NJFS 2020/152
Bezwaar afname DNA van veroordeelde wegens valsheid in geschrift ongegrond.
Rb. Den Haag 16-07-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10317
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
16 juli 2019
- Magistraten
Mr. G.H.M. Smelt
- Zaaknummer
19/768 09/837013-17
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Penitentiair recht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBDHA:2019:10317, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 16‑07‑2019
- Wetingang
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden
Essentie
DNA-onderzoek. Hoewel in de wetsgeschiedenis o.a. valsheid in geschrift is genoemd als delict waarbij DNA onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing en berechting daarvan, kan door voortschrijdende opsporingstechnieken DNA-bewijs bij dergelijke misdrijven wel degelijk een rol spelen in een opsporingsonderzoek. Nu de wet geen concrete strafbepalingen of categorieën delicten noemt waarvoor afname niet is toegestaan, heeft de wetgever de mogelijkheid opengelaten dat delicten die aanvankelijk niet onder het criterium vallen daar later wel onder geschaard kunnen worden. Niet kan worden gezegd dat opname van het DNA van (de wegens valsheid in geschrift) veroordeelde in de DNA-databank niet ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.