Zie randnummer 23.
HR, 07-04-2020, nr. 19/03920
ECLI:NL:HR:2020:623
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-04-2020
- Zaaknummer
19/03920
- Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:623, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 07‑04‑2020; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:156
ECLI:NL:PHR:2020:156, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑02‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:623
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2020-0127
Uitspraak 07‑04‑2020
Inhoudsindicatie
Vervolgingsuitlevering van opgeëiste persoon (Iraanse nationaliteit) aan Verenigde Staten t.z.v. onrechtmatig uitvoeren van "dual-use goederen” (converters) van VS naar Iran. 1. Beroep op politieke exceptie. 2. Beroep op EG-Verordening 2271/96 (“blocking statute”). 3. Onvoldoende duidelijke vermelding feiten, art. 28.3 UW. Ad 1. Rb heeft geoordeeld dat de feiten waarvoor zij uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld bij art. 140 en 225 Sr onderscheidenlijk bij art. 1.1 Sanctieregeling Iran 2012 jo. art. 1.1 en 6 WED en art. 45 Sr. Rb heeft kennelijk geoordeeld dat deze strafbare feiten geen delicten betreffen die alleen al o.g.v. hun wettelijke omschrijving zijn aan te merken als strafbare feiten van politieke aard. Dat oordeel getuigt, gelet op wetsgeschiedenis bij Uitleveringswet, niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Rb heeft daarnaast - kennelijk - tot uitdrukking gebracht dat, niettegenstaande het ter zake gevoerde verweer, feiten waarvoor zij uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, ook anderszins niet kunnen worden aangemerkt als strafbare feiten van politieke aard, omdat overwegend politiek karakter ontbreekt. Gelet op in ECLI:NL:HR:2004:AF6988 genoemde relevante factoren, getuigt ook dit oordeel van Rb niet van onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Ad 2. Rb heeft geoordeeld dat, nu uitvoer van “dual-use” goederen naar Iran ook in Nederland strafbaar is, geen beroep kan worden gedaan op Verordening. Rb heeft daartoe o.m. overwogen dat Verordening geen bescherming biedt aan personen en bedrijven die handel drijven die mogelijk bijdraagt aan militaire capaciteiten van Iran op de grond dat dergelijke handel ook in EU strafbaar is gesteld, namelijk in Sanctieregeling Iran 2012. Voorts heeft Rb overwogen dat vraag of art. 11.5 Verordening van toepassing is om die reden geen beantwoording behoeft. Oordeel Rb getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. HR ziet geen aanleiding voor stellen van prejudiciële vragen aan HvJ EU m.b.t. Verordening. Ad 3. HR ambtshalve: verbeterde lezing in rov. 1. Volgt verwerping. Samenhang tussen 19/03841 Br en 19/03920 U.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/03920 U
Datum 7 april 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2019, nummer [001] , op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. De beschikking van de rechtbank
De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard met het oog op strafvervolging ter zake van “feit 1, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4x A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ; en feit 3, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4 x A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed” – naar de Hoge Raad begrijpt – zoals omschreven in de “Indictment” van de “Grand Jury” van de “District Court” van de “District of Columbia” van 18 oktober 2018.
2. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover de rechtbank heeft verzuimd de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, genoegzaam te vermelden, de toelaatbaarheid verklaring van de uitlevering voor feit 1, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4x A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ, en feit 3, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4 x A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, zoals deze feiten zijn uiteengezet in de “Indictment” van de Grand Jury, die is uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2018 van de District Court van het District Columbia (V.S.) en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft daarop schriftelijk gereageerd.
3. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de politieke exceptie zich verzet tegen toelaatbaarverklaring van de uitlevering.
4.2.1
De rechtbank heeft vastgesteld dat de uitlevering is verzocht met als doel de strafvervolging van de opgeëiste persoon ter zake van - kort gezegd - het onrechtmatig uitvoeren van zogenoemde “dual-use goederen” (producten die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben), te weten converters, uit de Verenigde Staten van Amerika naar Iran.
4.2.2
Ten aanzien van de vraag of de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd naar Nederlands recht strafbare feiten zijn, heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:
- met betrekking tot ‘feit 1’
“Dit feit is naar Nederlands recht strafbaar als deelneming aan een criminele organisatie met onder meer als doel overtreding van de Sanctieregeling Iran 2012 en valsheid in geschrifte (gebruik valse ‘end user’ verklaringen om werkelijke bestemming van de goederen te verhullen), strafbaar gesteld bij artikelen 140 en 225 Sr en artikel 1, eerste lid, Sanctieregeling Iran 2012.”
- en met betrekking tot ‘feit 3’
“Dit feit is (...) naar Nederlands recht strafbaar als poging tot overtreding van artikel 1, lid 1 van de Sanctieregeling Iran 2012. Dit betreft een economisch delict als genoemd in artikel 1, onder 1°, WED, dat is gesanctioneerd in artikel 6 WED juncto artikel 45 Sr.”
4.2.3
De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van:
“feit 1, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4x A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ;en feit 3, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4 x A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed.”
4.2.4
De rechtbank heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“9.1. Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de overtreding van de sanctiewetgeving van de Verenigde Staten in dit geval moet worden beschouwd als politiek delict, waarvoor uitlevering op grond van artikel 11 van de Uitleveringswet niet is toegestaan. Het gaat om wetgeving die beoogt een politieke omwenteling te veroorzaken in Iran. De oplopende spanningen tussen de Verenigde Staten en Iran kunnen de risico’s voor de opgeëiste persoon doen vergroten. Onder meer zijn ernstige problemen met het recht op een eerlijk proces te verwachten. Het wordt bovendien uit de ontwikkelingen steeds duidelijker dat de keuze van Amerikaanse president om de sanctieregelgeving weer ten volle toe te passen een volledig politieke stap was, die beoogt Iran via zijn onderdanen te raken. Van de opgeëiste persoon als Iraniër mag niet worden verwacht dat hij handelt naar de wetgeving die tegen Iran is gericht.
9.2.
Beoordeling
De politieke exceptie kan worden ingeroepen in geval van regelgeving waar de aangezochte staat niet achter staat dan wel regelgeving die in strijd is met het rechtssysteem van de aangezochte staat respectievelijk dat gevreesd kan worden dat geen sprake zal zijn van een eerlijk proces. Hiervan is geen sprake. De omstandigheid dat er spanningen zijn tussen de Verenigde Staten en Iran maakt niet dat de feiten, waarvoor de dubbele strafbaarheid is vastgesteld, achteraf als politiek delict kunnen worden aangemerkt. Verder mag naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden verwacht dat in de Verenigde Staten sprake zal zijn van een eerlijk proces. Zoals de raadsvrouw ter zitting zelf ook nadrukkelijk heeft opgemerkt, staan de procedure en de waarborgen hiervan in de Verenigde Staten bovendien niet ter beoordeling van de rechtbank, maar van de minister.”
4.3.1
Artikel 4 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Verdrag) luidt, voor zover hier van belang:
“1. Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht volgens de aangezochte Staat van politieke aard is of samenhangt met een strafbaar feit van politieke aard, dan wel wanneer wordt aangetoond dat het verzoek tot uitlevering met een politiek oogmerk is gedaan.
(...)
4. Het is de verantwoordelijkheid van de uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat een beslissing te nemen over kwesties die uit hoofde van dit artikel worden opgeworpen, behalve voor zover de nationale wetten van die Staat die bevoegdheid uitdrukkelijk aan diens rechters toekennen.”
4.3.2
Artikel 11 lid 1 van de Uitleveringswet luidt:
“Uitlevering wordt niet toegestaan voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmede samenhangende feiten.”
4.3.3
De memorie van antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Uitleveringswet, Stb. 1967, 139, houdt onder meer het volgende in:
“Artikel 11. Strafbare feiten van politieke aard in de zin van dit artikel zijn, behoudens de uitzondering voor de aanslag op een staatshoofd:
1°. delicten, die ingevolge hun wettelijke omschrijving steeds - dus onafhankelijk van de omstandigheden van het geval - als zodanig zijn aan te merken (de staatkundige delicten in engere zin);
2°. delicten, die in concreto zijn gericht op het teweegbrengen van veranderingen in het politieke bestel;
3°. delicten, begaan ten einde een feit als onder 1° en 2° bedoeld mogelijk te maken, dan wel aan vervolging deswege, of aan discriminatoire vervolging, te ontkomen.
Bij de onder 2° bedoelde delicten komt het op de (objectieve) strekking van het begane feit aan en niet op de (subjectieve) beweegredenen van de dader. Zo is een geval van mishandeling niet als een delict van politieke aard in de zin van het ontwerp te beschouwen, op de enkele grond, dat het feit is begaan uit afkeer van de staatkundige overtuiging of activiteit van het slachtoffer.” (Kamerstukken II 1964/65, 8054, nr. 9, p. 3)
4.4.1
De rechtbank heeft geoordeeld dat de feiten waarvoor zij de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld bij de artikelen 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onderscheidenlijk bij artikel 1 lid 1 van de Sanctieregeling Iran 2012 in onderlinge samenhang met de artikelen 1 onder 1° en 6 van de Wet economische delicten alsmede artikel 45 Sr. De rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat deze strafbare feiten geen delicten betreffen die alleen al op grond van hun wettelijke omschrijving zijn aan te merken als strafbare feiten van politieke aard. Dat oordeel getuigt, in aanmerking genomen de onder 4.3.3 weergegeven wetsgeschiedenis, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
4.4.2
De rechtbank heeft daarnaast - kennelijk - tot uitdrukking gebracht dat, niettegenstaande het ter zitting gevoerde verweer van de raadsvrouw, de feiten waarvoor zij de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, ook anderszins niet kunnen worden aangemerkt als strafbare feiten van politieke aard, omdat een overwegend politiek karakter ontbreekt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF6988, in dit verband als relevante factoren genoemd of:- de delicten zijn begaan in het kader van een strijd om of tegen de overheidsmacht;- er een rechtstreeks, nauw en duidelijk verband bestaat tussen de delicten en het beoogde politieke einddoel;- er evenredigheid bestaat tussen dat einddoel en de ten gevolge van de delicten aangetaste rechtsgoederen;- de delicten naar de redelijke voorstelling van de daders rechtstreeks tot het door hen beoogde politieke einddoel zouden (kunnen) leiden; en- dat naar diezelfde voorstelling de delicten de enige mogelijkheid waren ter verwezenlijking van het beoogde politieke einddoel,en gelet daarop getuigt ook dit oordeel van de rechtbank niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
4.5
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld.
5. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het beroep op Verordening (EG) 2271/96 van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen (PbEG L 309/1) (hierna: de Verordening).
