk is zal normaal gesproken sprake zijn van een disproportionele inbreuk op het eigendomsrecht. De EHRM Guide stelt onder verwijzing naar vaste rechtspraak:
- ‘181.
The taking of property under the second sentence of the first paragraph of Article 1 of Protocol No. 1, without payment of an amount reasonably related to its value, will normally constitute a disproportionate interference and a total lack of compensation can be considered justifiable only in exceptional circumstances (Former King of Greece and Others v. Greece (just satisfaction) [GC], 2002, § 89; see also Katona and Závarský v. Slovakia, 2023, § 63). (…)
- 183.
While it is true that in many cases of lawful expropriation only full compensation can be regarded as reasonably related to the value of the property, that rule is not without its exceptions (Former King of Greece and Others v. Greece (just satisfaction) [GC], 2002, § 78; Scordino v. Italy (no. 1) [GC], 2006, § 96). The provision does therefore not, guarantee a right to full compensation in all circumstances, since legitimate objectives of ‘public interest’ (such as those pursued in measures of economic reform or designed to achieve greater social justice) may call for less than reimbursement of the full market value (James and Others v. the United Kingdom, 1986, § 54; Papachelas v. Greece [GC], 1999, § 48; The Holy Monasteries v. Greece, 1994, §§ 70—71; J.A. Pye (Oxford) Ltd and J.A. Pye (Oxford) Land Ltd v. the United Kingdom [GC], 2007, § 54; Urbárska Obec Trenčianske Biskupice v. Slovakia, 2007, § 115; Pálka and Others v. the Czech Republic, 2022, § 49; Maria Azzopardi v. Malta, 2022, § 54).’ 117.
104.
In de Nederlandse rechtspraak en literatuur wordt algemeen aangenomen dat de vergoeding die aan een minderheidsaandeelhouder toekomt moet stroken met de waarde van de aandelen ‘reasonably related with its value’. Dat geldt zowel voor uitkoop, uitstoot of splitsing.118. Willems schrijft bijvoorbeeld: ‘Aan de rechtspraak is de belangrijke regel te ontlenen dat naarmate iemand minder vrijwillig zijn aandelen afstaat, hij meer aanspraak heeft op een billijke prijs. (…). En billijk wil zeggen dat de prijs van een aandeel correspondeert met het pro rata parte-gedeelte van de onderliggende waarde van de onderneming.’119. De Ondernemingskamer heeft recent ook een leidraad voor waarderingsdeskundigen gepubliceerd waarin staat dat de prijs in een redelijke verhouding moet staan tot de waarde van de aandelen, ‘[d]aarbij wordt de prijs van de over te dragen aandelen (…) in beginsel vastgesteld op het pro rata parte deel van de reële waarde van 100% van de aandelen (…)’120.
3.2. Hof miskent dat de aanzienlijk lagere vergoeding onevenredig is
105.
Het hof gaat in op verschillende waarderingen. KPMG heeft de vennootschap op de relevante peildatum gewaardeerd op een bedrag van EUR 68 miljoen (rov. 3.44). Dit bedrag ligt ten grondslag aan het bedrag dat als vergoeding per aandeel is toegekend bij de splitsing.
106.
Het hof kent veel gewicht toe aan oordeel van de onafhankelijke gerechtelijke deskundige. Die deskundige kwam op basis van een discounted cash flow methode op de relevante peildatum tot een tot een waarde van EUR 104 miljoen en een range van EUR 85,6 miljoen tot EUR 127,2 miljoen (rov. 3.48). De deskundige concludeert dat ‘het aannemelijk is dat de waarde van Head (…) in werkelijkheid hoger is dan de door KPMG vastgestelde waarde (…) van 68,1 M€ (…) van Head’ (rov. 3.48).
107.
Het hof acht deze bevindingen en waarderingen van de deskundige goed gemotiveerd en overtuigend, en geeft aan dat het de conclusies van de deskundige overneemt en tot de zijne maakt (rov. 3.49). Dit betekent ook dat in cassatie vaststaat dat het ‘aannemelijk is’ dat een vergoeding is toegekend die lager is dan de waarde van de onteigende aandelen in Head. De door het hof gevolgde deskundige kwam tot een waardering van de vennootschap en de aandelen die ruim vijftig procent hoger ligt dan die van KPMG (rov. 3.48 en 3.49). Het hof meent desondanks dat geen sprake is van ernstige gebreken, maar eerder van kanttekeningen en andere keuzes (rov. 3.50). Het hof oordeelt dat het verschil ‘niet van dien aard’ is dat de vergoeding niet in een ‘redelijke verhouding’ staat tot de waarde van de aandelen (rov. 3.75). Elser c.s. zijn — aldus het hof — niet ‘onevenredig benadeeld’ (rov. 3.75).
108.
Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het uitgangspunt is immers dat een minderheidsaandeelhouder aanspraak moet kunnen maken op een volledige vergoeding, een reële en redelijke vergoeding, een vergoeding die correspondeert met het pro rata parte deel van de waarde van de onderneming (zie §§ 102—104). Aangezien de vergoeding voor de aandelen volgens de door het hof uitdrukkelijk gevolgde deskundige zelf ruim vijftig procent hoger had moeten liggen, is sprake van een dusdanig verschil dat sprake is van een onevenredige benadeling.
109.
Assink heeft in een recente conclusie de rechtspraak samengevat over de vraag wanneer een vergoeding voor de onteigening van een goed ‘reasonably related [is] to its value’.121. Assink heeft daarin terecht opgemerkt dat de vraag of een vergoeding redelijk is afhangt van de omstandigheden. Tegen die achtergrond zou men wellicht kunnen stellen dat het feit dat een verschil in waardering met meer dan vijftig procent weliswaar een zeer sterke indicatie vormt, maar op zichzelf niet noodzakelijkerwijs altijd de conclusie rechtvaardigt dat geen sprake is van een reële en redelijke prijs. In dat geval heeft te gelden dat het hof in ieder geval in het licht van de in deze zaak vaststaande aanvullende omstandigheden had moeten concluderen dat sprake is van een onevenredige benadeling. Die aanvullende omstandigheden bestaan onder andere uit het ontbreken van procedurele waarborgen (zie onderdelen 1 en 2). Elser c.s. hebben ook de omvangrijke kosten voor de onafhankelijke deskundige moeten dragen en hebben ook overigens veel proceskosten moeten maken. Die proceskosten gaan het bedrag van de vergoeding reeds te boven. Naar vaste rechtspraak is ook dat een omstandigheid die meebrengt dat sprake is van onevenredigheid.122.
110.
Maar zelfs als zou moeten worden geoordeeld dat hier nog enige ruimte zou bestaan voor een weging van omstandigheden, dan had het hof de beslissing op dit punt beter moet motiveren. Het zeer grote verschil in waardering is immers een dusdanige indicatie dat sprake is van onevenredige benadeling dat het hof minst genomen uitvoerig had moeten aangeven welke andere omstandigheden zouden meebrengen dat daaraan geen doorslaggevende betekenis toekomt. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt in ieder geval niet in te zien dat en waarom het de minderheidsaandeelhouders in deze zaak genoegen zouden moeten nemen met aanzienlijk minder dan het pro rata parte deel van de door de deskundige vastgestelde en door het hof onderschreven waarde van de onderneming.
111.
Het oordeel van het hof dat geen sprake is van een onevenredige benadeling getuigt voorts van een onjuiste rechtsopvatting omdat de lage vergoeding hoe dan ook een factor was die had moeten worden meegewogen bij de toepassing van artikel 2:8, BW, artikel 3:13 BW en artikel 6:162 BW. Ook als deze omstandigheid op zichzelf al niet beslissend is of leidt tot onevenredigheid, betreft het in ieder geval een omstandigheid van het geval waar relevantie aan toe komt en die samen met andere aangevoerde omstandigheden tot de slotsom kan leiden dat is gehandeld in strijd met deze zorgvuldigheidsnormen. Het hof heeft deze omstandigheid in dat kader niet meegewogen, noch in de overwegingen die zien op de waardering, noch in rov. 3.77.
3.3. Hof gaat niet afdoende in op gebreken rapport KPMG
3.3.1. Inleiding
112.
