Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.3.2.1
IV.3.2.1 Twee nuancerende ontwikkelingen: decriminalisering en proliferatie van andere (mensen)rechten
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599794:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
§ II.6 en II.7.
Zie voor vereenzelviging van beide Vervaele 1990, p. 66; Stolwijk 2007, p. 15-16. Wel een onderscheid maakt Hildebrandt (2002, p. 337). Volgens haar sluit de onschuldpresumptie de schuldvaststelling buiten het proces om uit, terwijl het beginsel nulla poena sine iudicio de straf zonder proces verbiedt. Straf impliceert tegenwoordig schuldvaststelling.
Zie o.a. Trechsel 1981, p. 218 e.v.; Den Hartog 1992, p. 57; Hildebrandt 2002, p. 337 e.v.; Stolwijk 2007, p. 15; De Jong & Van Lent 2013, p. 278; Stuckenberg 2014; Ferzan 2014, p. 514-515.
Zie bijv. Van Dijk 1982, p. 11; Viering & Fleuren 1986, p. 462-463; Nijboer 1989, p. 381; respectievelijk Crijns 2002, p. 520.
Dit pareert ook de kritiek van Ferzan (2014, p. 517 e.v.). Volgens Ferzan is afdoening van delicten langs andere dan strafrechtelijke weg in strijd met dit begrip van de onschuldpresumptie. Daardoor zijn onschuldpresumptie en ultimum remedium-principe volgens haar met elkaar onverenigbaar. Ik deel die mening niet, omdat de onschuldpresumptie niet – of in ieder geval niet meer – voorschrijft hoe de procedure voor schuldvaststelling is ingericht. Dat een bestuursorgaan, het OM of een civiele partij schuld vaststelt is dus niet noodzakelijk onverenigbaar met het onschuldvermoeden, zolang die schuldvaststelling maar onderdeel is van de juridische (en eerlijke) procedure tot schuldvaststelling en daarover de zittingsrechter uiteindelijk het laatste woord kan spreken. Daar komt nog bij dat de exclusiviteit van de strafprocedure niet in de weg staat aan bejegening als schuldige aan een gebeurtenis die geen strafbaar feit is (zie daarover hierna § IV.4.2) en zich evenmin verzet tegen handelingen die geen schuld impliceren, omdat zij een van die schuld onafhankelijk doel dienen, zoals reparatie of preventie (zie daarover § IV.4.1).
Artt. 5 lid 1 EVRM, 8 lid 2 EVRM en 1 lid 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
Vooral ten aanzien van vrijheidsbeneming wordt er nogal eens op gewezen dat de onschuldpresumptie daarbij in elk geval in de Straatsburgse rechtspraak en de Nederlandse voorlopige hechtenispraktijk aan het recht op fysieke vrijheid als neergelegd in art. 5 EVRM voorrang moet verlenen, zie bijv. Van Kempen & Kristen 2005, p. 318-319; Stevens 2008, p. 513; Stevens 2009; Van Sliedregt 2009, p. 35; De Jong & Van Lent 2013, p. 271.
Zie daarover nader § IX.5
De term juridische onschuld vermijd ik, om eraan te herinneren dat anders dan het adagium doet vermoeden de onschuldpresumptie niet verplicht tot behandeling als een onschuldige, maar alleen behandeling als schuldige verbiedt. Vgl. Lippke 2016; De Jong & Van Lent 2016, p. 31.
Vanaf de Verlichting is op basis van het vermoeden van onschuld, opgekomen tegen bestraffing zonder dat daaraan een op schuldvaststelling gerichte, behoorlijke procedure voorafging.1 Alleen een proces kan tot schuldvaststelling en straf leiden, oftewel nulla poena sine iudicio.2 Die opvatting is verre van verdwenen.3 Zowel tegen de decriminalisering van onder andere Mulder-feiten als tegen de Wet OM-afdoening is bijvoorbeeld relatief recent met deze interpretatie van de onschuldpresumptie geopponeerd.4 Toch komt om twee redenen direct de vraag op of het beginsel op deze wijze benaderd vandaag de dag nog wel wezenlijke betekenis heeft.