5.2
De rechtbank heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“8.1. Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat aan het uitleveringsverzoek geen uitvoering kan worden gegeven, wegens strijd met artikel 4 van de EU verordening 2271/96 (hierna: het “blocking statute”), waarin staat: “uitspraken van rechters buiten de gemeenschap en besluiten van bestuurlijke autoriteiten buiten de gemeenschap die rechtstreeks of onrechtstreeks uitvoering geven aan de in de bijlage opgenomen wetten of de daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen mogen op generlei wijze worden erkend of uitvoerbaar verklaard.” Gesteld is dat de opgeëiste persoon op grond van artikel 11, vijfde lid, van deze Verordening de bescherming van artikel 4 toekomt, omdat hij beroepshalve activiteiten verrichtte in de Europese rechtssfeer en hij daarom niet mag worden uitgeleverd. Dit geldt, aldus de raadsvrouw, ook als is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, omdat het Unierecht boven het uitleveringsrecht gaat.
8.2.
Beoordeling
Het ‘blocking statute’ betreft een antiboycotverordening, die is opgesteld om aan Europese bedrijven en ingezetenen van de Europese Unie bescherming te bieden tegen de extraterritoriale werking van Amerikaanse sanctiewetgeving ten aanzien van feiten die niet binnen de Europese Unie strafbaar zijn. Het betreft daarbij Amerikaanse wetgeving die het mogelijk maakt sancties op te leggen aan eenieder, met inbegrip van personen die zich buiten het grondgebied van de Verenigde Staten bevinden, die op een of andere wijze handel drijft met Cuba of in goederen afkomstig van dit land (de zgn. Helms-Burton-wetgeving) of investeert in het aardoliepotentieel van Iran of Libië (de zgn. D’Amato-wetgeving). Deze verordening biedt geen bescherming aan personen en bedrijven die handel drijven die mogelijk bijdraagt aan de militaire capaciteiten van Iran. Dergelijke handel is immers, zoals hiervoor vermeld, ook in de Europese Unie strafbaar gesteld, namelijk in de Sanctieregeling Iran 2012.
Nu is vastgesteld dat de hiervoor genoemde feiten, waaronder de uitvoer van dual-use goederen naar Iran, ook in Nederland strafbaar zijn, kan geen beroep worden gedaan op het ‘blocking statute’, nog daargelaten de vraag of de opgeëiste persoon als ingezetene in Europa kan worden aangemerkt. Het verweer wordt daarom verworpen.”
5.3.1
De voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijnde bepalingen van de Verordening luiden als volgt:
- Artikel 1:
“Deze verordening biedt bescherming en verweer tegen de gevolgen van de extra-territoriale toepassing van de in de bijlage bij deze verordening opgenomen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en andere rechtsvoorschriften, en tegen de daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen, indien de toepassing daarvan gevolgen heeft voor de belangen van in artikel 11 bedoelde personen die betrokken zijn bij internationale handel en/of verkeer van kapitaal tussen de Gemeenschap en derde landen en daarmee verband houdende handelsactiviteiten.
Overeenkomstig de relevante Verdragsbepalingen en onverminderd de bepalingen van artikel 7, onder c), kan de Raad aan de bijlage van deze verordening wetten toevoegen of daarin wetten schrappen.”
- Artikel 11:
“Deze verordening is van toepassing op:1. natuurlijke personen die ingezetenen van de Gemeenschap en onderdaan van een Lid-Staat zijn,2. rechtspersonen die zijn opgericht in de Gemeenschap,3. in artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 4055/86 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen,4. andere natuurlijke personen die ingezetenen van de Gemeenschap zijn, tenzij die personen zich bevinden in het land waarvan zij onderdaan zijn,5. andere natuurlijke personen in de Gemeenschap, met inbegrip van haar territoriale wateren en haar luchtruim en op vaartuigen en in luchtvaartuigen die onder de rechtsmacht of controle van een Lid-Staat vallen, en die beroepshalve optreden.”
5.3.2
De bijlage bij de Verordening luidt, voor zover hier van belang en met weglating van voetnoten:
“WETTELIJKE EN BESTUURSRECHTELIJKE BEPALINGEN EN ANDERE RECHTSVOORSCHRIFTEN
bedoeld in artikel 1
LAND: VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA
WETTEN (ACTS)
(...)
3. “Iran and Libya Sanctions Act of 1996”
Vereiste naleving:
Gedurende een periode van twaalf maanden geen investeringen in Iran of Libië van bedragen groter dan 40 miljoen US-dollar die rechtstreeks en significant bijdragen tot het vergroten van het vermogen van Iran of Libië om hun aardoliepotentieel te ontwikkelen. (Investeringen met betrekking tot het aangaan van een contract met het oog op bovengenoemde ontwikkeling, of het verstrekken van waarborgen daarvoor, dan wel het halen van voordeel daaruit of de aankoop van een aandeel in de eigendom ervan.)
NB: Investeringen in het kader van reeds vóór 5 augustus 1996 bestaande contracten zijn vrijgesteld.
Naleving van het embargo tegen Libië dat is opgelegd bij Resoluties 748 (1992) en 883 (1993) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
Mogelijke schade voor de EU-belangen:
Maatregelen die de Amerikaanse President heeft genomen ter beperking van de invoer in de Verenigde Staten of leveranties aan de Verenigde Staten, verbod van aanwijzing als eerste verhandelaar (primary dealer) of als depositaris van Amerikaans overheidsgeld, weigering van toegang tot leningen van financiële instellingen van de Verenigde Staten exportbeperkingen door de Verenigde Staten, of weigering van bijstand door de Export-Import-Bank.”
5.3.3
Artikel 1 van de gedelegeerde Verordening, 2018/1100, van 6 juni 2018 tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen (hierna: de Verordening uit 2018), luidt, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang:
“De bijlage bij Verordening (EG) nr. 2271/96 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.”
5.3.4
De bijlage bij de Verordening uit 2018 luidt, voor zover hier van belang:
“WETTELIJKE EN BESTUURSRECHTELIJKE BEPALINGEN EN ANDERE WETGEVINGSINSTRUMENTEN(...)LAND: VERENIGDE STATEN VAN AMERIKAWETTEN (ACTS)
3. „Iran Sanctions Act of 1996”Vereiste naleving:Het is verboden willens en wetens:i) investeringen te doen in Iran van meer dan 20 miljoen USD gedurende een periode van twaalf maanden die rechtstreeks en significant bijdragen tot het vergroten van het vermogen van Iran om zijn aardoliepotentieel te ontwikkelen;ii) aan Iran goederen, diensten of andere vormen van ondersteuning te leveren ter waarde van 1 miljoen USD of meer, of voor een totale waarde van 5 miljoen USD of meer gedurende een periode van twaalf maanden, die rechtstreeks en significant zouden kunnen bijdragen tot het behoud of de uitbreiding van de Iraanse nationale productie van geraffineerde aardolieproducten of tot het vermogen van Iran om het zich in het land bevindende aardoliepotentieel te ontwikkelen;iii) aan Iran goederen, diensten of andere vormen van ondersteuning te leveren ter waarde van 250 000 USD of meer, of voor een totale waarde van 1 miljoen USD of meer gedurende een periode van twaalf maanden, die rechtstreeks en significant zouden kunnen bijdragen tot het behoud of de uitbreiding van de Iraanse nationale productie van petrochemische producten;iv) aan Iran a) geraffineerde aardolieproducten of b) goederen, diensten of andere vormen van ondersteuning te leveren die rechtstreeks en significant bijdragen tot het vergroten van het vermogen van Iran om geraffineerde aardolieproducten te importeren, beide ter waarde van 1 miljoen USD of meer, of voor een totale waarde van 5 miljoen USD of meer gedurende een periode van twaalf maanden;v) deel te nemen aan een joint venture voor de ontwikkeling van aardoliepotentieel buiten Iran die op of na 1 januari 2002 is opgericht en waarin Iran of de regering van Iran specifieke belangen heeft;vi) betrokken te zijn bij het transport van ruwe olie uit Iran of de herkomst te verhullen van uit Iran afkomstige vracht bestaande uit ruwe olie of geraffineerde aardolieproducten.
Mogelijke schade voor EU-belangen:Maatregelen ter beperking van de invoer in de Verenigde Staten of leveranties aan de Verenigde Staten, verbod op aanwijzing als eerste verhandelaar (primary dealer) of als depositaris van Amerikaans overheidsgeld, weigering van toegang tot leningen van financiële instellingen van de Verenigde Staten of tot overdrachten via dergelijke instellingen, verbod op transacties in buitenlandse valuta die onder jurisdictie van de Verenigde Staten vallen, exportbeperkingen door de Verenigde Staten, verbod op eigendomstransacties die onder jurisdictie van de Verenigde Staten vallen, weigering van bijstand door de Export-Import-Bank, landingsbeperkingen voor luchtvaartuigen en beperkingen op het aandoen van havens voor vaartuigen.”
5.4.1
Zoals hiervoor onder 4.2.2 is weergegeven heeft de rechtbank geoordeeld dat de feiten waarvoor zij de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld bij de artikelen 140 en 225 Sr onderscheidenlijk bij artikel 1 lid 1 van de Sanctieregeling Iran 2012 in onderlinge samenhang met de artikelen 1 onder 1° en 6 van de Wet economische delicten alsmede artikel 45 Sr. Het tegen dat oordeel gerichte cassatiemiddel is door de Hoge Raad hiervoor onder 3 verworpen.
5.4.2
De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat, nu de uitvoer van “dual-use” goederen naar Iran ook in Nederland strafbaar is, geen beroep kan worden gedaan op de Verordening, door de rechtbank aangeduid als het “blocking statute”. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de Verordening geen bescherming biedt aan personen en bedrijven die handel drijven die mogelijk bijdraagt aan de militaire capaciteiten van Iran op de grond dat dergelijke handel ook in de Europese Unie strafbaar is gesteld, namelijk in de Sanctieregeling Iran 2012. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de vraag of artikel 11 lid 5 van de Verordening van toepassing is om die reden geen beantwoording behoeft.
5.4.3
Het oordeel van de rechtbank getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
5.5
Het cassatiemiddel faalt.
5.6
In aanmerking genomen wat hiervoor is overwogen ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de Verordening.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2020.
Conclusie 18‑02‑2020
D.J.M.W. Paridaens
Partij(en)
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de opgeëiste persoon.
1.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beslissing van 5 juli 2019 de uitlevering van [opgeëiste persoon] aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ‘ter strafvervolging van
- —
feit 1, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4× A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ;
- —
en feit 3, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4 × A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed’, en de uitlevering voor het overige ontoelaatbaar verklaard.
2.
Er bestaat samenhang met de beslissing van de rechtbank van dezelfde dag inzake een namens de opgeëiste persoon ingediend beklag tegen beslag. In deze zaak met nr. 19/03841 Br zal vandaag worden geconcludeerd door mijn ambtgenoot T.N.B.M. Spronken.
3.
Tegen de beslissing van de rechtbank is beroep in cassatie ingesteld door het openbaar ministerie en namens de opgeëiste persoon. Het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep is op 9 augustus 2019 ingetrokken.
