Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/4.3.2
4.3.2 Invloeden van de Wereldhandelsorganisatie
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258407:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 218 VwEU.
HvJ EEG 30 april 1974, nr. C-181/73 (R. & V. Haegeman tegen Belgian State), ECLI:EU:C:1974:41, r.o. 5 en HvJ EEG 26 oktober 1982, nr. C-104/81 (Hauptzollamt Mainz tegen C. A. Kupferberg & Cie. Kg A. A., te Mainz), ECLI:EU:C:1982:362, r.o. 11-13.
Lux geeft in een bijdrage aan dat de interdependentie tussen internationaal en Europees recht, vooral voor wat betreft het douanerecht, erg complex is: M. Lux, EU customs law and international law, World Customs Journal 1(1), p. 19-29. Hij roept in zijn afsluiting op tot nader onderzoek naar deze complexe materie.
HvJ EEG 14 juli 1994, nr. C-379/92 (Matteo Peralta), ECLI:EU:C:1994:296, r.o. 16.
Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Rome, 25 maart 1957, Trb. 1957, 74 met Franse tekst, en 1957, 91 met de Nederlandse tekst (EEG).
HvJ EEG 12 december 1972, nrs. C-21/24-72 (Int'l Fruit Co. tegen Productschap voor Groenten en Fruit), ECLI:EU:C:1972:115, r.o. 10-17 en HvJ EEG 19 november 1975, nr. C-38/75 (Douaneagent der NV Nederlandse Spoorwegen tegen Inspecteur der invoerrechten en accijnzen), ECLI:EU:C:1975:154, r.o. 21.
HvJ EEG 12 december 1972, nr. C-21/24-72 (Int'l Fruit Co. tegen Productschap voor Groenten en Fruit), ECLI:EU:C:1972:115, r.o. 21.
HvJ EG 23 november 1996, nr. C-149/96 (Portugese Republiek tegen Raad van de Europese Unie), ECLI:EU:C:1999:574, r.o. 25-47.
HvJ EEG 2 juni 1989, nr. C-70/87 (Federatie van de olie-industrie in de EEG (Fediol) tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen), ECLI:EU:C:1989:254, r.o. 19-22.
HvJ EEG 7 mei 1991, nr. C-69/89 (Nakajima All Precision Co. Ltd tegen Raad van de Europese Gemeenschappen), ECLI:EU:C:1991:186, r.o. 31.
I. Schlatzer, The WTO and other non-tax treaties – Aspects of Taxation, VDM Verlag Dr. Müller: Saarbrücken 2005, p. 31-33.
HvJ EG 23 november 1996, nr. C-149/96 (Portugese Republiek tegen Raad van de Europese Unie), ECLI:EU:C:1999:574, r.o. 49.
HvJ EG 14 december 2000, nrs. C-300/98 (Parfums Christian Dior SA tegen TUK Consultancy BV) en C-392/98 (Assco Gerüste GmbH en R. van Dijk tegen Wilhelm Layher GmbH & Co. KG en Layher BV), ECLI:EU:C:2000:688, r.o. 47.
HvJ EG 16 juni 1998, nr. C-53/96 (Hermès International tegen FHT Marketing Choice BV), ECLI:EU:C:1998:292, r.o. 28, HvJ EG 14 december 2000, nrs. C-300/98 (Parfums Christian Dior SA tegen TUK Consultancy BV) en C-392/98 (Assco Gerüste GmbH en R. van Dijk tegen Wilhelm Layher GmbH & Co. KG en Layher BV), ECLI:EU:C:2000:688, r.o. 32-40, HvJ EG 14 april 2011, nrs. C-288/09 (British Sky Broadcasting Group plc) en C-289-09 (Pace plc), ECLI:EU:C:2011:248, r.o. 83 en M. Gambardela, The Ikea Judgement: Some Thoughts on the ECJ Ruling, GTCJ 3(5), p. 177-184 en S. Nordin, CJEU Judgement in BskyB and Pace Cases on Customs Classification of Set-Top Boxes, GTCJ 6(9), p. 439-442.