Ten eerste was het opleggen van straf lange tijd exclusief voorbehouden aan de strafrechter. Decriminalisering van lichte feiten en de opkomst van bestuurlijke punitieve sancties enerzijds en de ontwikkeling van de strafbeschikking anderzijds hebben – de op de onschuldpresumptie geënte oppositie ten spijt – dat landschap vooral in de laatste dertig jaar ingrijpend veranderd. Een procesverplichting bestaat niet meer in alle gevallen. Dit illustreert een belangrijke beperking van de onschuldpresumptie. De onschuldpresumptie schrijft weliswaar voor dat tot schuldvaststelling in de daarvoor bestemde procedure heeft plaatsgehad, de verdachte niet als schuldige mag worden behandeld, maar is ongeschikt om voor te schrijven hoe die procedure eruit moet zien. Tegen veranderingen als bovengenoemde biedt het principe derhalve geen weerstand. Deze veranderingen signaleren namelijk niet zozeer een wijziging in de opvattingen over de onschuldpresumptie, maar veeleer over de voorwaarden die zijn verbonden aan het recht op een eerlijk proces. Thans volstaat dat een actieve verdachte zich tot een rechter kan wenden en is vrij algemeen aanvaard dat de verdachte van dat recht afstand kan doen en daaraan voorafgaand reeds door een niet-rechterlijke autoriteit in voorwaardelijke zin kan worden gestraft.5
Daarnaast zijn inmiddels diverse andere algemeen erkende strafrechtelijke waarborgen en beginselen tot wasdom gekomen. Tegen afdoening van strafbare feiten zonder procedure verzetten zich thans naast het vermoeden van onschuld onder omstandigheden ook het recht op een eerlijk proces in het algemeen en specifiekere onderdelen daarvan als het recht op toegang tot een rechter alsook – afhankelijk van het karakter van de bejegening – de meer materiële mensenrechten (lichamelijke integriteit, fysieke vrijheid, eigendom, privacy). Beperking van die materiële mensenrechten moet bovendien steeds een legaliteitstoets kunnen doorstaan.6 De onschuldpresumptie is in veel gevallen derhalve niet het enig getroffen beginsel en verdwijnt daardoor wat naar de achtergrond.7
Tegen de meest flagrante schendingen van het verbod op voorbarige behandeling als schuldige, zullen andere rechten zich met de onschuldpresumptie verzetten. Dat schuld niet mag worden vastgesteld of vergolden voordat deze in rechte is vastgesteld, is onderdeel geworden van het discours over andere verdragsrechten en van nationale strafrechtstradities.8 Dat illustreert mijns inziens vooral dat het belang om op schuldvaststelling niet te anticiperen inmiddels diep is geworteld. De onschuldpresumptie functioneert niet in een vacuüm, maar interacteert ontegenzeggelijk met andere rechten en beginselen en overlapt daarmee ook.9 Dat die waarde niet altijd in afzonderlijke bepalingen tot uitdrukking wordt gebracht of aan dergelijke bepalingen niet altijd wordt gerefereerd, doet aan het belang ervan niet af. Het maakt eerder duidelijk dat de onschuldpresumptie in dit opzicht vanzelfsprekend onderdeel van het systeem is. De strikte scheidslijn tussen juridische (nog-)niet-schuld en juridische schuld die het beginsel markeert, betekent dat met schuld en straf niet op een graduele en/of voorspellende wijze kan worden omgegaan.10 Inherent ligt die gedachte als ik het goed zie in geen ander recht of beginsel besloten. Ook niet in het recht op een eerlijk proces. Zonder tekort te doen aan het recht op een eerlijk civiel proces, zou het burgerlijk procesrecht kunnen inhouden dat bij een civielrechtelijk geschil over de vraag of één der partijen verplicht is tot het verrichten van een bepaalde prestatie, in afwachting van het proces de helft van de prestatie dient te worden verricht. De onschuldpresumptie verbiedt dit voor de strafvordering.
Het vermoeden van onschuld onderdrukt daarmee de neiging om de strafrechtelijke procedure te omzeilen, daarop te anticiperen, of de uitkomst daarvan achteraf te ondergraven. Zo’n verbod is om meerdere redenen onverkort relevant. Ten eerste dient waar mogelijk te worden voorkomen dat onterechte schade wordt veroorzaakt die nadien niet of nauwelijks volledig te repareren is. Naast een waarheidsvindingsfunctie, heeft het strafproces verscheidene andere functies, die met een voortijdige behandeling als schuldige ten tweede tekort kunnen worden gedaan. Ten derde en laatste bewaakt de exclusieve rol van de procedure het gezag van die procedure en het daaruit voortvloeiende eindoordeel.