4.
Namens de opgeëiste persoon heeft mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
De feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard
5.
Voordat ik de middelen bespreek, moet worden vastgesteld ter zake van welke feiten de uitlevering toelaatbaar is verklaard. Dit hangt samen met de vraag of de rechtbank de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan met de op grond van art. 28, derde lid, Uitleveringswet vereiste ‘voldoende duidelijkheid’ heeft aangegeven. Om die vraag te beantwoorden geef ik eerst een samenvatting van de feiten waarvoor de rechtbank kennelijk bedoeld heeft de uitlevering toelaatbaar te verklaren. Daarbij baseer ik me op vier stukken waarnaar de rechtbank in haar uitspraak verwijst in verband met de beoordeling van de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor zij de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard. De feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard moeten daarom in deze documenten uiteen zijn gezet.
Het gaat in chronologische volgorde om achtereenvolgens:
- —
de ‘Indictment’ van de Grand Jury, die is uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2018 van de District Court van het District Columbia (Verenigde Staten van Amerika, hierna: V.S.);
- —
de ‘Affidavit’ van 30 oktober 2018 van M. Faruqui, Assistant United States Attorney for the District of Columbia (V.S.), en
- —
twee door de Amerikaanse autoriteiten verstrekte lijsten met de goederen (elektronica) waarop de Indictment ziet.
De lijsten met de goederen zijn als bijlage gehecht aan processen-verbaal van het team Precursoren, Strategische goederen en Sanctiewetgeving (Poss) en bevatten nadere technische specificaties van de goederen waarop de feiten 1 en 3 betrekking hebben.
6.
De uitlevering van [opgeëiste persoon] is toelaatbaar verklaard ter zake van twee feiten waarvan het eerste kan worden samengevat als deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven die bestaan uit valsheid in geschrift, oplichting1. en het zonder de vereiste vergunning uitvoeren uit de Verenigde Staten van Amerika (hierna: V.S.) naar (uiteindelijk) de Islamitische Republiek Iran (hierna: Iran) van converters. Op de documenten die betrekking hebben op de bestelling van de converters, zou in strijd met de waarheid niet zijn vermeld dat de eindbestemming Iran was maar de Verenigde Arabische Emiraten op basis waarvan de bevoegde Amerikaanse autoriteiten een uitvoervergunning hadden verleend. [opgeëiste persoon] zou vanaf omstreeks november 2011 tot en met omstreeks september 2018 samen met [betrokkene 1] en anderen die in de Indictment en Affidavit niet met naam worden genoemd, hebben deelgenomen aan de genoemde organisatie. Het tweede feit kan worden samengevat als een poging om converters uit de V.S. zonder de vereiste vergunning uit te voeren naar (uiteindelijk) Iran. Uit de lijsten die door de Amerikaanse autoriteiten zijn verstrekt blijkt dat de converters waarop de feiten betrekking hebben waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, op 15 december 2015 in de V.S. in beslag zijn genomen.
7.
De rechtbank heeft in haar uitspraak feit 1 en 3 niet nader uiteengezet, afgezien van een beknopte weergave in het kader van een samenvatting van het verzoek,2. en in dit verband evenmin verwezen naar een document waarin die feiten nader uiteen zijn gezet.3. Aan de uitspraak zijn echter twee documenten gehecht, te weten de Nederlandse vertaling van de hiervoor genoemde Indictment en de tweede door de Amerikaanse autoriteiten verstrekte lijst met goederen waarop de Indictment ziet. Op basis daarvan kunnen de feiten worden vastgesteld waarvoor de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard.
8.
De Indictment houdt het volgende in (ik citeer de Nederlandse vertaling die aan de beslissing van de rechtbank is gehecht):
- ‘1.
Gedaagde [opgeëiste persoon] was een Iraans burger woonachtig in de Republiek Iran. Gedaagde [opgeëiste persoon] was de algemeen directeur van het bedrijf [A] (hierna: " [A] ‘), een bedrijf statutair gevestigd in Dubai, Verenigde Arabische Emiraten. [opgeëiste persoon] en [A] werkten nauw samen met twee andere in Dubai, Verenigde Arabische Emiraten statutair gevestigde bedrijven, ‘Medesamenzweerder Bedrijf A’ en ‘Medesamenzweerder Bedrijf B".
- 2.
[A] fungeerde als dochteronderneming van de Iraanse vennootschap [B] (hierna: ‘ [B] ’). Gedaagde [opgeëiste persoon] was onder meer verantwoordelijk voor het bestellen van uit Amerika afkomstige goederen voor Iraanse klanten en maakte daarbij voor het bekostigen van de aankopen gebruik van derde bedrijven om de inkoop ervan te bevorderen en de Iraanse eindgebruikers verborgen te houden.
- 3.
Gedaagde [betrokkene 1] was een officier van de Islamitische Revolutionaire Garde (‘IRG’) woonachtig in de Republiek Iran. Gedaagde [betrokkene 1] was samen met [opgeëiste persoon] onder meer verantwoordelijk voor het regelen van de inkoop van uit Amerika afkomstige goederen ten behoeve van de IRG.
[…]
De International Emergency Economie Powers Act (lEEPA; Wet op de economische bevoegdheden bij internationale noodsituaties) 50 U.S.C. §§ 1701–1706 gaf de president van de Verenigde Staten van Amerika de bevoegdheid economische sancties aan een vreemd land op te leggen naar aanleiding van een ongewone of buitengewone bedreiging voor de nationale veiligheid, het buitenlandse beleid of de economie van de Verenigde Staten. […]
Op 6 mei 1995 vaardigde de president decreet nr. 12959 uit waarmee decreet nr. 12170 werd aangenomen en voortgezet (gezamenlijk: de ‘decreten’), en onder andere de directe of indirecte uitvoer, de wederuitvoer, verkoop of levering van Amerikaanse goederen, technologie en diensten uit Amerika of door een Amerikaans burger naar Iran werd verboden. De decreten gaven de Amerikaanse minister van financiën de bevoegdheid benodigde regels ter uitvoering van de decreten af te kondigen. Ingevolgde deze bevoegdheid kondigde de minister van financiën de Iranian Transactions Regulations [Regeling Iraanse transacties] af, en vaardigde op 22 oktober 2012 een herziene regeling af genaamd de Iranian Transactions and Sanctions Regulations [ITRS, Regeling Iraanse transacties en sancties], waardoor de opgelegde sancties aan de hand van de decreten konden worden uitgevoerd.
- 9.
In het algemeen wordt het een ieder uit hoofde van de ITSR verboden goederen of technologie uit de Verenigde Staten uit te voeren of te laten uitvoeren zonder een voorafgaande uitvoervergunning van de in het district Columbia gevestigde OFAC. Zowel de ITSR als zijn voorganger ITR waren van kracht in de voor de tenlastelegging relevante periode. […]
- 11.
Gedaagden [opgeëiste persoon] , [betrokkene 1] of hun medesamenzweerders hadden op geen enkel moment een vergunning of machtiging van in het district Columbia gevestigde OFAC ontvangen of in hun bezit om welke goederen, technologie of diensten dan ook uit te voeren naar Iran.
[…]
Punt een
De samenzwering
- 23.
Al vanaf of omstreeks november 2011, de precieze datum is bij de grand jury niet bekend, en tot en met of omstreeks september 2018, in het district Columbia en elders, hebben gedaagden [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] met elkaar afgesproken gezamenlijk en met andere bij de grand jury bekende en niet bekende partijen willens en wetens het volgende samen te spannen:
- a.
een strafrechtelijk feit te plegen tegen de Verenigde Staten, oftewel het uitvoeren en aanzetten tot de uitvoer van goederen uit de Verenigde Staten naar Iran in strijd met de verboden opgelegd op dat land door de Verenigde Staten, zonder eerst de vereiste vergunningen van de OFAC en BIS te verkrijgen, beide gevestigd in het district Columbia, in strijd met titel 50, United States Code, sectie 1705 (IEEPA), titel 31, Code of Federal Regulations, onderdelen 560.203 en 560.204 (ITSR), en titel 15; Code of Federal Regulations, onderdelen 730–774 (EAR); en
- b.
de overheid van de Verenigde Staten op te lichten door het bemoeilijken en belemmeren van een wettelijke overheidsfunctie, oftewel de handhaving van wetten en regelgeving met betrekking tot de uitvoer of levering van goederen of dienstverlening uit de Verenigde Staten naar Iran, door middel van bedrog, listen en onzuivere middelen, in strijd met titel 18, United States Code, sectie 371.
Doelen van de samenzwering
- 24.
De doelen van de samenzwering waren:
- a.
het aankopen van uit de Verenigde Staten afkomstige goederen voor levering aan eenheden en eindgebruikers in Iran.
- b.
het verborgen houden voor de Amerikaanse bedrijven en de Amerikaanse overheid dat de uit de Verenigde Staten afkomstige goederen waren bestemd voor Iraanse eindgebruikers;
- c.
het maken van geldelijke winst voor gedaagden en hun samenzweerders;
- d.
het toegang verkrijgen tot het Amerikaanse financiële systeem ten behoeve van de Iraanse eindgebruikers;
- e.
het ontduiken van regelgeving, verboden en vergunningsvereisten van de EAR, de IEEPA en de ITR;
e n
- f.
het oplichten van de Amerikaanse overheid door een wettelijke overheidsfunctie te bemoeilijken en te belemmeren.
Handelwijze en middelen van de samenzwering
- 25.
De handelwijze en middelen waarmee gedaagden en hun medesamenzweerders hun doelen van de samenzwering probeerden te verwezenlijken, waren onder meer als volgt:
- a.
Gedaagden [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] en anderen hebben buiten de Verenigde Staten plannen beraamd en gehandeld om uit Amerika afkomstige goederen aan te kopen.
- b.
Gedaagden [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] en anderen hebben buiten de Verenigde. Staten plannen beraamd en gehandeld om toegang te verkrijgen tot het Amerikaanse financiële systeem.
- c.
Gedaagden [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] en anderen gebruikten e-mailadressen en andere vormen van elektronische communicatie om met elkaar en andere personen die zich in de Verenigde Staten en Iran bevonden te communiceren.
- d.
Gedaagden [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] en anderen hebben valse namen en dekmantelbedrijven gebruikt om bestellingen te plaatsen en goederen te kopen van in Amerika gevestigde bedrijven, ten behoeve van andere samenzweerders en klanten in Iran.
- e.
Gedaagden [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] en anderen gebruikten bedrijven buiten Iran om goederen met Amerikaanse dollars aan te kopen ten behoeve van samenzweerders en klanten in Iran.
- f.
Gedaagde [opgeëiste persoon] en andere samenzweerders gebruikten bedrijven buiten Iran voor het overslaan van goederen uit de Verenigde Staten via derde landen, waaronder de Verenigde Arabische Emiraten, naar Iran.