Het hof geeft een samenvatting van het rapport van KPMG (rov. 3.43—3.44). Het hof bespreekt ook enkele bevindingen en conclusies van de gerechtelijke deskundige (rov. 3.45—3.48). Het hof acht dat deskundigenbericht inzichtelijk en consistent en neemt de conclusies daarvan over en maakt die tot de zijne (rov. 3.49). Het hof gaat vervolgens op kritiek op het rapport van KPMG. Het hof oordeelt dat uit de aangevoerde stellingen niet zou volgen dat dit rapport ondeugdelijk is (zie rov. 3.50—3.68). Tegen dat laatste oordeel richten zich de navolgende klachten.
113.
Elser c.s. hebben in deze procedure gewezen op de talrijke gebreken in de waardering die ten grondslag lag aan de aan hen toegekende vergoeding. De kritiek is onderbouwd met verwijzingen naar diverse deskundigenrapporten, waaronder een uitvoerig rapport van Grant Thornton uit 2017.123. Die kritiek — die in ieder geval voor een zeer groot deel is onderschreven door de onafhankelijke deskundige — is niet kenbaar in de beoordeling betrokken. De beoordeling van het hof bevat bovenal overwegingen die niet meer behelzen dan een samenvatting van standpunten. In weer andere gevallen is de motivering nietszeggend, in die zin dat stellingen worden verworpen die niet zijn ingenomen.
3.3.2. Stellen en aannemelijk maken dat een waardering ondeugdelijk is (rov. 3.50)
114.
Het hof constateert dat deskundigen tot verschillende waarderingen kunnen komen. De onafhankelijke deskundige kwam tot een andere waardering dan KPMG. Het hof stelt dat het feit dat de onafhankelijke deskundige tot een andere waardering kwam ‘op zichzelf’ niet betekent dat sprake was van een ondeugdelijke waardering door KPMG. Elser c.s. achten dat oordeel op zichzelf juist maar ook nietszeggend. Zij hebben nooit het tegendeel bepleit.
115.
Elser c.s. zouden, zo vervolgt het hof, met concrete stellingen aannemelijk moeten maken dat de gebruikte waardering ondeugdelijk was. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals volgt uit de klachten van de hiervoor genoemde middelonderdelen is het aan de rechter om een eigen oordeel te geven over de hoogte van de vergoeding. Als de rechter een onafhankelijke deskundige volgt in diens hogere waardering, dan zal de rechter reeds op basis daarvan een vergoeding kunnen en moeten toekennen die daarmee strookt (zie onderdelen 1 en 3.2). Dan valt niet in te zien waarom voor een hogere vergoeding dan rechtens de aanvullende eis zou gelden dan een minderheidsaandeelhouder aan de hand van concrete feiten en omstandigheden stelt dat een andere waardering die uitkomt op een lager bedrag ondeugdelijk is. Deze klacht raakt alle rechtsoverwegingen over het rapport van KPMG (rov. 3.51—3.74).
3.3.3. Belangenconflict en aanleveren van gegevens (rov. 3.51, 3.61—3.64, 3.74)
116.
Elser c.s. zijn uitvoerig ingegaan op de rol van de heer [verweerder 1]. Hij was meer dan twintig jaar lang onafgebroken voorzitter van de raad van bestuurder en tevens indirect (meerderheids)aandeelhouder van Head.124. [verweerder 1] was ook ten tijde van de splitsing één van de twee bestuurders.125. Hij ondertekende als bestuurder het voorstel voor de splitsing en was als grootaandeelhouder (telefonisch) aanwezig bij de algemene vergadering van aandeelhouders alwaar het voorstel is goedgekeurd.126. Elser c.s. hebben toegelicht dat diens dubbelrol als een belangrijke omstandigheid betreft omdat daaruit volgt dat sprake is van een belangenconflict. [verweerder 1] had als (indirect) aandeelhouder een persoonlijk belang bij een zo laag mogelijke waardering.127. Head c.s. hebben dat ook bevestigd.128. Het hof onderkent dat ook in rov. 3.45 en 3.51.
117.
De onafhankelijke deskundige achtte dit ook een relevante omstandigheid. Een deskundige behoort door het management aangeleverde prospectieve informatie en verwachtingen volgens de toepasselijke regels te toetsen. De deskundige constateerde dat het management in dit geval een belang had bij de uitkomst van de waardering en dat een toetsing aan onafhankelijke gegevens dan aan belang wint.129. Het hof onderschrijft dit kennelijk ook en citeert ook een passage uit het rapport waaruit dit blijkt (rov. 3.45, rov. 3.64).
118.
Elser c.s. hebben uiteengezet dat de kritische toetsing in dit geval ontbrak, althans, dat die onvoldoende was.130. Daartoe zijn verschillende omstandigheden aangevoerd, waaronder de volgende stellingen:
- a.
Uit het KPMG-rapport zelf blijkt dat informatie is ontvangen en aan het rapport ten grondslag is gelegd zonder de juistheid daarvan te controleren. Dat blijkt uit verschillende passages, zoals ‘The management of Head takes full responsibility for the correctness and completeness of the information provided. (…) A separate verification of the information and reliability of the sources of information was not subject to our assignment.’131.
- b.
De onafhankelijke deskundige constateerde dat het kenmerkend is voor partijdeskundigen dat zij met de opdrachtgeven overeen kunnen komen dat bepaalde zaken ‘niet in detail door de deskundige zullen worden onderzocht’, en dat dit in deze zaak gebeurd is in de Management Representation Letter.132. Juist als derden betrokken zijn is het echter cruciaal als een accountant zich een eigen oordeel vormt over toekomstverwachtingen.133.
- c.
In dit geval was een discounted cash flow methode gehanteerd, waarbij veel belang toekomt aan toekomstige verwachtingen van omzet en kosten. Het management had op dit punt een zeer summier stuk aangeleverd. Die informatie heeft, aldus de onafhankelijke deskundige, ‘een subjectief karakter’. Door KPMG gebruikte gegevens achtte de deskundige ‘onvolledig’. De onderbouwing daarvan was ‘bijzonder summier’.134. De deskundige kwam juist op dit punt tot andere bedragen (zie rov. 3.47).
- d.
Elser c.s. hebben uitvoerig toegelicht dat en waarom toekomstige verwachtingen zoals aangeleverd door het bestuur te pessimistisch waren en dat dit een enorm waardedrukkend effect had.135. De onafhankelijke deskundige kwam juist ten aanzien van de cruciale toekomstige verwachtingen tot andere inschattingen (toekomstige omzet, marge, investeringen etc.). De waardering kwam als gevolg daarvan veel hoger uit (zie rov. 3.47).
- e.
KPMG wist dat cruciale prognoses niet waren onderbouwd, wist dat de waardering door de grootaandeelhouder werd gebruikt voor de uitstoot van minderheidsaandeelhouders en wist of had moeten weten van de eerdere mediaophef over pogingen minderheidsaandeelhouders te verwateren.136. Die omstandigheden hadden zeker in het licht van de toepasselijke normen tot een meer kritische houding kunnen en moeten nopen.
119.
Het hof bespreekt de stellingen over belangenverstrengeling en de daaraan gekoppelde kritiek op het rapport van KPMG. Het hof oordeelt:
‘Naar het oordeel van het hof zegt dit niets over de onafhankelijkheid en integriteit van KPMG. Het enkele feit dat [verweerder 1] de management representation letter heeft ondertekend, brengt niet mee dat [verweerder 1] op een zodanig sturende wijze betrokken is geweest bij die waardering dat geconcludeerd kan worden dat KPMG niet onafhankelijk en niet integer heeft gehandeld. Bovendien voeren Head c.s. aan dat het contact met KPMG verliep via [verweerder 2], waarop Elser c.s. niet concreet hebben gereageerd. Daarbij komt dat zelfs als [verweerder 1] wel bij de opdrachtverlening en informatieverschaffing betrokken is geweest, dit niet zonder meer niet zich brengt dat de informatieverschaffing onvolledig subjectief, niet-onderbouwd en te pessimistisch was. Op zichzelf doet het vorenstaande dan ook niet af aan de deugdelijkheid van de door KPMG opgestelde waardering’
(rov. 3.51). Het hof vervolgt later in het arrest dat ook als geldt dat ‘niet zonder meer’ mag worden vertrouwd op aangeleverde gegevens, dat dat op zichzelf nog niet meebrengt dat in het onderhavige geval niet mocht worden uitgegaan van de juistheid en volledigheid van de aangeleverde gegevens (rov. 3.64).
