Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/3.1.2.1
3.1.2.1 Duitse Zivilprozessordnung: gezamenlijke verantwoordelijkheid
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS299797:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bosch-Boesjes 1991, p. 9-13.
Vgl. bijv. Murray & Stürner 2004, p. 159.
Vgl. Murray & Stürner 2004, p. 158-159.
Jauernig 2007, p. 70.
Reichold 2009, p. 1-2.
Murray & Stürner (2004, p. 156) beschrijven het als “truly adversarial.”
Hier dient men echter goed te beseffen dat bewijswaardering niet hetzelfde is als ergens bewijs van verlangen. Ook in Duitsland kan de civiele rechter in beginsel slechts bewijs verlangen van voldoende betwiste stellingen. Zie hiervoor: § 138, lid 3 ZPO, alsmede § 288, lid 1 ZPO. Gehrlein (2003, p. 90) noemt dat de “Grundsatz derformellen Wahrheit.” Net als in het Nederlandse civiele proces doet ook de Duitse civiele rechter de zaak dus af op basis van een processuele waarheid, welke niet noodzakelijkerwijs overeenstemt met de materiële waarheid.
Dit kan de Duitse civiele rechter overigens slechts doen binnen de door partijen afgebakende rechtsstrijd. Zie: Murray & Stürner 2004, p. 159.
Reichold 2009, p. 2.
Murray & Stürner 2004, p. 155; Gehrlein 2003, p. 89. Ter illustratie: § 308, lid 1 ZPO.
Jauernig 2007, p. 65; Murray & Stürner 2004, p. 152.
Jauernig 2007, p. 65.
Jauernig 2007, p. 66.
§ 139 ZPO. Hierover: Murray & Stürner 2004, p. 161, die opmerken dat dit zich verdraagt met het Verhandlungsmaxime. Deze plicht geldt in beginsel ook als de partij in kwestie gebruik maakt van een procesvertegenwoordiger (vgl. Jauernig 2007, p. 71; Gehrlein 2003, p. 26-31).
Murray & Stürner 2004, p. 155-156.
Jauernig 2007, p. 70.
Murray & Stürner 2004, p. 157; Gehrlein 2003, p. 90-91.
Jauernig noemt de keuze tussen het Verhandlungsmaxime en de Untersuchungsgrundsatz “primär ein rechtspolitisches Problem.” Vgl. Jauernig 2007, p. 70. Dat is juist. Ook in Nederland wordt de keuze tussen partijautonomie en een ambtshalve feitenonderzoek van de rechter als een rechtspolitieke keuze beschouwd. Zo stellen Snijders c.s. (vgl. Snijders, Klaassen & Meijer 2011, p. 50 (nr. 42)) dat de keuze voor een ambtshalve feitenonderzoek in kwesties waarvan partijen in principe vrijelijk de rechtsgevolgen mogen bepalen, zou leiden tot het verlaten van de staatsvorm van een democratische rechtsstaat.
Reichold 2009, p. 2 (nr. 1bb en nr. 2); Jauernig 2007, p. 70.
Jauernig 2007, p. 76.
79.
Het Duitse civiele proces wordt beheerst door een drietal theorieën met betrekking tot de verdeling van taken tussen de rechter en de procespartijen: de Dispositionsgrundsatz, de Verhandlungsgrundsatz en de Untersuchungsgrundsatz. Voor al deze theorieën geldt dat zij in het algemeen een verhouding weergeven tussen de rechter en partijen.1 Zij vormen gedrieën het uitgangspunt van het civiele proces, al is de Verhandlungsgrundsatz het meest prominent aanwezig in het civiele proces. Deze uitgangspunten zijn als zodanig niet neergelegd in de Zivilprozessordnung (ZPO) maar werken wel door in de daarin neergelegde wetsartikelen.2
80.