- g.
Gedaagde [opgeëiste persoon] en anderen gebruikten Mahan Air om uit Amerika afkomstige goederen te vervoeren uit derde landen naar Teheran, Iran.
- h.
Gedaagden [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] en anderen hebben het uiteindelijke eindgebruik en de eindgebruikers van de in Amerika gekochte goederen opzettelijk voor in de Verenigde Staten gevestigde bedrijven, schippers en vrachtvervoerders verborgen gehouden.
- i.
Gedaagde [opgeëiste persoon] en andere samenzweerders hebben de uit Amerika afkomstige goederen van de Verenigde Staten naar individuen en eenheden, in Iran laten uitvoeren zonder hiervoor een vergunning van de in het district Columbia gevestigde OFAC en BIS te hebben verkregen.
[…]
Openlijke handelingen
- 26.
Ter bevordering van deze samenzwering en om de beoogde doeleinden te verwezenlijk heeft ten minste een van de samenzweerders een van de volgende openlijke handelingen in het district Columbia en elders gepleegd of laten plegen, waaronder:
[…]
- r.
Op of omstreeks 16 november 2015 liet gedaagde [opgeëiste persoon] $7.165,00 overmaken naar Bedrijf 1, welke transactie via de Verenigde Staten werd doorgevoerd als betaling voor uit Amerika afkomstige goederen bestemd voor verzending naar Iran.
[…]
(Samenzwering aangaande het onrechtmatig uitvoeren van Amerikaanse goederen naar Iran en het oplichten van de Verenigde Staten en het Amerikaanse ministerie van Financiën in strijd met titel 18, United States Code, sectie 371)
[…]
Punten drie t/m zeven
(Het onrechtmatig uitvoeren of poging tot het onrechtmatig uitvoeren van uit Amerika afkomstige goederen naar Iran)
- 28.
De beweringen in leden 1 t/m 22 en 25 zijn opgenomen en in de punten hieronder nogmaals gesteld.
- 29.
Op of omstreeks de data vermeld in elk punt hieronder heeft gedaagde [opgeëiste persoon] in het district Columbia en elders opzettelijk gepoogd de hieronder uitvoeriger beschreven producten uit de Verenigde Staten naar Iran uit te (laten) voeren en wederuit te (laten) voeren, zónder de voorafgaand vereiste machtigingen te hebben verkregen van het Bureau of Industry and Security van het Amerikaanse ministerie van Economische Zaken of van het Office of Foreign Assets Control van het Amerikaanse ministerie van Financiën, beide gevestigd in het district Columbia.
[PUNT] 3 [DATUM] 15 december 2015 ]UITGEVOERDE HANDELINGEN] Vier geïntegreerde schakelingen van Texas Instrument, ADC12D1000CIUT/NOPB van Bedrijf 1 naar Dubai, VAE en vervolgens Teheran, Iran.’
9.
De laatste alinea van de Indictment zoals ik die heb weergegeven, lees ik in verband met de hierna weer te geven lijst met goederen. Als ik dat heb gedaan, kom ik terug op de betekenis van de laatste alinea.
10.
De lijst met goederen die is gehecht aan het proces-verbaal van ambtshandelingen nummer Poss LP 02, houdt het volgende in (tussen haken geef ik aan wat het opschrift is van de kolom waarin de tekst is opgenomen):
Onder verwijzing naar ‘Counts 1, 3 and 8’:
‘[Part Name/Number] Texas Instruments ADC12D1000CIUT/NOPB, [Part Description] A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed [Date] Seized (December 15, 2015) [ECCN] 3A001.a5a3’. Onder verwijzing naar ‘Counts 1,8’:
‘[Part Name/Number] ISLA216P25IRZ ISLA216P13IRZ [Date] June 3, 2015 [ECCN] 3A001.a.5.a.5’
11.
In samenhang met deze lijst, betekent de laatste alinea van de Indictment dat feit 3 betrekking heeft op de daar omschreven converters die op 15 december 2015 in beslag zijn genomen. Dit sluit aan bij de Affidavit die onder 8 melding maakt van Amerikaanse rechtshandhavingsautoriteiten die op 15 december 2015 een gereguleerde uitvoer van geïntegreerde schakelingen, die [opgeëiste persoon] had gekocht van een Amerikaans bedrijf, hebben verhinderd.4.
12.
Op basis van het bovenstaande, moet het ervoor worden gehouden dat de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard ‘ter strafvervolging van — feit 1, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4× A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ; — en feit 3, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4 × A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed’, zoals deze feiten zijn uiteengezet in de ‘Indictment’ van de Grand Jury, die is uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2018 van de District Court van het District Columbia (V.S.).
13.
In het belang van de opgeëiste persoon lijkt het mij aangewezen dat de Hoge Raad de uitspraak in zoverre zal vernietigen en in het dictum doet wat de rechtbank had behoren te doen. Het alternatief, te weten het verbeterd lezen van de uitspraak, heeft immers als risico voor de opgeëiste persoon dat dit in de verzoekende staat over het hoofd wordt gezien omdat het niet in het dictum terugkomt.5.
14.
Nu is vastgesteld voor welke feiten de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, kan ik toekomen aan de bespreking van de middelen.
15.
Het eerste middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft aangenomen dat met betrekking tot feit 1 en 3 de overgelegde stukken genoegzaam zijn. De eerste deelklacht houdt in dat de rechtbank de Indictment, de Affidavit en de lijst met goederen niet als bewijsmateriaal had mogen aanmerken. De rechtbank zou voor wat betreft het vereiste bewijsmateriaal uitsluitend hebben verwezen naar de Indictment en de lijst. De tweede deelklacht houdt in dat de rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft aangenomen dat het overgelegde materiaal ‘een voldoende redelijk vermoeden van schuld oplevert.’
16.
Voor de beoordeling van de eerste deelklacht, dat de rechtbank de Indictment, de Affidavit en de lijst met goederen niet als bewijsmateriaal had mogen aanmerken, is van belang dat de eis dat de verzoekende staat bewijsmateriaal overlegt, is neergelegd in art. 9, derde lid aanhef en onder b, Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: Uitleveringsverdrag).6.
17.
Art. 9, derde lid aanhef en onder b, Uitleveringsverdrag, luidt als volgt:
‘Bij een verzoek tot uitlevering met betrekking tot een persoon die wordt gezocht met het oog op vervolging dienen te worden gevoegd:
[…]
- b.
het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd, met inbegrip van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de persoon wiens uitlevering wordt verzocht degene is op wie het bevel tot aanhouding betrekking heeft.’
18.
Met betrekking tot de genoegzaamheid van de stukken en in het bijzonder de eis dat bewijsmateriaal wordt overgelegd, heeft de raadsvrouw een verweer gevoerd dat de rechtbank als volgt in haar uitspraak heeft samengevat en verworpen:
‘5. Genoegzaamheid van de stukken
5.1. Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er significante verschillen bestaan tussen de Indictment en de verstrekte lijst met goederen en dat deze informatie dusdanig tegenstrijdig is dat moet worden geoordeeld dat de stukken ongenoegzaam zijn.
Ook heeft de raadsvrouw aangevoerd dat ten aanzien van de feiten 1, 3 en 8 door de Amerikaanse autoriteiten onvoldoende bewijs is geleverd en de stukken ten aanzien van die feiten ook om die reden ongenoegzaam zijn. Met betrekking tot de A/D Converter, het goed waarop feit 3 betrekking heeft, is volgens haar onvoldoende bewijs geleverd dat de opgeëiste persoon ten tijde van de aanschaf daarvan in de Verenigde Staten opzet had op of een uitvoeringshandeling begon ten aanzien van de uitvoer naar Iran. Met betrekking tot de feiten 1 en 8 is er onvoldoende bewijs voor een gestructureerd samenwerkingsverband. De raadsvouw heeft stukken overgelegd die de beschuldigingen op dit punt zouden weerleggen.
5.2. Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de eisen van artikel 9, tweede en derde lid, van het Verdrag en artikel 18 van de Uitleveringswet is voldaan.
Hij heeft op de zitting toegelicht waarom niet alle op de lijst verstrekte goederen ook zijn gespecificeerd in de Indictment. Hij heeft hierover navraag gedaan bij de Amerikaanse autoriteiten en daaruit is gebleken dat met betrekking tot de feiten 1 en 8 (de ‘conspiracy’- feiten) niet alle goederen zijn genoemd waarop die feiten betrekking hebben, omdat dat naar Amerikaans recht niet is vereist. De Indictment is niet hetzelfde als de tenlastelegging in een Nederlandse strafzaak. Met betrekking tot de Indictment geldt niet dat de woordelijke inhoud daarvan de enige basis vormt voor de beoordeling van de strafzaak. Gelet hierop moeten de Indictment en de lijst met goederen in samenhang worden bezien. Er moet van worden uitgegaan dat alle op de lijst vermelde elektronica onderdeel uitmaken van de tenlastelegging voor de feiten die op deze lijst zijn vermeld. Gelet hierop is van tegenstrijdigheden geen sprake.
5.3. Beoordeling
De rechtbank is, mede gelet op de toelichting van de officier van justitie, van oordeel dat de thans overgelegde stukken voldoende zijn om de toelaatbaarheid van de uitlevering van de verzochte uitlevering te kunnen beoordelen. Uit deze stukken blijkt voldoende waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht en waar de verdenkingen op zijn gebaseerd. Verder bevinden zich onder de overgelegde stukken ook een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht. Voor wat betreft de onderdelen van de feiten ten aanzien waarvan de officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering is er ook voldoende informatie om de dubbele strafbaarheid te kunnen beoordelen. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.
Het Verdrag eist ook dat in geval van vervolgingsuitlevering wordt overgelegd ‘het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte staat, de aanhouding en de dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen, indien het feit in die staat zou zijn gepleegd’ (artikel 9 lid 3 onder b Verdrag). Aan deze eis is voldaan indien uit het bijgevoegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voortvloeit aan het feit waarvoor de uitlevering is verzocht dat naar Nederlands recht zijn aanhouding dan wel enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn (HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6949). Dat bewijsmateriaal kan onder andere al blijken uit een affidavit waarin het verloop en het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek wordt gerelateerd (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1571). De bewijsmiddelen waarop het affidavit is gebaseerd hoeven daarbij niet te worden overgelegd (HR 1 juli 1986, NJ 1987/218).
De rechtbank is van oordeel dat aan deze eis is voldaan. Het op dit punt gevoerde verweer wordt daarom eveneens verworpen.’
19.