120.
Ten eerste: het hof oordeelt ten onrechte dat het ‘niets zegt’ over de onafhankelijkheid van een deskundige als die eenzijdig wordt geïnstrueerd en in een management letter afspraken maakt specifieke door het management aangeleverde gegevens niet op de juistheid te zullen onderzoeken. Dat oordeel is rechtens onjuist omdat in het algemeen heeft te gelden dat de afspraken tussen een accountant en diens opdrachtgever relevant zijn en kunnen meebrengen dat die accountant meer of minder onafhankelijk is. Het oordeel is hoe dan ook tegenstrijdig, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk omdat de deskundige, wiens rapport het hof onderschrijft, nu juist concludeerde dat het kenmerkend is voor een partijdeskundige dat die met de opdrachtgever afspreekt wat wel en niet (nader) wordt onderzocht (zie § 118b hiervoor).
121.
Ten tweede: het hof oordeelt dat het ‘enkele feit’ dat een bestuurder een management letter ondertekent nog niet betekent dat een deskundige niet integer is. Het hof vervolgt dat een belangenconflict ‘niet zonder meer meebrengt dat de informatieverschaffing onvolledig subjectief, niet-onderbouwd en te pessimistisch was’. Beide stellingen zijn op zich juist maar ook nietszeggend. Elser c.s. hebben nooit het tegendeel bepleit. Elser c.s. hebben zich niet beperkt tot een ‘enkel feit’.137. Hun stellingen over de informatieverschaffing door het management ten aanzien van de toekomstgerichte gegevens zijn onderbouwd met een rapport van Grant Thornton uit 2017. Zij zijn daarnaast ook gebaseerd op de bevindingen van de onafhankelijke deskundige. Diens rapport spreekt immers uitdrukkelijk van gegevens met ‘een subjectief karakter’, gegevens die ‘onvolledig’ zijn en gegevens waarvan de onderbouwing ‘bijzonder summier’ is.138. Uit diens rapport blijkt ook dat de gegevens (te) pessimistisch waren: de deskundige heeft zelf bijvoorbeeld de prognoses voor onder meer de toekomstige omzet naar boven toe bijgesteld (rov. 3.47). Het hof heeft de juistheid van de stelling dat ‘informatieverschaffing onvolledig subjectief, niet-onderbouwd en te pessimistisch was’ tegen deze achtergrond terecht niet verworpen (ook niet in rov. 3.74). Hoe dan ook geldt dat de overwegingen geen dragende of sluitende onderbouwing bieden voor het oordeel over de deugdelijkheid van het rapport van KPMG.
122.
Ten derde: Het hof heeft zo blijkt uit het voorgaande niet op de werkelijk op de hiervoor beschreven ingenomen essentiële stellingen gerespondeerd (zie § 118). Het hof heeft geen duidelijk oordeel gegeven op de informatievoorziening door Head aan KPMG. Het hof oordeelt iets verder dat uit het feit dat volgens de toepasselijke regels voor accountants ‘niet zonder meer’ mag worden vertrouwd op gegevens van het management, niet betekent dat zulks in dit geval niet mocht (rov. 3.64). Het hof heeft enkel op basis van nietszeggende stellingen een niet dragende motivering gegeven voor het onvolledige oordeel dat ‘het vorenstaande’ ‘op zichzelf’ niet zou afdoen aan de deugdelijkheid van het rapport van KPMG (rov. 3.51). Wat er ook zij van deze stellingen: het is geen respons op de stellingen die zijn ingenomen en kan dus geen begrijpelijke motivering vormen voor de (kennelijke) latere eindconclusie over de deugdelijkheid van het rapport van KPMG.
123.
Ten vierde: het hof suggereert het een en ander over de vermeende onafhankelijkheid van KPMG (rov. 3.51 en 3.63). Elser c.s. menen dat hierin geen beslissing valt te onderkennen. Maar als daarin een beslissing moet worden gelezen waarvan de strekking is dat deze dienstverlener onafhankelijk was, dan is het hof ten onrechte buiten het partijdebat getreden (art. 24, 149 en 153 Rv). KPMG was de vaste accountant van de vennootschap. KPMG heeft erkend dat zij volgens de op haar van toepassing zijnde regels niet kwalificeert als een onafhankelijke deskundige.139.
3.3.4. Deugdelijkheid rapport KPMG in het licht van kritiekpunten (rov. 3.52—3.68)
124.
Het hof heeft kennelijk de deugdelijkheid getoetst van het rapport van KPMG. Het hof wijdt daaraan verschillende overwegingen in rov. 3.50—3.68. In veel daarvan ligt geen werkelijke beslissing vervat, maar het hof lijkt te oordelen dat het geheel de conclusie rechtvaardigt dat niet is komen vast te staan dat sprake was van enige rechtsschending door KPMG. Die beoordeling is onbegrijpelijk omdat essentiële stellingen onbesproken zijn gebleven. Het hof gaat niet werkelijk in op de kritiek die is geleverd op het rapport van KPMG.
125.
Het hof bespreekt stellingen over de openingskoers van de aandelen ten tijde van de beursgang, het vermogen van de grootaandeelhouder en de sponsoruitgaven van de onderneming (zie m.n. rov. 3.52 en 3.53). Elser c.s. hebben daarover stellingen ingenomen, maar deze worden door het hof uit het verband gerukt.140. Elser c.s. hebben niet met een beroep daarop bepleit dat ‘dus’ sprake is van een ondeugdelijke fouten in het rapport van KPMG. Het hof bespreekt ook overigens kwesties die geen gerichte kritiek vormden op onderdelen van het rapport van KPMG. Het gaat vooral om andere rapporten die gebruik maken van andere methoden (zie bijv. rov. 3.54—3.55). Uiteraard laten de stellingen en rapporten in algemene zin zien dat de waardering (te) laag is, maar daarin ligt inderdaad geen gerichte kritiek besloten op specifieke delen of veronderstellingen van het rapport van KPMG.
126.
Elser c.s. hebben wel heldere kritiek geuit op het rapport dat aan de waardering van de vergoeding die zijn ontvingen ten grondslag lag. Die kritiek hebben zij reeds uitvoerig kenbaar gemaakt en uiteengezet in de verzoekschriftprocedures voordat de onafhankelijke deskundige was benoemd.141. Die kritiek is vooral vervat in het eerste deskundigenbericht van de hand van Grant Thornton van 30 mei 2017. Elser c.s. hebben in de dagvaarding hun kritiekpunten samengevat. Het kopje in de dagvaarding luidt: ‘Grant Thornton laat zien dat waardering ernstige fouten bevat’. De dagvaarding noemt zes specifieke en concrete
kritiekpunten, onder verwijzing naar eerdere stukken in de verzoekschriftprocedure142. en het voornoemde rapport van Grant Thornton:
- ‘a.
KPMG heeft geen gedegen peer group analyse verricht.
- b.
KPMG is bij haar berekening ten onrechte uitgegaan van een zeer lage verwachte omzetgroei van 0.5% tussen 2017 en 2021. Die verwachting is in tegenspraak met de historische groeicijfers en marktgegevens.
- c.
KPMG heeft, zonder nadere onderbouwing, de gunstige resultaten over de jaren 2015 en 2016 buiten beschouwing gelaten.
- d.
KPMG is ten onrechte en zonder onderbouwing uitgegaan van veel te hoge investeringen over de jaren 2017 t/m 2020 (Capex).
- e.
Het KPMG Rapport is op onderdelen oncontroleerbaar.
- f.
De daadwerkelijke resultaten over het jaar 2016 bleken aanzienlijk gunstiger dan de pessimistische inschattingen in het KPMG Rapport.’ 143.
127.
