De kwalificatie luidt: “medeplegen van voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.”
HR, 14-04-2026, nr. 23/04411
ECLI:NL:PHR:2026:395
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-04-2026
- Zaaknummer
23/04411
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2026:395, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑04‑2026
Conclusie 14‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor grootschalige hennepteelt (art. 11a Opiumwet). Eerste middel slaagt. Bewezenverklaring is, wat betreft het “bestemd zijn tot” als bedoeld in art. 11a Opw, ontoereikend gemotiveerd, bij gebrek aan nadere vaststellingen over het uiteindelijke doel van de stoffen en voorwerpen die de verdachten in de bewezen verklaarde pleegperiode voorhanden hadden. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/04412.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04411
Zitting 14 april 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 1 november 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-004804-20), wegens het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de teelt van grote hoeveelheden hennep1.(art. 11a Opiumwet) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/04412. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 14 november 2023 ingesteld namens de verdachte. M. Broere, advocaat in Roosendaal, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Beide middelen zijn gericht tegen (de motivering van) de bewezenverklaring.
1.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak.
2. De bewezenverklaring en de bewijsvoering
2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 15 januari 2019 tot en met 11 februari 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, stoffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad, te weten
- kweekpotten en
- houten latten en
- standaard van een koolstoffilter en
- jerrycans met voedingsstoffen en
- knipscharen en
- een ventilator en
- stekpotten,waarvan hij en zijn mededader ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij (…) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [verbalisant 1]:
Op 11 februari 2019 stelde ik naar aanleiding van:
- een proces-verbaal warmtemeting waaruit bleek dat op de zolderverdieping aan de achterzijde van de woning twee warmtebronnen te zien waren:
- een anonieme melding van 25 januari 2019 met de informatie dat er op het dak van de leegstaande woning aan de [a-straat 1] te [plaats] geen sneeuw aanwezig was, terwijl dit wel het geval was op alle andere daken. Daarnaast was er gezien dat er een gele bestelwagen pal voor de deur van de woning werd gezet en werd er door een man druk heen en weer gelopen,
een onderzoek in op de woning op het adres [a-straat 1] te [plaats] om vast te stellen of deze informatie kon worden bevestigd. Hierbij bleek dat de woning niet bewoond werd en er inderdaad geen sneeuw op het dak lag. Op dit adres staat volgens het GBA niemand ingeschreven.
Op 11 februari 2019 werd binnengetreden in de woning. Het pand betreft een middenwoning gelegen in een blok laagbouwwoningen.
Na het binnentreden zag ik het volgende:
In de woonkamer van de woning trof ik diverse goederen aan, zoals kweekpotten, houten latten, een standaard voor een koolstoffilter, jerrycans met voedingsmiddelen en verdroogde hennepresten.
In de slaapkamer aan de achterzijde op de eerste verdieping waren zeer recent de muren geschilderd. Ook waren er gaten in het plafond dichtgemaakt. Er werden gedroogde hennepresten op de vloer in de slaapkamer aangetroffen.
Er werden gebruikte knipscharen op de eerste verdieping aangetroffen.
Op de zolderverdieping was een rond gat in [het] dak aan de voorzijde van de woning gezaagd. Dit gat was afgesloten met een in een cirkel gezaagd vlak. Ook lagen er op de zolderverdieping lege verpakkingsdozen van transformatoren.
In de container die buiten achter het huis stond trof ik diverse vuilniszakken met hennepresten aan.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal foto dossier (…) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [verbalisant 2]:
Adres: [a-straat 1] te [plaats]
Ik heb op 14 februari 2019 een fotodossier gemaakt ten behoeve van een hennepdossier.
Foto 4 woonkamer: kalkafzetting aan de potten van de stapel.
Foto 5 woonkamer: tas vol met elektrasnoeren en ophangsysteem voor lampen.
Foto 7 woonkamer: aangetroffen voedingsstoffen.
Foto 8 woonkamer: grondresten en hennepresten op de vloer in de woonkamer.