De klacht dat de rechtbank de Indictment en de lijst met goederen niet als bewijsmateriaal had mogen aanmerken, berust op een verkeerde lezing van de uitspraak. De rechtbank verwijst naar de toelichting van de officier van justitie, die op zijn beurt verwijst naar de Indictment in samenhang met de lijst met goederen in verband met de vraag of de stukken genoegzaam zijn voor wat betreft de ‘uiteenzetting van de desbetreffende feiten’ als bedoeld in art. 9, tweede lid aanhef en onder b, Uitleveringsverdrag, en niet of is voldaan aan de eis die is neergelegd in art. 9, derde lid aanhef en onder b, Uitleveringsverdrag. De rechtbank heeft de Indictment en de lijst niet als bewijsmateriaal aangemerkt zodat dit onderdeel van de eerste deelklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
20.
Het restant van de eerste deelklacht, dat de rechtbank de Affidavit niet als bewijsmateriaal had mogen aanmerken, faalt ook. Ik wijs er eerst op dat de schriftuur op dit onderdeel tegenstrijdig is. Enerzijds wordt geklaagd dat de rechtbank de Affidavit niet als bewijsmateriaal had mogen aanmerken, terwijl anderzijds wordt aangevoerd dat de rechtbank in verband met art. 9, derde lid aanhef en onder b, Uitleveringsverdrag ‘uitsluitend naar’ de Indictment en de lijst verwijst en de Affidavit dus kennelijk niet als het in die bepaling vereiste bewijsmateriaal heeft aangemerkt. De rechtbank heeft de Affidavit wel degelijk als bewijsmateriaal aangemerkt en gebruikt, zoals blijkt uit haar overweging waarin ze aangeeft dat en waarom het op grond van art. 9, derde lid aanhef en onder b, Uitleveringsverdrag vereiste bewijsmateriaal al kan ‘blijken uit een affidavit waarin het verloop en het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek wordt gerelateerd’.7. Daaruit volgt dat de rechtbank de Affidavit in de onderhavige zaak als bewijsmateriaal in de zin van het uitleveringsverdrag heeft aangemerkt.
21.
Dan de inhoudelijke beoordeling van het restant van de eerste deelklacht, te weten dat de rechtbank de Affidavit niet als bewijsmateriaal had mogen aanmerken. Gelet op de nadere onderbouwing van deze klacht, gaat het er kennelijk om dat de inhoud van de Affidavit te onbetrouwbaar is om te kunnen dienen als bewijsmateriaal. Aangevoerd wordt onder meer dat ‘is gebleken van een groot aantal onjuistheden in de aangeleverde informatie’ (schriftuur onder 1.2.13). Het is echter niet aan de uitleveringsrechter om de betrouwbaarheid te beoordelen van het bewijsmateriaal dat de verzoekende staat heeft overgelegd. In zijn arrest van 19 april 2005 overwoog de Hoge Raad dat ‘het tot de taak van de rechterlijke instantie van de verzoekende Staat behoort om zelfstandig en in volle omvang de betrouwbaarheid en de redengevendheid van dat bewijsmateriaal te beoordelen […] en vast te stellen of dit een veroordeling rechtvaardigt.’8. Hieruit volgt dat het beoordelen van de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal behoort tot de taak van de rechter van de verzoekende staat en niet van de uitleveringsrechter in de aangezochte staat. Om die reden faalt ook dit deel van de eerste deelklacht.
22.
De eerste deelklacht faalt in alle onderdelen.
23.
De tweede deelklacht houdt in dat de rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft aangenomen dat het overgelegde materiaal ‘een voldoende redelijk vermoeden van schuld oplevert.’
24.
Bij de beoordeling van deze deelklacht moet het volgende voorop worden gesteld. In zijn arrest van 9 oktober 2012 heeft de Hoge Raad overwogen dat aan het vereiste van de door de verzoekende staat op grond van art. 9, derde lid aanhef en onder b, Uitleveringsverdrag te overleggen bewijsmateriaal is voldaan, ‘indien uit het bijgevoegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voorvloeit aan het feit waarvoor de uitlevering is verzocht dat naar Nederlands recht zijn aanhouding dan wel enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn’.9.
25.
In cassatie wordt gewezen op een aantal onderdelen van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zoals die zijn weergegeven in de Indictment en de lijst met goederen, die niet of onvoldoende steun vinden in de Affidavit. Als voorbeeld noem ik de specificaties van de converters waarop de feiten 1 en 3 betrekking hebben. De specificaties zouden niet blijken uit de Affidavit waardoor het overgelegde bewijsmateriaal onvoldoende zou zijn.
26.
In feite worden in de toelichting op deze deelklacht, aan het door de verzoekende staat op grond van art. 9, derde lid aanhef en onder b, Uitleveringsverdrag te overleggen bewijsmateriaal, eisen gesteld die erop neerkomen dat het te overleggen bewijsmateriaal naar Nederlands recht voldoende zou moeten zijn om te komen tot een veroordeling van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht. Ter illustratie wijs ik ten eerste op de schriftuur waar onder 1.2.7 wordt opgemerkt dat de Indictment ‘immers de dagvaarding [is] die door bewijsmateriaal dient te worden gesteund.’ Ten tweede wijs ik op de schriftuur waar onder 1.2.6 een verband wordt gelegd tussen de eisen die op grond van art. 344, tweede lid, Sv aan bewijsmateriaal worden gesteld en de eisen die op grond van art. 9, derde lid aanhef en onder b, Uitleveringsverdrag aan het te overleggen bewijsmateriaal worden gesteld. In dat verband wordt gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014 waarin een affidavit door de Hoge Raad werd aangeduid als ‘zijnde een ambtsedig verslag van verloop en resultaat van het in deze zaak verrichte strafrechtelijke onderzoek’ waarover in de schriftuur wordt opgemerkt dat in ‘het licht van artikel 344 lid 2 Sv […] te begrijpen [is] dat dit voldoende bewijsmateriaal naar Nederlands recht wordt geacht.’ De tweede deelklacht stelt, gelet op de maatstaf die moet worden aangelegd op grond van het onder randnummer 24 genoemde arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2012, te hoge eisen aan het bewijs dat door de verzoekende staat moet worden overgelegd en faalt daarom.
27.
Het eerste middel faalt in alle onderdelen.
28.
Het tweede middel klaagt over de dubbele strafbaarheid die de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen en valt in vier deelklachten uiteen. De eerste deelklacht komt erop neer dat de toelaatbaarverklaring voor feit 1 in feite veel meer feiten omvat dan de gedragingen die betrekking hebben op de ‘4× A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ’. De tweede deelklacht komen op tegen de kwalificatie van feit 1 als overtreding van art. 140 Sr. De derde deelklacht komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Nederlandse art. 225 Sr hetzelfde rechtsgoed zou beschermen als het Amerikaanse Titel 18 U.S.C. sectie 371. De vierde deelklacht heeft betrekking op feit 2: uit de gedragingen waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard zou niet kunnen volgen dat de opgeëiste persoon opzettelijk heeft gepoogd ‘4 × A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed’ uit te voeren. Vanwege de inhoudelijke samenhang bespreek ik de middelen deels tezamen.
29.
Met betrekking tot de vereiste strafbaarheid naar Nederlands recht heeft de rechtbank het volgende overwogen:
‘Strafbaarheid van de uitvoer van de goederen naar Iran naar Nederlands recht
Zoals ook overwogen in de tussenuitspraak, moet komen vast te staan dat de feiten ieder afzonderlijk betrekking hebben op goederen, waarvan de uitvoer naar Iran ook naar Nederlands recht op de tenlastegelegde data verboden dan wel vergunningplichtig was.
Het team POSS heeft dit ten aanzien van een deel van de op de lijst vermelde goederen onderzocht. Ten aanzien van de volgende goederen is op grond van de Europese regelgeving vastgesteld dat de uitvoer hiervan vanuit Nederland naar Iran zonder vergunning op de tenlastegelegde data (in 2015) verboden was:
A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed (feiten 1, 3 en 8);
- —
ISLA216P25IRZ (feiten 1 en 8)
- —
ISLA216P13IRZ (feiten 1 en 8).
Dit betreffen producten voor tweeërlei gebruik (dual-use goederen), producten die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, die zijn vermeld in bijlage 1 (onder categorie 3: elektronica, systemen, apparatuur en onderdelen) van de Verordening 428/2009. Op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Verordening 267/2012 was de directe of indirecte verkoop, levering, overdracht aan of uitvoer naar Iraanse personen, entiteiten of lichamen in of voor gebruik in Iran van deze goederen op de ten laste gelegde data in 2015 verboden. Als deze goederen destijds vanuit Nederland naar Iran zouden zijn uitgevoerd (of als gepoogd was deze goederen naar Iran uit te voeren), dan zou dat, gelet op artikel 2, eerste en tweede lid, van de Verordening 267/2012, een (poging tot) overtreding geweest zijn van artikel 1, Sanctieregeling Iran 2012. Dit betreft een economisch delict als genoemd in artikel 1, onder 1o, van de Wet op de Economische Delicten (hierna: WED), dat is gesanctioneerd in artikel 6 WED (juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr).
[…]
Kwalificatie van de feiten naar Nederlands recht
Gelet op het voorgaande, zijn de volgende feiten voor een deel ook naar Nederlands recht strafbaar:
- —
feit 1, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4x A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ.
Dit feit is naar Nederlands recht strafbaar als deelneming aan een criminele organisatie met onder meer als doel overtreding van de Sanctieregeling Iran 2012 en valsheid in geschrifte (gebruik valse ‘end user’ verklaringen om werkelijke bestemming van de goederen te verhullen), strafbaar gesteld bij artikelen 140 en 225 Sr en artikel 1, eerste lid, Sanctieregeling Iran 2012.
- —
feit 3, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4 × A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed.
Dit feit is, zoals hiervoor al genoemd, naar Nederlands recht strafbaar als poging tot overtreding van artikel 1, lid 1 van de Sanctieregeling Iran 2012. Dit betreft een economisch delict als genoemd in artikel 1, onder 1o, WED, dat is gesanctioneerd in artikel 6 WED juncto artikel 45 Sr.’10.
30.
De eerste deelklacht komt erop neer dat de toelaatbaarverklaring voor feit 1 in feite veel meer feiten omvat dan de gedragingen die betrekking hebben op de ‘4× A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ’. Aangevoerd wordt dat de rechtbank ‘ten aanzien van feit 1 ten onrechte althans onbegrijpelijk heeft aangenomen dat […] feiten die niet zijn opgenomen in de 59 paragrafen tellende count 1 in de indictment desondanks aan de uitlevering ten grondslag kunnen worden gelegd’. Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag omdat count 1 in de Indictment geen 59 paragrafen telt. Voor zover daarmee zou worden gedoeld op de met letters a t/m z, aa t/m zz en aaa t/m ggg aangeduide onderdelen van paragraaf 26 van de Indictment, faalt de klacht eveneens omdat de rechtbank de uitlevering voor feit 1 slechts toelaatbaar heeft verklaard ‘voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4× A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ’. Indien de Indictment wordt gelezen in samenhang met de lijst en de Affidavit dan kan daaruit worden opgemaakt dat het in het bijzonder gaat om de in paragraaf 26 onder r van de Indictment uiteengezette betaling die betrekking heeft op de bestelling in de V.S. van de converters voor een totaalbedrag van $ 7.165.
