Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:635, r.o. 2.5.
HR, 03-10-2023, nr. 22/00157
ECLI:NL:HR:2023:1341
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-10-2023
- Zaaknummer
22/00157
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1341, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:14
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:651
ECLI:NL:PHR:2023:651, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑07‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1341
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Medeplegen van onbruikbaar maken van beschoeiing, meermalen gepleegd (art. 350.1 Sr). Heeft hof verzuimd te beslissen op verzoek dat verdediging op tz. in h.b. heeft gedaan tot houden van schouw? Verzoek dat verdediging heeft gedaan, is verzoek tot houden van schouw a.b.i. art. 318 jo. 328 Sv, zodat uitdrukkelijke beslissing op verzoek was vereist. P-v van tz. in h.b. en ook uitspraak van hof houden niet een beslissing in op dit verzoek. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/00159.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00157
Datum 3 oktober 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 januari 2022, nummer 22-000935-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 10-263971-20 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op een verzoek dat de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep heeft gedaan tot het houden van een schouw.
2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt in:
“Ik ben persoonlijk ter plaatse gaan kijken omdat de situatie mij onvoldoende duidelijk werd uit het PV. Dit bezoek was zeer verhelderend. Reden waarom ik Uw Hof heb verzocht (afgewezen voorzittersbeslissing) en hierbij opnieuw verzoek eveneens in het kader van een descente de situatie ter plaatse te gaan bekijken. Voor een goede beoordeling van de vragen artt. 348 en 350 Sv is van belang te weten hoe de feitelijke situatie is. Er zijn foto’s gevoegd aan het dossier, maar deze zijn onvoldoende verhelderend. Vandaar het verzoek om een schouw ex artt. 318/309 jo. 340 Sv.
Cliënten hebben mij ter plaatse precies kunnen uitleggen hoe de landerijen en de sloot lopen en welk deel eigendom is van wie. Door het kadaster waren ten tijde van mijn bezoek stokken in de sloot geplaatst om aan te duiden hoe de kadastrale verdeling loopt.”
2.3
Het verzoek dat de verdediging heeft gedaan, is een verzoek tot het houden van een schouw als bedoeld in artikel 318 in samenhang met artikel 328 van het Wetboek van Strafvordering, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en ook de uitspraak van het hof houden niet een beslissing in op dit verzoek. Het cassatiemiddel is daarom terecht voorgesteld.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 10-263971-20 en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2023.
Conclusie 04‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Onbruikbaar maken van beschoeiing, art. 350 Sr. Het hof heeft vezuimd te beslissen op verzoek tot houden van een schouw a.b.i. art. 318 i.s.m. 328 Sv. Strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/00159.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00157
Zitting 4 juli 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 13 januari 2022 door het gerechtshof Den Haag in de zaak met parketnummer 10-263971-20 veroordeeld wegens onder 1 en 2 telkens “medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken”. Het hof heeft de verdachte met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Er bestaat samenhang met de zaak tegen [medeverdachte] (22/00159). In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
4. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het ter terechtzitting door de verdediging gedane verzoek tot het houden van een schouw.
5. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overlegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnotitie. Deze houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Ik ben persoonlijk ter plaatste gaan kijken omdat de situatie mij onvoldoende duidelijk werd uit het PV. Dit bezoek was zeer verhelderend. Reden waarom ik Uw Hof heb verzocht (afgewezen voorzittersbeslissing) en hierbij opnieuw verzoek eveneens in het kader van een descente de situatie ter plaatste te gaan bekijken. Voor een goede beoordeling van de vragen artt. 348 en 350 Sv is van belang te weten hoe de feitelijke situatie is. Er zijn foto’s gevoegd aan het dossier, maar deze zijn onvoldoende verhelderend. Vandaar het verzoek om een schouw ex artt. 318/309 jo. 340 Sv.”
6. Hiermee heeft de raadsvrouw van de verdachte een verzoek gedaan tot het houden van een schouw als bedoeld in art. 318 in samenhang met art. 328 Sv, dat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek vereist.1.Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch de uitspraak van het hof houdt evenwel een beslissing in op dit verzoek. Dit verzuim heeft op grond van art. 330 in samenhang met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.
7. Het middel slaagt.
Het tweede en derde middel
8. Nu het eerste middel slaagt en dit de onder 11 nog te noemen beslissing meebrengt, behoeven het tweede en derde middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad daarover anders mocht oordelen, ben ik graag tot nader concluderen bereid.
Slotsom
9. Het eerste middel slaagt en het tweede en derde middel behoeven geen bespreking.
10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 10-263971-20 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑07‑2023