HR, 17-11-1993, nr. 1165
ECLI:NL:PHR:1993:AD1982
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-11-1993
- Zaaknummer
1165
- LJN
AD1982
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Onteigeningsrecht
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1993:AD1982, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑11‑1993
ECLI:NL:PHR:1993:AD1982, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑11‑1993
ECLI:NL:HR:1923:291, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑04‑1923; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1923:1
ECLI:NL:PHR:1923:1, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑01‑1923
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1923:291
- Vindplaatsen
undefined
Uitspraak 17‑11‑1993
Dit document is (nog) niet beschikbaar gesteld door de rechtsprekende instantie.
Conclusie 17‑11‑1993
Dit document is (nog) niet beschikbaar gesteld door de rechtsprekende instantie.
Uitspraak 25‑04‑1923
Inhoudsindicatie
-
N 1165
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift in cassatie van den 'Minister van Financiën tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te 's-Gravenhage van 29 September 1922 in zake den aan [X] te [Z] opgelegden aanslag in de Rijksinkomstenbelasting, belastingjaar 1919/20;
Gezien de stukken;
Gelet op de schriftelijke conclusie van den Advocaat-Generaal Tak, namens den Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van het beroep;
Overwegende dat blijkens de bestreden uitspraak het geschil tusschen den Inspecteur en den belanghebbende uitsluitend loopt over de vraag, of een bedrag van f 12.200 .- ,hetwelk vertegenwoordigt het voordeel door belanghebbende verkregen door den verkoop van acht perceelen aan de [a-straat] te [Z], voor belanghebbende al dan niet inkomen is, dat in aanmerking komt voor zijn aanslag in de Rijksinkomstenbelasting, belastingjaar 1919/20;
dat de Raad met den belanghebbende deze vraag 80189710 ontkennend heeft beantwoord;
dat de Raad daartoe vooreerst heeft overwogen:
dat het door den Inspecteur in zijn vertoogschrift en nader nog mondeling ter zitting aangevoerde, dat met de exploitatie der perceelen [a-straat] door appellant werd bedoeld exploitatie in ruimenzin, zoodat hieronder ook verstaan moet worden het te gelegener tijd met winst verkoopen van huizen, en appellant mitsdien als handelaar in huizen moet worden aangemerkt, door den Raad kan worden voorbij gegaan, zijnde dit bij de behandeling van appellant's bezwaar in eerste instantie geen punt van overweging geweest, en dit alzoo ook thans geen punt van overweging kan uitmaken";
dat de Raad vervolgens heeft beslist, dat de verkoop der huizen geene bedrijfsdaad van belanghebbende is geweest, omdat de verkoop geschied is ter voldoening aan eene aan belanghebbende voor de aanvaarding eener betrekking gestelde voorwaarde, en mitsdien niet vrijwillig doch gedwongen, zoodat het bij den verkoop behaalde voordeel is te beschouwen als kapitaalsvermeerdering en niet behoort tot het inkomen van belanghebbende;
Overwegende dat tegen 's Raads uitspraak wordt opgekomen met twee middelen van cassatie:
1º Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 16 der Wet van 19 December 1914 (Staatsblad nº 564) , in verband met artikel ll der Wet op de Inkomstenbelasting 1914,door te beslissen, dat het door den Inspecteur in zijn vertoogschrift en nader nog mondeling ter zitting aangevoerde, dat appellant als handelaar in huizen moet worden aangemerkt door den Raad kan worden voorbijgegaan, zijnde dit bij de behandeling van appellants bezwaar in eerste instantie geen punt van overweging geweest, en dit alzoo thans geen punt van overweging kan uitmaken;
2º Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 16 der Wet van 19 December 1914 (Staatsblad nº 564), in verband met de artikelen 4 en 7 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914, ten deze van toepassing krachtens artikel 10 der Wet op de Oorlogswinstbelasting 1916, door te beslissen, dat de verkoop van de huizen niet kan worden aangemerkt als een bedrijfsdaad, aangezien de verkoop voor appellant niet is geweest een vrijwillige verkoop;
Overwegende omtrent het eerste middel:
dat de, taak van den Raad van Beroep omvat het uitspraak doen - en wel in eerste instantie, zijnde het toch niet juist de behandeling van het bezwaarschrift door den Inspecteur als eene instantie in de belastingprocedure te beschouwen, - in alle geschillen, welke met betrekking tot een bepaalden belastingaanslag door partijen aan zijn oordeel; worden onderworpen;
