De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.3.4.2:3.4.2 De positie van de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.3.4.2
3.4.2 De positie van de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948053:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.2.1 van hoofdstuk 6.
Zie paragraaf 4.3 van hoofdstuk 6.
Zie paragraaf 4.3 van hoofdstuk 6.
Zie paragraaf 4.2.1 en 4.3 van hoofdstuk 6.
Zie paragraaf 4.2.1 van hoofdstuk 6.
Zie paragraaf 3.4.1 hiervoor, onder verwijzing naar paragraaf 4.2.1 en 4.3 van hoofdstuk 6.
Zie over ‘schuldvervanging’ paragraaf 4.4 van hoofdstuk 6.
Zie paragraaf 4.2.1, 4.3 en 4.4 van hoofdstuk 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
545. Op basis van de in de vorige paragraaf geschetste indeling van ‘schulden die tot het fideï-commissaire vermogen behoren’ kan vervolgens ook een analyse worden gemaakt van deze schulden in verhouding tot de positie van de huwelijksgemeenschap waarin de bezwaarde en/of de verwachter zijn gehuwd. In deze paragraaf komt de positie van de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde aan de orde. In de volgende paragraaf komt de positie van de huwelijksgemeenschap van de verwachter aan bod. Vanuit het perspectief van de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde geldt als algemeen uitgangspunt dat de schulden die tot het fideï-commissaire vermogen behoren, het vermogen zullen volgen waar de goederen van het fideï-commissaire vermogen toe behoren. Dat betekent dat als de goederen van het tweetrapsvermogen tot het privévermogen van de bezwaarde zijn gaan behoren, alle schulden die tot het fideï-commissaire vermogen behoren daar ook toe zullen gaan behoren, en dat als de goederen van het tweetrapsvermogen tot de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde zijn gaan behoren, de schulden daar ook in zullen vallen. Bij de bezwaarde vallen de geërfde fideï-commissaire goederen en schulden dus telkens als één geheel in of buiten de huwelijksgemeenschap waarin hij is gehuwd.De grondslag voor het ‘buiten de huwelijksgemeenschap vallen’ is echter niet voor ieder ‘type’ fideï-commissaire schuld hetzelfde. Gaat het om een schuld uit de eerste categorie van schulden, i.e. de schulden van artikel 4:7 lid 1 sub a BW, dan is de grondslag voor deze uitkomst bij de beperkte huwelijksgemeenschap gelegen in artikel 1:94 lid 7 sub a of b BW, en bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen in artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW, dan wel de bijzondere verknochtheid van deze schuld. Van artikel 1:94 lid 7 sub a BW, dan wel artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW, zal sprake zijn wanneer de fideï-commissaire schuld rechtstreeks verband houdt met goederen die van de gemeenschap zijn uitgezonderd, zoals een hypothecaire geldschuld die is verbonden aan een woning die van erflater is verkregen.1 Betreft het een losstaande schuld van erflater die bij het openvallen van de nalatenschap niet teniet is gegaan, dan zal deze op grond van artikel 1:94 lid 7 sub BW van een beperkte huwelijksgemeenschap van de bezwaarde zijn uitgezonderd.2 Voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen bestaat geen equivalent van artikel 1:94 lid 7 sub b BW. In hoofdstuk 6 is echter al gebleken dat bij gebreke van een soortgelijke regeling voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen aangenomen mag worden dat een dergelijke schuld op grond van bijzondere verknochtheid van de huwelijksgemeenschap is uitgezonderd (artikel 1:94 lid 3 oud BW).3
546. Bij de tweede categorie van fideï-commissaire schulden gaat het om de ‘overige’ schulden van artikel 4:7 lid 1 BW (schulden als genoemd in artikel 4:7 lid 1 sub a BW vallen in de eerste categorie), alsmede alle schulden die niet in dat artikel zijn genoemd, maar die wel als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’ kwalificeren. Daarbij kwalificeren als ‘schulden die tot de nalatenschap behoren’ niet alleen de (overige) schulden van artikel 4:7 lid 1 BW, maar ook schulden die rechtstreeks uit de eigendom of het beheer van de goederen van de nalatenschap voortvloeien, alsmede schulden die ontstaan uit hoofde van wanprestatie, omdat de erfgenaam/erfgenamen