Foto 10 woonkamer: aangetroffen vuilniszak met plantresten.
Foto 15 woonkamer: ventilator aangetroffen op afvalhoop in de woonkamer.
Foto 16 woonkamer: doos met stekpotten.
Foto 17 woonkamer: kalkafzetting op pot van foto 16.
Foto 18 woonkamer: vuilniszak met afval en delen hennepplant.
Foto 22 woonkamer: detail van een staande houder voor een koolstoffilter.
Foto 23 woonkamer: staander voor koolstoffilter in zijn geheel.
Foto 25 dozen met lege verpakking van lampen.
Foto 26 meterkast, volgens de fraudespecialist zijn er klemmen gebruikt om stroom af te tappen voor de meter.
Foto 29 slaapkamer 1e verdieping achterzijde woning: hennepresten op de grond, gebruikte latex handschoenen.
Foto 32 aangetroffen scharen en kniptang.
Foto 36 zolderverdieping: dichtgemaakt gat.
Foto 38 zolderverdieping: aangetroffen isolatiemateriaal en gebruikte lege dozen.
Foto 40 zolderverdieping: lege dozen waarin 2 transformatoren in hebben gezeten.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (…) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [verbalisant 1]:
Op 11 februari 2019 ben ik de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] binnengetreden. Aangetroffen kweekpotten: minimaal 326 potten.
In de woonkamer was een aantal vuilniszakken met potgrond aangetroffen. In deze potgrond bevonden zich gebruikte stekblokjes/rondjes en wortelresten. Verder hadden diverse stukken samengeperste potgrond dezelfde vorm en inhoud als de lege potten die waren aangetroffen.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal buurtonderzoek (…) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:
Op 12 februari 2019 werden in het kader van een buurtonderzoek met betrekking tot een verdachte situatie op de locatie [a-straat 1] , [postcode] [plaats] de volgende adressen bezocht:
- [a-straat 2] : Op 22 of 23 januari zag bewoner [betrokkene 2] een grote witte bus met rode letters van een verhuurbedrijf voor de woning, [a-straat 1] , staan. Hier zaten twee mannen in. Signalement: Marokkaans uiterlijk, leeftijd 30-35 jaar en Turks uiterlijk, leeftijd 25-30 jaar. De mannen gingen de woning in en uit. De mannen zeiden dat het huis leeg moest. Dit vond de buurtbewoner vreemd want de meubels bleven achter toen ze weg gingen.
- [a-straat 3] : Bewoner [betrokkene 3] zag op 8 februari 2019 aan het eind van de middag een gele Caddy auto staan bij de woning aan de [a-straat 1] , terwijl daar niemand woonde.
- [a-straat 4] : Bewoonster [betrokkene 4] zag op 22 of 23 januari 2019 een grote witte bus staan voor de woning aan de [a-straat 1] . Zij zag twee mannen heen en weer lopen naar de bus en de woning.
- [a-straat 5] : De bewoners [betrokkene 5] en [betrokkene 6] verklaren de afgelopen weken een witte sprinterbus te hebben gezien voor de woning [a-straat 1] . Er zaten twee mannen in. Deze mannen hebben een stuk van het hek gehaald om de bus met de achterzijde tegen de woning aan te zetten. Deze bus had als opschrift “ [A] ”. Ook hebben zij vaak een gele Renault Kangoo met [kenteken 1] voor de woning zien staan. Deze auto kwam elke week bij de woning en op 8 februari 2019 voor het laatst. Ze hebben er foto’s van gemaakt. Deze gele Renault Kangoo is daar op 26 januari 2019, 1 februari 2019 en 8 februari 2019 door hen gezien en gefotografeerd.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal buurtonderzoek (…) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6]:
Op 11 februari 2019 hebben wij een buurtonderzoek ingesteld naar aanleiding van een hennepkwekerij in de woning [a-straat 1] te [plaats] . Wij hebben de volgende adressen bezocht. Deze adressen hebben allemaal zicht op de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] :
- [a-straat 6] : Bewoner [betrokkene 7] verklaart op 11 februari 2019 dat twee weken daarvoor twee Brabanders met een huurbus uit Brabant de woning aan de [a-straat 1] hebben leeggehaald. Ze hebben lampen, ventilatoren en zakken met vuil uit de woning gehaald. Vlak daarna zijn er twee mannen van Marokkaanse afkomst in de woning geweest. Zij reden in een geelkleurige Caddy.