dat de wet niet voorschrijft, dat deze geschillen beperkt-moeten blijven tot die meeningsverschillen, welke uit de beschikking op het door den belastingplichtige ingediende bezwaarschrift mochten blijken tusschen partijen te bestaan;
dat dan ook de belastingplichtige bij de bestrijding in zijn beroepschrift van de in de artikelen 76 en 77 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914 bedoelde uitspraak geheel vrij is in het te berde brengen van grieven tegen den bij die uitspraak gehandhaafden of verminderden aanslag, doch anderzijds de Inspecteur niet beperkt is in het bij zijn vertoogschrift aanvoeren van al de zoodanige gronden, welke hij ter staving van de juistheid van dien aanslag moch dienstig achten;
dat het derhalve den Inspecteur vrij stond ter verdediging van het onder het inkomen opnemen van bovenvermeld bedrag van f 12200. - , uitmakende het voordeel door belanghebbende verkregen door den verkoop van zekere perceelen vast goed, er zich in zijn vertoogschrift op te beroepen, dat onder de exploitatie van die perceelen "ook verstaan moet worden het te gelegener tijd met winst verkoopen van huizen en appellant mitsdien als handelaar in huizen moet worden aangemerkt";
dat dan ook de Raad van Beroep heeft gehandeld in strijd met de artikelen 11 en 16 der Wet van 19 December 1914 (Staatsblad nº 564), door dezen door den Inspecteur aangevoerden grond geen punt van overweging te doen uitmaken en derhalve daaromtrent geene beslissing te geven;
Overwegende dat mitsdien het eerste middel is gegrond en in verband daarmede het tweede middel buiten onderzoek kan blijven;
Vernietigt de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te 's-Gravenhage, den 29sten September 1922 in deze zaak gedaan;
Verwijst de zaak naar genoemden Raad van Beroep, ten einde haar met inachtneming van dit arrest verder te behandelen en te beslissen.
Gedaan bij de Heeren Jhr.de Savornin Lohman, President, Segers, Savelberg, van den Dries en Schepel, Raden, in tegenwoordigheid van Jhr. van Panhuys, Griffier, en door den President uitgesproken ter Raadkamer van den vijf en twintigsten April 1900 Drie en Twintig.
Conclusie 22‑01‑1923
Inhoudsindicatie
-
hP. 1165
De Procureur-Generaal;
Overwegende, dat de Raad van Beroep in de bestreden beslissing overweegt: "dat het door den inspecteur in zijn vertoogschrift en nader nog mondeling ter zitting aangevoerde, dat met de exploitatie der percelen [a-straat] door appellant werd bedoeld exploitatie in ruimen zin, zoodat hieronder ook verstaan moet worden het te gelegener tijd met winst verkoopen van huizen, en appellant mitsdien als handelaar in huizen moet worden aangemerkt, door den Raad kan worden voorbijgegaan, zijnde dit bij de behandeling van appellant's bezwaar in eerste instantie geen punt van overweging geweest, en dit alles ook thans geen punt van overweging kan uitmaken";
Overwegende, dat die beslissing slechts in dien zin is te verstaan, dat de inspecteur in zijn vertoogschrift geen nieuw onderwerp van geschil kan opwerpen, daar dit uitsluitend, gelijk de naam "vertoogschrift" reeds aanduidt, strekt om het "beroepschrift" te beantwoorden;
Overwegende, dat aldus gelezen, daardoor het eerste middels als feitelijk ongegrond is te beschouwen;
Overwegende, dat ook de tweede grief niet tot cassatie kan leiden;
Overwegende toch, dat de Raad van Beroep overweegt: "dat de verkoop der huizen - geschied ter voldoening aan eene aan appellant voor de aanvaarding eener betrekking gestelde voorwaarde - voor appellant niet is geweest eene vrijwillige verkoop, maar integendeel eene waartoe hij door bijzondere omstandigheden werd gedwongen en mitsdien niet kan worden aangemerkt als een bedrijfsdaad";
Overwegende immers, dat die overweging, in verband gebracht met de vooraf vastgelegde feiten, de beslissing dragen kan;
Overwegende toch, dat eene bedrijfsdaad uitvloeisel en gevolg zijn moet van de uitoefening
van een bedrijf op richtige wijze;
Overwegende, dat het onderwerpelijke niet het bedrijf tot verkoop noopte, zonder eene aangegane verplichting, die met het bedrijf in generlei verband stond; Overwegende, dat derhalve de verkoop geen bedrijfsdaad was; Concludeert tot verwerping van het beroep.
Parket 22 Januari 1923
Tak A-G.