Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.3.2.4
IV.3.2.4 Grondslag III: gezag van de (uitkomst van de) procedure
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602080:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie op die manier bijv. Stuckenberg 2014, p. 313-314; De Jong & Van Lent 2016, p. 48-49. Aantasting van het rechterlijk gezag is ook één van de argumenten voor een sub judice-(fatsoens)regel, die van eenieder vraagt zich te onthouden van commentaar zolang een zaak ‘onder de rechter’ is. Zie Schelfaut 2006, p. 338 en de verwijzingen bij Gommer 2008, p. 89.
Uiteenlopend publiek zal tegen dat rechterlijk gezag verschillend aankijken. Denk aan de perspectieven van onder andere het algemene publiek, de juridische gemeenschap en de procesdeelnemers. Zie daarover Witteveen 1994, p. 86-89; De Groot-van Leeuwen & Pieterman 1994.
Zie over het onderscheid en de nauwe, vloeiende relatie tussen macht en gezag onder andere Scholten 1949b, p. 60-63; De Bakker 2001, p. 17-19; Gribnau 2002, p. 26-29 .
Die vrijwillige bereidheid wordt in de (rechts)sociologie wel aangeduid als legitimiteit. Zie over het belang van legitimiteit voor het verkrijgen en behouden van gezag: De Bakker 2001, p. 19-20; Gribnau 2002, p. 28 e.v. Vgl. ook Witteveen 1994, p. 86 die gezag aanduidt als legitieme macht. Ontbreekt die legitimiteit, dan moeten machtsmiddelen steeds worden aangewend. Dat kost veel tijd, geld en energie. Voor de strafrechter kan gedacht worden aan de situatie waarin getuigen en deskundigen alleen door tussenkomst van de politie verschijnen, veroordeelden zich niet melden voor executie van hun straf en de nutteloze aanwending van rechtsmiddelen. Ter illustratie wijs ik ook op de civiele uitspraak van de Rb. Amsterdam 1 februari 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012: BV3411.
Zie daarover vooral Luhmann 1969. In zoverre tast buitenprocedurele bejegening als schuldige dus niet alleen het gezag van de (uitkomst van) de procedure aan, maar lijdt die buitenprocedurele bejegening zelf mogelijk ook aan een legitimiteitstekort.
Het bekendste voorbeeld is de regeling van contempt of court in het Verenigd Koninkrijk. Zie daarover en over de (on)bruikbaarheid daarvan voor de in toenemende mate aan oppositie blootstaande Nederlandse strafrechter Keijzer 2000. Ook de sub judice-regel heeft daar meer het karakter van rechtsregel dan ten onzent. Zie Giltay Veth 1980; Gommer 2008, p. 131 e.v.
Zie o.a. Strijards 1987c, p. 591-592; Bemelmans 2012, p. 2-3; Van Hattum 2012, p. 20.
Zie daarover De Hullu 1989, p. 167 (hoger beroep en cassatie); Van Kempen 2003, p. 298-299 (herziening na uitspraak EHRM); Te Water Mulder 2008 (herziening ten nadele).
Rechterlijke onderwerping aan een andere rechter in een juridische procedure, lijkt voor de rechterlijke macht als geheel per saldo eerder een gezagversterkende werking te hebben, zie aldus De Hullu 1989, p. 167; Van Kempen 2003, p. 299.
Een adequate reactie op die kritiek kan het gezag van de rechterlijke macht zelfs versterken. In zoverre kan ik het betoog van Gommer (2008) tegen een sub judice-regel wel volgen. Dat sommige kritiek kan bijdragen aan versterking van gezag, wil evenwel niet zeggen dat elke vorm van kritiek daarom zonder meer moeten worden geaccepteerd.
Zo’n verbod op uitlatingen over zaken die onder de rechter zijn, bestaat in Nederland niet als rechtsregel. Wel wordt veelal aangenomen dat terughoudendheid moet worden betracht. Zie bijv. Giltay Veth 1980, p. 24; Cleiren & De Roos 2002, p. 186; Cleiren 2012. Zie anders: Gommer 2008.
Dat bleek bijvoorbeeld toen het OM meende te kunnen toezeggen geen gevolg te zullen geven aan de rechterlijke strafoplegging. Daarmee gaf het OM blijk van minachting voor de beslissing van de rechter, zo vond het Hof. Met niet-ontvankelijkheid kon de Hoge Raad vervolgens instemmen, ofschoon aan het ‘Zwolsman-criterium’ evident niet was voldaan, zie HR 1 juni 1999, NJ 1999, 67, m.nt. Schalken (Karman).