- [a-straat 7] : Bewoonster [betrokkene 8] gaf op 11 februari 2019 aan dat zij de afgelopen drie weken elke week twee getinte mannen bij de woning aan de [a-straat 1] zag. Deze mannen zetten dan een geel bestelbusje met de achterzijde tegen de voordeur en liepen dan vaak heen en weer.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (…) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [verbalisant 7]:
Bij bevraging van het [kenteken 1] van het gele voertuig bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer bleek dat de te naam gestelde van dit voertuig is: [betrokkene 1] uit [plaats] .
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (…) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [verbalisant 8]:
Op 27 maart 2019 is [betrokkene 1] gehoord omdat [het] op zijn naam gestelde voertuig is gezien bij de woning [a-straat 1] te [plaats] , waar de ontmantelde hennepkwekerij is aangetroffen. Hij verklaarde dat zijn schoonzoon [medeverdachte] gebruikt maakte van deze auto.
8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (…) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [verbalisant 7]:
Op 19 maart 2019 kreeg ik het verzoek mij te begeven naar de [a-straat 1] te [plaats] . In voornoemde woning zouden zich twee personen bevinden. Deze personen zouden in een wit bestelbusje naar de woning zijn gereden. Hierop ben ik samen met collega's [verbalisant 9] en [verbalisant 10] ter plaatse gegaan.
Collega's [verbalisant 10] en [verbalisant 9] zagen in de woning een tweetal personen lopen. [verbalisant 10] heeft hierop de twee mannen verzocht naar de voordeur te komen, waar zij gehoor aan gaven. Desgevraagd toonde één der mannen een op zijn naam afgegeven Nederlands rijbewijs. Ik zag dat de man was genaamd: [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] . Signalement: manspersoon, licht getint.
De tweede man die zich in de woning bevond gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] . Signalement: manspersoon, licht getint.
De mannen hadden een witte Mercedes met [kenteken 2] in gebruik. In het voertuig trof ik, verbalisant [verbalisant 7] , een huurovereenkomst van huurbedrijf [A] aan. In deze huurovereenkomst stond vermeld dat het voertuig was verhuurd aan [medeverdachte] .
9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (pagina 100 tot en met 105) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [medeverdachte]:
Ik ben een paar keer in [plaats] geweest. De eerste keer was in januari of februari 2019. Ik ben daar samen met [verdachte] geweest. We zijn in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] geweest en hebben daar opgeruimd. We zijn daar 3 of 4 keer geweest. Het kan kloppen dat dat in de periode januari tot maart 2019 was. Het klopt dat wij in de gele bestelauto van mijn schoonvader, Renault Kangoo met [kenteken 1] reden. We zijn ook een keer met een huurbus van [A] daar geweest.”
2.3
Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“Bewijsoverwegingen
De raadsman van heeft in hoger beroep de vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde bepleit.
Ter onderbouwing hiervan is aangevoerd dat verdachte slechts in die woning is geweest om in opdracht van een ander de woning leeg te ruimen. Er is onvoldoende bewijs dat hij op enig moment wetenschap heeft gehad van eventuele hennepteelt in de woning. De in de woning aangetroffen voorwerpen en hennepresten waren voor verdachte niet voldoende zichtbaar of herkenbaar als zijnde onderdelen en producten van een hennepkwekerij. Bovendien is er onvoldoende bewijs voor professionele teelt, zodat er geen sprake is van stoffen en voorwerpen die bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet (Ow) strafbaar gestelde feiten.
Het hof overweegt hierover het volgende.
