Artikel 283 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Rb. Gelderland, 03-08-2022, nr. C/05/378314 / ES RK 20-495 en C/05/382066 / FA RK 21-47
ECLI:NL:RBGEL:2022:6059
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
03-08-2022
- Zaaknummer
C/05/378314 / ES RK 20-495 en C/05/382066 / FA RK 21-47
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2022:6059, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 03‑08‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig, Beschikking)
ECLI:NL:RBGEL:2021:8205, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 01‑12‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig, Beschikking)
Uitspraak 03‑08‑2022
Inhoudsindicatie
Eindbeschikking na echtscheiding, afwikkeling huwelijkse voorwaarden, verdeling gemeenschap van de woning, spoorboekje, vergoedingsrechten. Er bestaat de verplichting om bij het einde van het deelgenootschap de vermogens van ieder van de echtgenoten te verrekenen op basis van algehele gemeenschap van goederen. De rechtbank komt tot de conclusie dat op grond van de huwelijkse voorwaarden geen verrekening in het kader van het deelgenootschap plaatsvindt, omdat de vrouw een negatief vermogen heeft op de peildatum. De rechtbank gaat over tot het gelasten van een wijze van verdeling van de gemeenschap van de woning en hanteert daarbij een spoorboekje. Bij de beoordeling van de vergoedingsrechten past de rechtbank de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 niet toe, omdat er geen sprake is van een wettelijke gemeenschap van goederen. Het bewijsvermoeden ten gunste van de man dat de gedane uitgaven van de en/of rekening aan te merken zijn als voldoening van gemeenschapsschulden, gaat dus ook niet zondermeer op. Het is daarom aan de man – gezien de gemotiveerde betwisting van de vrouw – om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht jegens de gemeenschap of de vrouw geldend gemaakt kan worden. De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waaraan zijn privévermogen is besteed, alsook dat de verbouwingskosten aan de woning niet zijn onderbouwd. Het vergoedingsrecht wordt in beperkte mate toegewezen.
Partij(en)
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/378314 / ES RK 20-495 en C/05/382066 / FA RK 21-47
Datum uitspraak: 3 augustus 2022
beschikking na echtscheiding van de meervoudige kamer
in de zaak van
[verzoeker] (nader te noemen: de man),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. C.J.A. Snouckaert van Schauburg-Buchwaldt te Veenendaal,
tegen
[verweerster] (nader te noemen: de vrouw),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. W. de Jongh te Wageningen.
1. Het verloop van de procedure
1.1.
Bij beschikking van 1 december 2021 is door deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man toegewezen. Daarnaast is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek over de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] en zijn de verzoeken van de man om partneralimentatie en inzage in het pensioen van de vrouw door de rechtbank afgewezen. Iedere beslissing over de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling en de proceskosten is aangehouden, omdat het deelgenootschap pas kan worden afgewikkeld nadat het deelgenootschap is geëindigd door het eindigen van het huwelijk, oftewel pas nadat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft zich al wel uitgelaten over de juridische kwalificatie van de gemeenschap van de woning en de samenhang van deze gemeenschap met de verrekening in het kader van het deelgenootschap. In het kader van de aanhouding zijn partijen verzocht om het bewijs van de inschrijving in te dienen bij de rechtbank alsmede een specifieke beschrijving en schatting van de vermogens op de peildatum, te weten de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, voorzien van onderliggende bewijsstukken. Partijen hebben vervolgens de gelegenheid om op elkaars ingediende stukken te reageren, waarna de rechtbank zich zal beraden over de verdere voortgang van de procedure.
1.2.
De rechtbank heeft nadien het volgende ontvangen:
- het aanvullend verzoekschrift met aangepaste verzoeken naar aanleiding van de tussenbeschikking van 1 december 2021 met producties namens de man van 8 maart 2022;
- de brief met bijlagen namens de vrouw van 8 maart 2022;
- de brief met bijlagen namens de vrouw van 4 april 2022;
- de brief met producties namens de man van 5 april 2022.
1.3.
Naar aanleiding van de ingekomen stukken en aangepaste verzoeken heeft de rechtbank partijen de mogelijkheid geboden om, in het kader van een alternatieve bemiddelende zaaksbehandeling, in een speciaal daarvoor te plannen zitting te werken aan een minnelijke oplossing. Hierop is niet door beide partijen positief gereageerd. Zoals vooraf aangekondigd, zal de rechtbank daarom de zaak afdoen op de processtukken zonder nadere zitting.
2. De verdere feiten
2.1.
De echtscheiding is op [datum] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het huwelijk van partijen is per die datum geëindigd.
3. De verdere beoordeling
Over de aangepaste verzoeken
3.1.
De man heeft op 8 maart 2022 een aanvullend verzoekschrift met aangepaste verzoeken ingediend. De vrouw meent dat dit aanvullend verzoekschrift buiten het procesdossier moet blijven en dat enkel de stukken die zien op de vaststelling van het vermogen van de man op de peildatum in behandeling kunnen worden genomen. Zij verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn aanvullende verzoeken.
3.2.
Hoewel de rechtbank de zaak heeft aangehouden met een concrete opdracht aan partijen, staat het een partij vrij zijn verzoeken schriftelijk te veranderen of te vermeerderen zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven.1.De aangepaste verzoeken van de man zien met name en kortgezegd op de wijze van verdeling van de gemeenschap van de woning (vertaald in een aangepast ‘spoorboekje’) en houden verder een vermeerdering van de vergoedingsrechten in. Deze aanpassingen zijn naar het oordeel van de rechtbank te overzien en de vrouw heeft hierop inhoudelijk kunnen reageren en ook gereageerd op 4 april 2022. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake. Bovendien acht de rechtbank het in het belang van beide partijen om duidelijkheid te creëren en, gelet op de omvang van het tussen partijen gerezen geschil, een op alle gestelde feiten en omstandigheden gebaseerde eindbeslissing te geven. De rechtbank zal het aanvullend verzoekschrift daarom meenemen in haar beoordeling.
De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden: het deelgenootschap
3.3.
Op grond van artikel 8 lid a van de huwelijkse voorwaarden bestaat tussen partijen de verplichting om bij het einde van het deelgenootschap de vermogens van ieder van de deelgenoten te verrekenen op basis van algehele gemeenschap van goederen, met dien verstande dat er geen verrekening zal plaatsvinden indien beide echtgenoten of één van hen ten tijde van het einde van het deelgenootschap een negatief vermogen hebben (heeft). Na het eindigen van het deelgenootschap kan ieder van de echtgenoten de verrekening van ieders activa en passiva vorderen. Over het (geschatte) vermogen van een echtgenoot aan het einde van het deelgenootschap schrijft artikel 9 lid b van de huwelijkse voorwaarden voor dat daarvan afgetrokken moet worden – kortgezegd –: de waarde van de voorhuwelijkse bezittingen en schulden (met uitzondering van de echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire schulden), de waarde van de goederen die de echtgenoot tijdens het deelgenootschap door erfopvolging, making of gift heeft verkregen verminderd met de op die verkrijging drukkende schulden en lasten, de waarde van de door een echtgenoot gedreven onderneming of het aandeel daarin en de waarde van de goederen die hiervoor in de plaats zijn gekomen. Artikel 9 lid c bepaalt dat de hiervoor genoemde goederen in aanmerking worden genomen voor hun waarde bij het einde van het deelgenootschap indien zij alsdan nog aanwezig zijn. Voor zover deze goederen alsdan niet meer aanwezig zijn, worden deze in aanmerking genomen voor hun waarde op het ogenblik waarop deze uit het vermogen van de echtgenoot zijn verdwenen, tenzij kan worden aangetoond dat voor deze goederen andere goederen in de plaats zijn gekomen (bijvoorbeeld door (weder)belegging of anderszins).
3.4.
De rechtbank komt tot de conclusie dat op grond van de huwelijkse voorwaarden geen verrekening in het kader van het deelgenootschap plaatsvindt, omdat de vrouw ten tijde van het einde van het deelgenootschap een negatief vermogen heeft. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
3.5.
Door het eindigen van het huwelijk is (ook) het deelgenootschap geëindigd en kan ieder van de echtgenoten de verrekening van ieders activa en passiva vorderen. Als peildatum voor de omvang en de waardering van het te verrekenen vermogen geldt de datum waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, te weten [datum] . Beide partijen hebben een specifieke beschrijving en schatting van het vermogen op [datum] (hierna: de peildatum) gemaakt. Hierbij constateert de rechtbank dat beide partijen niet een onderscheid hebben gemaakt tussen wat het vermogen van de man is en wat het vermogen van de vrouw is. Zoals reeds door de rechtbank is overwogen in de beschikking van 1 december 2021, dient de gemeenschap van de woning niet betrokken te worden bij de afwikkeling van het deelgenootschap.
Het vermogen van de vrouw
Activa
3.6.
Op basis van ieders beschrijving van het totaal te verrekenen vermogen, stelt de rechtbank de waarde van de activa behorende tot het vermogen van de vrouw op [datum] vast op € 4.070,93, bestaande uit:
- -
een betaalrekening met nummer [rekeningnummer 1] met een aangetoond saldo van € 2.070,93;
- -
een spaarrekening met nummer [rekeningnummer 2] met een aangetoond saldo van € 0,00;
- -
haar aandeel in de (nog onverdeelde) inboedel en de hond [naam hond] , met een waarde van € 2.000,00, zoals hierna zal blijken onder 4.10;
- -
de op naam van de vrouw te ontvangen teruggave(n) inkomstenbelasting (P.M.).
- - ten aanzien van de inboedel en de hond [naam hond]
3.7.
De rechtbank constateert dat partijen niet tot overeenstemming hebben kunnen komen over de verdeling van de inboedel. De man heeft eerder een inboedellijst overgelegd met een voorstel tot verdeling. De vrouw heeft de juistheid van deze lijst betwist en zich verzet zich tegen de voorgestelde wijze van verdeling. Zij acht het redelijk dat de man een vergoeding van € 3.000 aan haar betaalt voor de nog niet verdeelde inboedel (inclusief gereedschappen) die aanwezig is in de woning en heeft – naar de rechtbank begrijpt – daarmee het standpunt ingenomen dat deze inboedelgoederen (exclusief haar persoonlijke bezittingen zoals kleding) aan de man toegedeeld kunnen worden. De man wil niet betalen voor de inboedel, die al erg oud is en overigens deels al verdeeld is. Volgens de man is het bedrag van € 3.000 niet redelijk en ook niet onderbouwd door de vrouw. De man heeft eerder aangegeven bereid te zijn een bedrag van € 1.000 te betalen voor de inboedel. Daarnaast kan de vrouw een afspraak met de man maken voor het ophalen van haar persoonlijke bezittingen.
3.8.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen het ophalen van de persoonlijke bezittingen van de vrouw in onderling overleg met elkaar zullen regelen. Omdat het de rechtbank niet duidelijk is om welke onverdeelde inboedelgoederen het gaat en wat hiervan de waarde is, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat iedere partij de inboedelgoederen houdt die hij of zij al feitelijk in zijn of haar bezit heeft.
3.9.
De rechtbank constateert dat partijen ook niet tot overeenstemming hebben kunnen komen over de verdeling van de hond [naam hond] . Uit de tegenstrijdige stellingen van partijen kan de rechtbank niet opmaken dat de hond privé-eigendom is van een van partijen. Gelet op artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden gaat de rechtbank er daarom vanuit dat de hond aan iedere partij voor de helft in mede-eigendom toebehoort. De waarde die de hond vertegenwoordigt staat voor de rechtbank niet vast, omdat partijen het daar niet over eens zijn. De vrouw gaat uit van een waarde van € 600 en baseert dit op het aankoopbedrag. De man stelt dat de hond is gekocht voor € 450 en al rond € 2.500 heeft gekost. De rechtbank begrijpt dat de hond – die door de man getraind en opgeleid wordt – een bepaalde waarde vertegenwoordigt, maar dat daar ook kosten tegenover staan die door de man worden betaald. Omdat de hond sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in 2020 bij de man verblijft, zal de rechtbank uitgaan van de situatie dat de hond aan de man bij de man zal blijven.
3.10.
Nu partijen geen concrete verdelingsverzoeken hebben gedaan over de inboedel en de hond, kan de rechtbank hierover niet beslissen. De rechtbank zal in het kader van de beschrijving en schatting van het vermogen van de vrouw op de peildatum uitgaan van een waarde van in totaal € 2.000, zijnde het gemiddelde van het door de vrouw respectievelijk de man genoemde bedrag, ter zake de verdeling van de inboedel en de hond.
- ten aanzien van de en/of bankrekening
3.11.
