Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.1.2.1
4.1.2.1 Stoffelijk object
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644943:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
MvA II, art. 3.1.1.1, Parl. Gesch. Boek 3, p. 65.
Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019, p. 4.
Ploeger (1997), p. 7; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/58.
Ploeger (1997), p. 11. Ook onder het OBW werd gesteld dat het bij de lichamelijke zaak ging om de materie buiten de mens om. Zie bijvoorbeeld Suijling V (1940), p. 34.
Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019, p. 3.
TM, art. 3.1.1.1, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 64.
HR 23 mei 1921, ECLI:NL:HR:1921:186 (Elektriciteits-arrest). De Hoge Raad deed hier overigens uitspraak in een strafrechtelijke procedure en niet in een civielrechtelijke. Of energie een zaak is, is vatbaar voor discussie, zie daarover: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/61.
De brief zou wel een economische waarde kunnen hebben als hij geschreven was door bijvoorbeeld M. Vasalis (Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans), maar voor de kwalificatie “zaak” is deze economische waarde niet van belang. Zie: Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019, p. 2.
Art. 3:2 BW:
“Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten.”
Blijkens de parlementaire geschiedenis bevatte het oorspronkelijke artikel 3:2 BW het woord “voorwerp” in plaats van “object”. Het begrip “voorwerp” heeft echter een beperktere betekenis dan “object”, want, zo werd betoogd, een dier of een naar maat of gewicht aangeduide zaak zoals een hectare grond, een kilo boter, een afgezonderde hoeveelheid vloeistof, waren niet met het woord “voorwerp” aan te duiden, maar wel met het woord “object”.1 Zo’n object moest stoffelijk zijn. Bij deze betekenis van het begrip “zaak” gaat het dus om de materie. In de natuurkunde wordt het begrip materie ontleed in “elementaire deeltjes”, “atomen” of “moleculen”. Hoewel deze begrippen betrekking hebben op stoffelijke objecten, zijn ze niet van belang bij het bepalen van wat juridisch een zaak is. Het recht houdt zich slechts bezig met de materie die in het vermogensrecht een rol speelt. Anders gezegd, het stoffelijke object (de materie) is juridisch aan te merken als zaak, als het van belang is in het verkeer tussen mensen. Het antwoord op de vraag of een zandkorrel, ingeademde lucht of een op de grond gevallen blaadje van een boom zaken zijn, is voor het recht niet van belang.2 Ploeger vatte deze gedachte als volgt samen:
“Zonder mens bestaan er geen zaken, slechts materie. Het is de menselijke geest die deze materie onderscheidt in zaken. Dit houdt ook in dat de fysieke verschijning zelf niet beslissend is voor het zijn van zaak, maar de duiding die de mens daar aan geeft.”3
Het vermogensrecht heeft betrekking op de materie buiten de mens om. De mens zelf en de (kunstmatige) onderdelen van de mens, zoals de armen, organen en de geïnstalleerde pacemakers, worden (vooralsnog) niet als zaken aangemerkt.4 Objecten in de betekenis van een onderwerp van gesprek, van gedachten of van rechten zijn evenmin zaken.5 Vandaar dat merken, uitvindingen en gedachten geen zaken zijn.6 In zijn Toelichting bepaalde Meijers dat warmte en energie evenmin zaken zijn, ondanks het feit dat de Hoge Raad in 1921 elektrische energie wel als een zaak kwalificeerde.7
Het belang van de zaak voor het vermogensrecht hoeft niet per se economisch te zijn. Een geschreven brief van een overleden moeder aan haar dochter is een zaak, terwijl hij economisch geen waarde heeft. Sterker nog, stoffelijke objecten die een negatieve waarde vertegenwoordigen, zoals chemisch afval, kunnen ook zaken zijn.8