Omdat er een verdenking is van hennepteelt in de niet bewoonde woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , treedt de politie op 11 februari 2019 deze woning binnen. Het is een middenwoning in een blok laagbouwwoningen. Daar treft de politie het volgende aan:
- In de woonkamer liggen lege kweekpotten met kalkafzetting aan de buitenzijde, houten latten, tassen vol elektrasnoeren, een standaard voor een koolstoffilter, jerrycans met plantenvoeding, een ventilator, lege verpakkingsdozen van lampen, verdroogde hennepresten en potgrond.
- Op de eerste verdieping zijn de muren van een slaapkamer recent geschilderd en waren er gaten in het plafond dicht gemaakt. Ook lagen er gedroogde hennepresten en gebruikte latexhandschoenen op de vloer van de slaapkamer.
- Er liggen gebruikte knipscharen en een kniptang op de eerste verdieping.
- Op de zolder zit een dichtgemaakt rond gat in het dak. Er liggen ook lege verpakkingsdozen van transformatoren en er ligt isolatiemateriaal.
- In de container achter het huis zitten vuilniszakken met hennepresten.
- In de meterkast zijn er klemmen aangebracht om stroom af te tappen buiten de meter.
In totaal zijn er 326 lege kweekpotten aangetroffen.
De politie doet een buurtonderzoek. In de processen-verbaal van bevindingen hiervan staat onder meer het volgende gerelateerd:
- De buurtbewoner van [a-straat 2] meldt dat er op 22 of 23 januari 2019 een grote witte bestelbus met rode letters van een verhuurbedrijf voor de woning stond. Hierin zaten twee mannen. Signalement: Marokkaans uiterlijk, leeftijd 30-35 jaar en Turks uiterlijk, leeftijd 25-30 jaar. De mannen gingen de woning in en uit. De mannen zeiden dat het huis leeg moest. Dit vond de buurtbewoner vreemd want de meubels bleven achter toen ze weg gingen.
- De buurtbewoner van [a-straat 3] meldt dat er op 8 februari 2019 aan het eind van de middag er een gele caddy voertuig stond bij de woning aan de [a-straat 1] , terwijl daar niemand woonde.
- De buurtbewoner van [a-straat 4] verklaart dat zij op 22 of 23 januari 2019 een grote witte bus had zien staan voor de woning aan de [a-straat 1] . Zij zag twee mannen heen en weer lopen naar de bus en de woning.
- De buurtbewoners van [a-straat 5] verklaren de afgelopen weken een witte sprinterbus te hebben gezien voor de woning [a-straat 1] . Er zaten twee mannen in. Deze mannenhebben een stuk van het hek gehaald om de bus met de achterzijde tegen de woning aan te zetten. Deze bus had als opschrift “ [A] ”. Ook hebben zij vaak een gele Renault Kangoo met [kenteken 1] voor de woning zien staan. Deze auto kwam elke week bij de woning en op 8 februari 2019 voor het laatst. Ze hebben er foto’s van gemaakt. Deze gele Renault Kangoo is daar op 26 januari 2019, 1 februari 2019 en 8 februari 2019 door hen gezien en gefotografeerd.
- De buurtbewoner van [a-straat 6] verklaart op 11 februari 2019 dat twee weken daarvoor twee Brabanders met een huurbus uit Brabant de woning aan de [a-straat 1] hebben leeggehaald. Ze hebben lampen, ventilatoren en zakken met vuil uit de woning gehaald. Vlak daarna zijn er twee mannen van Marokkaanse afkomst in de woning geweest. Zij reden in een geelkleurige Caddy.
- De buurtbewoner van [a-straat 7] meldt op 11 februari 2019 dat zij de afgelopen drieweken elke week twee getinte mannen bij de woning aan de [a-straat 1] zag. Deze mannen zetten
dan een geel bestelbusje met de achterzijde tegen de voordeur en liepen dan vaak heen en weer.
De eigenaar van de gele Renault Kangoo met [kenteken 1] wordt gehoord. Hij verklaart dat zijn schoonzoon, te weten [medeverdachte] , meestal gebruik maakt van deze auto.