31.
De tweede deelklacht komt op tegen de kwalificatie van feit 1 naar Nederlands recht als overtreding van art. 140 Sr. De rechtbank zou ten aanzien van feit 1 ten onrechte althans onbegrijpelijk hebben aangenomen dat ‘er aanwijzingen zijn voor een voldoende gestructureerd samenwerkingsverband en/of een oogmerk misdrijven te plegen om te voldoen aan art. 140 Sr’. De klacht beperkt zich dus tot het naar Nederlands recht vereiste gestructureerde samenwerkingsverband en oogmerk, en klaagt (terecht11.) niet dat wat naar Amerikaans recht in Titel 18 United States Code sectie 371 wordt omschreven als ‘conspiracy’ als zodanig naar Nederlands recht niet gekwalificeerd zou kunnen worden als overtreding van art. 140 Sr.
32.
In het bijzonder uit de Affidavit, maar ook uit de Indictment blijkt dat de opgeëiste persoon met ‘ [betrokkene 1] ’ en anderen die niet met naam zijn genoemd, van omstreeks november 2011 tot en met omstreeks september 2018 heeft samengewerkt bij het door middel van meerdere rechtspersonen die opereerden in meerdere landen, uit de V.S. uitvoeren en in Iran invoeren van goederen zonder de vereiste vergunning waarbij in strijd met de waarheid Iran niet als eindbestemming werd vermeld. Onder die goederen waren de goederen waarvoor de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard. Tegen de betekenis van de feiten en omstandigheden zoals ik die hier heb aangeduid, waaruit het vereiste gestructureerde samenwerkingsverband en oogmerk kunnen worden afgeleid, wordt in de schriftuur aangevoerd dat het gestructureerde samenwerkingsverband en het vereiste oogmerk alleen mogen worden aangenomen op basis van feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard. Deze aanvullende eisen stuiten af op bestendige rechtspraak over de eisen die naar Nederlands recht in verband met art. 140 Sr worden gesteld aan het gestructureerde samenwerkingsverband en het oogmerk misdrijven te plegen. Bij het in art. 140 Sr omschreven misdrijf gaat het niet om een gestructureerd samenwerkingsverband dat misdrijven heeft gepleegd maar om gestructureerd samenwerkingsverband met het oogmerk tot het plegen van misdrijven.12. Uit de feiten en omstandigheden die ik uit de Affidavit en Indictment haalde, waarmee dit randnummer begint, heeft de rechtbank kunnen afleiden dat het oogmerk van de organisatie was gericht op het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrift en het zonder de vereiste vergunning uitvoeren van goederen. De rechtbank heeft het voor overtreding van art. 140 Sr vereiste gestructureerde samenwerkingsverband en oogmerk mogen aannemen geheel los van de vraag of beide betrekking hebben op de uitvoer, zonder de vereiste vergunning, van de goederen waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard.
33.
De tweede deelklacht faalt.
34.
De derde deelklacht komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Nederlandse art. 225 Sr hetzelfde rechtsgoed zou beschermen als het Amerikaanse Titel 18 U.S.C. sectie 371.
35.
De rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van feit 1, zoals dat uiteen is gezet in de hierboven genoemde en deels weergegeven Indictment van 18 oktober 2018 in combinatie met de eveneens hierboven weergegeven lijst met goederen. Uit de beslissing van de rechtbank blijkt dat de verzoekende staat overeenkomstig art. 9, eerste lid aanhef en onder c, Uitleveringsverdrag, de tekst van de bepalingen heeft overgelegd, waarin feit 1 strafbaar is gesteld. Onder deze bepalingen bevindt zich Titel 18 United States Code sectie 371 waarin, kort gezegd, straf is gesteld op het door twee of meer personen samenspannen met het oog op het plegen van een misdrijf tegen de V.S. of de V.S. op te lichten of een vertegenwoordiger van de V.S. op welke manier en voor welk doel dan ook.13.
36.
De rechtbank heeft feit 1 waarvoor de uitlevering wordt verzocht zelf onder 2 van haar uitspraak als volgt samengevat:
‘samenzwering (‘conspirary’) aangaande (a.) het onrechtmatig (zonder vergunning) uitvoeren van Amerikaanse goederen naar Iran en (b.) het oplichten van de Verenigde Staten en het Amerikaanse ministerie van Financiën, in strijd met titel 18, United States Code, sectie 371’.
37.
Gelet op deze uitleg van het onder 1 in het uitleveringsverzoek omschreven feit, welke uitleg feitelijk van aard is en daarom in cassatie moet worden geëerbiedigd nu de uitleg niet onverenigbaar is met de bewoordingen van het verzoek,14. heeft de rechtbank verzuimd met betrekking tot feit 1 art. 326 Sr te vermelden bij de toepasselijke wetsbepalingen nu uit de uiteenzetting van de feiten blijkt dat de V.S. en/of het Amerikaanse ministerie van Financiën kennelijk is bewogen tot afgifte van een vergunning tot uitvoer omdat op de vergunningaanvraag in strijd met de waarheid was vermeld dat het uitvoer aan de Verenigde Arabische Emiraten betrof terwijl de daadwerkelijke eindbestemming Iran was.15.
38.
De Hoge Raad kan het verzuim van de rechtbank herstellen waarna aan deze derde deelklacht de feitelijke grondslag komt te ontvallen.
39.
De derde deelklacht kan niet tot cassatie leiden.
40.
De vierde deelklacht heeft betrekking op feit 2. De klacht luidt dat uit de gedragingen waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, niet kan volgen dat de opgeëiste persoon opzettelijk heeft gepoogd ‘4 × A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed’ uit te voeren. De toelichting op de klacht houdt in dat met name niet, althans onvoldoende, uit de overgelegde stukken kan blijken van een ‘vermoeden van schuld dat de goederen inderdaad voor Iran bestemd waren.’
41.
De Affidavit houdt onder 7 en 8 het volgende in:
- ‘7.
Als gevolg van dekmanteloperaties en door de rechtbank geautoriseerde huiszoekingsbevelen vanaf 2015 tot en met 2018 hebben de Amerikaanse autoriteiten ontdekt dat [opgeëiste persoon] betrokken is bij de illegale aankoop van gereguleerde goederen van Amerikaanse oorsprong. Met name [opgeëiste persoon] stuurde veel goederen van Amerikaanse oorsprong naar Iran nadat hij ten onrechte beweerde een eindgebruiker in de Verenigde Arabische Emiraten te zijn; Amerikaanse rechtshandhavingsautoriteiten hebben twee van deze transporten gestopt.
- 8.
Bij wijze van voorbeeld, op 15 december 2015 hebben Amerikaanse rechtshandhavingsautoriteiten een gereguleerde uitvoer van geïntegreerde schakelingen (die ook in Europa zijn gereguleerd krachtens het Akkoord yan Wassenaar), die [opgeëiste persoon] had gekocht van een Amerikaans bedrijf (‘VS-Bedrijf 1’), verhinderd. De rechtshandhavingsautoriteiten werden gewezen op de aankoop van [opgeëiste persoon] toen het VS-Bedrijf 1 aan de rechtshandhaving meedeelde dat een werknemer van [opgeëiste persoon] 's bedrijf dat gevestigd is in Verenigde Arabische Emiraten, [A] , communiceerde met het VS-Bedrijf 1 vanaf een Iraans Internet protocol (‘ÏP’)-adres. In reactie daarop plaatste HSI undercoveragenten om namens het VS-Bedrijf 1 met [A] te communiceren. Tijdens daaropvolgende bijeenkomsten vertelde [opgeëiste persoon] de undercoveragenten dat hij de producten kocht van Amerikaanse bedrijven met gebruikmaking van een valse naam; stelde hij voor om schijnondernemingen te gebruiken in Turkije, Nederland en Canada om de verzendingen vanuit de Verenigde Staten te vergemakkelijken; en heeft valse eindgebruikersverklaringen ingediend bij de Amerikaanse overheid. [opgeëiste persoon] heeft via [A] de producten gekocht met gebruikmaking van een derde-bedrijf genaamd Antique Home Appliances, dat in de Verenigde Arabische Emiraten gevestigd is. Nadat deze producten in beslag waren genomen heeft [opgeëiste persoon] , met gebruikmaking van de alias ‘ [opgeëiste persoon] ,’ vanaf een Iraanse IP-adres navraag gedaan waarom de producten in beslag waren genomen. Later vertelde [opgeëiste persoon] een agent dat hij [opgeëiste persoon] als bijnaam gebruikte.’
42.
De Affidavit houdt in dat met name [opgeëiste persoon] veel goederen van Amerikaanse oorsprong naar Iran stuurde en dat op 15 december 2015 een gereguleerde uitvoer van geïntegreerde schakelingen door Amerikaanse rechtshandhavingsautoriteiten is gestopt. Hierop stuit de vierde deelklacht af.
43.
Het tweede middel faalt in alle onderdelen.
Beoordeling van de strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek
44.
Alvorens over te gaan tot bespreking van het derde middel, sta ik ambtshalve stil bij de wijze waarop de rechtbank de strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht heeft beoordeeld. Daarbij geef ik een kader van het strafrechtelijke regime dat van toepassing is op de uitvoer van zogenoemde ‘dual-use’ goederen, welk regime van belang is voor de bespreking van het derde middel dat betrekking heeft op de politieke aard van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht.
45.
Bij de beoordeling van de vereiste dubbele strafbaarheid, is de rechtbank nagegaan of de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, naar Nederlands recht een strafbaar feit opleverden ten tijde van het begaan van de feiten zoals dat in het uitleveringsverzoek uiteen is gezet. De rechtbank overweegt met betrekking tot de strafbaarheid van de uitvoer van de goederen naar Iran naar Nederlands recht dat ‘moet komen vast te staan dat de feiten ieder afzonderlijk betrekking hebben op goederen, waarvan de uitvoer naar Iran ook naar Nederlands recht op de tenlastegelegde data verboden dan wel vergunningplichtig was.’ De rechtbank heeft zich voor het beantwoorden van deze vraag gebaseerd op het proces-verbaal van ambtshandeling Poss LP 01, dat is opgemaakt naar aanleiding van het verzoek van de officier van justitie na te gaan ‘of de uitvoer van een A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High Speed met export controle classification number (ECCN) 3A001.a5a3 vanuit Nederland naar Iran, in 2015 vergunningplichtig of verboden was.’ Hieruit volgt dat ook het proces-verbaal ziet op de strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht op het moment waarop die volgens het uitleveringsverzoek zijn begaan.
46.