Uit onder andere de volgende arresten blijkt dat internationale overeenkomsten van hogere rang zijn, dan secundaire Unierechtelijke bepalingen: HvJ EG 10 september 1996, nr. C-61/94 (Commissie/Duitsland), ECLI:EU:C:1996:313, r.o. 52, HvJ EG 3 juni 2008, nr. C-308/06 (Intertanko e.a. tegen Secretary of State for Transport), ECLI:EU:C:2008:312, r.o. 42. Evenwel mogen de uit de internationale overeenkomsten opgelegde verplichtingen geen afbreuk doen aan de constitutionele beginselen van het primaire EU-recht. Zie in dat verband onder andere: HvJ EG 3 september 2008, nr. C-402/05 (Yassin Abdullah Kadi en Al Barakaat International Foundation tegen de Raad van de Europese Unie), ECLI:EU:C:2008:461, r.o. 285.
Zie onderdeel 3.2.3.3.
HvJ EG 1 maart 2005, nr. C-377/02 (Léon Van Parys NV tegen Belgisch Interventie‑ en Restitutiebureau (BIRB)), ECLI:EU:C:2005:121, r.o. 37-54.
Vergelijk in dat kader bijvoorbeeld de overwegingen die het Hof van Justitie hanteert ten aanzien van de indeling van settopboxes in de GN in de zaak HvJ EG 14 april 2011, nrs. C-288/09 (British Sky Broadcasting Group plc) en C-289-09 (Pace plc), ECLI:EU:C:2011:248 en de overwegingen in het Panel Report van 16 augustus 2010, European Communities and its Member States – Tariff Treatment of Certain Information Technology Products, WT/DS375/R, WT/DS376/R en WT/DS377/R, aangenomen op 20 mei 2009.
De Europese Unie kan overgaan tot het sluiten van internationale overeenkomsten met derde landen of internationale organisaties.1 Voor het onderhandelen en sluiten van dergelijke overeenkomsten geldt een vaste procedure.2 De overeenkomsten zijn na sluiting bindend jegens zowel de Europese Unie als de individuele lidstaten en maken vanaf hun inwerkingtreding integraal onderdeel uit van de rechtsorde van de Europese Unie.3/4 Zoals uit het hiernavolgende volgt, is het duiden van de invloed en doorwerking van het internationale douanerecht op het Unierechtelijke douanerecht weerbarstig.5
Bij de GATT 1947 was de Europese Unie geen partij, in tegenstelling tot een aantal huidige EU-lidstaten.6 Toch lijkt uit het door het Hof van Justitie gewezen arrest Matteo Peralta7opgemaakt te kunnen worden dat verdragen waarbij de Europese Unie geen partij was bindend zijn jegens de Europese Unie, indien zij de voorheen door de EU-lidstaten uitgeoefende bevoegdheden heeft aanvaard. Deze bevoegdheden zijn met het sluiten van het EEG-verdrag8 door de EEG (thans opgegaan in de Europese Unie) overgenomen van de EU-lidstaten.9
Ondanks het bindend karakter van de GATT 1947 jegens de Europese Unie en haar lidstaten, heeft het Hof van Justitie reeds op 12 december 1972 voor recht verklaard dat marktdeelnemers geen rechtstreeks beroep kunnen doen op de GATT 1947 en overeenkomsten die onder auspiciën van de GATT 1947 tot stand zijn gekomen in de zaak Int'l Fruit Co. tegen Productschap voor Groenten en Fruit.10 Ook nadat op 1 januari 1995 de WHO is opgericht, komen aan de WHO-bepalingen geen rechtstreekse werking toe aldus het Hof van Justitie.11 Het Hof van Justitie lijkt namelijk de voorkeur te geven aan een ‘politieke lezing’ van het WHO-recht in plaats van een juridische interpretatie ervan.12 Op de hoofdregel dat aan WHO/GATT-bepalingen geen rechtstreekse werking toekomt, lijkt het Hof van Justitie twee uitzonderingen te hebben geformuleerd, die aangeduid kunnen worden als de Fediol13- en Nakajima14-uitzondering.15 In het arrest Portugese Republiek tegen Raad van de Europese Unie16 worden deze uitzonderingen omschreven als:
“Slechts ingeval de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting [Nakajima-uitzondering] of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO-overeenkomsten verwijst [Fediol-uitzondering], dient het Hof de wettigheid van de betrokken gemeenschapshandeling aan de WTO-regels te toetsen (zie, wat de GATT 1947 betreft, de reeds aangehaalde arresten Fediol/Commissie, punten 19-22, en Nakajima/Raad, punt 31).”