Op 19 maart 2019 krijgt de politie de melding dat er twee mannen in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] zijn. De politie treft daar in de woning [medeverdachte] en [verdachte] aan. Beide verdachten waren daar naar toe gereden in een witte bestelbus van [A] .
[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij in de periode januari-februari 2019 samen met [verdachte] een paar keer in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] is geweest. Hij verklaarde dat ze de woning moesten opruimen en dat zij degenen waren in de gele Renault Kangoo met [kenteken 1] . Ze hebben ook een keer een huurbus van [A] meegenomen.
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden, stelt het hof het volgende vast:
- Op enig moment is er hennep gekweekt in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . De grote hoeveelheid hennepteelt-gerelateerde voorwerpen en stoffen die in de onbewoonde woning lagen op 11 februari 2019, de verklaringen/bevindingen met betrekking tot het niet besneeuwde dak van de woning en het warmtebeeld, als ook de gedichte gaten in plafond en dak en pas geschilderde muren, getuigen duidelijk van een ontmantelde hennepkwekerij.
- [medeverdachte] en [verdachte] zijn op 26 januari 2019, 1 februari 2019 en 8 februari 2019 in die woning aan het werk geweest.
Het hof is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte als (mede)pleger betrokken is geweest bij de hennepkweek in die woning. Dat kan op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet worden vastgesteld. Daarom zal het hof verdachte van het primair tenlastegelegde vrijspreken.
Subsidiair is, onder meer, aan verdachte tenlastegelegd dat hij voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het telen van hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet dan wel tot het grootschalig telen van hennep als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet. Van grootschalige hennepteelt als bedoeld in het vijfde lid is sprake als het gaat om meer dan 200 hennepplanten.
Verdachte is samen met zijn medeverdachte op meerdere dagen in die onbewoonde woning aan de slag gegaan, terwijl daar verspreid over de gehele woning onmiskenbaar voorwerpen bestemd voor het telen van hennep lagen. Die onmiskenbaarheid volgt uit wat algemeen bekend is over hennepteelt en de feitelijk zichtbare situatie in de woning op 11 februari 2019 zoals door de politie beschreven. De onmiskenbaarheid moet voor verdachte en zijn medeverdachte zelfs nog duidelijker zijn geweest, omdat zij immers in de periode vóór de waarnemingen van de politie in de woning hadden opgeruimd. Het feit dat er 326 lege kweekpotten waren, getuigt van grootschalige teelt (meer dan 200 planten).
Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte samen met zijn medeverdachte voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij ten minste ernstige redenen had om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het grootschalig telen van hennep.
Derhalve acht het hof het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.”
3. Het eerste middel
3.1
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof “ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte voorwerpen voorhanden heeft gehad die “bestemd waren tot” het plegen van één van de in art. 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten en dat de verdachte dit wist”.
3.2
De bewezenverklaring is toegesneden op art. 11a Opiumwet. Die bepaling luidt als volgt:
“Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.”
3.3
In artikel 11a Opiumwet wordt verwezen naar de in artikel 11, derde en vijfde lid, Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Artikel 11, derde lid, Opiumwet ziet op het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van middelen die op lijst II van de Opiumwet staan. Het vijfde lid van artikel 11 OW stelt dezelfde gedragingen strafbaar, maar dan betrekking hebbend op een grote hoeveelheid van een middel dat voorkomt op lijst II.
3.4
Voor een bewezenverklaring van de in art. 11a Opiumwet omschreven gedragingen met stoffen of voorwerpen is kortom vereist dat de verdachte “weet of ernstige reden heeft om te vermoeden” dat die stoffen of voorwerpen “bestemd zijn tot” beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt.