De onafhankelijke deskundige heeft die kritiek in aanmerking genomen. Het Grant Thorntonrapport is als bijlage bij zijn rapport gevoegd. De deskundige schrijft dat zijn ‘waarderingsanalyse beschouwd dient te worden in samenhang met het KPMG rapport en de reactie daarop door Grant Thornton.’144. De deskundige maakt ook duidelijk op welke punten andere keuzes zijn gemaakt dan KPMG. De korte samenvatting daarvan die wordt geciteerd door het hof maakt reeds duidelijk dat de kritiek volgens de deskundige in ieder geval voor een groot deel terecht is en ook werkelijk is meegenomen. De deskundige gaat bijvoorbeeld uit van een veel hogere toekomstige omzetgroei dan KPMG (zie rov. 3.47).
128.
Het hof gaat ten onrechte niet in op essentiële stellingen. Het hof gaat niet in op alle zes de hiervoor genoemde belangrijke initiële kritiekpunten. KPMGs peer group analyse en de kritiek daarop wordt bijvoorbeeld nergens besproken.145. Hetzelfde geldt voor kritiek op de hoge investeringskosten. Het hof noemt ook nergens het kritische rapport van Grant Thornton van 30 mei 2017. Het hof noemt alleen terloops een ander rapport van Grant Thornton (zie rov. 3.54 en 3.59). Dat andere rapport is op dit punt minder relevant, het laat weliswaar zien dat de waardering veel hoger zou moeten zijn, maar het betreft geen kritische bespreking van het eerdere rapport van KPMG.
129.
Elser c.s. hebben in de dagvaarding toegelicht dat de onafhankelijke deskundige in de kern bevestigt dat kritiek terecht was. In de dagvaarding worden acht concrete punten genoemd waarin de deskundige kritiek heeft op, of afwijkt van het rapport van KPMG.146. Het hof onderkent dat, maar zwakt de verschillen zonder enige motivering af en spreekt van kritische ‘kanttekeningen’ in plaats van ‘ernstige gebreken’ (rov. 3.50). Die kwalificatie wordt op geen enkele manier gemotiveerd. Het hof geeft niet aan dat en waarom de verschillen van ondergeschikte aard zouden zijn. Gezien het enorme verschil tussen de waarderingen valt in ieder geval zonder nadere motivering niet in te zien waarom relativerende bewoordingen worden gebruikt. Het hof bespreekt ook niet alle concrete kritiekpunten waarvan is gesteld dat deze ook volgen uit het rapport van de onafhankelijke deskundige.
130.
Het hof bespreekt wel een ander argument dat in deze procedure is gericht tegen de waardering van zowel de onafhankelijke deskundige als KPMG (rov. 3.59). Beide komen op basis van een discounted cash flow benadering tot een waardering die lager is dan de som van de boekwaarde van de activa. Anders gezegd, als je het vastgoed, uitstaande vorderingen en merken verkoopt tegen balanswaarde en alle schulden aflost, dan resteert een groter bedrag. Economen zijn het erover eens dat een discounted cash flow waardering dan slechts een ondergrens vormt van de reële en redelijke waarde. Als de liquidatiewaarde van de activa hoger is, dan moet daarvan worden uitgegaan. Een voorbeeld: stel je hebt een vennootschap die een kapperszaak exploiteert die naar verwachting in de toekomst break even draait. De inkomende kasstromen zijn ieder jaar gelijk aan de uitgaande kasstromen. Dan zal de waarde van de onderneming op basis van een discounted cash flow methode nihil zijn. Maar wat als de vennootschap vrij is van schulden en beschikt over vastgoed ter waarde van EUR 5 miljoen? Dan kan men in redelijkheid niet zeggen dat de vennootschap niets waard is. Dan zal men om de waarde te berekenen het liquidatiescenario moeten onderzoeken. Elser c.s. hebben tegen deze achtergrond benadrukt dat ook hier het liquidatiescenario had moeten worden onderzocht.147. Het hof verwerpt deze stelling, die is onderbouwd met een deskundigenbericht van Grant Thornton. Het hof verwijst daartoe naar een passage uit het rapport van de onafhankelijke deskundige. Daar staat dat er geen plannen zijn of waren de onderneming te liquideren. Dat is op zich juist, maar daarin valt geen echte en begrijpelijke respons te lezen op de essentiële stelling en fundamentele kritiek op de waarderingsmethode.
131.
Het hof is in het bijzonder wel in verschillende alinea's gegaan op de lage c.q. pessimistische inschattingen van de omzetgroei en marges door het bestuur, die zijn overgenomen en gebruikt in het rapport van KPMG (rov 3.56-58, 3.63, 3.66, 3.68). Dat was een belangrijk punt, omdat dit een belangrijke verklaring betreft waarom de onafhankelijke deskundige kwam tot een veel hogere waardering. Een onderdeel van de kritiek op dit punt was dat op onderdelen geen of onvoldoende rekening is gehouden met de gunstige resultaten uit 2015 en 2016. KPMG was naar eigen zeggen van oordeel dat zij het ‘vertekend beeld van deze uitzonderlijke jaren’148. moest corrigeren en dus na overleg met het management uitging van een toekomstige groei van 0,5% in plaats van de gemiddelde groei van 2,9%.149. Als die jaren wel worden meegenomen en/of geen correctie zou zijn toegepast dan zou men uitkomen op een veel hogere groei en ook veel hogere marges (EBITDA). In dat kader speelde ook dat de peildatum voor de waardering gelijk was aan 31 oktober 2016. De jaarrekening over dat hele jaar was nog niet beschikbaar en het jaar was nog niet helemaal ten einde. Dan rijst de vraag welke gegevens je precies mee moet nemen, daarover gaat het citaat in rov. 5.57. KPMG werkte met (lage) prognoses voor dat jaar, waarbij geen gebruik was gemaakt van de laatste kwartaalrapportages. De onafhankelijke deskundige maakte gebruik van alle historische gegevens, zonder correcties of omissies, en komt uit op een veel hogere groei en marge uit dan KPMG (rov. 3.47). Wat het hof precies doet is onduidelijk. Helder is wel dat volgens de door het hof gevolgde deskundige terecht kritiek is geleverd op de te lage c.q. pessimistische prognoses voor groei en marge. Het arrest is op dit punt tegenstrijdig, althans, zonder nadere toelichting valt in ieder geval niet in te zien waarom hier geen sprake is van terechte kritiek met significante financiële implicaties die afdoet aan de vermeende deugdelijkheid van het rapport van KPMG.
4. Hof miskent het gebrek aan onafhankelijkheid van de zijde van de betrokken accountant HLB
4.1. Inleiding op klachten over rov. 3.69—3.73
132.
Het hof gaat in 3.69-73 in op de handelswijze van de accountant HLB. Elser c.s. hebben — zoals het hof terecht constateert — inderdaad gesteld dat de accountant ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft toegepast en onvoldoende onafhankelijk is geweest. De beoordeling van het hof vat deze stellingen samen, net als een aantal verweren die daartegen zijn aangevoerd (rov. 3.69—3.72). Het hof oordeelt vervolgens ‘niet is komen vast te staan dat HLB bij de uitvoering van (de opdracht inzake de aandeelhouderssplitsing niet voldoende onafhankelijk was, dat zij slechts een marginale toetsing heeft verricht en dat zij in strijd met de internationale wet- en regelgeving en/of haar zorgplicht heeft gehandeld’ (rov. 3.73).
4.2. HLB heeft naar eigen zeggen slechts marginaal getoetst
133.
Het oordeel dat ‘niet is komen vast te staan’ dat HLB ‘slechts een marginale toetsing heeft verricht’ is onbegrijpelijk, althans, onverenigbaar met artikel 24, 149 en/of 153 Rv. HLB heeft als accountant beoordeeld of de ruilverhouding op basis van de gemaakte waardering ‘redelijk is’ als bedoeld in artikel 2:334aa BW. HLB heeft deze zaak de wettelijke toets zelf beperkt opgevat en heeft gesteld dat zij ‘niet noodzakelijkerwijs een geheel zelfstandig waarderingsonderzoek' hoefde te verrichten, hetgeen zij ook niet heeft gedaan.150. HLB heeft het KPMG-rapport enkel ‘gereviewed’ en in dat kader ‘sanity checks’ uitgevoerd.151. HLB stelde dat zij daarbij mocht ‘uitgaan van de juistheid van het bijbehorende rapport van KPMG'. HLB stelt dat dit volgt ‘uit de [door haar toegepaste] toets van controlestandaard NV COS 500.8'. HLB benadrukte ’dat zij in het kader van haar opdracht niet meer hoefde te doen dan een marginale toetsing van het rapport van KPMG.’ HLB heeft gesteld dat het ging ‘om de vraag of de waardering (…) de toets der kritiek kan weerstaan.’152.