Beide partijen hebben in de vermogensbeschrijving de en/of bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] genoemd, met op de peildatum een saldo van € 242,62. Nu de rechtbank uit de stellingen van partijen niet kan opmaken tot wiens vermogen dit saldo moet worden toegerekend, er geen concrete verzoeken over deze bankrekening zijn gedaan en het om een minimaal saldo gaat, laat de rechtbank dit saldo verder buiten beschouwing bij de beschrijving en schatting van het vermogen van de vrouw.
Passiva
3.12.
Aan passiva heeft de vrouw opgevoerd een schuld van de vrouw aan haar vader ter grootte van € 5.000, een schuld van de vrouw aan haar nieuwe partner ter grootte van
€ 7.300, de vordering van de man op haar ter grootte van € 9.189,05 op grond van artikel 9 lid a van de huwelijkse voorwaarden, de vordering van de man op haar ter grootte van
€ 5.500 op grond van de vaststellingsovereenkomst van 3 mei 2021, een vordering van de vrouw op de man € 750 in verband met de en/of bankrekening en de te verwachten aanslag(en) inkomstenbelasting (P.M.)
- ten aanzien van de schulden aan de vader en de nieuwe partner van de vrouw 3.13. De vrouw stelt dat zij schulden heeft, omdat zij in verband met deze echtscheidingsprocedure hoge advocaatkosten heeft moeten maken. Aangezien zij de facturen niet kon voldoen uit haar maandelijkse salaris, is zij onderhandse leningen bij haar vader en haar nieuwe partner aangegaan van € 5.000 en € 7.300. Zij heeft een tweetal schuldbekentenissen overgelegd.
3.14.
Volgens de man dienen de schulden niet te worden meegenomen in het te verrekenen vermogen van de vrouw. Hij voert hiervoor aan dat de leningen zijn aangegaan voor advocaatkosten hangende de echtscheidingsprocedure en dat het geleende geld niet is gebruikt voor de gewone gang van de huishouding zoals omschreven in de huwelijkse voorwaarden. Omdat de vrouw de schulden heeft laten ontstaan, is zij ingevolge artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden alleen aansprakelijk voor de aflossing van deze schulden en komen de schulden niet voor verrekening in aanmerking. Hij verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 april 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:2261. Tot slot heeft de man ook zijn advocaatkosten van € 16.967,68 ingebracht. Nu hij hogere lasten heeft gehad voor advocaatkosten, zou de vrouw aan hem moeten betalen, aldus de man.
3.15.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de man het bestaan en de omvang van de schulden van de vrouw niet heeft betwist. Daarmee staat vast dat de vrouw op de peildatum een schuld aan haar vader heeft ter grootte van € 5.000 en een schuld aan haar nieuwe partner ter grootte van € 7.300. De rechtbank is, anders dan de man, van oordeel dat deze schulden wel in de verrekening zoals voorgeschreven in artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden dienen te worden betrokken. Uit de huwelijkse voorwaarden volgt immers niet dat schulden van een echtgenoot uitgesloten zijn van de verrekening. Er bestaat de verplichting om bij het einde van het deelgenootschap de vermogens van ieder van de echtgenoten te verrekenen op basis van algehele gemeenschap van goederen. Dat de besteding van de geleende gelden door de vrouw volgens de man onvoldoende valide is en dat hij zelf ook advocaatkosten heeft moeten maken, doet daar niet aan af. Dat de vrouw volgens de man alleen aansprakelijk is voor de aflossing van deze schulden (omdat deze niet zien op de gewone gang van de huishouding), doet daar ook niet aan af. Het gaat op grond van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden om een vaststelling van de samenstelling en omvang van ieders vermogen op de peildatum en daartoe behoren alle op dat moment aanwezige bezittingen en schulden van de betreffende echtgenoot. De aangehaalde uitspraak, waarin het ging om huwelijkse voorwaarden met een andere verrekenverplichting en niet om een deelgenootschap, is dan ook niet van toepassing op de situatie van partijen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de vrouw op de peildatum twee schulden heeft van respectievelijk € 5.000 en € 7.300, die in de beschrijving en schatting van haar te verrekenen vermogen moeten worden betrokken.
- ten aanzien van de vorderingen van de man op de vrouw
3.16.
Vast staat dat de vrouw op grond van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst een bedrag van € 5.500 is verschuldigd aan de man. Hoewel de vrouw eerder nog verweer had gevoerd tegen de juistheid van de vordering van€ 9.189,05 op grond van artikel 9 lid a van de huwelijkse voorwaarden, voert de vrouw de vordering nu zelf op in het te verrekenen vermogen aan haar kant. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij haar eerdere verweer niet langer handhaaft en de verschuldigdheid van het bedrag aan de man erkent. De rechtbank zal daarom, gelet op het verzoek van de man, bepalen dat de vrouw een bedrag van € 5.500 aan de man moet voldoen, uiterlijk bij gelegenheid van de notariële levering van de woning aan de man of een derde. Daarnaast moet de vrouw een bedrag van € 9.189,05 aan de man voldoen. De rechtbank zal aldus bepalen, waarbij ook geldt dat deze betalinguiterlijk bij gelegenheid van de notariële levering van de woning aan de man of een derde voldaan moet worden. De rechtbank houdt verder rekening met deze vorderingen als passiva van de vrouw, nu de man niet heeft weersproken dat zij in kader van de beschrijving en schatting van het te verrekenen vermogen moeten worden meegenomen. Het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 750 in verband met de en/of bankrekening komt de rechtbank onjuist voor. Uit de stellingen van de vrouw hierover maakt de rechtbank op dat de vrouw aanspraak wenst te maken op betaling door de man van € 750, zodat dit niet als een schuld kwalificeert. De rechtbank merkt dit dan ook niet aan als een schuld en houdt hier geen rekening mee in het kader van de verrekening.
Conclusie
3.17.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de waarde van de passiva behorende tot het vermogen van de vrouw op [datum] vast op € 26.989,05 (€ 5.000 + € 7.300 +€ 9.189,05 + € 5.500). Het vermogen van de vrouw op de peildatum is dan € 22.918,12 negatief (activa € 4.070,93 - passiva € 26.989,05). Op grond van de huwelijkse voorwaarden vindt dan geen verrekening van de vermogens plaats, omdat een van partijen een negatief vermogen heeft.
3.18.
Nu al op grond van het voorgaande niet toegekomen wordt aan een verrekening van de vermogens van partijen, behoeft het te verrekenen vermogen van de man geen bespreking meer. De rechtbank komt dus ook niet toe aan een bespreking van de aftrekposten van de man die hij in het kader van de afwikkeling van het deelgenootschap op grond van artikel 9 lid b en c van de huwelijkse voorwaarden heeft voorgesteld en zien op vergoeding dan wel verrekening van zijn privévermogen. De verzoeken van de man die daarop zien, en waarvoor artikel 9 lid b en c van de huwelijkse voorwaarden als grondslag is opgevoerd, worden afgewezen.
De verdeling van de gemeenschap van de woning
3.19.
De man verzoekt de verdeling van de gemeenschap van de woning vast te stellen in overeenstemming met het door hem geformuleerde draaiboek voor het overname- en/of verkoopproces (hierna: het ‘spoorboekje’). Het spoorboekje moet volgens de man ingaan na het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking ter zake de vermogensrechtelijke afwikkeling, waarbij de vorderingen over en weer worden meegenomen bij de uitkering van de waarde. De man geeft hiervoor als onderbouwing dat hij de woning graag wil overnemen, maar dat hij eerst definitief duidelijkheid moet hebben over zijn financiële positie. Hiervoor is van belang wat de rechtbank beslist ten aanzien van de door hem ingestelde vorderings-/vergoedingsrechten. De man kan pas daarna bezien of hij de woning kan financieren met behulp van de bank en/of derden.
3.20.
De vrouw wijst het verzochte spoorboekje van de man van de hand en verzoekt de rechtbank een onafhankelijk makelaar te benoemen die de verkoop van de woning ter hand neemt en te bepalen dat de na verkoop en levering resterende overwaarde tussen partijen bij helfte wordt verdeeld. Daarnaast verzoekt zij te bepalen dat de man meewerkt aan verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n). Voor het geval hij hieraan niet voldoet, verzoekt de vrouw de rechtbank om op grond van artikel 3:300 lid 2 juncto artikel 3:301 BW te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van de tot de levering van de onroerende zaak vereiste wilsverklaring van de man en voorts dat de uitspraak kan worden ingeschreven in de openbare registers nadat na het betekenen van de beschikking veertien dagen zijn verstreken. Ook verzoekt de vrouw te bepalen dat alle kosten verband houdende met de verkoop zoals makelaarskosten voor rekening van partijen te komen, ieder voor de helft.
3.21.
De verzoeken van partijen strekken ertoe dat de rechtbank de verdeling van de gemeenschap van de woning vaststelt op grond van artikel 3:185 BW. Ten aanzien van de gemeenschap van de woning heeft te gelden dat deze in beginsel bij helfte moet worden verdeeld en dat ieder van partijen in gelijke mate moet delen in de baten van de gemeenschap en in de lasten van de gemeenschap. De gemeenschap wordt bij helfte verdeeld, nadat eerst daaruit de bedragen zijn voldaan ter betaling van eventuele vergoedingsrechten die de echtgenoten jegens de gemeenschap hebben. De vergoedingsrechten komen hierna aan de orde.
3.22.
Op grond van artikel 1:99 lid 1 onder b BW is de gemeenschap in het geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding van rechtswege ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. De man heeft zijn verzoek tot echtscheiding ingediend op 19 oktober 2020, zodat de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap van de woning op die datum van rechtswege is ontbonden. Vanaf die datum is de verdeling van de gemeenschap mogelijk en die datum heeft ook te gelden als peildatum voor de omvang van de gemeenschap.
3.23.
Voor de waardering van de gemeenschap geldt als hoofdregel dat deze wordt gewaardeerd op het tijdstip van de feitelijke verdeling, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken. Niet is gesteld of gebleken dat partijen bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden of anderszins omtrent de waardering van de gemeenschap van de woning anders zijn overeengekomen, zodat de rechtbank van de hoofdregel zal uitgaan.
3.24.
Hoewel de vrouw de financiële mogelijkheden van de man om de woning over te kunnen nemen betwijfelt en betwist, acht de rechtbank het redelijk om de man in de gelegenheid te stellen om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de op de woning rustende hypothecaire geldleningen. Het is gebruikelijk om de andere echtgenoot eerst de mogelijkheid te bieden om de woning over te nemen, voordat de woning in de verkoop wordt gezet. De man dient hiertoe de kans te krijgen.
3.25.
De rechtbank volgt de man niet in zijn verzoek dat dit onderzoek pas een aanvang kan nemen nadat de te geven beschikking kracht van gewijsde heeft gekregen. Hiervoor is geen grondslag aangevoerd en ook heeft de man dit verzoek onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de man een termijn geven om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen, welke termijn, zoals gebruikelijk is, ingaat op de datum van deze beschikking.
3.26.
De rechtbank neemt het laatst geformuleerde spoorboekje door de man als uitgangspunt voor de wijze van verdeling van de woning en de daarop rustende hypothecaire geldleningen. De vrouw heeft het spoorboekje weliswaar van de hand gewezen, maar zij heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd anders dan dat de woning verkocht moet worden aan een derde. Voor een juiste afwikkeling past en vult de rechtbank het spoorboekje als volgt aan.
3.27.
Omdat de waarde en de wijze van waarderen van de woning ter discussie staat tussen partijen, en voor de rechtbank onduidelijk is wat op dit punt de definitieve standpunten van partijen zijn, dient de woning getaxeerd te worden door een onafhankelijke makelaar. Voor de voortvarendheid en om verdere discussies tussen partijen te voorkomen, wijst de rechtbank voor de taxatie van de woning, en ook voor de eventuele (latere) verkoop van de woning aan een derde, als NVM-makelaar aan: [naam makelaar] te [plaatsnaam] .De opdracht voor de taxatie van de woning dient uiterlijk binnen twee weken door partijen aan de makelaar gegeven te worden. De huidige marktwaarde is bepalend en de uitkomst van de taxatie van deze makelaar zal bindend zijn. De taxatiekosten komen, zoals gebruikelijk, voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft.
3.28.
Zodra gebleken is dat de man de woning kan overnemen en hij aan de vrouw kenbaar heeft gemaakt dat hij de woning ook daadwerkelijk tegen de getaxeerde waarde gaat overnemen (deze mededeling moet gedaan worden uiterlijk binnen vier maanden nadat het taxatierapport gereed is), dient de woning vervolgens binnen een maand bij notariële akte goederenrechtelijk aan hem geleverd te worden. Indien blijkt dat de man de woning niet kan overnemen, dient de woning te worden verkocht aan een derde. Partijen dienen de makelaar daartoe binnen twee weken opdracht te geven.