een verplichting van erflater niet nakomt/nakomen. Gaat het om een ‘overige’ schuld die in artikel 4:7 lid 1 BW is genoemd, dan valt deze op grond van artikel 1:94 lid 7 sub b BW buiten de beperkte huwelijksgemeenschap waarin de bezwaarde is gehuwd, indien en voor zover deze niet reeds onder de categorie van artikel 1:94 lid 7 sub a BW kan worden geschaard. Gaat het om een algehele wettelijke gemeenschap van goederen dan valt een dergelijke schuld op grond van artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW of grond van de bijzondere verknochtheid (artikel 1:94 lid 3 oud BW) buiten de huwelijksgemeenschap, dit laatste bij gebreke van een vergelijkbare regeling als die van artikel 1:94 lid 7 sub b BW (vgl. randnummer 545 hiervóór). Hetzelfde geldt voor schulden die rechtstreeks uit de eigendom of het beheer van de goederen van de nalatenschap voortvloeien. Ook die zullen op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a of sub b BW van de beperkte huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd, en op grond van artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW of bijzondere verknochtheid buiten de algehele wettelijke gemeenschap van de bezwaarde vallen. Schulden die zijn ontstaan uit hoofde van wanprestatie omdat de bezwaarde een verplichting van de erfgenaam niet is nagekomen, zullen op grond van artikel 1:94 lid 7 sub b BW van de beperkte huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd. Dergelijke schulden zijn immers niet verbonden aan een goed van het tweetrapsvermogen, maar kwalificeren wél als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’. Bij gebreke van een dergelijke regeling bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen zal een dergelijke schuld bij een algehele wettelijke gemeenschap van goederen ook weer op grond van bijzondere verknochtheid (artikel 1:94 lid 3 oud BW) buiten de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde vallen.4
547. Voor de derde categorie van schulden die tot het tweetrapsvermogen behoren geldt ten slotte het volgende. Deze categorie betreft schulden die niet als ‘een schuld die behoort tot de nalatenschap’ kwalificeren, maar die wél als ‘een schuld die tot het fideï-commissaire vermogen behoort’ kunnen worden beschouwd. Hiervóór is reeds gebleken dat onder deze derde categorie van schulden alle schulden vallen waarmee het fideï-commissaire vermogen is gebaat. Dat betreft onder meer schulden die voortvloeien uit een geldlening die de bezwaarde is aangegaan ter voldoening van de kosten van eigendom, beheer en/of verbetering van goederen van het tweetrapsvermogen, maar ook schulden die zijn aangegaan ter verkrijging van een goed dat krachtens zaaksvervanging tot het tweetrapsvermogen is gaan behoren (zie randnummer 543 hiervóór). Gaat het om zo’n laatste fideï-commissaire schuld dan zal die schuld op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW van de beperkte of algehele wettelijke gemeenschap van goederen zijn uitgezonderd indien en voor zover het vervangende goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW van de huwelijksgemeenschap is uitgezonderd.5 Dat zal het geval zijn wanneer het tweetrapsvermogen buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen en bij de verkrijging van het vervangende goed meer dan de helft van de tegenprestatie ten laste van dat fideï-commissaire vermogen is gekomen. Verwezen wordt naar hetgeen daar in paragraaf 4.2 nog over opgemerkt zal worden. Gaat het om een andere schuld waar het fideï-commissaire vermogen mee is gebaat maar die niet als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’ kwalificeert, dan zal een dergelijke schuld op grond van bijzondere verknochtheid van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd (uiteraard alleen indien en voor zover de goederen van het tweetrapsvermogen daar ook van uitgezonderd zijn). Dat geldt niet alleen voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen, maar óók voor de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen. Dat komt doordat een dergelijke schuld niet onder de werking van artikel 1:94 lid 7 sub a/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW kan worden gebracht, en óók niet onder de