4.3. HLB was niet voldoende onafhankelijk
134.
Het oordeel dat niet is komen vast te staan dat de accountant onvoldoende onafhankelijk is getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Althans, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dat oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd. Dat geldt temeer nu in deze zaak vaststaat dat de accountant eenzijdig is benoemd door het bestuur, ook andere werkzaamheden verrichte voor de vennootschap, naar eigen zeggen uitging van de juistheid van de waardering van het bestuur153. en geen hoor en wederhoor heeft toegepast.
135.
De wettelijke splitsingsregeling die voorziet in de accountantstoets sluit aan bij artikel 8 van de toenmalige Zesde Richtlijn.154. Die bepaling schrijft voor dat een beoordeling moet worden verricht door ‘een of meer van de vennootschap onafhankelijke deskundigen die door de overheid of de rechter zijn aangewezen of toegelaten’.155. De Nederlandse wetgever heeft geregistreerde accountants aangewezen als deskundigen (zie artikel 2:334aa jo. 2:393 BW). Maar dat betekent niet dat iedere accountant noodzakelijkerwijs als onafhankelijk kan worden aangemerkt in de zin van de richtlijn.
136.
In de Nederlandse literatuur is weinig geschreven over onafhankelijkheid in het kader van een accountantstoets. Wel heeft een enkele auteur benadrukt dat bij een gedwongen overdracht van aandelen altijd een ‘onafhankelijke’ waardering benodigd is.156. Verschillende auteurs die schrijven over het deskundigenonderzoek in civiele zaken benadrukken eveneens dat een deskundige onafhankelijk of onpartijdig moet zijn en alle partijen voldoende moet betrekken.157. Een daadwerkelijk onafhankelijke deskundige past aldus hoor en wederhoor toe. De door het hof benoemde deskundige in deze zaak merkte op dat het kenmerkend is dat ‘een onafhankelijke deskundige zich laat voorlichten door meerdere belanghebbenden.’158.
137.
Een eenzijdig door het bestuur benoemde deskundige die ook andere opdrachten verricht voor de vennootschap heeft de schijn tegen. De geschillenregeling en uitkoopregeling voorzien tegen deze achtergrond in een door de rechter te benoemen deskundige. Een andere optie is dat partijen overeenstemming bereiken over de te benoemen deskundige. Heads eigen statuten bepalen dat bij een overdracht van aandelen de prijs wordt vastgesteld door een samen aan te wijzen deskundige: ‘één of meer onafhankelijke deskundigen, die wordt voorgedragen voor de verzoeker, welke voordracht dient te worden goedgekeurd door de gegadigden’.159.
138.
Een eenzijdig door het bestuur benoemde accountant die ook andere werkzaamheden verricht voor de vennootschap heeft als gezegd de schijn tegen. Een dergelijke schijn dient reeds vermeden te worden. Dat de andere werkzaamheden ‘feitelijk’ pas zijn aangevangen na de afronding van de opdracht doet daar niet aan af (rov. 3.72). In dit verband kan (ook) worden verwezen naar bestendige rechtspraak over de onafhankelijkheid van deskundigen van het EHRM.160. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt in ieder geval niet in te zien waarom aan deze omstandigheid in deze zaak geen of onvoldoende gewicht toekomt.
139.
In ieder geval geldt dat onafhankelijkheid meebrengt dat een deskundige of accountant zich daadwerkelijk onafhankelijk opstelt. In het verlengde daarvan mag, zeker als duidelijk is dat een splitsing bedoeld is een minderheidsaandeelhouder uit te stoten, een meer kritische toetsing verwacht worden dan dat de accountant, zoals in dit geval, uitgaat van de juistheid van de waardering die is aangeleverd door het management zonder toepassing te geven aan het beginsel van hoor en wederhoor. Dat klemt temeer in deze zaak waarin sprake is van tegenstrijdige belangen en het voor eenieder duidelijk was wat het doel was van de splitsing. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is de beoordeling op dit punt in ieder geval onvoldoende gemotiveerd.
4.4. Oordeel over wet- en regelgeving accountants
140.
Het hof oordeelt zonder motivering dat ‘niet is komen vast te staan’ dat HLB ‘in strijd met internationale wet- en regelgeving en/of haar zorgplicht’ heeft gehandeld’ (rov. 3.73). Dat oordeel is onjuist, althans in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Dat oordeel kan niet standhouden als een van de klachten tegen de eerdere overwegingen waar dit oordeel op is gebaseerd slaagt. Het oordeel is hoe dan ook onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd omdat het hof het geheel niet duidelijk maakt aan welke regels het heeft getoetst en gaat ook niet ingaat op hetgeen dienaangaande is aangevoerd. Dit terwijl in de stukken is gewezen op tal van regelingen, waaronder ook concrete normen die vergen dat juist in gevallen als dit kritisch moet worden gekeken naar aangeleverde informatie.161.
5. Voortbouwklacht en proceskosten
141.
Gegrondbevinding van één of meer van die klachten raakt dus ook de concluderende overwegingen in rov. 3.77—3.78, de beslissing inzake de kosten als vervat in rov. 3.81—3.82 en het dictum van het arrest. Die kosten dienden omdat het hier gaat om een onteigening en gezien de hoogte daarvan in verhouding tot de vergoeding overigens hoe dan ook voor rekening te komen van Head c.s.162.
Conclusie
Elser c.s. vordert op grond van dit middel de vernietiging van het arrest, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten. Elser c.s. vorderen dat verweerders nu reeds worden veroordeeld in de kosten van het deskundigenbericht van de onafhankelijke deskundige. Daarbij speelt dat dit een onteigening betreft en de door hen gedragen kosten reeds ver het bedrag van de door hen ontvangen vergoeding overstijgen.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 24‑06‑2025
Appeldagvaarding d.d. 31 maart 2023 (‘Appeldagvaarding’), § 2.2.2 en Productie 29.
Dagvaarding d.d. 16 april 2021 (‘Dagvaarding’), § 2, 9; CvA (Head c.s.), § 2.7; Vonnis, § 3.3.
Dagvaarding, § 3, 11; Conclusie van Antwoord Head c.s. d.d. 2 maart 2022 (‘CvA (Head c.s.)’), § 2.1; Vonnis rechtbank Amsterdam (zaakkenmerk/rolnummer: C/13/702237 HA ZA 21/480) d.d. 4 januari 2023 (‘Vonnis’), § 3.3;
Dagvaarding, § 10 en Productie 5; CvA (Head c.s.), § 2.7; Vonnis, § 3.3. Arrest, § 2.2.
Dagvaarding, § 10;
Dagvaarding, § 11—12; CvA (Head c.s.), § 2.8; Vonnis, § 3.3; Appeldagvaarding, § 2.1.3 (voetnoot 6);
Dagvaarding, Productie 7, p. 10—11; CvA (Head c.s.), Productie 2, p. 4, 58, 62 en Productie 8, p. 13.
Dagvaarding, § 2.2; CvA (Head c.s.), § 2.16—2.26; Appeldagvaarding, § 2.3.1(a); Memorie van Antwoord Head c.s. d.d. 20 juni 2022 (‘MvA Head c.s.’), § 2.47. Het hof heeft deze voorgeschiedenis afgedaan als irrelevant (Arrest, rov. 3.41). Daarover later meer in onderdeel 3.
Dagvaarding, § 14; CvA (Head c.s.), § 2.17.
Dagvaarding, § 14.
Dagvaarding, § 14—15 en Productie 8; Pleitnota Elser c.s. d.d. 4 november 2022 (‘Pleitnota Elser c.s. 2022’), § 6; Pleitnota Elser c.s. d.d. 12 juni 2024 (‘Pleitnota Elser c.s. 2024’), § 6.