3.29.
Indien de woning aan de man wordt toegedeeld, zijn de kosten die daarmee verband houden, zoals notariskosten, voor rekening van de man. Alle kosten verband houdende met de verkoop, zoals makelaarskosten, komen voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft.
3.30.
De overwaarde die vergoed moet worden aan de vrouw door de man of verdeeld moet worden tussen partijen bij verkoop aan een derde, bestaat uit de taxatiewaarde dan wel de verkoopprijs minus de hypothecaire geldleningen en gecorrigeerd met het hierna te bespreken vergoedingsrecht van de man.
3.31.
Gelet op het voorgaande beslist de rechtbank ten aanzien van de wijze van verdeling van de gemeenschap van de woning als volgt:
- -
Partijen dienen binnen twee weken na de datum van deze beschikking gezamenlijk [naam makelaar] te [plaatsnaam] opdracht te geven om de echtelijke woning te taxeren, waarbij alle omstandigheden die volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van de woning worden meegenomen. De huidige marktwaarde is bepalend en de uitkomst van de taxatie van deze makelaar zal bindend zijn. De taxatiekosten dienen door partijen ieder voor de helft gedragen te worden.
- -
De man krijgt, te rekenen vanaf de datum waarop het door de makelaar af te geven bindende taxatierapport gereed is, vier maanden de tijd om aan de vrouw aan te tonen dat hij in staat is de toedeling van de woning tegen de getaxeerde waarde aan hem te financieren door overname van de hypothecaire geldleningen en hiervoor de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Indien de man daarin slaagt, wordt de woning aan hem toegedeeld en dient de woning binnen een maand bij notariële akte goederenrechtelijk aan de man geleverd te worden, waarbij hij aan de vrouw de helft van de overwaarde van de echtelijke woning (de overwaarde is: de taxatiewaarde minus de hypothecaire geldleningen) gecorrigeerd met het hierna te bespreken vergoedingsrecht van de man, dient te voldoen. De kosten in verband met de toedeling van de woning aan de man zijn voor rekening van de man.
- -
Slaagt de man er niet in om binnen de hiervoor genoemde termijn van vier maanden de toedeling van de woning aan hem te financieren, dan zal de woning door partijen te koop worden aangeboden via de makelaar die voormelde taxatie heeft verricht ( [naam makelaar] te [plaatsnaam] ). Partijen dienen deze makelaar daartoe binnen twee weken opdracht te geven. De aanwijzingen van deze makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning. Alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, zullen bij helfte door partijen worden gedragen (en zo nodig als eerste uit de verkoopopbrengst worden voldaan). De resterende overwaarde (de resterende overwaarde is: de verkoopprijs (na aftrek van de verkoopkosten) minus de hypothecaire geldleningen en minus het vergoedingsrecht van de man wordt tussen partijen bij helfte gedeeld.
3.32.
De rechtbank ziet geen aanleiding om op verzoek van de vrouw de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning, omdat niet is gebleken dat de man niet bereid is zijn medewerking te verlenen op het moment dat hij de woning niet kan overnemen. De rechtbank gaat ervan uit dat de man alsdan zijn medewerking vrijwillig en onmiddellijk zal verlenen. Om die reden zal de rechtbank deze beschikking ook niet in de plaats laten treden van de wilsverklaring van de man ten aanzien van de verkoop en levering van de woning. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat deze uitspraak kan worden ingeschreven in de openbare registers nadat na betekening veertien dagen zijn verstreken, doet dan ook niet meer ter zake.
Vergoedingsrechten
3.33.
De man heeft gesteld dat tijdens het huwelijk het volgende privévermogen van hem grotendeels is geïnvesteerd in de gemeenschap van de woning dan wel door consumptieve uitgaven in het gezin via de gemeenschappelijke bankrekening is verteerd:
aanbreng bank/contant (1994) € 5.029,89 levensverzekering van de man (2011) € 12.605,41 letselschade uitkering van de man (1997/1998) € 10.688,79 nalatenschap moeder met rente (2000) € 150.621,28 nalatenschap vader (1996/2001) € 2.801,00 nalatenschap ouders sieraden (2020) € 4.750,00 nalatenschap grootmoeder (2011) € 238,18
is totaal € 186.734,55
3.34.
De man heeft ten aanzien van bovengenoemde posten – kortgezegd – vergoedingsrechten van primair € 186.734,55 en subsidiair € 115.741,38 althans € 84.928,30, althans € 48.216,56 ingesteld ten aanzien van de gemeenschap van de woning, dan wel de vrouw. Doordat deze bedragen uiteindelijk in de woning zijn geïnvesteerd en/of via de gemeenschappelijke bankrekening van partijen met nummer [rekeningnummer 3] zijn verteerd, zijn deze door vermenging tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren, aldus de man. Hij voert aan dat het wettelijk stelsel van titel 7 van Boek 1 BW meebrengt dat hij als gevolg van deze vermogensverschuiving jegens de gemeenschap recht heeft op vergoeding van die bedragen. In de visie van de man volgt uit de regel van artikel 1:94 lid 5 juncto lid 3 (oud) BW het vermoeden dat de tijdens het huwelijk uit het gemeenschapsvermogen voldane schulden gemeenschapsschulden zijn. Ook de uitgaven in verband met consumptieve bestedingen zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden. Daarom dat de man stelt dat hij een volledig vergoedingsrecht blijft behouden op de gemeenschap van de woning. De man beroept zich daarbij op de uitspraak van Hoge Raad van 5 april 2019.2.Ook beroept de man zich op artikel 9 lid c van de huwelijkse voorwaarden, dat bepaalt dat als goederen niet meer aanwezig zijn, deze in aanmerking worden genomen voor hun waarde op het ogenblik waarop deze uit het vermogen van de echtgenoot zijn verdwenen. Volgens de man was het juist de bedoeling van partijen dat bij vertering van de waarde van de goederen, de waarde aan degene uit wiens vermogen de goederen zijn betaald toe zou blijven komen.
3.35.
De vrouw voert verweer tegen de ingestelde vergoedingsrechten en stelt dat het door de man geërfde vermogen, inclusief de uitkeringen uit de levensverzekering(en), niet in de woning is geïnvesteerd. Evenmin, zo blijkt, is er (met die gelden) afgelost op de hypotheek. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man zijn vermogen uit erfenis heeft gespendeerd aan allerlei persoonlijke uitgaven zonder dat er ander vermogen voor in de plaats is gekomen. Met het geërfde geld zijn volgens de vrouw dus privéschulden van de man voldaan. De man heeft zijn erfenis besteed aan grote uitgaven ten behoeve van zijn hobby’s (motorsport, motorcross en handel), zoals de aankoop van voertuigen (auto’s, bussen, caravans, motoren, aanhangers) en aan luxueuze uitgaven betreffende het gezin, zoals dure vakanties. Zoals door de vrouw is gesteld en door de man is erkend, is het bedrijfsresultaat uit de onderneming van de man al jaren marginaal zodat deze grote uitgaven door hem niet konden worden voldaan uit de resultaten uit zijn onderneming, aldus de vrouw. Het inkomen van de vrouw is geheel ten goede gekomen aan het gezin. De vrouw is van mening dat er geen sprake is van enig vergoedingsrecht.
3.36.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vrouw niet heeft betwist dat de man tijdens het huwelijk het door hem genoemde privévermogen heeft gehad. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van het door de man genoemde privévermogen uit de aanbrengst, nalatenschappen en uitkeringen van in totaal € 186.734,55, zoals genoemd onder 3.33. Ook staat niet ter discussie dat het genoemde privévermogen van de man op de peildatum niet meer aanwezig is in de vorm van geld of daarvoor in de plaats gekomen goederen.
3.37.
Naar de rechtbank begrijpt, beroept de man zich voor het primair verzochte bedrag van € 186.734,55, ook in het kader van zijn ingestelde vergoedingsrechten, op het bepaalde in artikel 9 lid b en c van de huwelijkse voorwaarden. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen onder 3.18, heeft deze bepaling betrekking op de afwikkeling van het deelgenootschap en de in dat kader op te stellen beschrijving en schatting van de vermogens van ieder van de echtgenoten. Dit artikel schrijft voor welk privévermogen in mindering strekt op het te verrekenen vermogen van een echtgenoot bij het einde van het
deelgenootschap. Nu de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen onder 3.18, niet toekomt aan een verrekening van de vermogens van partijen is dit artikel, dat ziet op de afwikkeling van het deelgenootschap, niet van toepassing bij de beoordeling van de door de man ingestelde vergoedingsrechten op de gemeenschap van de woning dan wel de vrouw. Het door de man gedane beroep op de redelijkheid en billijkheid maakt dit niet anders. Zoals in de tussenbeschikking van 1 december 2021 is overwogen, wordt de gemeenschap van de woning niet betrokken bij de afwikkeling van het deelgenootschap. Op de verdeling van de gemeenschap van de woning zijn de artikelen van boek 1, titel 7, en boek 3 BW van toepassing.
3.38.
De rechtbank oordeelt verder als volgt. Ingevolge artikel 1:95 lid 2 BW (geldend tot 1 januari 2012) en het huidige daaraan gelijkluidende artikel 1:96 lid 3 eerste volzin BW heeft de echtgenoot uit wiens eigen privévermogen een schuld van de gemeenschap is voldaan uit dien hoofde in beginsel recht op vergoeding uit de goederen van de gemeenschap. Voor zover dit vergoedingsrecht (in de rechtspraak aangeduid als reprise) niet kan worden voldaan uit de goederen van de gemeenschap heeft die echtgenoot een vordering op de andere echtgenoot voor de helft van het niet voldane bedrag. Bij de beoordeling van het verzoek van de man stelt de rechtbank voorop dat volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast dat de man een vergoedingsrecht heeft op de man rust.
3.39.
De man heeft gesteld dat zijn privévermogen is overgeboekt naar een gemeenschappelijke bankrekening van partijen en deels is verteerd. Ook heeft de man gesteld dat, gezien de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019, daarom het vermoeden geldt dat deze uitgaven betrekking hebben gehad op gemeenschapsschulden en er dus sprake is van een vergoedingsrecht.
3.40.
Op grond van de aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad ontstaat er een vergoedingsrecht als privévermogen is vermengd met gemeenschappelijk vermogen.
In principe maakt het niet uit waar het geld vervolgens aan is besteed. Het vermoeden bestaat dat tijdens het huwelijk uit het gemeenschapsvermogen gedane uitgaven gemeenschapsschulden zijn. Ook uitgaven in verband met consumptieve bestedingen zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden. Ingeval uitgaven zijn gedaan van de gemeenschappelijke bankrekening van partijen waarop het privévermogen is gestort, geldt dus ten gunste van die echtgenoot het vermoeden dat deze uitgaven betrekking hebben gehad op gemeenschapsschulden, hetgeen meebrengt dat het vergoedingsrecht van die echtgenoot jegens de gemeenschap door die uitgaven niet is aangetast. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval voor zover uit het gemeenschapsvermogen privéschulden van de ene echtgenoot zijn voldaan, of indien uitdrukkelijk of stilzwijgend is afgesproken dat deze echtgenoot met betrekking tot bepaalde uitgaven ter zake van gemeenschapsschulden geen aanspraak op vergoeding heeft, ook al zijn die uitgaven geheel of ten dele gefinancierd uit aan haar toekomend vermogen of indien deze echtgenoot minder heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waartoe deze op grond van art. 1:84 BW gehouden was.
3.41.