werking van artikel 1:94 lid 7 sub b BW kan worden begrepen. Verwezen wordt naar hoofdstuk 6, waar uiteengezet is dat onder beide categorieën van schulden alléén schulden kunnen worden begrepen die rechtstreeks voortvloeien uit de eigendom of het beheer van de nalatenschap; schulden die voortvloeien uit leningen die zijn aangegaan om dergelijke schulden te voldoen, vallen niet onder deze categorie van schulden (vgl. randnummer 540 hiervóór).6 Het gevolg daarvan zou zijn dat dergelijke schulden in beginsel in de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde vallen, ook al zijn de goederen van het tweetrapsvermogen daarvan uitgezonderd. Dit uitgangspunt zou dan ‘in beginsel’ gelden omdat het nog wel mogelijk zou zijn dat een dergelijke schuld op grond van ‘schuldvervanging’ buiten de wettelijke gemeenschap van goederen valt.7 Daarvoor zou dan wel nodig zijn dat het geleende geld door de geldverstrekker rechtsreeks is voldaan aan de schuldeisers van de schuld die met de geleende gelden wordt gedelgd. Zou het geleende geld eerst aan de bezwaarde zelf zijn voldaan, waarna hij dat geld aanwendt ter delging van de fideï-commissaire schuld, dan zou de schuld die uit hoofde van deze geldlening ontstaat nietmeer op grond van schuldvervanging buiten de huwelijksgemeenschap van bezwaarde kunnen vallen.8
548. Wat mij betreft is dit alles niet wenselijk en dienen fideï-commissaire schulden van de ‘derde categorie’ alsnog op grond van bijzondere verknochtheid (artikel 1:94 lid 5 BW/artikel 1:94 lid 3 oud BW) buiten de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde te vallen (dus ook als van ‘schuldvervanging’ geen sprake is). Zou men dat niet aannemen en betreft het bijvoorbeeld een lening die is aangegaan om de kosten van onderhoud of verbetering van een fideï-commissair privégoed te betalen, dan zou het gevolg daarvan zijn dat deze schuld in de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde valt, terwijl (i) het geleende geld door hem is aangewend ter voldoening van een schuld die op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW in zijn privévermogen is gevallen (i.e. de kosten van onderhoud van het fideï-commissaire goed) en (ii) de schuld uit hoofde van geldlening als een fideï-commissaire schuld kwalificeert, en dus door het fideï-commissaire vermogen gedragen dient te worden. Dat zou betekenen dat de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde eerst een vergoedingsrecht op het privévermogen van de bezwaarde verkrijgt, omdat met het geleende geld een privéschuld van hem is voldaan (i.e. de kosten van onderhoud van het fideï-commissaire goed), maar dat wanneer de bezwaarde de schuld uit hoofde van geldlening vervolgens ten laste van het fideï-commissaire vermogen voldoet, omdat deze nu eenmaal door het fideï-commissaire vermogen gedragen dient te worden, er weer een vergoedingsrecht van de bezwaarde in privé op zijn huwelijksgemeenschap ontstaat. Wat mij betreft is dit te omslachtig. Omdat de schuld op grond van de regels die het fideï-commis beheersen door het fideï-commissaire kapitaal gedragen moet worden, en dat fideï-commissair kapitaal buiten de huwelijksgemeenschap valt, is er veel voor te zeggen om een schuld die niet als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’ kwalificeert, maar wél kan worden aangemerkt als ‘een schuld die tot het fideï-commissaire vermogen behoort’, op grond van bijzondere verknochtheid alsnog buiten de huwelijksgemeenschap te laten vallen. Uiteraard geldt dat dan alleen indien en voor zover het fideï-commissaire vermogen daar ook buiten valt. De regels van het fideï-commis die bepalen dat de betreffende schuld door het fideï-commissaire kapitaal gedragen moeten worden, brengen in deze gevallen een zodanig nauwe band tussen de schuld en het privévermogen van de bezwaarde tot stand dat ook een ‘derde-categorie-schuld’ alsnog van de werking van boedelmenging uitgezonderd dient te zijn. Omdat de grondslag daarvoor niet in artikel 1:94 lid 7 sub a en b/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW kan worden gevonden, is de enige mogelijke grondslag daarvoor dan in de bijzondere verknochtheid van die schuld gelegen (artikel 1:94 lid 5 BW/artikel 1:94 lid 3 oud BW).