Dagvaarding, § 14, Pleitnota Elser c.s. 2022, § 6, Productie 8.
Dagvaarding, § 15; CvA (Head c.s.), § 2.19.
Dagvaarding, § 16; CvA (Head c.s.), § 2.20.
Dagvaarding, § 16; CvA (Head c.s.), § 2.21.
Dagvaarding, § 16 en Productie 9; CvA (Head c.s.), § 2.22.
Dagvaarding, § 16; CvA (Head c.s.), § 2.14.
Dagvaarding, § 16; CvA (Head c.s.), § 2.23.
Dagvaarding, § 16 en Productie 5.
Dagvaarding, § 11; CvA (Head c.s.), § 2.24.; Vonnis, § 3.3.
Dagvaarding, § 17—18 en Producties 10 en 11; CvA (Head c.s.), § 2.25—2.26.
Dagvaarding, § 18; Pleitnota Elser c.s. 2024, § 9.
Dagvaarding, § 18; CvA (Head c.s.), § 2.26; Pleitnota Elser c.s. 2024, § 7.
Dagvaarding, § 18; Appeldagvaarding, § 2.2.3; Pleitnota Elser c.s. 2024, § 7.
Dagvaarding, § 19; CvA (Head c.s.), § 2.26; Pleitnota Elser c.s. 2024, § 7—10; MvA (Head c.s.), § 2.18.
Dagvaarding, § 2.3; CvA (Head c.s.), § 1.1, 2.27—2.39; Vonnis, § 3.4; Appeldagvaarding, § 2.1.2; MvA (Head c.s.), § 1.1; Arrest, § 2.4.
Dagvaarding, § 20—25 en Productie 12; CvA (Head c.s.), § 2.28—2.32; Vonnis, § 3.6; MvA (Head c.s.), § 1.1, 2.29; Arrest. § 2.5.
Dagvaarding, § 20.
Dagvaarding, § 20—25 en Productie 12; CvA (Head c.s.), § 2.28—2.32; Vonnis, § 3.4—3.6; MvA (Head c.s.), § 1.1; Arrest. § 2.5—2.8.
Dagvaarding, § 26; Pleitnota Elser c.s. 2024, § 13 en Productie 26;
Dagvaarding, § 27; Pleitnota Elser c.s. 2022, § 19, 28—29; Pleitnota Elser c.s. 2024, § 11, 14–16, 30;
Dagvaarding, § 28—30 en Producties 13 en 14.
Dagvaarding, § 32; Pleitnota Elser c.s. 2024, § 31.
Dagvaarding, § 31 en Productie 15; Appeldagvaarding, § 2.3.1.
Dagvaarding, § 32—35 en Producties 16–18.
Dagvaarding § 57.
Zie Dagvaarding, hoofdstuk 3.1, Appeldagvaarding § 3.1.5—3.1.6, Pleitnota Elser c.s. 2024, § 19.
Zie Appeldagvaarding, grief 2, onder 3.1.
EHRM 10 juli 2003, appl.no. 55794/00 (Efstahiou and Michailidis & Co. Motel Amerika/Greece).
Guide on Article 1 of Protocol 1 to the European Convention of Human Rights, d.d. 28 februari 2023, beschikbaar op de website van de Raad van Europa.
Zie o.a. T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders. Een onderzoek naar de wettelijke uitkoopregelingen van art. 2:92a/201a BW en art. 2:359c BW (Serie Van der Heijden Instituut nr. 125) (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, par. 4.2.4; P.J. van der Korst, ‘Bescherming van minderheidsaandeelhouders’, Ars Aequi 2020/3, p. 287.
Kamerstukken II, 2023–2024, 36 469, nr. 3.
HR 8 december 1993, NJ 1994, 273, m.nt. Maeijer (Van den Berg), r.o. 4.2.
HR 14-09-2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117 (Versatel I). Zie ook Appeldagvaarding § 3.1.6 e.v.
Conclusie A-G Timmerman bij HR 14 september 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA4117 (Versatel).
Noot Maeijer bij HR 14 september 2007, NJ 2007, 612 (Versatel II).
HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1824, NJ 2024/120 met annotatie van H.J. de Kluiver.
P.P. de Vries, ‘Het uittredingsrecht voor aandeelhouders bij grensoverschrijdende omzetting, fusie en splitsing onder de Mobiliteitsrichtlijn’, Ondernemingsrecht 2020/41, p. 225–226, P.P. de Vries, Exit rights of minority shareholders in a private limited company, IVOR nr. 72, Kluwer: Deventer 2010, § 8.3.3: ‘In the application of all current Dutch appraisal rights, the value of the shares is determined by one or more independent experts, who are appointed by the court. In my view, it is highly doubtful whether this way of determining civil rights complies with the requirements of Art. 6 ECHR. The involvement of an independent expert is often required in order to value the shares, but this independent expert cannot replace the court.’ Zie ook; P.P. de Vries, ‘Bescherming van aandeelhouders bij grensoverschrijdende omzetting, fusie en splitsing: uittredingsrecht en toetsing ruilverhouding’, Ondernemingsrecht 2022/63, p. 407.
Kamerstukken II 2022–2023, 36 267, nr. 3, p. 56
Zie hierover de latere bespreking van Hof Amsterdam, 20 december 2007, JOR 2008/36 (Shell).
A.J.P. Schild, ‘De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht’, Kluwer 2012, § 4.3.7.
Kamerstukken II 2022–2023, 36 267, nr. 3, p. 56
H. Koster, ‘De aandeelhouderssplitsing op basis van art. 2:334cc BW en minderheidsaandeelhouders’, Bb 2018/72. Koster verwijst naar A.J.P. Schild, ‘De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht’, Kluwer 2012, p. 131–134.
Zie Kamerstukken 1995/1996, 24 702, nr. 3, p. 22. ‘Artikel 334aa Ingevolge dit artikel moet, in overeenstemming met de zesde richtlijn (artikel 8 leden 1 en 2), een accountant het splitsingsvoorstel onderzoeken (…)’
Zie ook art. 142 van Richtlijn 2017/1233.
Het hof stelt in rov. 3.3.2 terecht dat hier sprake was van een waardering door ‘de vaste accountant van de vennootschap’ (KPMG). Dit werd opgevolgd door een verklaring van een andere accountant die ook andere diensten verrichtte voor de vennootschap (HLB, zie rov. 3.72).
Zie o.a. CvA (HLB), § 3.11, 3.14.
Zie de rechtsbronnen als aangehaald in §§ 27—39
Een echte beslissing van die strekking is terecht niet op papier gezet.
Kamerstukken II, 1995/1996, 24 702, B, p. 7 (Advies RvS en Nader Rapport). Zie Conclusie A-G Timmerman voorafgaand aan HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2122, NJ 2014/222, nr. 3.10.
Zie Richtlijn (EU) 2017/1132, zie bijv, considerans onder 73.
Zie hierover o.m. Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/482.
HR 20 december 2013, NJ 2014/222 (Favini), rov. 3.2.3.
Zie Dagvaarding, § 56; Pleitnota Elser c.s. 2022, § 11; Pleitnota Elser c.s. 2024, § 15.
Zie P.H.M. Simonis e.a. Juridische splitsing van kapitaalvennootschappen, SdU Den Haag, 2019, p. 111, H. Koster, De Nederlandse juridische splitsing in Europees en rechtsvergelijkend perspectief, Rotterdam, Erasmus Universiteit 2009 (diss.), p. 359.
Zie bijv. Rechtbank Amsterdam 6 februari 2002, JOR 2002/61, waaruit blijkt dat indien geen vordering tot vernietiging van de splitsing is ingesteld zulks uiteraard niet verlet dat aandeelhouders schadevergoeding mogen vorderen. Zie Richtlijn 2017/1132, art. 152, alwaar staat dat de lidstaten civielrechtelijke aansprakelijkheid voor fouten moeten regelen. Zie hierover ook H. Koster, De Nederlandse juridische splitsing in Europees en rechtsvergelijkend perspectief, Rotterdam, Erasmus Universiteit 2009 (diss.), p. 357, met verwijzingen naar wetsgeschiedenis.