De rechtbank beoordeelt eerst of dit bewijsvermoeden in dit geval ook ten gunste van de man geldt. De rechtbank stelt hierbij voorop dat in dit geval, anders dan in de zaak waarover de Hoge Raad heeft geoordeeld, geen sprake is van een algehele gemeenschap van goederen. Partijen zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden waarin zij een gemeenschap van de woning zijn overeengekomen, alsmede een deelgenootschap. Verder zijn partijen overeengekomen dat er tussen hen generlei gemeenschap van goederen zal bestaan en dat ieder van de echtgenoten eigenaar van de goederen blijft die hij of zij ten huwelijk aanbrengt of tijdens het huwelijk op welke wijze dan ook verkrijgt tenzij de privé-eigendom niet mocht blijken of niet bewezen kan worden. Gelet op de huwelijkse voorwaarden hebben partijen geen zuivere boedelmenging beoogd. Dat partijen op grond van de huwelijkse voorwaarden de verplichting hebben om bij het einde van het deelgenootschap de vermogens van ieder van de echtgenoten te verrekenen op basis van algehele gemeenschap van goederen, met dien verstande dat er geen verrekening zal plaatsvinden indien beide echtgenoten of een van hen ten tijde van het einde van het deelgenootschap een negatief vermogen hebben (heeft), maakt dit niet anders. Dit leidt slechts tot een verbintenisrechtelijke vordering van de ene echtgenoot op het vermogen van de andere echtgenoot. Gelet op dit verschil in het huwelijksvermogensregime acht de rechtbank de uitspraak van de Hoge Raad niet van toepassing op deze zaak. Dat in deze zaak sprake is van vermenging van privévermogen van de man met gemeenschappelijk vermogen van partijen is door de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet aangetoond. Hierbij neemt de rechtbank ook in overweging dat in dit geval het overmaken van geld (dat is verkregen uit de nalatenschap(pen)) van een privérekening op naam van de man naar een en/of rekening op naam van partijen, niet automatisch meebrengt dat privégeld vermengd is geraakt met gemeenschappelijk geld. Enkel de en/of tenaamstelling van een bankrekening is onvoldoende om te constateren dat sprake is van gemeenschappelijk vermogen en dus vermenging. Het bewijsvermoeden ten gunste van de man dat de gedane uitgaven van de en/of rekening aan te merken zijn als voldoening van gemeenschapsschulden, gaat dus ook niet zondermeer op. Het is daarom aan de man – gezien de gemotiveerde betwisting van de vrouw – om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht jegens de gemeenschap of de vrouw geldend gemaakt kan worden.
3.42.
De man heeft gesteld dat zijn privévermogen grotendeels is geïnvesteerd in de woning. Omdat de vrouw – behoudens het hierna te bespreken bedrag van € 10.688,79 – heeft betwist dat de man privévermogen in de woning heeft geïnvesteerd, ligt het op de weg van de man om deze bestedingen aan te tonen. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.
3.43.
Ten aanzien van de letselschade uitkering van € 10.688,79 heeft de man gesteld dat hij hiermee de bouw van de (bij de woning behorende) garage heeft betaald. Ter zitting is dit door de vrouw erkend. Nu de vrouw niet heeft betwist dat de door de man ontvangen letselschade uitkering tot zijn privévermogen behoorde en dat hij dit privévermogen tijdens het huwelijk heeft aangewend voor de bouw van de garage van de tot de gemeenschap behorende woning, komt hem een vergoedingsrecht van € 10.688,79 vanuit de gemeenschap van de woning toe.
3.44.
Ten aanzien van het overige privévermogen onder 3.33 komt de rechtbank tot de conclusie dat niet vaststaat of, en zo ja, voor welk deel de man dit vermogen heeft geïnvesteerd in de woning. De rechtbank overweegt als volgt.
3.45.
Allereerst is door de man niet aangetoond welke verbouwingen aan de woning zijn verricht en welke uitgaven hiermee gemoeid waren. De stelling van de man dat voor een totaalbedrag € 115.741,38 is verbouwd aan de woning is niet voldoende met stukken onderbouwd. Een door de man zelf opgemaakt overzicht volstaat hiervoor in ieder geval niet, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw. Er zijn weliswaar meerdere facturen overgelegd (die betrekking hebben op de jaren 1994, 2000, 2001, 2005 en 2007), maar betalingsbewijzen ontbreken zodat niet duidelijk is met welk geld (privégeld of het hierna aan de orde komende gemeenschappelijke hypotheekgeld) deze facturen zijn betaald. Bovendien blijkt uit deze facturen niet dat het om een totaalbedrag van € 115.741,38 gaat. De overgelegde foto’s van de verbouwingen maken dit niet anders.
3.46.
Zo stelt de man dat met zijn aangebrachte spaargeld de eerste verbouwingen zijn uitgevoerd in de woning. Hij zou aantoonbaar na de huwelijkssluiting in 1994 tenminste in totaal ƒ 11.084,22 / € 5.029,89 hebben geïnvesteerd. Deze stelling is onderbouwd met facturen van destijds, maar vervolgens niet met betalingsbewijzen. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen dat de facturen door de man zijn betaald met het aangebrachte spaargeld.
3.47.
Daarnaast heeft de man ook onvoldoende aangetoond dat zijn privévermogen afkomstig uit de nalatenschap van zijn moeder is gebruikt voor investeringen in de woning. Uit de overgelegde stukken en de beschreven geldstromen door de man van de nalatenschap van zijn moeder (met rente), maakt de rechtbank op dat deze nalatenschap van ƒ 269.861,87 op 1 juni 2000 eerst is gestort op de bankrekening van de man (tele direct spaarrekening) met nummer [rekeningnummer 4] . Hiervan is op 5 september 2000 ƒ 169.861,87 overgeboekt naar de en/of bankrekening op naam van partijen met nummer [rekeningnummer 3] , waarvan vervolgens ƒ 160.000 is overgeboekt naar een nieuw geopende deposito rekening op naam van partijen met nummer [deposito nummer 1] . Uit de overgelegde bankafschriften blijkt niet dat deze inleg is vermengd met gemeenschappelijk vermogen van partijen. Een bedrag van ƒ 9.861,87 bleef op de en/of rekening achter en op de bankrekening van de man met nummer [rekeningnummer 4] resteert dan nog ƒ 100.000. Aan verdere uitgaven van de bankrekening van de man ziet de rechtbank dat later nog eens
ƒ 40.000, ƒ 5.000 en ƒ 500 overgeboekt is naar een nieuw geopende deposito rekening op naam van partijen met nummer [deposito nummer 2] . Verder is er een overschrijving naar de en/of rekening op naam van partijen van ƒ 7.000. Aan successierechten is betaald ƒ 34.700 en ƒ 338,38 aan de Kamer van Koophandel. Daarnaast is er nog vanaf de bankrekening van de man een betaling gedaan voor een caravan, hebben er diverse overschrijvingen naar de zakelijke rekening van de man (met nummer [rekeningnummer 5] ) plaatsgevonden, zijn er diverse kasopnames en tot slot diverse zakelijke betalingen gedaan. De man stelt dat vanuit de deposito rekeningen op naam van partijen alle rentes van in totaal € 9.160,81 zijn overgeboekt naar de en/of rekening op naam van partijen.
3.48.
Op 22 januari 2002 is de basisinleg van de depositorekeningen (deposito nummer [deposito nummer 1] en [deposito nummer 2] ) van ƒ 200.000 / € 90.765 – gevoed door de bankrekening van de man – overgemaakt naar een nieuw geopende bonus spaarrekening van de man met nummer [rekeningnummer 6] . Naast diverse ongespecificeerde overboekingen naar de en/of rekening op naam van partijen en de zakelijke rekening van de man, ziet de rechtbank dat van de bonus spaarrekening van de man een kasopname is geweest van € 7.500, twee bussen zijn aangekocht, vakanties zijn betaald en – zoals door de man ook gemarkeerd – overboekingen naar de en/of rekening met specifieke vermelding ‘huis’ van € 1.000, ‘Bosch afwasautomaat’ van € 662 en ‘verbouwing 2006’ van € 6.500 zijn gedaan. De man stelt verder dat geld vanuit de nalatenschap vanaf de bonus spaarrekening van de man, via zijn zakelijke rekening met nummer [rekeningnummer 5] samen met het salaris van de man, is overgeboekt naar de en/of rekening op naam van partijen. Vanaf 2010 was dit volgens de man € 109.373,94, maar dit heeft de man, in tegenstelling tot de hiervoor genoemde bedragen, niet onderbouwd met bankafschriften. Een eigen gemaakt Excel-overzicht volstaat in ieder geval niet.
3.49.
Uit de door de man beschreven geldstromen van zijn bankrekening met nummer [rekeningnummer 4] , de en/of bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] , de depositorekeningen en zijn bonus spaarrekening, kan de rechtbank echter niet opmaken dat privévermogen van de man is geïnvesteerd in de woning of anderszins is vermengd met gemeenschappelijk vermogen. De rechtbank ziet weliswaar dat een groot deel van de nalatenschap van de moeder is overgeboekt naar de en/of bankrekening en vanaf daar naar de deposito rekeningen, maar dezelfde bedragen zijn later via de en/of bankrekening weer overgemaakt naar de bonus spaarrekening van de man. De rechtbank ziet echter niet waaraan het geld vervolgens is besteed, en door wie. Dat privévermogen van de man is gestort op een en/of rekening op naam van partijen is op zichzelf onvoldoende om een vergoedingsrecht vast te stellen. In de eerste plaats is het niet duidelijk om welk bedragen het gaat. Bovendien gaat het er vervolgens om of de gelden vermengd zijn geraakt met gemeenschappelijk vermogen van partijen en vervolgens zijn besteed aan gemeenschappelijke schulden van partijen of privéschulden van de man. Dat het privévermogen van de man vermengd is geraakt met het gemeenschappelijk vermogen van partijen staat niet vast en de bestedingen van het geld – waaronder vanaf de en/of rekening – zijn voor de rechtbank niet bekend. Het had op de weg van de man gelegen dit verder inzichtelijk te maken. De rechtbank maakt een uitzondering voor de gemarkeerde afschrijvingen in de bankafschriften van de bonusspaarrekening van de man. Uit deze omschrijvingen blijkt onbetwist dat het geld is besteed aan de woning. Ten aanzien van die bedragen (€ 1.000, € 662 en € 6.500) zal de rechtbank dan ook een vergoedingsrecht vaststellen jegens de gemeenschap van de woning. Voor het overige is de rechtbank onvoldoende gebleken dat de nalatenschap van de moeder is geïnvesteerd in de woning.
3.50.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de nalatenschap van de vader van de man(€ 2.801), de nalatenschap van de grootmoeder van de man (€ 238,18) en de sieraden die onderdeel uitmaakten van de nalatenschappen van de ouders van de man (€ 4.750). Door de man is niet onderbouwd waaraan deze gelden zijn besteed. Ook ten aanzien van de aan de man uitgekeerde levensverzekering (€ 12.605,41) mist een onderbouwing van de besteding daarvan aan de gemeenschap. Uit het door hem overgelegde bankafschrift blijkt dat deze uitkering op de en/of rekening op naam van partijen is uitbetaald en ook dat diezelfde uitkering een dag later is overgeboekt naar de bankrekening van de man. Wat er daarna met het geld is gebeurd, is niet duidelijk geworden. Een vergoedingsrecht ten behoeve van de man is daardoor niet komen vast te staan.
3.51.
De rechtbank acht het overigens ook niet aannemelijk geworden dat het privévermogen van de man (grotendeels) is geïnvesteerd in de woning. Partijen hebben de hypotheek die bij aanvang van het huwelijk aanwezig was, te weten ƒ 75.000 (is€ 34.033,52), tot twee keer toe hebben verhoogd. Op 21 augustus 1998 is de eerste hypotheek met ƒ 125.000 (is € 56.722,53) verhoogd naar ƒ 200.000 (is € 90.756,04). Op 11 juli 2007 is nog een tweede nieuwe hypotheek aangegaan van € 39.089,11. In totaal is de hypotheek dus verhoogd met € 95.811,64. Weliswaar heeft de vrouw niet aangetoond dat met deze hypotheken is geïnvesteerd in de (verbouwingen van de) woning, maar de rechtbank mist bij de man ook enige toelichting waarom de oorspronkelijke hypotheek tijdens het huwelijk tot twee keer toe is verhoogd. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel op zijn weg gelegen, gezien zijn stelling dat hij een groot deel van zijn privévermogen(€ 115.741,38, althans € 84.928,30, althans € 48.216,56) heeft geïnvesteerd in de woning en een verhoging van de hypotheek van in totaal € 95.811,64 dan niet voor de hand ligt. De man heeft ook niet aangetoond dat de opgenomen hypotheekgelden consumptief zijn besteed. Dat de woning gedurende het huwelijk fors in waarde is gestegen, maakt dit – mede gezien de prijsontwikkelingen vanaf de aankoop van de woning in 1990 tot nu - niet anders. Dat de woning nu zoveel meer waard is ten opzichte van het aankoopbedrag in 1990 is dan ook niet zomaar terug te leiden naar de door de man gestelde investeringen in de woning vanuit zijn privévermogen, welke voor de rechtbank dus niet vaststaan.
3.52.