Een derde argument tegen voorbarige bejegening als schuldige is de mogelijke beschadiging van het gezag van de procedure en het daaruit voortkomen de schuldoordeel.1 Dit argument beschermt anders dan de vorige twee niet de doelstellingen of functies van de procedure, maar de procedure zelf. Gezag, te definiëren als het gevoel dat men2 aan oordelen van de gezagsdrager behoort te gehoorzamen, vereist macht.3 Uitsluitend op macht gebaseerd gezag is evenwel kwetsbaar, zodat voor stabiel gezag een zekere vrijwillige bereidheid van groot belang is.4 Aan die bereidwilligheid kunnen diverse factoren bijdragen, zoals aanzien, waardering, vertrouwen, overtuigingskracht, eigenbelang, rituelen, gewoonte en traditie. Ook het nauwgezet volgen van een breed gedragen en vooraf vastgelegde procedure kan zo’n factor zijn.5
In hoeverre gedragingen en uitlatingen van derden over lopende of afgeronde strafzaken dat gezag beïnvloeden, is enigszins speculatief. Wel kan worden geconstateerd dat dit gezagsargument aan meer rechtsregels ten grondslag ligt. Artikel 10 lid 2 EVRM staat uitdrukkelijk toe de vrijheid van meningsuiting te beperken “for maintaining the authority [...] of the judiciary”. Staten gebruiken die beperkingsclausule onder meer om tegen minachting van de rechter te kunnen optreden.6 Het gezag van de rechtspraak is daarnaast één van de grondslagen voor het ne bis in idem-beginsel.7 Het vormde – in spiegelbeeld – tevens lange tijd een belangrijk argument tegen rechtsmiddelen.8
Dat men het effect van rechtsmiddelen op het rechterlijk gezag tegenwoordig positiever waardeert, heeft alles te maken met het karakter van rechtsmiddelen.9 De ‘kritiek’ die de rechter van een hogere rechter te verduren krijgt, is geïnstitutionaliseerd en berust op een door hogere en lagere rechter gedeeld referentiekader. Rechtsmiddelen laten zich begrijpen als een onderdeel van de procedure zelf dat bijdraagt aan kwaliteitsverbetering. Daarbij komt dat berechting in meerdere instanties bij de rechtstreeks bij de zaak betrokkenen doorgaans vermoedelijk juist het gevoel zal wekken dat zij serieus worden genomen.
Waar ‘derden’ zich over lopende strafzaken uitlaten, ligt dit anders. Om die ‘kritiek’ is doorgaans door de procesdeelnemers niet verzocht. Zij komt tevens dikwijls voort uit een verschil in referentiekader en is moeilijk op te vatten als onderdeel van de procedure. Dat betekent niet dat iedere kritiek op de rechter uit den boze is.10 De onschuldpresumptie verzet zich dan ook niet tegen kritiek op de rechter in het algemeen en behelst ook geen algemene sub judice-regel die alle uitlatingen over lopende rechtszaken verbiedt.11 Zoals het de rechter echter niet past bij gebrek aan wetgeving op een bepaald terrein in zijn uitspraken zelf een wetboek op te stellen, ligt het voor de hand dat anderen terughoudendheid betrachten waar de rechter zich bij uitstek geschikt en bevoegd weet. Het vermoeden van onschuld verzet zich louter tegen uitlatingen en handelingen die de verdachte ongeclausuleerd neerzetten als schuldige. Dergelijke uitlatingen en handelingen zullen niet vaak aan de kwaliteit of het gezag van de rechterlijke macht bijdragen. Andere autoriteiten beschikken niet over dezelfde informatie als de rechter, hebben niet hetzelfde onderzoek gedaan, betrekken geen andere belangen dan de waarheidsvinding in hun oordeel en hebben geen verantwoordelijkheid om het risico op onterechte veroordelingen tot een minimum te beperken. Bejegening als schuldige miskent dan ook al gauw de complexiteit van de strafrechtelijke waarheidsvinding en de kunde en bevoegdheid van de rechter om daarmee in de procedure op een afgewogen manier om te gaan.
In het bijzonder waar een strafzaak ten einde is gekomen, is het van zwaarwegend belang dat die einduitspraak breed wordt geaccepteerd. Zouden anderen vervolgens die uitkomst onbeperkt mogen herbeoordelen en/of hun eigen oordeel daarvoor in de plaats mogen stellen, dan worden de procedure en de daaruit voortvloeiende einduitspraak in feite irrelevant.12 Dat ontmantelt het gezag van gewijsde en het adagium lites finiri oportet. Niet alleen het gezag, maar ook de macht van de rechter komt in die gevallen in de verdrukking. In het bijzonder de bejegening als schuldige van iemand waarvan een rechter de schuld niet positief heeft kunnen vaststellen, tast die waarden in potentie aan.