Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/5.6.1
5.6.1 Aansprakelijk voor het tekort
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS405736:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Cox en Hazen overwegen: “Directors’ liability is the principal sanction or means of enforcement of dividend restrictions, supplemented by the less effective liability of shareholders and by injunction suits at the instance of shareholders.” (Cox & Hazen 2011, § 20.23). Deze stelling verdient wél enige nuancering: er is weinig rechtspraak beschikbaar waarin bestuurders met succes zijn aangeproken op grond van de dividendregeling. Daarnaast zal in het volgende hoofdstuk blijken dat de insolventierechtelijke normering van uitkeringen zich primair richt op de aandeelhouders die vermogen aan de vennootschap hebben onttrokken.
§ 8.33: (a)A director who votes for or assents to a distribution in excess of what may be authorized and made pursuant to section 6.40(a) or 14.09(a) is personally liable to the corporation for the amount of the distribution that exceeds what could have been distributed without violating section 6.40(a) or 14.09 (a) if the party asserting liability establishes that when taking the action the director did not comply with section 8.30.
§ 8.33(c)(1) RMBCA.
Aangezien de uitkering van dividend tot de exclusieve bevoegdheid van het bestuur behoort, richt de RMBCA zich bij de gevolgen van een ongeoorloofde uitkering primair op het bestuur van de vennootschap.1 § 8.33 RMBCA voorziet in een uitgebreide aansprakelijkheidsregeling voor bestuurders vanwege ongeoorloofde uitkeringen.2 De regeling bepaalt dat een bestuurder jegens de vennootschap aansprakelijk is als hij gestemd heeft voor een uitkering in strijd met § 6.40(a) RMBCA, of als hij daarmee heeft ingestemd én zodoende in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende fiduciaire plichten ex § 8.30 RMBCA. Kort gezegd zijn de bestuurders dus aansprakelijk indien de uitkering niet uit een surplus is geschied of de vennootschap na uitkering (voorzienbaar) niet in staat was om haar opeisbare verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit een normaal verloop van zaken. De bestuurders zijn aansprakelijk voor dat deel van de uitkering dat in strijd was met de regeling; de omvang van de aansprakelijkheid kan dus nooit het bedrag van de uitkering overstijgen. De vordering tegen de bestuurders moet binnen twee jaar na de uitkering worden ingesteld.3