Zie Dagvaarding § 56.
Zie HR 14 september 2007, NJ 2007/610 (Versatel).
Zie voetnoot 37 en de daar genoemde vindplaatsen.
Kamerstukken II 1995–1996, 24 702, nr. 3, p. 1.
De wet moet richtlijnconform worden uitgelegd, hetgeen betekent dat betekenis toekomt aan de doelstellingen van Richtlijn 2017/1132, als vervat in o.m. considerans no. (69) ‘Het is in het kader van deze coördinatie van bijzonder belang dat (…) een passende bescherming van hun rechten wordt gewaarborgd.’
Kamerstukken II 1995–1996, 24 702, nr. 3, p. 23.
Zie ook P.J. van der Korst, ‘Bescherming van minderheidsaandeelhouders’, Ars Aequi 2020/3, p. 287. ‘De (schaarse) jurisprudentie over uitrookmethoden bevestigt dat de minderheid passend moet worden gecompenseerd tegen een objectief vastgestelde waarde, ongeacht de uitrookmethode De bijzondere zorgplicht van de meerderheidsaandeelhouder vereist ook dat deze de minderheid inzicht geeft in de voorbereiding en uitvoering van de voorgenomen uitrookmethoden. Deze transparantie is gebaseerd op de bijzondere zorgvuldigheidsplicht van het bestuur en de meerderheidsaandeelhouder jegens de minderheid, ook wat betreft informatievoorziening, en behoort dus — evenzeer als de billijke prijs en de maatregelen ter voorkoming van tegenstrijdig belang — niet afhankelijk te zijn van de door de grootaandeelhouder te kiezen uitrookmethode.’
Zie bijv. Pleitnota Elser c.s. 2022, § 15.
Zie reeds Dagvaarding, § 76.
Het hof hecht hier kennelijk veel waarde aan precieze bewoordingen.
Zie Kamerstukken 1995/1996, 24 702, nr. 3, p. 22 alwaar duidelijk is aangegeven dat de regeling is ontleend aan de Zesde Richtlijn.
‘Overwegende dat, gezien de verwantschap tussen fusie en splitsing, het risico dat (…) voor fusies gegeven waarborgen worden ontdoken, slechts kan worden vermeden door bij splitsingen een gelijkwaardige bescherming te bieden’.
De bewoordingen in de richtlijn zijn identiek. Richtlijn 2017/1132, artikel 142 lid (splitsing) bevat een schakelbepaling naar de bepaling in artikel 96 (fusie). Daar staat: ‘redelijk en billijk’.
Pleitnota Elser c.s. 2022, hoofdstuk 4.
Conclusie van Antwoord KPMG d.d. 2 maart 2022 (‘CvA (KPMG)’), § 6.7.
Conclusie van Antwoord HLB d.d. 2 maart 2022 (‘CvA (HLB)’), § 3.12.
Zie bijv. Pleitnota Elser c.s. 2022, hoofdstuk 3. Die onderliggende stukken zijn pas verstrekt nadat het hof een bevel had gegeven dat die zouden moeten worden verstrekt aan de deskundige.
Dagvaarding, § 37.
Leidraad 24 februari 2025, beschikbaar via www.rechtspraak.nl.
Zie bijv. Dagvaarding § 78, Appeldagvaarding § 3.1.2, 3.1.5—3.2.3, 4.3.1.
Zie o.m. de rechtspraak genoemd in de Dagvaarding, § 75—80.
Zie § 63 hiervoor.
Zie bijv. HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283 (Funda), NJ 2024/22 m.nt. H.J. de Kluiver over een zaak waarin op basis van algemene zorgvuldigheidsnormen is geoordeeld dan een vennootschap certificaathouders ‘niet langer in het ongewisse’ mocht laten.
Hof Amsterdam (OK) 8 oktober 1998, JOR 1998/167 (Zwagerman). ‘dat de vennootschap jegens (…) minderheidsaandeelhouders — een bijzondere zorgvuldigheid in acht heeft te nemen en meer in het bijzonder ervoor heeft te waken dat verstrengeling van belangen van de vennootschap met die van haar directie en/of haar meerderheidsaandeelhouders) — al of niet ten koste van de minderheidsaandeelhouder(s) — wordt voorkomen en dat zij in verband daarmee naar behoren opening van zaken dient te geven Onderstrepingen toegevoegd. Deze beschikking is in stand gebleven, zie HR 1 maart 2002, NJ 2002/296 m.nt. Maeijer. Hof Amsterdam (OK) 28 december 2006, JOR 2007, 68, (Begemann) r.o. 3.2. ‘In een dergelijke situatie rust op (het bestuur van) de vennootschap een bijzondere zorgplicht jegens de niet in het (tijdelijke) bestuur en het toezicht vertegenwoordigde minderheidsaandeelhouders in — met name — die zin dat openheid dient te worden betracht met betrekking tot al die gegevens waarop die minderheidsaandeelhouders als zodanig geen recht hebben (…).’
HR 3 mei 2002 JOR 2002/111 (Joral).
P.L. Hezer, Informatierechten van aandeelhouders (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 134), Deventer: Wolters Kluwer 2024, § 5.2.
Zie het Versatel-arrest als aangehaald in voetnoot 46.
Zie o.m. de vindplaatsen genoemd in subonderdeel 2.1.
Dagvaarding, § 7, Productie 3.
Dagvaarding, § 20, Productie 12.
Dagvaarding, § 27.
Dagvaarding, § 29, Productie 13.
Artikel 143 Richtlijn 2017/1233. Artikel 6 van de Zesde Richtlijn 82/891/EEG kent vergelijkbare bewoordingen: ‘iedere aandeelhouder van de verkrijgende vennootschap heeft het recht om ten minste een maand vóór de sub a) genoemde datum [een maand vóór de datum van de algemene vergadering van de gesplitste vennootschap], ten kantore van deze vennootschap kennis te nemen van de in artikel 9 , lid 1, bedoelde bescheiden.’
Zie o.a. Dagvaarding, § 56; Pleitnota Elser c.s. 2022, § 11; Pleitnota Elser c.s. 2024, § 15.
Zie o.m. de rechtspraak genoemd in de Dagvaarding, §§ 75—80.
Zie reeds verzoekschrift eerste aanleg, § 2.2.11, 2.3.19, 3.4. Zie ook Dagvaarding, § 47 e.v.
Dagvaarding, § 48.
CvA (Head c.s.) §§ 3.8 en 3.13 onder verwijzing naar Producties 24 en 26.
Zie deskundigenrapport, bijlage 1, dat gebeurde op 12 en 24 maart 2020. Zie ook CvA (Head c.s) § 3.9.
Zie bijv. Dagvaarding § 78, Appeldagvaarding §§ 3.1.2, 3.1.5—3.2.3, 4.3.1.
Dagvaarding § 48 verwijst naar Deskundigenbericht drs. G. Rooijackers RC RV d.d. 30 september 2020 (‘Deskundigenbericht’), p. 11. Een pagina later staat de instructie van het medewerker van het hof om enkele specifieke documenten (ook) te verstrekken.
Dit is bijv, uitdrukkelijk genoemd in Dagvaarding, § 78. Zie ook Pleitnota Elser c.s. 2022, § 4—7.
Zie bijv. Pleitnota Elser c.s. 2022, § 4—7.
R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure (diss. Tilburg) (BPP nr. XI), Deventer: Kluwer 2011, p. 14–16. ‘De vraag welke feiten relevant zijn, moet dus primair worden beantwoord aan de hand van de grondslag die de eisende partij aan zijn vordering geeft en het verweer dat de gedaagde partij daartegen voert.(…) De Hoge Raad pleegt te overwegen dat bij billijkheidsoverwegingen de rechter acht dient te slaan op alle omstandigheden van het geval. Dat betekent dat bij de toepassing van de norm van redelijkheid en billijkheid, in beginsel álle omstandigheden, alle feiten van het geval, relevant zijn voor de rechterlijke oordeelsvorming (…) Maar ook wanneer de rechter invulling moet geven aan andere begrippen dan de redelijkheid, moet de rechter oordelen met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.’