Ten aanzien van de stelling dat privévermogen van de man ook door consumptieve uitgaven in het gezin via de en/of bankrekening op naam van partijen is verteerd, is de rechtbank van oordeel dat het vermoeden dat vanuit de en/of rekening gemeenschapsschulden zijn voldaan, hier niet opgaat omdat geen sprake is van een algehele gemeenschap van goederen. Nog los van het feit dat de man ook niet concreet heeft onderbouwd welk bedrag precies aan het gezin is besteed, is het – gelet op de op hem rustende stelplicht en bewijslast – aan de man om feiten en omstandigheden te stellen die maken dat hij een vergoedingsrecht heeft. De rechtbank is echter niet gebleken van bijzondere omstandigheden. Hierbij neemt de rechtbank ook in overweging dat het gaat om privévermogen waarvan het grootste deel ruim twintig jaar geleden is ontvangen door de man en dat tijdens het huwelijk nimmer tussen partijen is afgesproken dat dit privévermogen van de man naar hem terug zou moeten, ook als dit bij het einde van het huwelijk niet meer aanwezig zou zijn. De rechtbank acht het niet redelijk dat het privévermogen van de man, dat op de peildatum niet meer traceerbaar aanwezig is, nu alsnog aan hem vergoed moet worden. Hierbij neemt de rechtbank ook in overweging dat uit de overgelegde stukken blijkt dat er voor een aanzienlijk bedrag diverse vervoermiddelen zijn aangekocht tijdens het huwelijk. De facturen die hierop zien, staan op naam van de man dan wel zijn eenmanszaak. Omdat ook op dit punt betalingsbewijzen ontbreken, kan de rechtbank niet uitsluiten dat deze uitgaven – zoals de vrouw stelt – zijn gefinancierd vanuit het privévermogen van de man en dus daarmee besteed is ter voldoening van privéschulden.
3.53.
Omdat de rechtbank van oordeel is dat de man onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waaraan zijn privévermogen uit aanbrengst, uitkering en nalatenschappen is besteed, alsook de verbouwingskosten aan de woning niet zijn onderbouwd, komt de rechtbank niet toe aan een hoger vergoedingsrecht dan € 18.850,79 (€ 10.688,79 + € 1.000 + € 662 + € 6.500).
3.54.
De man heeft nog een bewijsaanbod gedaan door het horen van de vrouw en/of partijen onder ede. Nu er een langdurige zitting heeft plaatsgevonden en artikel 21 Rv ervan uitgaat dat partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren, ziet de rechtbank hier geen aanleiding toe. De man heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de feiten niet volledig en naar waarheid zijn aangevoerd door de vrouw. Daarnaast ligt het op de weg van de man om zijn stellingen met bewijsstukken te onderbouwen. De man kan daarbij niet volstaan met de stelling dat zijn privévermogen is geïnvesteerd in de woning en het gezin, zonder dit verder aan te tonen, door bijvoorbeeld het overleggen van voldoende bankafschriften/betaalbewijzen. Het bewijsaanbod van de man wijst de rechtbank dan ook af.
3.55.
Concluderend heeft de man een vergoedingsrecht op de gemeenschap van de woning van € 10.688,79, € 1.000, € 662 en € 6.500, in totaal: € 18.850,79. Het meer verzochte zal worden afgewezen wegens gebrek aan voldoende onderbouwing. Indien de man de woning overneemt, dient de helft van dit bedrag, te weten € 9.425,40, in mindering te worden gebracht op het door de man aan de vrouw te betalen aandeel in de overwaarde van de woning. Bij verkoop van de woning aan een derde dient een bedrag van € 18.850,79 bij voorrang aan de man te worden uitgekeerd uit de verkoopopbrengst van de woning.
Verrekenposten
3.56.
De man heeft diverse posten genoemd die hij nog verrekend wil zien met de vrouw, zoals de nota van de notaris, taxatiekosten, NLE energiekosten, kosten voor riool ontstoppen, vaste lasten [de jongmeerderjarige] , gestolen sieraden en belastingteruggaven. De vrouw heeft hierop gereageerd en aangegeven dat zij ook nog posten verrekend wil zien met de man, zoals de hond [naam hond 2] en verschillende uitgaven die partijen over en weer na het vertrek van de vrouw hebben gedaan. De rechtbank constateert dat partijen uiteindelijk geen concrete verzoeken en/of grondslagen voor de verrekening geformuleerd hebben. Ook is de rechtbank niet duidelijk in hoeverre de gesloten vaststellingsovereenkomst tussen partijen van 3 mei 2021 hierop al (deels) ziet. De rechtbank laat deze onderwerpen daarom verder onbesproken.
Proceskosten
3.57.
Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet, gelet op dit uitgangspunt, in de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden geen aanleiding om de man in de proceskosten te veroordelen.
4. De beslissing
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 5.500 dient te voldoen aan de man, uiterlijk op de datum van notariële levering van de woning aan de man of een derde;
4.2.
bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 9.189,05 dient te voldoen aan de man, uiterlijk op de datum van notariële levering van de woning aan de man of een derde;
4.3.
bepaalt dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van de woning van € 18.850,79, dan wel op de vrouw van € 9.425,40;
4.4.
gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap van de woning als volgt:
- partijen dienen binnen twee weken na de datum van deze beschikking gezamenlijk [naam makelaar] te [plaatsnaam] opdracht te geven om de echtelijke woning te taxeren, waarbij alle omstandigheden die volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van de woning worden meegenomen. De huidige marktwaarde is bepalend en de uitkomst van de taxatie van deze makelaar zal bindend zijn. De taxatiekosten dienen door partijen ieder voor de helft gedragen te worden;
- de man krijgt, te rekenen vanaf de datum waarop het door de makelaar af te geven bindende taxatierapport gereed is, vier maanden de tijd om aan de vrouw aan te tonen dat hij in staat is de toedeling van de woning tegen de getaxeerde waarde aan hem te financieren door overname van de hypothecaire geldleningen en hiervoor de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Indien de man daarin slaagt, dient de woning binnen een maand bij notariële akte goederenrechtelijk aan de man geleverd te worden, waarbij hij aan de vrouw dient te voldoen de helft van de overwaarde van de echtelijke woning (de overwaarde is: de taxatiewaarde minus de hypothecaire geldleningen) na aftrek van het vergoedingsrecht van de man van € 9.425,40. De kosten in verband met de toedeling van de woning aan de man zijn voor rekening van de man;
- slaagt de man er niet in om binnen de hiervoor genoemde termijn van vier maanden de toedeling van de woning aan hem te financieren, dan zal de woning door partijen te koop worden aangeboden via de makelaar die voormelde taxatie heeft verricht ( [naam makelaar] te [plaatsnaam] ). Partijen dienen deze makelaar daartoe binnen twee weken opdracht te geven. De aanwijzingen van deze makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning. Alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, zullen eerst van de opbrengst worden voldaan. De resterende overwaarde (de overwaarde is: de verkoopprijs (na aftrek van verkoopkosten) minus de hypothecaire geldleningen en minus het vergoedingsrecht van € 18.850,79 wordt tussen partijen bij helfte gedeeld;
4.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
4.6.
wijst het meer of anders verzochte af;
4.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman, rechter, als voorzitter, en mr. M. van der Linde en mr. A.M. van Riemsdijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Heezemans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022. | ||
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑08‑2022
Uitspraak 01‑12‑2021
Inhoudsindicatie
Tussenbeschikking echtscheiding, niet-ontvankelijkheid kinderalimentatie, partneralimentatie, gebruiksvergoeding, afwikkeling huwelijkse voorwaarden, verrekenen/verdelen en pensioenverrekening/-verevening. De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden waarin een gemeenschap van de woning en een deelgenootschap is overeengekomen staat ter discussie. Vooruitlopend op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden beantwoordt de rechtbank de vragen of de gemeenschap van de woning aangemerkt moet worden als een eenvoudige gemeenschap of een beperkte huwelijksgemeenschap, en vervolgens of de gemeenschap van de woning betrokken moet worden in de afwikkeling van het deelgenootschap. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een beperkte huwelijksgemeenschap, die niet in de afwikkeling van het deelgenootschap betrokken moet worden, maar verdeeld moet worden.
Partij(en)
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/378314 / ES RK 20-495 en C/05/382066 / FA RK 21-47
Datum uitspraak: 1 december 2021
tussenbeschikking echtscheiding van de meervoudige kamer
in de zaak van
[verzoeker] (nader te noemen: de man),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. C.J.A. Snouckaert van Schauburg-Buchwaldt te Veenendaal,
tegen
[verweerster] (nader te noemen: de vrouw),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. W. de Jongh te Wageningen.
1. Het verloop van de procedure
1.1.
Dit verloop blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 21 oktober 2020;
- het exploot van betekening van 30 oktober 2020;
- het verweerschrift met zelfstandig verzoek, ingekomen op 7 januari 2021;
- het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek alsmede aanvullend verzoek, ingekomen op 25 februari 2021;
- het verweerschrift op het aanvullende verzoek man, tevens aanvulling/wijziging verzoek vrouw inclusief aanvullende reactie op stukken man, ingekomen op 22 maart 2021;
- de brief met nagezonden, leesbare producties namens de man, ingekomen op 11 mei 2021;
- de brief met bijlage namens de vrouw, ingekomen op 7 juli 2021;
- de aanvulling/wijziging verzoeken tevens verweerschrift op aanvullend verzoek zijdens de vrouw en overlegging producties, namens de man, ingekomen op 12 juli 2021;
- de ter zitting overgelegde pleitaantekeningen van mr. de Jongh.
1.2.
De zaak is meervoudig behandeld ter zitting met gesloten deuren van 22 juli 2021. Daarbij waren aanwezig de beide partijen, bijgestaan door hun advocaten.
1.3.
Naar aanleiding van de zitting heeft de rechtbank, zoals met partijen ter zitting is besproken, nog ontvangen:
- het F9-formulier met nadere productie (jaaropgave 2019) namens de vrouw, ingekomen op 26 juli 2021;
- het F9-formulier met nadere producties (eerste half jaar cijfers 2021) namens de man, ingekomen op 3 augustus 2021.
2. De feiten
2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.
2.2.
Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
De jongmeerderjarige (inwonende) zoon van partijen is:
- [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
Partijen hebben daarnaast nog een meerderjarige dochter.
2.4.
Ter beëindiging van de procedure voorlopige voorzieningen hebben partijen in mediation afspraken met elkaar gemaakt over een door de vrouw te betalen bijdrage voor [de jongmeerderjarige] (van € 185 per maand), een voorlopige partneralimentatie voor de man (van € 525 per maand) en over de betaling van de gezamenlijke kosten over de periode van maart 2020 tot en met mei 2021 (van een bedrag van € 5.500 door de vrouw). Deze afspraken hebben zij vastgelegd in een overeenkomst, gedateerd en ondertekend op 3 mei 2021.
3. De beoordeling
3.1.
Deze rechtbank is bevoegd, omdat partijen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland wonen.
3.2.
Partijen zijn het eens over, althans er is geen verweer gevoerd tegen:
- de duurzame ontwrichting van het huwelijk zodat tussen hen de echtscheiding kan worden uitgesproken;
- het voortgezet gebruik van de echtelijke woning te [adres] door de man.
De rechtbank zal zo beslissen.
3.3.
De man heeft zijn verzoek met betrekking tot een nog door de vrouw aan hem te betalen bijdrage in de kosten van de echtelijke woning tot de datum van levering van de woning aan hem, dan wel aan derden, ingetrokken. Op dat verzoek hoeft daarom niet meer te worden beslist.
3.4.
De man heeft verzocht om de tussen partijen gesloten overeenkomst van 3 mei 2021 aan te hechten aan deze beschikking. De rechtbank zal hiertoe niet overgaan, omdat de daarin vastgelegde afspraken in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure zijn gemaakt en dus niet zien op deze procedure. Bovendien vloeien de rechtsgevolgen van de overeenkomst rechtstreeks daaruit voort en opname van de overeenkomst in de beschikking doet daar niet aan toe of af. Partijen zijn gebonden aan hetgeen zij met elkaar zijn overeengekomen.
3.5.
Partijen zijn het niet eens over:
- de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] (hierna: dealimentatie voor [de jongmeerderjarige] );
- -
de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man (hierna: de partneralimentatie);
- -
de gebruiksvergoeding;
- -
de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden;
- -
de pensioenverevening.
Deze onderwerpen komen hierna aan de orde.
De alimentatie voor [de jongmeerderjarige]
3.6.
De man verzoekt de rechtbank – bij gewijzigd verzoek – te bepalen dat de vrouw met ingang van 1 juni 2021 met een bedrag van € 185 per maand zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] . Dit verzoek komt overeen met de afspraken die partijen in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure hebben vastgelegd in de overeenkomst van 3 mei 2021, waarbij tevens is overeengekomen dat deze alimentatieafspraak geldt totdat [de jongmeerderjarige] zelf in zijn behoefte kan voorzien, doch uiterlijk totdat [de jongmeerderjarige] de leeftijd van 21 jaar bereikt. Ter zitting heeft de vrouw bevestigd dat dit de afspraak is, welke afspraak zij zal blijven nakomen.