In aanvulling merk ik op dat wanneer de Europese Unie op een gebied niet regelgevend is opgetreden en de bevoegdheid tot het vaststellen van regelgeving toekomt aan de EU-lidstaten zelf, er aan internationaal recht ook rechtstreekse werking toekomt mits de nationale wetgeving van een EU-lidstaat daarin voorziet.17 Ongeacht het antwoord op de vraag of rechtstreekse werking toekomt aan de WTO/GATT-bepalingen, lijkt het Hof van Justitie wel een verdragsconforme interpretatie voor te staan voor wat betreft Unierechtelijke bepalingen die op internationaal recht zijn gebaseerd.18 Deze zienswijze van het Hof van Justitie kan verklaard worden doordat internationale overeenkomsten waarbij de Europese Unie partij is of waarbij de Europese Unie de voorheen door de EU-lidstaten uitgeoefende bevoegdheden heeft aanvaard, hiërarchisch gezien tussen het primaire EU-recht (VEU en VwEU) en het secundaire EU-recht (handelingen uitgevaardigd door de instituten van de Europese Unie) instaan.19
Indien WHO-overeenkomsten niet of op onjuiste wijze worden omgezet door een WHO-lid of dit WHO-lid er handelspraktijken op nahoudt die indruisen tegen de doelstellingen van de WHO-overeenkomsten, dan staat het een ander WHO-lid vrij om daarover een klacht in te dienen bij het DSB.20 Het Hof van Justitie heeft overwogen dat uit WHO-bepalingen zelfs geen rechtstreekse werking voortvloeit indien het DSB een rapport van een panel of de Beroepsinstantie heeft aangenomen waaruit volgt dat de Unierechtelijke bepalingen in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit WHO-bepalingen zijn vastgesteld.21 Dit neemt niet weg dat het Hof van Justitie de uitspraken en aanbevelingen uit panel- of Beroepsinstantierapporten op impliciete wijze mee lijkt te wegen in zijn uitleg van het Unierecht.22
Vanuit een douanewaarde perspectief werkt het bindend karakter van internationale overeenkomsten als volgt uit. Met het sluiten van het EEG-verdrag zijn de bevoegdheden ten aanzien van de vaststelling van het douanerecht, daaronder begrepen de vaststelling van de douanewaarde, van de EU-lidstaten overgeheveld naar de Europese Unie. Hoewel de Europese Unie geen partij was bij de GATT 1947 noch het Verdrag van Brussel, meen ik dat de daaruit voortvloeiende verplichtingen bindend zijn jegens de Europese Unie, omdat de Europese Unie de bevoegdheden, die eerst bij de EU-lidstaten lagen, hebben aanvaard. Op de Tokyo-overeenkomst en CVA, welke laatstgenoemde thans de basis vormt voor de Unierechtelijke douanewaardebepalingen, kan in beginsel geen rechtstreeks beroep worden gedaan door marktdeelnemers. De Fideol-uitzondering, inhoudende dat marktdeelnemers zich rechtstreeks mogen beroepen op WHO-bepalingenindien het Unierecht uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO-overeenkomsten verwijst, zou mogelijkerwijs toepassing kunnen vinden waar de douanewaarde overeenkomstig de fall-back -methode wordt bepaald. In artikel 74, lid 3, DWU wordt namelijk een directe verwijzing gemaakt naar de beginselen en algemene bepalingen van de artikel VII van de GATT 1947 en de CVA. Tot slot kunnen marktdeelnemers, zoals hiervoor al toegelicht, geen rechtstreeks beroep doen op door het DSB aangenomen rapporten die handelen over de vaststelling van de douanewaarde (zie onderdelen 5.3.1.1 en 5.3.1.2). Het Hof van Justitie zou de daarin opgenomen overwegingen wel op impliciete wijze mee kunnen wegen in zijn beslissing.