Zie bijv, inzake de juridische splitsing HR 14 september 2007, NJ 2007/610 (Versatel). ‘Of het zich bedienen van een zodanige constructie jegens de minderheidsaandeelhouder(s) onrechtmatig is, hangt af van de omstandigheden van het geval waarbij dient te worden meegewogen of de minderheidsaandeelhouders daardoor onevenredig worden benadeeld.’
De motiveringsvereisten brengen mee dat moet worden ingegaan op essentiële stellingen.
Pleitnota Elser c.s. 2022, § 5 ‘Dit handelen raakte ook eisers’.
Dagvaarding, § 10. Arrest, rov. 2.2.
Zie voetnoot 108.
Zie bijv. HR 11 september 1996, JOR 1996/113, r.o. 4.6.1: ‘Uitgekochte aandeelhouders hebben aanspraak op een reële prijs voor hun aandelen.’
Guide on Article 1 of Protocol 1 to the European Convention of Human Rights, d.d. 28 februari 2023, beschikbaar op de website van de Raad van Europa.
Zie bijv. Conclusie Assink. juli 2023, ECLI:NL:PHR:2023:667, waarin rechtspraak terzake op een rijtje wordt geplaatst. Zie T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders. Een onderzoek naar de wettelijke uitkoopregelingen van art. 2:92a/201a BW en art. 2:359c BW (Serie Van der Heijden Instituut nr. 125) (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, § 4.2.4; ‘Voorts is van belang dat de minderheid een reële en redelijke vergoeding voor haar aandelen ontvangt.’ Zie ook § 9.2.2.b.
J.H.M. Willems, ‘Een waarderingsperspectief vanuit de rechterlijke macht’, in: Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2023–2024, Deventer: Wolters Kluwer 2024.
Ondernemingskamer, Leidraad voor waarderingsdeskundigen in de geschillenregeling, 28 februari 2025.
Conclusie A-G Assink 7 juli 2023, ECLI:NL:PHR:2023:667.
EHRM 16 november 2010, zaak 24768/06 (Perdagao t. Portugal).
Dagvaarding, § 38—46, 51—70; Pleitnota Elser c.s. 2022, § 22—35, 42–46. Appeldagvaarding, § 2.31, 4.3.7. Pleitnota Elser c.s. 2024, § 39.
Dagvaarding § 11.
Dagvaarding § 20.
Zie Dagvaarding, Producties 12 en 13.
Dagvaarding, § 53 sub g, § 59 ‘duidelijk belang bij een zo laag mogelijke waardering’, appeldagvaarding § 2.1.3, ‘ontegenzeggelijk een belang bij een zo laag mogelijke waardering van de aandelen’ en § 2.2.3.
Proces-Verbaal d.d. 22 november 2022, pp. 6–7.
Dagvaarding voetnoot 62 verwijst naar en citeert het deskundigenbericht, p. 38, zoals ook aangehaald in rov. 3.45 van het arrest. Appeldagvaarding § 4.3.7: ‘De deskundige heeft toegelicht dat niet zonder meer mag worden vertrouwd op aangeleverde gegevens. Een accountant moet juist in die gevallen waarin derden betrokken (kunnen) zijn zich een eigen oordeel vormen over toekomstverwachtingen.’
Appeldagvaarding § 4.3.7. Zie Arrest, rov. 3.63.
Zie Dagvaarding, § 41.
Dagvaarding, p. 25 onder b, met in voetnoot 56 een citaat uit het deskundigenrapport.
Appeldagvaarding, § 4.3.7a, onder verwijzing naar de onafhankelijke deskundige en een ander rapport.
Dagvaarding, p. 25, met citaten uit het rapport in de voetnoten. Appeldagvaarding § 2.3.1b.
Appeldagvaarding § 4.3.7 sub b.
Appeldagvaarding § 4.3.5, met verwijzingen.
Zij hebben bijvoorbeeld ook een beroep gedaan op de voorgeschiedenis, het feit dat de grootaandeelhouder eerder in opspraak kwam en hebben inhoudelijk verweer gevoerd tegen de aangeleverde gegevens met behulp van deskundigenbewijs.
Zie Dagvaarding § 53, met citaten uit het rapport in de voetnoten.
Pleitnota Elser c.s. 2022, onder verwijzing naar CvA (KPMG), § 6.6. Daarin geeft KPMG uitdrukkelijk toe dat zij niet als onafhankelijke deskundige kan worden beschouwd. Zij stelt wel neutraal te zijn.
Zie voor wat wel (terloops) is gezegd: Dagvaarding § 39 en 69.
Dagvaarding, Productie 20, Rapport Grant Thornton. Dit rapport is ook als bijlage gevoegd bij het deskundigenbericht van de onafhankelijke deskundige.
Deze maken integraal onderdeel uit van het procesdossier.
Dagvaarding § 43.
Deskundigenrapport, Hoofdstuk 13.2.
De deskundige maakte een betere peer group analyse, die leidt tot een waardering van EUR 166 miljoen. Dagvaarding § 57. Zo een alternatieve waarderingsmethode had inzichtelijk gemaakt dat de aanvankelijke waardering veel te laag is.
Zie Dagvaarding § 53 met een toelichting in nummers a-h.
Dagvaarding, § 60; Pleitnota Elser c.s. 2022, § 44. Appeldagvaarding, § 2.2.1 (g).
CvA (KPMG) 7.14 e.v.
Appeldagvaarding § 4.3.7, Dagvaarding, § 43, Verzoekschrift, § 2.3.10—2.3.12, 2.3.17.
Zie CvA (HLB), § 3.11.
Zie CvA (HLB), § 3.7.
Zie CvA (HLB), § 3.11, 3.14, 4.4.
Zie het vorige subonderdeel en de daar aangehaalde vindplaatsen.
Zie Kamerstukken 1995/1996, 24 702, nr. 3, p. 22. ‘Artikel 334aa Ingevolge dit artikel moet, in overeenstemming met de zesde richtlijn (artikel 8 leden 1 en 2), een accountant het splitsingsvoorstel onderzoeken (…)’
Zie ook art. 142 van Richtlijn 2017/1233.
Zie bijv. T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders. Een onderzoek naar de wettelijke uitkoopregelingen van art. 2:92a/201a BW en art. 2:359c BW (Serie Van der Heijden Instituut nr. 125) (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, par. 4.2.4: ‘Een wettelijke regeling voor de gedwongen overdracht van aandelen moet naar mijn mening altijd met ten minste deze twee waarborgen, een rechterlijke tussenkomst en een onafhankelijke prijsbepaling, zijn omkleed.’ Zie ook de overige rechtsbronnen aangehaald in subonderdeel 1, §§ 30Error! Reference source not found.-39.
G. de Groot, Het deskundigenadvies in de civiele procedure (R&P nr. 165) 2008/5.3.3. Zie ook Pleitnota Elser c.s. 2022, § 16. Zie bijv, de leidraad deskundigen in civiele zaken, hoofdstuk 6.
Deskundigenbericht, p. 22. Zie ook Dagvaarding, § 30.
Pleitnota Elser c.s. 2024, § 20 en Productie 10, p. 8.
Als een deskundige verbonden is aan een van de partijen zal dat al snel een schending opleveren van het recht op equality of arms, ook als de dienstverlening aanvangt na afronding van de deskundigenwerkzaamheden. Zie EHRM 13 februari 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:1213JUD007703912 (Test Achats/België). EHRM 5 juli 2007, 31930/04, NJ 2010/323 (Sara Lind Eggertsdóttir/IJsland).
De deskundige is in deze zaak uitvoerig ingegaan op de vraag waarin het onderscheid is gelegen tussen een partijdeskundige en onafhankelijke deskundige. De deskundige volgt op dit punt op p. 22 het rapport van Grant Thornton uit 2017 (Bijlage 3 bij zijn rapport). Beide deskundigen bespreken daartoe de (mogelijk) relevante normen, waaronder die NBA, NIRV, ISA 3400 en NV COS 5500N.
Zie bijv. EHRM 16 november 2010, zaak 24768/06 (Perdagao t. Portugal).