3.7.
De rechtbank zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek. Het vaststellen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor een jongmeerderjarige valt niet onder de limitatieve opsomming van de door de rechter te treffen voorzieningen van artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De jongmeerderjarige heeft een zelfstandig recht om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn ouder(s) te verzoeken. [de jongmeerderjarige] is in deze procedure geen partij en een volmacht volstaat naar het oordeel van deze rechtbank ook niet om het verzoek inhoudelijk te behandelen.
3.8.
Het voorgaande doet er overigens niet aan af dat partijen gebonden zijn aan de in de overeenkomst van 3 mei 2021 neergelegde afspraken.
De partneralimentatie
3.9.
De man verzoekt de rechtbank – bij gewijzigd verzoek – te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 525 bruto per maand aan hem betaalt als partneralimentatie.
De vrouw voert een behoefte-, behoeftigheid- en draagkrachtverweer en meent dat het verzoek van de man moet worden afgewezen.
3.10.
Voor de beoordeling van de behoefte en de draagkracht wordt het rapport alimentatienormen van de Expertgroep alimentatienormen tot uitgangspunt genomen. De bedragen zullen worden afgerond op hele getallen.
De huwelijksgerelateerde behoefte
3.11.
Voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte van de man zoekt de rechtbank aansluiting bij de zogenoemde Hofnorm, van welke norm beide partijen ook uitgaan. De Hofnorm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: het gezinsinkomen) gedurende de laatste periode van de samenleving en het hieraan gerelateerde uitgavenpatroon. Vervolgens gaat de Hofnorm ervan uit dat de huwelijksgerelateerde behoefte 60% van dit gezinsinkomen is. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de Hofnorm in dit geval ook voldoende aanknopingspunten voor de huwelijksgerelateerde behoefte van de man.
3.12.
Voor de toepassing van de Hofnorm moet de rechtbank eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden in het laatste jaar waarin zij nog met elkaar samenwoonden. Dat was in 2019.
3.13.
Uit de jaaropgave 2019 van de vrouw maakt de rechtbank op dat zij toen een bruto jaarinkomen had van € 27.027. Rekening houdend met de op de vrouw van toepassing zijnde heffingskortingen en de inkomensheffing (tarieven 2019-2) bedroeg het netto besteedbaar maandinkomen van de vrouw € 1.188 in 2019.
3.14.
De man had een inkomen uit zijn eenmanszaak “ [naam eenmanszaak] ”. Uit de aangifte inkomstenbelasting 2019 met bijbehorende jaarstukken 2019 van de man maakt de rechtbank op dat de man in dat jaar een brutowinst uit onderneming had van € 2.821 en een gerealiseerde zelfstandigenaftrek van € 2.821. De man had aldus niet te maken met een te betalen inkomstenbelasting, zodat de bruto winst een netto inkomen voor de man oplevert van € 235 per maand in 2019. Het netto gezinsinkomen van partijen in 2019 bedroeg aldus € 2.115 per maand.
3.15.
Hierop dienen de kosten van [de jongmeerderjarige] in mindering te worden gebracht. Ter zitting hebben partijen de rechtbank niet kunnen aangeven welke kosten zij precies hadden aan [de jongmeerderjarige] of waarmee rekening kan worden gehouden. De rechtbank stelt dan ook vast dat partijen over deze kosten geen overeenstemming hebben en zal daarom de kosten van [de jongmeerderjarige] zelf vaststellen.
3.16.
Ondanks dat [de jongmeerderjarige] pas in juli 2019 jongmeerderjarig is geworden, gaat de rechtbank voor de berekening van zijn behoefte uit van het normbedrag volgens de Wet Studiefinanciering, de zogenoemde WSF-norm, in plaats van de behoeftetabellen voor minderjarigen. Immers is onbetwist gesteld dat [de jongmeerderjarige] al eerder dat jaar een mbo-opleiding volgde en dus thuiswonend student was. Hierbij passen andere kosten. Het WSF-normbedrag in het middelbaar beroepsonderwijs voor thuiswonende studenten bedraagt per augustus 2019 € 610,44 per maand. Uit de verklaringen ter zitting maakt de rechtbank op dat [de jongmeerderjarige] recht had op een basisbeurs als gift, zodat de rechtbank het normbedrag verlaagt met een bedrag van € 85,13. De behoefte van [de jongmeerderjarige] stelt de rechtbank daarmee vast op afgerond€ 525 per maand in 2019.
3.17.
Gelet op het voorgaande en volgens de Hofnorm kan de huwelijksgerelateerde behoefte van de man vastgesteld worden op 60% x (€ 2.115 - € 525) = € 954 netto per maand in 2019. Na toepassing van de wettelijke indexering bedraagt deze behoefte in 2021€ 1.007 netto per maand.
3.18.
Op deze behoefte komen de eigen inkomsten van de man in mindering.
Behoeftigheid
3.19.
De man geeft aan dat zijn inkomen onzeker is en zijn verdiencapaciteit onder druk staat. Hij heeft ernstige klachten aan zijn knie. Begin dit jaar heeft hij een knieoperatie gehad en heeft hij bijna drie maanden niet kunnen werken. De man heeft geen vast werk en verwerft met zijn eenmanszaak een beperkt inkomen. Hij verkoopt hondenvoer. Om toch aan (meer) inkomen te komen heeft hij zich eind maart 2021 aangemeld bij een uitzendbureau en heeft hij twaalf weken gewerkt bij een bedrijf. In juli 2021 is hij gestart bij een hoveniersbedrijf van een vriend. Hoewel dit niet goed is voor zijn knie, is dit het enige wat de man op dit moment aan werk kan vinden/krijgen. Onbekend is of hij dit kan volhouden. Hij is op zoek naar ander werk. Sollicitaties hebben tot nu toe niets opgeleverd. Hij zou geen recht hebben op een bijstandsuitkering. Inmiddels zijn de klachten aan zijn knie weer teruggekomen zodat hij niet weet wat hij in de nabije toekomst aan inkomen zal kunnen genereren.
3.20.
Uit de overgelegde financiële stukken maakt de rechtbank op dat de man met zijn eenmanszaak in 2020 een resultaat had van € 12.231,53. Volgens de man is het resultaat feitelijk € 8.029,80 geweest, omdat de autokosten die hij had van € 4.201,73 zijn verrekend met de bijtelling van het privégebruik van zijn auto. Dit bedrag dient dan ook nog van het resultaat afgetrokken te worden. Het resultaat tot en met juni 2021 – inclusief de bijtelling van het privégebruik van de auto – bedraagt € 1.338,16. Na aftrek van de bijtelling van€ 1.659,01 heeft hij feitelijk verlies geleden, aldus de man. Met het werk via het uitzendbureau heeft de man in de periode van 26 maart tot 6 juni 2021 € 3.875,69 netto verdiend. Wat de man thans verdient bij het hoveniersbedrijf van zijn vriend is de rechtbank niet bekend.
3.21.
Gelet op het voorgaande staat het huidige inkomen van de man niet vast. Omdat niet vaststaat wat de man verdient, zal de rechtbank een oordeel geven over wat de man geacht wordt redelijkerwijze te kunnen verdienen.
3.22.
De man stelt dat hij door zijn knieklachten wordt belemmerd in het verrichten van werk. De man heeft echter, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet onderbouwd op welke wijze hij nu nog hinder ondervindt van (knie)klachten waardoor hij niet zou kunnen werken. De man heeft begin dit jaar een knieoperatie ondergaan. In ieder geval is gebleken dat de man sinds eind maart weer heeft gewerkt en nu zelfs werkt voor een hoveniersbedrijf. Hoewel de man aangeeft (opnieuw) ernstige knieklachten te ervaren, heeft de man dit niet verder onderbouwd. Een nadere onderbouwing had wel op de weg van de man gelegen, te meer omdat een operatie doorgaans verbetering brengt in de klachten. Overigens mist de rechtbank in zijn geheel informatie over de fysieke toestand van de man in relatie tot het kunnen verrichten van werk, zoals bijvoorbeeld de mate van zijn arbeids(on)geschiktheid. Gelet op de inspanningsverplichting van de man om zoveel mogelijk in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, had het op de weg van de man gelegen om hierover nadere informatie te verschaffen, zoals het overleggen van stukken van een medisch specialist en een arbeidsdeskundige. Nu de man dit heeft nagelaten en gelet op het feit dat de man momenteel wel werkt, houdt de rechtbank geen rekening met knieklachten als een belemmering om te kunnen werken.
3.23.
Daarnaast stelt de vrouw terecht aan de orde dat de man al geruime tijd een eenmanszaak exploiteert met marginale bedrijfsresultaten met daarbij de vraag of de man zich wel volledig inspant om het resultaat uit zijn onderneming te verhogen. De man heeft zich hierover verder niet uitgelaten.
3.24.
Nu de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij vanwege fysieke klachten niet in staat is om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien en hij evenmin heeft onderbouwd dat hij niet in staat is om uit zijn onderneming een hoger inkomen te generen, is de conclusie van de rechtbank dat de man onvoldoende heeft gesteld dat hij behoeftig is. Het verzoek om partneralimentatie wordt reeds op die grond afgewezen.
De gebruiksvergoeding
3.25.
De vrouw verzoekt de rechtbank om te bepalen dat de man een gebruiksvergoeding aan haar voldoet ingaande op 12 januari 2020 tot het moment dat de woning is verkocht aan derden van € 3.229 (2% van de helft van de overwaarde van de woning totaal begroot op€ 322.855/2). De man voert verweer.
3.26.
De rechtbank ziet geen aanleiding om over de periode vóór ontbinding van het huwelijk door inschrijving van de echtscheiding in het desbetreffende register van de burgerlijke stand een door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding vast te stellen. Zolang partijen nog gehuwd zijn, zijn zij op grond van artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek (BW) immers verplicht elkaar het nodige te verschaffen, waaronder ook het gebruik van de echtelijke woning dient te worden begrepen, en past daarbij geen vergoeding voor het gebruik van die woning. Ook aan de redelijkheid en billijkheid kunnen in dit geval geen gronden worden ontleend voor toewijzing van het verzoek, nu de verplichting voortvloeiend uit artikel 1:81 BW dient te prevaleren.
3.27.
Vanaf het moment dat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ligt dit echter anders. Gedurende de periode dat de man krachtens de beslissing ex artikel 1:165 BW de echtelijke woning bewoont, mist de vrouw immers de mogelijkheid te beschikken over haar aandeel in de waarde van die woning. Dit levert een vermogensnadeel op en dat dient in beginsel te worden gecompenseerd met een door de man te betalen gebruiksvergoeding voor die woning. Ook indien de man langer dan zes maanden de echtelijke woning bewoont, dient het vermogensnadeel gecompenseerd worden, op grond van artikel 3:169 BW.
3.28.
Ter zitting heeft de man verklaard dat hij de volledige woonlasten zal betalen vanaf het moment dat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor zover de rechtbank begrijpt zonder verrekening daarvan met de vrouw. Dit scheelt voor de vrouw een kostenpost. Gelet op de betaling van alle woonlasten door de man, dus ook het deel waarvoor de vrouw draagplichtig is, acht de rechtbank het niet redelijk als de man daarnaast nog een gebruiksvergoeding moet betalen, te meer omdat de (over)waarde van de woning nog niet vaststaat. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw daarom af.
De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
3.29.
In de huwelijkse voorwaarden van partijen, opgemaakt op [datum] , is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
“ UITSLUITING VERMOGENSGEMEENSCHAP
Artikel 1.
Er zal tussen de echtgenoten bestaan de gemeenschap betreffende het woonhuis met schuur, verder toegehoren, ondergrond en tuin aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeenteplaats] sectie [sectie letter] nummer [sectie nummer] , groot vijf are vijftien centiare en de daarop rustende hypothecaire schulden. Overigens zal er tussen de echtgenoten generlei gemeenschap van goederen bestaan. Ieder der echtgenoten blijft derhalve eigenaar van de goederen welke hij of zij ten huwelijk aanbrengt of staande huwelijk op welke wijze ook verkrijgt. Alle schulden door de echtgenoten hetzij vóór, hetzij na de voltrekking van het huwelijk gemaakt of aan hem of haar door erfenis, legaat of schenking of op andere wijze opgekomen, blijven of komen ten laste van diegene hunner door wie zij zijn aangegaan of aan wie zij zijn opgekomen.
