NJ 1989, 11
HR, 21-09-1988, nr. 25474
HR 21-09-1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3905
- Instantie
Hoge Raad (Belastingkamer)
- Datum
21 september 1988
- Magistraten
Van Dijk, Stoffer, Mijnssen, Wildeboer, Urlings
- Zaaknummer
25474
- LJN
ZC3905
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Inkomstenbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1988:ZC3905, Uitspraak, Hoge Raad (Belastingkamer), 21‑09‑1988
- Wetingang
BW art. 1461; BW art. 1462; BW art. 1463; BW art. 1464; BW art. 1465; BW art. 1466; BW art. 1467; BW art. 1468; BW art. 1469; BW art. 1470; BW art. 1471; NBW art. 6.1.10.4; NBW art. 6.1.10.5; NBW art. 6.1.10.6; NBW art. 6.1.10.7; NBW art. 6.1.10.8; NBW art. 6.1.10.9; NBW art. 6.1.10.10; NBW art. 6.1.10.11; NBW art. 6.1.10.12; NBW art. 6.1.10.13; NBW art. 6.1.10.14; NBW art. 6.1.10.15; NBW art. 6.1.10.16; NBW art. 6.1.10.17; NBW art. 6.1.10.18; NBW art. 6.1.10.19
Essentie
Verrekening; compensatie.
Samenvatting
Indien tussen twee partijen geldvorderingen en geldschulden in een rekening worden opgenomen, worden zij in de volgorde waarin partijen tot verrekening bevoegd worden, dadelijk en van rechtswege verrekend. Derhalve zijn de in de rekening geboekte stortingen van rechtswege verrekend met het in de rekening als eerste post geboekte krediet, welk krediet immers klaarblijkelijk op het tijdstip van de boeking voor verrekening vatbaar was.