De vraag of de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, strafbaar zijn naar Nederlands recht moet echter worden beoordeeld ‘naar de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek’.16. In zoverre geeft de beslissing van de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting.17. Tot cassatie hoeft dit niet te leiden omdat de strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht ten tijde van de beslissing op dat verzoek door de rechtbank, en ook ten tijde van het nemen van deze conclusie, alsnog kan worden vastgesteld.
De strafbaarheid van de uitvoer van ‘dual-use’ goederen in het algemeen
47.
De rechtbank heeft de strafbaarheid gebaseerd op de Sanctieregeling Iran 2012, maar die bouwt voort op het strafrechtelijk regime dat van toepassing is op goederen die geschikt zijn voor tweeërlei gebruik. Daarom begin ik bij die regeling om van daaruit de verhouding tot de sanctiemaatregelen te bespreken.
48.
De A/D Converters waarop de feiten betrekking hebben waarvoor de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, zijn goederen die geschikt zijn voor tweeërlei gebruik, namelijk die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben. Uitgangspunt is dat de uitvoer van dergelijke ‘dual-use’ goederen verboden is, tenzij een vergunning is verleend. Dit regime berust op Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (hierna: verordening 428/2009).18.
49.
Bijlage I van verordening 428/2009 bevat een overzicht van de goederen voor tweeërlei gebruik voor de uitvoer waarvan een vergunning is vereist. De besluiten om goederen in de bijlage op te nemen worden genomen in diverse gremia waarin Nederland en de V.S. participeren, zoals blijkt uit de considerans van de meest recente versie van de bijlage:
‘Besluiten over de producten die aan controle zijn onderworpen, worden genomen in het kader van internationaal overeengekomen vergunningsregelingen voor goederen voor tweeërlei gebruik, waaronder de Australiëgroep, het controleregime voor de uitvoer van rakettechnologie en -onderdelen (MTCR), de Groep van nucleaire exportlanden, het Wassenaar Arrangement en het Verdrag inzake chemische wapens.’19.
50.
In twee processen-verbaal waarnaar de rechtbank in haar uitspraak verwijst, is gerelateerd dat en waarom de specificaties van de A/D Converters vallen onder de elektronica voor de uitvoer waarvan op basis van bijlage I verordening 428/2009 een vergunning is vereist. Naast het al genoemde proces-verbaal van ambtshandeling Poss LP 01 is dat proces-verbaal van ambtshandeling Poss LP 02. Beide processen-verbaal hebben betrekking op de bijlage zoals die luidde in 2015 ten tijde van de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard. Op de vraag of de specificaties van de A/D Converters ook vallen onder de nu geldende bijlage, kom ik terug.
51.
In Nederland is aan verordening 428/2009 uitvoering gegeven in het Besluit strategische goederen.20. Art. 2 Besluit strategische goederen verbiedt te handelen in strijd met art. 3, eerste lid, verordening 428/2009.21. In art. 3, eerste lid, verordening 428/2009 is bepaald dat ‘voor de uitvoer van de producten voor tweeërlei gebruik die voorkomen op de lijst in bijlage I’ een vergunning is vereist.22.
De strafbaarheid van de uitvoer van ‘dual-use’ goederen naar Iran in het bijzonder
52.
Op de uitvoer uit de Europese Unie naar Iran is sinds 2007 een bijzonder regime van toepassing vanwege de ‘nucleaire activiteiten van Iran’.23. In 2012 zijn aanvullende maatregelen vastgesteld in de Verordening (EU) Nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (hierna: verordening 267/2012).24. Aan dit regime is destijds in Nederland uitvoering gegeven met de Sanctieregeling Iran 2012, zoals ik nog nader uiteen zal zetten. De toelichting bij deze sanctieregeling houdt onder meer in dat de aanvullende maatregelen betrekking hebben op ‘op de handel in goederen en technologie voor tweeërlei gebruik’.
53.
Het bijzondere regime dat van toepassing is op de uitvoer van ‘dual-use’ goederen en techniek naar Iran, is sinds 19 oktober 2015 gewijzigd, dus in de periode waarin de feiten zijn begaan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard. Ik begin met het bijzondere regime zoals dat is ingevoerd met verordening 267/2012.
54.
Het bijzondere regime dat op basis van verordening 267/2012 van toepassing was op de uitvoer van ‘dual-use’ goederen en techniek naar Iran, bouwt voort op het algemeen te noemen regime dat van toepassing is op goederen en technologie voor tweeërlei gebruik zoals die is neergelegd in de hierboven genoemde verordening 428/2009. Als regel gold aanvankelijk dat de uitvoer van ‘dual-use’ goederen die op grond van verordening 428/2009 vergunningplichtig is, naar Iran zonder meer verboden was op grond van verordening 267/2012.
55.
Een uitzondering op deze regel is gemaakt voor goederen en techniek die zijn opgenomen in bijlage I deel A bij verordening 267/2012. Indien de goederen en technologie zijn opgenomen in dit onderdeel van de bijlage, dan is de uitvoer ervan naar Iran niet zonder meer verboden, maar is de uitvoer vergunningplichtig.
56.
Het bijzondere regime dat van toepassing is op de uitvoer van ‘dual-use’ goederen naar Iran was dus op basis van verordening 267/2012 strenger dan het algemene regime dat daarop van toepassing was op basis van verordening 428/2009 doordat de uitvoer in beginsel verboden was, terwijl die op basis van verordening 428/2009 vergunningplichtig was. Alleen indien de goederen waren opgenomen in bijlage I deel A bij verordening 267/2012 die betrekking heeft op de uitvoer naar Iran, was de uitvoer alsnog vergunningplichtig en niet zonder meer verboden.
57.
Ten tijde van de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, waren de A/D Converters wel opgenomen in bijlage I bij verordening 428/2009, maar niet opgenomen in bijlage I deel A bij verordening 267/2012 zodat de uitvoer daarvan naar Iran zonder meer verboden was. Dit blijkt uit de hierboven genoemde processen-verbaal waarnaar de rechtbank in haar uitspraak heeft verwezen.
58.
In Nederland is aan verordening 267/2012 uitvoering gegeven met de Sanctieregeling Iran 2012. Art. 2, eerste lid, Sanctieregeling Iran 2012 verbood ten tijde van de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, te handelen in strijd met art. 2 verordening 267/2012.25. Art. 2 verordening 267/2012 verbood destijds ‘de directe of indirecte verkoop, levering, overdracht aan of uitvoer naar Iraanse personen, entiteiten of lichamen in of voor gebruik in Iran van de in de bijlagen I of II genoemde goederen en technologieën, ongeacht of die goederen van oorsprong zijn uit de Unie.’ Bijlage I bij verordening 267/2012 omvatte toen ‘alle goederen en technologie die zijn vermeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009, als daarin gedefinieerd’.
59.
Gelet hierop heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat ‘de directe of indirecte verkoop, levering, overdracht aan of uitvoer naar Iraanse personen, entiteiten of lichamen in of voor gebruik in Iran van deze goederen op de ten laste gelegde data in 2015 verboden’ was op ‘grond van het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Verordening 267/2012’. Nadien is het toepasselijke regime echter gewijzigd.
Strafbaarheid van de uitvoer van ‘dual-use’ goederen naar Iran na de totstandkoming van het Atoomakkoord
60.
Na het sluiten van het zogenoemde Atoomakkoord,26. is een aantal aan Iran opgelegde sanctiemaatregelen opgeheven. De export naar Iran van goederen en technologie in de bijlage I bij verordening 267/2012 is sinds 19 oktober 2015 niet langer verboden. Met het schrappen van art. 2 verordening 267/2012 is het daarin neergelegde verbod vervallen.27. De aan Iran opgelegde ‘beperkende maatregelen’ op grond van deze verordening beperken zich sindsdien tot — kort gezegd — ‘nucleair gerelateerde’ goederen en technologie. Deze nucleair gerelateerde goederen en technologie zijn aangewezen in bijlagen bij de verordening waarmee verordening 267/2012 is gewijzigd en art. 2 is geschrapt. De goederen waarop de feiten betrekking hebben waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, zijn niet op deze bijlagen vermeld, hetgeen betekent dat verordening 267/2012 niet meer van toepassing is.
61.
De wijzigingen van de ‘beperkende maatregelen ten aanzien van Iran’, zijn in Nederland uitgewerkt met een wijziging van de Sanctieregeling Iran 2012 die op 21 januari 2016 in werking is getreden.28. Doordat art. 2 verordening 267/2012 is geschrapt, is het niet langer op grond van de Sanctieregeling Iran 2012 verboden goederen uit te voeren die zijn vermeld in bijlage I verordening 428/2009.
62.
Sinds 21 januari 2016 valt de uitvoer van ‘dual-use’ goederen naar Iran naar het recht van de EU en Nederland niet langer onder een bijzonder sanctieregime, maar wordt deze beheerst door het algemene regime dat van toepassing is op grond van verordening 428/2009. Om de vraag te beantwoorden of de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, strafbaar waren ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek, moet daarom worden nagegaan of de goederen nog zijn opgenomen in bijlage I verordening 428/2009. Daarvoor keer ik terug naar de beslissing van de rechtbank.
Strafbaarheid op grond van verordening 428/2009 en het Besluit strategische goederen
63.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de goederen waarop de feiten betrekking hebben waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, zijn opgenomen in bijlage I verordening 428/2009 zoals die luidde ten tijde van de feiten. De rechtbank heeft zich daarbij gebaseerd op de processen-verbaal Poss LP 01 en Poss LP 02. Beide processen-verbaal zijn gebaseerd op bijlage I verordening 428/2009 onder 3A001.a.5.a.3 (voor feit 3) en onder 3A001.a.5.a.5 (voor feit 1) zoals die luidden ten tijde van de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard.
64.
Sinds de feiten zijn begaan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, is de inhoud van 3A001.a.5.a.3 en 3A001.a.5.a.5 gewijzigd.
65.
Bijlage I verordening 428/2009 vermeldde ten tijde van de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard:
‘3A001 Elektronische onderdelen en de speciaal daarvoor ontworpen onderdelen, als hieronder:
- a.
Universele geïntegreerde schakelingen, als hieronder:
[…]
- 5.
geïntegreerde analoog/digitaal- en digitaal/analoog-omzetters, als hieronder:
- a.
analoog/digitaal-omzetters met één of meer van de volgende kenmerken:
[…]
- 1.
een scheidend vermogen van 8 bit of meer maar minder dan 10 bit, met een outputsnelheid van meer dan 500 miljoen woorden per seconde;
- 2.
een scheidend vermogen van 10 bit of meer maar minder dan 12 bit en een outputsnelheid van meer dan 200 miljoen woorden per seconde;
- 3.
een scheidend vermogen van 12 bit en een outputsnelheid van meer dan 105 miljoen woorden per seconde,
- 4.
een scheidend vermogen van meer dan 12 bit maar niet meer dan 14 bits en een outputsnelheid van meer dan 10 miljoen woorden per seconde;of
- 5.
een scheidend vermogen van meer dan 14 bit en een outputsnelheid van meer dan 2,5 miljoen woorden per seconde’.