[…]
KOSTEN VAN DE HUISHOUDING/PREMIEBETALING
Artikel 3.
1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding en die van de verzorging en opvoeding van de kinderen komen ten laste van de man en de vrouw naar evenredigheid van hun zuivere inkomsten. Het recht van een echtgenoot om van de ander over enig kalenderjaar verrekening te vorderen op grond van het hiervoor bepaalde, vervalt een jaar na afloop van het betreffende kalenderjaar.
2. De kosten van levensverzekering, het risicodeel van een gemengde verzekering en de kosten van een ongevallenverzekering daaronder begrepen, zoals premies, worden gedragen door diegene van partijen die als begunstigde in de polis staat genoemd.
De begunstigde echtgenoot dient tevens verzekeringnemer te zijn van een dergelijke verzekering en indien dat niet het geval is, wordt de echtgenoot geacht verzekeringnemer te zijn.
De echtgenoot die begunstigde is van een overlijdensrisicoverzekering moet de premies die
eventueel ten laste van de andere echtgenoot zijn gekomen en al hetgeen overigens aan diens
vermogen is onttrokken, alsmede een redelijke rente daarover, vergoeden.
De betaalde premies zullen niet worden betrokken in een tussen de echtgenoten overeengekomen deelgenootschap, noch in een jaarlijkse of finale verrekeningsovereenkomst.
[…]
MEDE-EIGENDOM
Artikel 6.
De goederen waarvan niet mocht blijken of waarvan niet bewezen kan worden aan wie der echtgenoten zij in privé toebehoren, worden geacht aan ieder der echtgenoten voor de helft in gewone mede-eigendom toe te behoren.
[…]
DEELGENOOTSCHAP
Artikel 8.
a. Tussen de echtgenoten bestaat een deelgenootschap, inhoudende de verplichting om bij het einde van het deelgenootschap de vermogens van ieder der deelgenoten te verrekenen op basis van algehele gemeenschap van goederen, met dien verstande dat er generlei verrekening zal plaatsvinden indien beide echtgenoten of één hunner ten tijde van het einde van het deelgenootschap een negatief vermogen hebben (heeft).
Indien het huwelijk eindigt door overlijden van één der echtgenoten zal eveneens geen verrekening plaatsvinden indien het vermogen van de langstlevende groter is dan het vermogen van de overledene.Op dit deelgenootschap zijn de artikelen 129 en volgende Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
b. Het deelgenootschap eindigt:
1. door het eindigen van het huwelijk;
[…]c. Na het eindigen van het deelgenootschap kan ieder der echtgenoten de verrekening van ieders activa en passiva als bedoeld in lid a vorderen.
Teneinde tot vaststelling van de omvang van de bezittingen van ieder der echtelieden te geraken kan ieder der echtgenoten tot specifieke beschrijving en schatting van zijn vermogen overgaan en vorderen dat het vermogen van de andere echtgenoot specifiek wordt beschreven en geschat. Aan een dergelijke vordering zal door deze andere echtgenoot binnen een maand daarna moeten worden voldaan.
De schatting van de goederen geschiedt naar de waarde ten tijde van het eindigen van het
deelgenootschap door de echtgenoten in onderling overleg en, indien geen overeenstemming dienaangaande wordt bereikt, op dezelfde wijze als voor de verdeling van een gemeenschap in de wet is bepaald. […]
d. De uitkering waartoe een echtgenoot jegens de andere echtgenoot krachtens de deling is gehouden, geschiedt in geld en is onmiddellijk opeisbaar, tenzij door partijen dienaangaande bij de deling een andere regeling wordt getroffen of door de rechter anders wordt bepaald.
Indien echter een echtgenoot hiervoor gelden moet onttrekken aan een door hem direct of indirect gedreven onderneming en deze onttrekking uit oogpunt van een goede bedrijfsvoering ongewenst wordt geoordeeld, is de andere partij verplicht mede te werken aan een redelijke betalingsregeling waarbij de belangen van beide partijen in acht worden genomen.
Artikel 9.
a. Ingeval het huwelijk van partijen eindigt door echtscheiding of ingeval van scheiding van tafel en bed zal de comparante sub 2 aan de comparant sub 1 uitkeren een bedrag groot twintigduizend tweehonderdvijftig gulden (f. 20.250,--), zijnde de helft van de waarde van het pand [adres] ten tijde van de aankoop door de comparant sub 1 verminderd met de restant-hypotheek per heden en vermeerderd met de door de comparant sub 1 terzake van voormelde aankoop betaalde kosten. (f 125.000,-- - f 93.000,-- + f 8.500,--)
b. Ingeval het deelgenootschap eindigt door echtscheiding, door opheffing bij vonnis of door
scheiding van tafel en bed, wordt tussen de echtgenoten overigens afgerekend zoals in het vorige artikel bepaald, echter met dien verstande dat van het bedrag, waarop het vermogen van een echtgenoot aan het einde van het deelgenootschap is geschat, wordt afgetrokken:
1. de waarde van de goederen die de echtgenoot ten huwelijk aanbracht, verminderd met zijn
toenmalige schulden;
2. de waarde van de goederen die de echtgenoot tijdens het deelgenootschap door erfopvolging, making of gift heeft verkregen, verminderd met de op die verkrijging drukkende schulden en lasten;
3. de waarde van de door een echtgenoot gedreven onderneming waaronder mede wordt begrepen de waarde van een aandeel in een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of enig ander Nederlands of buitenlands samenwerkingsverband, danwel de waarde van aandelen in een naamloze of besloten vennootschap of in - enig ander Nederlands of buitenlands lichaam, zulks voorzover een echtgenoot zijn onderneming alleen of met anderen in de vorm van dit lichaam
drijft.
Onder aandelen worden mede verstaan winstbewijzen, deelnemersbewijzen, certificaten van aandelen en dergelijke, dan wel
4. de waarde van de goederen welke in de plaats zijn gekomen van de sub 1, 2 en 3 genoemde goederen (door (weder)belegging of anderszins).
c. De hiervoor sub b 1, 2 en 3 bedoelde goederen worden in aanmerking genomen voor hun waarde bij het einde van het deelgenootschap indien zij alsdan nog aanwezig zijn. Voorzover deze goederen alsdan niet meer aanwezig zijn, worden deze in aanmerking genomen voor hun waarde op het ogenblik waarop deze uit het vermogen van de echtgenoot zijn verdwenen, tenzij kan worden aangetoond dat voor deze goederen andere goederen in de plaats zijn gekomen (bijvoorbeeld door (weder)belegging of anderszins). Deze andere goederen worden in aanmerking genomen voor hun waarde overeenkomstig het hiervoor bepaalde.
5. Als huwelijksaanbrengst als bedoeld in dit artikel wordt niet aangemerkt het pand [adres] en de daarop rustende hypothecaire schulden.
PENSIOENVERREKENING
Artikel 10.
Ingeval het huwelijk van partijen eindigt door echtscheiding danwel tussen partijen scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken zal geen verrekening plaatsvinden van de door ieder van partijen voor- of gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenrechten.
[…]
SLOTBEPALINGEN
Artikel 12.
Voorts verklaarden de comparanten:
- door hen worden ten huwelijk aangebracht lijfsieraden, kleinodiën en lijfstoebehoren;
- geen verdere opgave of nadere precisering te hebben of wensen te doen van door hen ten huwelijk
aangebrachte zaken;
[…]”.
3.30.
De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden staat ter discussie tussen partijen. In de huwelijkse voorwaarden zijn partijen – kortgezegd – een gemeenschap van de woning aan de [adres] met de daarop rustende hypothecaire schulden (hierna: de gemeenschap van de woning) overeengekomen, alsmede een deelgenootschap. Beide partijen wensen de huwelijkse voorwaarden af te wikkelen en verzoeken de rechtbank hiertoe over te gaan. Zij verschillen echter van mening over de juridische kwalificatie van de gemeenschap van de woning en de samenhang van deze gemeenschap met de verrekening in het kader van het deelgenootschap. Waar de man de gemeenschap van de woning als eenvoudige gemeenschap kwalificeert en de aandelen van de echtgenoten in deze gemeenschap meeneemt in de afwikkeling van het deelgenootschap conform zijn voorstel, gaat de vrouw in haar voorstel uit van een afwikkeling van het deelgenootschap gelijk aan de afwikkeling van een finaal verrekenbeding zoals de wet deze nu kent ex artikel 1:142 BW, zonder dat de gemeenschap van de woning daarbij meegenomen wordt. Zij kwalificeert de gemeenschap van de woning als een beperkte huwelijksgemeenschap die daarnaast nog verdeeld moet worden. Ter zitting heeft de man zijn standpunt dat de echtelijke woning aan hem in privé toebehoort en niet verrekend dan wel verdeeld hoeft te worden, ingetrokken.
3.31.
Daarnaast stelt de man primair dat hem een bedrag van in totaal € 186.114,81 toekomt in het kader van de afwikkeling van het deelgenootschap op grond van artikel 9 lid b en c. Het bedrag bestaat uit het privévermogen van de man uit huwelijksaanbrengst, een levensverzekering, een letselschade uitkering en nalatenschappen van zijn ouders. Subsidiair stelt de man dat hem een vergoedingsrecht voor dit bedrag toekomt op de gemeenschap van de woning of op de vrouw, dan wel dat hij op grond van de redelijkheid en billijkheid recht heeft op vergoeding van dit bedrag. De vrouw meent dat de man er alles aan doet om het te verrekenen bedrag als gevolg van de afwikkeling van het deelgenootschap, die hij niet afzonderlijk beschouwt van de beperkte gemeenschap, met de vrouw tot een minimum te beperken zodat hij de woning tegen een zo gering mogelijk bedrag aan uitkoopsom kan overnemen. Volgens de vrouw heeft de man de erfenis, ook de rente-inkomsten daaruit, volledig aan zichzelf besteed. De vrouw betwist ook dat er privévermogen van de man uit huwelijksaanbrengst en de levensverzekering is geïnvesteerd in de woning en/of het gezin. Het door de man gestelde vermogen is niet meer aanwezig en hiervoor zijn ook geen goederen in de plaats gekomen, zodat er geen recht op verrekening dan wel vergoeding bestaat, aldus de vrouw.
De verrekening in het kader van het deelgenootschap
3.32.
De rechtbank stelt, zoals ter zitting is besproken, bij het geschil van partijen ten aanzien van de afwikkeling van de deelgenootschap voorop dat het deelgenootschap ingevolge artikel 8 lid b sub 1 en lid c van de huwelijkse voorwaarden pas afgewikkeld kan worden nadat het deelgenootschap is geëindigd door het eindigen van het huwelijk, oftewel pas nadat de echtscheiding is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Na het eindigen van het deelgenootschap kan ieder der echtgenoten de verrekening van ieders activa en passiva vorderen. De rechtbank kan dus nog niet overgaan tot de door partijen verzochte afwikkeling van het deelgenootschap. De rechtbank zal daarom iedere beslissing over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aanhouden tot 15 maart 2022 pro forma. Partijen dienen uiterlijk op deze pro forma datum, of zoveel eerder als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en dan binnen twee weken daarna, het bewijs van de inschrijving in te dienen bij de rechtbank, alsmede – zoals is bepaald in artikel 8 lid c van de huwelijkse voorwaarden - een specifieke beschrijving en schatting van de vermogens op de peildatum, te weten de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, voorzien van onderliggende bewijsstukken. Partijen hebben na indiening hiervan, vier weken de gelegenheid om op elkaars ingediende stukken te reageren, waarna de rechtbank zich zal beraden over de verdere voortgang van de procedure.
3.33.
Vooruitlopend op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om een juridisch oordeel te geven over de navolgende van belang zijnde vraagstukken.
- Is de gemeenschap van de woning een eenvoudige gemeenschap of een beperkte huwelijksgemeenschap?
3.34.