3.5
Het eerste middel komt, als gezegd, op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte voorwerpen [A-G: ik begrijp, gelet op de bewezenverklaring, ook stoffen] voorhanden heeft gehad die “bestemd waren tot” genoemde illegale hennepteelt. Door de steller van het middel wordt betoogd dat van een dergelijke bestemming geen sprake is geweest, aangezien de verdachte bezig was met het opruimen van een hennepkwekerij. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt verwezen naar twee arresten waarin de Hoge Raad zich heeft uitgesproken over de betekenis van het bestanddeel “bestemd zijn tot” als bedoeld in art. 11a Opiumwet.
3.6
Het eerste arrest waar in dit verband een beroep op wordt gedaan is HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328, NJ 2018/281, m.nt. N. Rozemond. In de zaak die leidde tot dit arrest waren in de kelder van de woning van de verdachte twee kweekinrichtingen aangetroffen, met daarin onder meer 40 assimilatielampen, 20 transformatoren, 2 koolstoffilters, 285 plantenpotten met potaarde en 3 ventilatoren. Het hof was gekomen tot een bewezenverklaring van art. 11a Opiumwet en had voor het bewijs onder meer gebruik gemaakt van de verklaring van de verdachte dat hij die voorwerpen – die verband hielden met de hennepplantage die twee jaar eerder in zijn kelder aanwezig was – niet had opgeruimd en dat hij de kelder waarin ze werden aangetroffen had dichtgemaakt. Volgens het hof was voor een bewezenverklaring van art. 11a Opiumwet irrelevant of de verdachte daadwerkelijk feiten als bedoeld in art. 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet wilde plegen. De Hoge Raad liet dit oordeel niet in stand en overwoog, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis inzake art. 11a Opiumwet2., dat “voor een bewezenverklaring van de bestemming als bedoeld in art. 11a Opiumwet vereist is dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is”.
3.7
Tot diezelfde overweging kwam de Hoge Raad in zijn arrest van 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1481, NJ 2019/403. Ook in dat arrest stond de beoordeling van het bestanddeel “bestemd zijn tot” als bedoeld in art. 11a Opiumwet centraal en opnieuw oordeelde de Hoge Raad dat het hof de bewezenverklaring op dat punt ontoereikend had gemotiveerd. Uit de bewijsvoering van het hof bleek weliswaar dat in het bedrijfspand van de verdachte onder meer 73 hennepstekken/-planten, 56 armaturen, 58 assimilatielampen, 59 transformatoren, 8 koolstoffilters en 4 ventilatoren waren aangetroffen, maar óók dat – zoals door de verdachte en medeverdachten was verklaard – in dat pand een hennepkwekerij werd opgeruimd. Gelet hierop en omdat het hof geen nadere vaststellingen had gedaan met betrekking tot het uiteindelijke doel van het voorhanden hebben van de aangetroffen stoffen en voorwerpen, was de bewezenverklaring niet toereikend gemotiveerd.
3.8
Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat in de situatie waarin sprake is van een hennepkwekerij die is of wordt opgeruimd – en de verdachte in zo’n situatie voorwerpen of stoffen voorhanden heeft die met illegale hennepteelt in verband kunnen worden gebracht – niet zonder meer een bewezenverklaring voor art. 11a Opiumwet kan volgen. Het bestemmingsvereiste heeft immers geen betrekking op het verleden, maar op de toekomst.3.In het geval van een ontmantelde kwekerij zullen, om tot een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring te kunnen komen, door het hof nadere vaststellingen moeten worden gedaan omtrent het uiteindelijke doel van het voorhanden hebben van die stoffen en/of voorwerpen.
3.9
In de onderhavige zaak volgt uit de bewijsvoering van het hof onder meer dat er op 25 januari 2019 een anonieme melding was gedaan die inhield dat er op het dak van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] geen sneeuw lag, terwijl dit op alle andere daken wel het geval was en dat een warmtemeting had uitgewezen dat op de zolderverdieping aan de achterzijde van de woning twee warmtebronnen te zien waren. Bij het vervolgens op 11 februari 2019 in die woning verrichte onderzoek zijn onder meer 326 lege kweekpotten, houten latten, een standaard voor een koolstoffilter en jerrycans met plantenvoeding aangetroffen. Ook bleek dat muren recent waren geschilderd en dat gaten in het plafond en het dak waren gedicht. Uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van de medeverdachte volgt dat hij, samen met de verdachte, een aantal keer in die woning aanwezig is geweest om op te ruimen.