De Verhandlungsgrundsatz vormt het procesrechtelijk equivalent van het door het materiële recht gewaarborgde vrije beschikkingsrecht over een aan een rechtssubject toebehorend recht. In het Duitse civiele procesrecht betekent dat kort gezegd dat partijen verantwoordelijk zijn voor het bijeenbrengen van de voor de uitspraak noodzakelijke feiten.3 Hierover dient ten processe voldoende te zijn gedebatteerd.4 In deze eis kan het beginsel van hoor en wederhoor worden herkend.5 Verder zijn partijen (indirect) verantwoordelijk voor de vaststelling van de waarheid van de door hen aangevoerde stellingen, omdat de rechter slechts betwiste stellingen op hun waarheidsgehalte kan onderzoeken door het aanwenden van door partijen aangeboden bewijsmiddelen. De gedachte hierachter is dat het conform de waarheid in kaart brengen van alle geschilpunten veel beter kan geschieden aan de hand van een contradictoir debat tussen partijen, in plaats van een door de rechter ambtshalve te verrichten feitenonderzoek. Op de partijen rust wel een waarheidsplicht.6
Het staat partijen in het Duitse civiele proces derhalve slechts vrij te bepalen welke feitelijke stellingen de rechter voor zijn eindbeslissing mag hanteren.7 Op welke wijze de rechter het daarvoor aangeboden bewijs en de afzonderlijke stellingen waardeert, is iets dat niet onder het Verhandlungsmaxime wordt gebracht.8 Het staat de Duitse civiele rechter vrij om zelfstandig stellingen te beoordelen, het bewijs te waarderen en naar aanleiding van beide gevolgtrekkingen te maken.9 Ook het toepassen van rechtsgronden op de feitenconstellatie is aan de rechter voorbehouden.10
81.
De Dispositionsgrundsatz ziet slechts op het waarborgen van de beschikkings- vrijheid van partijen met betrekking tot het onderwerp en de voortgang van de procedure. Dan dient bijvoorbeeld te worden gedacht aan de vrijheid van partijen om te bepalen wat zij in rechte vorderen en of zij een rechtsmiddel aanwenden.11 Het betreft hier de zogenaamde prozessuale Seite der Privatautonomie.12 Wanneer het niet aan partijen vrij zou staan om zelf te bepalen of zij willen procederen, over welke vordering deze procedure zou moeten handelen en hoe ver deze procedure zou moeten worden doorgezet, dan verliest de materieelrechtelijke Privatautonomie aan betekenis.13 In het Duitse civiele recht geldt in beginsel dus altijd: Wo kein klager, da kein Richter.14
82.
Net als in het Nederlandse civiele proces is in het Duitse civiele proces de partijautonomie leidend. Partijen bepalen of er wordt geprocedeerd, en zo ja, hoe lang er wordt geprocedeerd en waarover er precies wordt geprocedeerd. In het Duitse civiele proces zijn het eveneens partijen die de voor de eindbeslissing noodzakelijke feiten bijeenbrengen. Hoewel de gelijkenis met de taakverdeling in het Nederlandse civiele proces groot is, is de Duitse civiele rechter in de ZPO in vergelijking met het Nederlandse wetboek van burgerlijke rechtsvordering een actievere rol toebedeeld bij het vergaren van de voor de beslissing noodzakelijke feiten. De Duitse civiele rechter heeft een Gerichtliche Frage- und Aufklärungspflicht en kan daarmee bijdragen aan een zo compleet mogelijke feitenconstellatie.15 Het uitgangspunt van het Duitse civiele proces kan mijns inziens dan ook als partijautonomie-light worden aangeduid, althans als men dat stelsel vergelijkt met het Nederlandse civiele proces.16
83.
Het Verhandlungsmaxime is als zodanig niet in elk civiel proces toepasbaar.17 Wanneer het beginsel van partijautonomie tot gevolgen zou leiden die niet ter vrije beschikking van partijen staan, dient dit beginsel te wijken voor het openbaar belang.18 In een dergelijk geval wordt het Verhandlungsmaxime verlaten voor het Untersuchungsmaxime.19 De rechter kan in dat geval, zonder gebondenheid aan hetgeen partijen hebben aangedragen, overgaan tot een feitenonderzoek, de uitkomsten daarvan in de behandeling betrekken en de waarheid daarvan vaststellen.20 Overigens dient het verschil tussen het Verhandlungsmaxime en het Untersuchungsmaxime niet te worden overschat. In beide gevallen blijft de rechter voor het vergaren van de voor de eindbeslissing noodzakelijke feiten afhankelijk van partijen.21 Hij kan bij het Untersuchungsmaxime alleen wat sneller overgaan tot het plaatsen van kanttekeningen bij aangevoerde stellingen en blijven doorvragen op niet-betwiste stellingen.