Uit artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden maakt de rechtbank op dat partijen iedere vermogensrechtelijke gemeenschap van goederen hebben uitgesloten, met uitzondering van de woning en de daarop rustende hypothecaire schulden. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze gemeenschap als eenvoudige gemeenschap dan wel als beperkte huwelijksgemeenschap moet worden aangemerkt. In de eerste plaats is van belang dat partijen ten aanzien van de woning en de daarop rustende hypothecaire schulden in hun huwelijkse voorwaarden wel een vermogensrechtelijke gemeenschap zijn overeengekomen. Voor het huwelijk van partijen was alleen de man eigenaar van de woning. Door middel van het opmaken van deze huwelijkse voorwaarden hebben partijen de woning gemeenschappelijk eigendom van hen beiden gemaakt. Verder is van belang dat de vrouw ter zitting heeft verklaard dat zij een eerder concept van de huwelijkse voorwaarden, waarin geen gemeenschap van de woning was opgenomen, geweigerd heeft te tekenen. Voor haar was deze bepaling over de woning in de huwelijkse voorwaarden zelfs een voorwaarde voor het sluiten van het huwelijk met de man. Volgens de verklaring van de man ter zitting was het slechts een geste en was het de bedoeling dat de huwelijksaanbrengsten privévermogen van de man zouden blijven en bij het einde van het huwelijk vergoed zouden worden vanuit het deelgenootschap aan de man, ook na vertering. Deze bedoeling van de man laat zich naar het oordeel van de rechtbank echter moeilijk rijmen met het nadrukkelijk overeenkomen van een (vermogensrechtelijke) gemeenschap van de woning in de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat partijen in artikel 9 lid 5 van de huwelijkse voorwaarden hebben vastgelegd dat de woning en de daarop rustende hypothecaire schulden niet als huwelijksaanbrengst wordt aangemerkt.Dat beoogd is de woning tot een eenvoudige gemeenschap te maken blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook verder nergens uit. Door de werking van enige vermogensrechtelijke gemeenschap uit te sluiten, met uitzondering van de woning, is de vrouw door de huwelijksvoltrekking automatisch mede-eigenaar geworden van de woning. Daarmee is geen sprake van een eenvoudige gemeenschap. Immers, ook is niet gebleken dat de man de helft van de woning heeft verkocht aan de vrouw en dat er een notariële levering van de helft van de woning aan de vrouw heeft plaatsgevonden en partijen daarmee ieder een eigen aandeel hebben in de woning dat tot hun privévermogens is gaan behoren en waarover zij ieder afzonderlijk kunnen beschikken. Partijen zijn in hun huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat de woning en de daarop rustende hypothecaire schulden krachtens huwelijksvermogensrecht gemeenschappelijk zijn. De rechtbank kwalificeert de door het huwelijke ontstane gemeenschap van de woning dan ook als een beperkte huwelijksgemeenschap.
- Moet de gemeenschap van de woning worden betrokken in de afwikkeling van het deelgenootschap?
3.35.
Vervolgens zijn partijen verdeeld over de vraag of de gemeenschap van de woning in de verrekening in het kader van het deelgenootschap betrokken dient te worden. Partijen zijn in artikel 8 lid a van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat tussen hen een deelgenootschap bestaat, inhoudende de verplichting om bij het einde van het deelgenootschap de vermogens van ieder van de deelgenoten te verrekenen op basis van algehele gemeenschap van goederen, met dien verstande dat er geen verrekening zal plaatsvinden indien beide echtgenoten of één van hen ten tijde van het einde van het deelgenootschap een negatief vermogen hebben (heeft). Op dit deelgenootschap zijn, blijkens de tekst van de huwelijkse voorwaarden, de artikelen 129 en volgende Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (oud) expliciet uitgesloten door partijen. Er is aldus geen sprake van een wettelijk deelgenootschap, maar een contractueel overeengekomen deelgenootschap dat leidt tot een financiële verrekening bij het einde van het deelgenootschap. De wijze van verrekening wordt voorgeschreven in de artikelen 8 en 9 van de huwelijkse voorwaarden, en houdt – samengevat – in dat:
- -
na het eindigen van het deelgenootschap ieder van de echtgenoten de verrekening van ieders activa en passiva als bedoeld in 8 lid a kan vorderen;
- -
de vrouw bij echtscheiding aan de man zal betalen een bedrag groot f. 20.250, gelijk aan € 9.189,05, zijnde de helft van de waarde van de woning ten tijde van de aankoop door de man verminderd met de restanthypotheek en vermeerderd met de voor de aankoop betaalde kosten;
- -
tussen de echtgenoten afgerekend wordt zoals in artikel 8 bepaald, met dien verstande dat van het bedrag, waarop het vermogen van een echtgenoot aan het einde van het deelgenootschap is geschat, wordt afgetrokken:
1. de waarde van de goederen die de echtgenoot ten huwelijk aanbracht, verminderd met zijn toenmalige schulden;
2. de waarde van de goederen die de echtgenoot tijdens het deelgenootschap door erfopvolging, making of gift heeft verkregen, verminderd met de op die verkrijging drukkende schulden en lasten;
3. de waarde van de door een echtgenoot gedreven onderneming […]
4. de waarde van de goederen welke in de plaats zijn gekomen van de sub 1, 2 en 3 genoemde goederen (door (weder)belegging of anderszins);
- -
de hiervoor onder 1, 2 en 3 bedoelde goederen in aanmerking worden genomen voor hun waarde bij het einde van het deelgenootschap indien zij alsdan nog aanwezig zijn. Voorzover deze goederen alsdan niet meer aanwezig zijn, worden deze in aanmerking genomen voor hun waarde op het ogenblik waarop deze uit het vermogen van de echtgenoot zijn verdwenen, tenzij kan worden aangetoond dat voor deze goederen andere goederen in de plaats zijn gekomen (bijvoorbeeld door (weder)belegging of anderszins).
- -
waarbij onder 5 is bepaald dat de woning niet als huwelijksaanbrengst wordt aangemerkt.
3.36.
Gelet op de artikelen 8 en 9, in samenhang gelezen met artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden en hetgeen daarover hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de gemeenschap van de woning betrokken dient te worden bij de afwikkeling van het deelgenootschap of dat dit de bedoeling was van partijen ten tijde van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden. In de in de huwelijkse voorwaarden voorgeschreven wijze van verrekening komt de woning niet voor en wordt de woning zelfs expliciet uitgezonderd als huwelijksaanbrengst in artikel 9 lid 5. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat de gemeenschap van de woning buiten de verrekening in het kader van het deelgenootschap blijft.
3.37.
Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking het oordeel van de Hoge Raad (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156) dat een (beperkte) huwelijksgemeenschap, zoals in dit geval de gemeenschap van de woning is, een eigen regeling kent en de werking daarvan teniet gedaan kan worden door deze gemeenschap te betrekken in de afwikkeling van het wettelijk deelgenootschap. Onderdeel van die regeling is namelijk dat echtgenoten van de aanvang van het huwelijk af ieder zijn gerechtigd tot de goederen die tot die gemeenschap behoren en daarin gedurende het huwelijk dus geen aandelen hebben. Hoewel in dit geval geen sprake is van een wettelijk deelgenootschap, wijken partijen met het door hen contractueel overeengekomen deelgenootschap af van de wettelijke regeling van de gemeenschap van goederen. Dit maakt dat ook het door partijen contractueel overeengekomen deelgenootschap een andere regeling kent dan, en botst met, de afwikkeling van de gemeenschap van de woning als beperkte huwelijksgemeenschap die een eigen wettelijke regeling kent.
3.38.
Gelet op voorgaande dient naar het oordeel van de rechtbank de gemeenschap van de woning dan ook niet betrokken te worden bij de afwikkeling van het deelgenootschap. De gemeenschap van de woning zal verdeeld moeten worden.
De verdeling van de gemeenschap van de woning
3.39.
Omdat de verdeling van de gemeenschap van de woning nauw samenhangt met de afwikkeling van het deelgenootschap zal de rechtbank ook hierover iedere beslissing aanhouden. De man wil de woning graag overnemen en wenst in de gelegenheid te worden gesteld om te onderzoeken of hij de overname van (het onverdeelde aandeel van de vrouw in de) de woning kan financieren. De rechtbank acht het redelijk om de man hiertoe in de gelegenheid te stellen. Hoewel de vrouw de financiële mogelijkheden van de man voor de overname van de woning betwijfelt en betwist, staat het voor de rechtbank nog niet vast dat de man bij voorbaat niet in staat is om de overname te financieren. De rechtbank zal de man niet reeds nu al een termijn geven om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen, nu de mogelijkheden van de man hiertoe samenhangen met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en hetgeen de man op grond daarvan toekomt.
Het pensioen
3.40.
De man verzoekt de rechtbank om de vrouw te veroordelen haar pensioenoverzichten te overleggen aan de man. In de huwelijkse voorwaarden is pensioenverrekening uitgesloten, echter niet pensioenverevening. Op basis van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: Wvps) zou er alsnog pensioenverevening dienen plaats te vinden, aldus de man.
3.41.
De vrouw stemt er niet mee in dat de Wvps alsnog van toepassing wordt verklaard, aangezien partijen hiervan uitdrukkelijk hebben afgezien in de huwelijkse voorwaarden onder artikel 10. De bedoeling van partijen bij het aangaan van het huwelijk was uitdrukkelijk dat beiden hun eigen opgebouwde en op te bouwen aanspraken op oudedagspensioen zouden behouden, aldus de vrouw
3.42.
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen hebben in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen dat geen verrekening van het door ieder van partijen voor of gedurende het huwelijk opgebouwde pensioen zal plaatsvinden. Op 1 mei 1995, een jaar na het opmaken van de huwelijkse voorwaarden door partijen, is de Wvps in werking getreden op grond waarvan het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen verevend moet worden. Deze wet is van toepassing op echtscheidingen vanaf deze datum, dus in beginsel ook op de echtscheiding van partijen. Artikel 11 Wvps bepaalt echter dat indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden, gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet, de wettelijke algehele gemeenschap van goederen tussen hen hebben uitgesloten of beperkt, verevening van pensioenrechten als bedoeld in deze wet plaatsvindt, tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding uitdrukkelijk anders hebben bepaald. De Hoge Raad oordeelde al eerder dat vooropgesteld moet worden dat met de bepaling van artikel 11 Wvps gedoeld wordt op een bepaling die expliciet op het verevenen van pensioenrechten betrekking heeft (vgl. HR 24 oktober 1997, nr. 8959, LJN ZC2473, NJ 1999/ 395), met dien verstande dat niet is vereist dat partijen in een zodanige bepaling met zoveel woorden de pensioenverevening als voorzien in de Wvps hebben uitgesloten. Van een "uitdrukkelijk" uitsluiten in de zin van artikel 11 Wvps kan daarom eveneens sprake zijn ingeval partijen in hun huwelijkse voorwaarden met het oog op een eventuele scheiding hebben bepaald dat (bepaalde) pensioenrechten niet worden verrekend (HR 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010: BN7893).
3.43.
Dat in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden dus niet met zoveel woorden en letterlijk over pensioenverevening wordt gesproken, leidt dus niet zondermeer tot de conclusie dat niet bedoeld is om pensioenverevening uit te sluiten. Hierbij neemt de rechtbank ook in overweging de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de huwelijkse voorwaarden in dit opzicht mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-criterium). Gelet op hetgeen ter zitting is besproken maakt de rechtbank op dat partijen zich destijds niet bewust waren van het verschil tussen verrekening en verevening en/of de komst van de Wvps. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit verschil in terminologie de vrouw nu niet worden tegengeworpen. Daarnaast is de vrouw er altijd van uitgegaan dat het pensioen niet gedeeld hoefde te worden, en ook uit de verklaringen van de man ter zitting komt naar voren dat hij uitging van een eigen pensioen (via de nalatenschappen van zijn ouders). De rechtbank wijst het verzoek van de man daarom af.
4. De beslissing
De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum]
in [huwelijksplaats] ;
4.2.
bepaalt dat de man tegenover de vrouw gedurende zes maanden na de inschrijving
van deze beschikking het recht heeft in de woning te [adres]
te blijven wonen en de zaken die bij die woning en tot de inboedel daarvan behoren te
blijven gebruiken, op voorwaarde dat man op het ogenblik van de inschrijving in deze
woning woont;
4.3.
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek over de bijdrage in de kosten van
levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] ;
4.4.
wijst de verzoeken van de man om partneralimentatie en inzage in het pensioen van de vrouw af;
4.5.
houdt iedere beslissing over de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling aan tot
15 maart 2022 pro forma. Partijen dienen uiterlijk op deze pro forma datum, of zoveel eerder als de echtscheiding is ingeschreven en dan binnen twee weken daarna, het bewijs van de inschrijving in te dienen bij de rechtbank alsmede een specifieke beschrijving en schatting van de vermogens op de peildatum, te weten de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, voorzien van onderliggende bewijsstukken. Partijen hebben na indiening hiervan, vier weken de gelegenheid om op elkaars ingediende stukken te reageren, waarna de rechtbank zich zal beraden over de verdere voortgang van de procedure;
4.6.
houdt iedere beslissing over de proceskosten aan;
4.7.
verklaart de beslissing onder 4.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman, rechter, als voorzitter, en mr. M. van der Linde en mr. A.M. van Riemsdijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Heezemans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2021. | ||