3.10
Op grond van (onder meer) deze feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat in de woning aan de Houtwal hennep is gekweekt, dat op 11 februari 2019 sprake was van een “ontmantelde hennepkwekerij” en dat het de verdachte, die op meerdere momenten in de woning “aan de slag is gegaan”, niet kan zijn ontgaan dat over de gehele woning verspreid “onmiskenbaar voorwerpen bestemd voor het telen van hennep lagen”.
3.11
De vraag die voorligt is of het hof de bewezenverklaring, wat betreft het “bestemd zijn tot” als bedoeld in art. 11a Opiumwet, op deze wijze toereikend heeft gemotiveerd. Het lijkt mij dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Uit de bewijsvoering van het hof volgt weliswaar dat op 11 februari 2019 in de woning aan de Houtwal stoffen en/of voorwerpen zijn aangetroffen die gebruikt kunnen worden voor illegale hennepteelt, maar óók dat de verdachte en zijn medeverdachte in de bewezenverklaarde periode in die woning aanwezig zijn geweest om op te ruimen en dat er op 11 februari 2019 sprake was van een ontmantelde kwekerij. De bewijsvoering van het hof houdt in feite niet méér in dan dat de op 11 februari 2019 in de woning aangetroffen stoffen en voorwerpen in het verleden bestemd zijn geweest voor het telen van hennep. Uit de bewijsvoering blijkt niet van enige nadere vaststellingen omtrent het uiteindelijke – oftewel: toekomstige – doel van die stoffen en voorwerpen. Anders gezegd: het hof kijkt enkel achterom en niet vooruit. Een en ander is, zoals onder meer uit de hiervoor onder de randnummers 3.6 en 3.7 aangehaalde jurisprudentie volgt, niet voldoende voor een bewezenverklaring van art. 11a Opiumwet. Zodoende is de bewezenverklaring, wat betreft het bestanddeel “bestemd zijn tot”, ontoereikend gemotiveerd. In zoverre slaagt het middel.
3.12
Voor zover in het middel ook wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de verdachte “voorwerpen voorhanden heeft gehad die “bestemd waren tot” het plegen van één van de in art. 11, derde (…) lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten en dat de verdachte dit wist [cursiveringen door mij, A-G]”, berust de klacht op een verkeerde lezing van het arrest. De bewezenverklaring van het hof heeft immers geen betrekking op ‘het in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ telen van hennep, maar enkel op de in het vijfde lid van art. 11 Opiumwet bedoelde ‘grote hoeveelheid’ én bovendien op de niet opzettelijke variant van art. 11a Opiumwet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
4. Het tweede middel
4.1
Nu het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel, dat het eerste middel enigszins overlapt,4.geen bespreking meer.
5. Slotsom
5.1
Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft geen bespreking.
5.2
De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Als de Hoge Raad deze conclusie volgt, zal het hof waarnaar de zaak wordt teruggewezen (of verwezen) bij de (eventuele) strafoplegging met deze overschrijding rekening kunnen houden.
5.3
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoren te geven.
5.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑04‑2026
Kamerstukken II, 2011/12, 32 842, nr. 6, p. 2.
Vgl. de conclusie van A-G Bleichrodt (onder randnummers 16 en 20) vóór HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328, NJ 2018/281, m.nt. N. Rozemond en de conclusie van A-G Hofstee (onder randnummer 12) vóór HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1481, NJ 2019/403. Zie ook HR 26 april 2026, ECLI:NL:HR:2016:743, NJ 2016/282, m.nt. N. Keijzer, met betrekking tot het bepaalde in art. 10a lid 1 onder 3° van de Opiumwet “bestemd zijn tot het plegen van dat feit”.
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof “ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte voorwerpen voorhanden heeft gehad die “bestemd waren tot” het “grootschalig telen van hennep”.