66.
De inhoud van bijlage I verordening 428/2009 is sinds 15 december 2018 gewijzigd. Deze bijlage vermeldt sindsdien:
‘3A001 Elektronische producten, als hieronder:
- a.
universele geïntegreerde schakelingen, als hieronder:
[…]
- 5.
geïntegreerde schakelingen voor analoog-digitaalomzetters (ADC's) en digitaal-analoogomzetters
(DAC's), als hieronder:
- a.
ADC's met één of meer van de volgende eigenschappen:
[…]
- 1.
een scheidend vermogen van 8 bit of meer maar minder dan 10 bit, met een ‘bemonsteringssnelheid’ van meer dan 1,3 gigasamples per seconde (GSPS);
- 2.
een scheidend vermogen van 10 bit of meer maar minder dan 12 bit, met een ‘bemonsteringssnelheid’ van meer dan 600 megasamples per seconde (MSPS);
- 3.
een scheidend vermogen van 12 bit of meer maar minder dan 14 bit, met een ‘bemonsteringssnelheid’ van meer dan 400 megasamples per seconde (MSPS);
- 4.
een scheidend vermogen van 14 bit of meer maar minder dan 16 bit, met een [‘bemonsteringssnelheid’] van meer dan 250 megasamples per seconde (MSPS); of
- 5.
een scheidend vermogen van 16 bit of meer, met een ‘bemonsteringssnelheid’ van meer dan 65 megasamples per seconde (MSPS)’.29.
67.
De vraag is of de goederen waarop de feiten betrekking hebben waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, vallen binnen de hier gegeven specificaties die onder 3A001.a.5.a.3 niet langer betrekking hebben op ‘een scheidend vermogen van 12 bit en een outputsnelheid van meer dan 105 miljoen woorden per seconde’ maar op een ‘een scheidend vermogen van 12 bit of meer maar minder dan 14 bit, met een ‘bemonsteringssnelheid’ van meer dan 400 megasamples per seconde (MSPS)’ terwijl die onder 3A001.a.5.a.5 niet langer betrekking hebben op ‘een scheidend vermogen van meer dan 14 bit en een outputsnelheid van meer dan 2,5 miljoen woorden per seconde’ maar op ‘een scheidend vermogen van 16 bit of meer, met een ‘bemonsteringssnelheid’ van meer dan 65 megasamples per seconde (MSPS)’.
68.
De specificaties van de goederen waarop de feiten betrekking hebben waarvoor het uitleveringsverzoek toelaatbaar is verklaard, zijn van algemene bekendheid nu deze betrekkelijk eenvoudig op internet zijn te achterhalen waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is en variaties betreffen op de specificaties van de goederen die de rechtbank al had vastgesteld.30. Volgens de bij het uitleveringsverzoek overgelegde ‘Indictment’ gaat het bij feit 3 om ‘Vier geïntegreerde schakelingen van Texas Instrument, ADC12D1000CIUT/NOPB’. De nadere gegevens die door de Amerikaanse autoriteiten zijn overgelegd, ‘4× A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed’ betreffen dus een nadere aanduiding van ‘ADC12D1000CIUT/NOPB’. De specificaties daarvan zijn terug te vinden op een internetsite van fabrikant Texas Instruments.
69.
De specificaties van de ADC12D1000CIUT/NOPB c.q. 4× A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, zijn als volgt:
‘ADC12D1x00 12-Bit, 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed ADC
[…]
Configurable to Either 2.0/3.2 GSPS Interleaved or 1.0/1.6 GSPS Dual ADC’.31.
70.
Daaruit blijkt dat de ADC12D1000CIUT/NOPB ‘een scheidend vermogen van 12 bit of meer maar minder dan 14 bit’ heeft, namelijk ‘12-Bit’ en ‘een ‘bemonsteringssnelheid’ van meer dan 400 megasamples per seconde (MSPS)’ te weten hetzij 2000/3200 megasamples per seconde (‘2.0/3.2 GSPS’), hetzij 1000/1600 megasamples per seconde (‘1.0/1.6 GSPS’).
71.
Ook de specificaties van de goederen waarop feit 1 betrekking heeft, zijn van algemene bekendheid nu deze betrekkelijk eenvoudig op internet zijn te achterhalen en de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is en variaties betreffen op de specificaties van de goederen die de rechtbank al had vastgesteld.
72.
De specificaties van ‘4× A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ’ zijn terug te vinden op een internetsite van fabrikant Renesas, en houden het volgende in:
‘The ISLA216P is a family of low power, high performance 16-bit analog-to-digital converters. Designed with Intersil's proprietary FemtoCharge™ technology on a standard CMOS process, the family supports sampling rates of up to 250MSPS. The ISLA216P is part of a pin-compatible portfolio of 12 to 16-bit A/Ds with maximum sample rates ranging from 130MSPS to 500MSPS.’32.
73.
Hieruit volgt dat de goederen waarop feit 1 betrekking heeft, een scheidend vermogen van 16 bit of meer hebben (16-bit analogto-digital’) met ‘een ‘bemonsteringssnelheid’ van meer dan 65 megasamples per seconde’ te weten meer dan 130 megasamples per seconde voor de ‘13IRZ’ en meer dan 250 megasamples per seconde voor de ‘25IRZ’.
74.
Hieruit volgt dat de uitvoer van de goederen waarop de feiten betrekking hebben waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, naar Nederlands recht strafbaar is op grond van art. 2 Besluit strategische goederen en niet op grond van de Sanctieregeling Iran 2012 zoals de rechtbank veronderstelt.
75.
Voor het antwoord op de vraag of is voldaan aan de vereiste gekwalificeerde dubbele strafbaarheid, wijs ik op het volgende. De Nederlandse wettelijke grondslag voor de bevoegdheid tot het verbieden van de uitvoer in het Besluit strategische goederen berust op art. 3:1 Algemene Douanewet. De strafbepaling van het opzettelijk uitvoeren zonder vergunning is neergelegd in art. 1 onder 1o, 2, eerste lid, en 6, eerste lid onder 1o, Wet op de economische delicten (hierna: WED). Het misdrijf is daar met een gevangenisstraf van zes jaren bedreigd omdat het uitvoerverbod zonder vergunning betrekking heeft ‘op goederen die ingevolge regelingen van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt als strategische goederen.’ De uitvoer van de goederen uit Nederland zonder vergunning voldoet in de misdrijfvariant daarmee aan de vereiste gekwalificeerde dubbele strafbaarheid.33.
76.
Voor de strafbaarheid naar Nederlands recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek betekent dit dat de (poging tot) uitvoer van de goederen zonder vergunning, waarop feit 3 betrekking heeft, naar Nederlands recht strafbaar is als (poging tot) overtreding van art. 2 Besluit strategische goederen. Feit 1 is naar Nederlands recht strafbaar als deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten overtreding van art. 2 van het Besluit strategische goederen, valsheid in geschrift en oplichting zoals strafbaar gesteld bij art. 2 Besluit strategische goederen jo. art. 1, eerste lid, onder 1o WED, art. 2, eerste lid WED en art. 6, eerste lid, onder 1o WED en de art. 140, 225 en 326 Sr.
77.
De Hoge Raad kan doen wat de rechtbank had behoren te doen en de toepasselijke wetsbepalingen verbeterd lezen in die zin dat de uitspraak berust op art. 2 Besluit strategische goederen in verband met art. 1, eerste lid onder 1o, WED, art. 2, eerste lid WED en art. 6, eerste lid, onder 1o WED en de art. 45, 140, 225 en 326 Sr. 34. Anders dan de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard,35. is het niet nodig de uitspraak op dit onderdeel uitdrukkelijk te vernietigen omdat met de in art. 28, derde lid, Uitleveringswet vereiste vermelding van de toepasselijke wetsbepalingen ‘uitsluitend de toepasselijke Nederlandse wetsbepalingen’ zijn bedoeld,36. die niet van belang zijn voor het verdere verloop van de zaak in de verzoekende staat.
78.
Het derde middel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het beroep op wat wordt aangeduid als de ‘politieke exceptie’. De klachten houden in dat de rechtbank ‘ten onrechte althans onbegrijpelijk de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard terwijl de politieke exceptie zich tegen toelaatbaarverklaring verzet’ althans dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het beroep op de politieke exceptie ‘onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd’ is.
79.
De rechtbank heeft het beroep dat is gedaan op wat is aangeduid als de ‘politieke exceptie’ als volgt samengevat en verworpen:
‘9.1. Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de overtreding van de sanctiewetgeving van de Verenigde Staten in dit geval moet worden beschouwd als politiek delict, waarvoor uitlevering op grond van artikel 11 van de Uitleveringswet niet is toegestaan. Het gaat om wetgeving die beoogt een politieke omwenteling te veroorzaken in Iran. De oplopende spanningen tussen de Verenigde Staten en Iran kunnen de risico's voor de opgeëiste persoon doen vergroten. Onder meer zijn ernstige problemen met het recht op een eerlijk proces te verwachten. Het wordt bovendien uit de ontwikkelingen steeds duidelijker dat de keuze van Amerikaanse president om de sanctieregelgeving weer ten volle toe te passen een volledig politieke stap was, die beoogt Iran via zijn onderdanen te raken. Van de opgeëiste persoon als Iraniër mag niet worden verwacht dat hij handelt naar de wetgeving die tegen Iran is gericht.
9.2. Beoordeling
De politieke exceptie kan worden ingeroepen in geval van regelgeving waar de aangezochte staat niet achter staat dan wel regelgeving die in strijd is met het rechtssysteem van de aangezochte staat respectievelijk dat gevreesd kan worden dat geen sprake zal zijn van een eerlijk proces. Hiervan is geen sprake. De omstandigheid dat er spanningen zijn tussen de Verenigde Staten en Iran maakt niet dat de feiten, waarvoor de dubbele strafbaarheid is vastgesteld, achteraf als politieke delict kunnen worden aangemerkt. Verder mag naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden verwacht dat in de Verenigde Staten sprake zal zijn van een eerlijk proces. Zoals de raadsvrouw ter zitting zelf ook nadrukkelijk heeft opgemerkt, staan de procedure en de waarborgen hiervan in de Verenigde Staten bovendien niet ter beoordeling van de rechtbank, maar van de minister.’
80.
Het beroep dat ter zitting was gedaan op de ‘politieke exceptie’ bestond kort gezegd uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft het argument dat — zoals dat in de schriftuur wordt samengevat — de toepassing van de Amerikaanse sanctiemaatregelen tegen Iran op een Iraans onderdaan geacht moet worden een politiek delict op te leveren. Het tweede onderdeel betreft het argument dat de opgeëiste persoon in de V.S. geen eerlijk proces zou krijgen omdat hij daar wordt vervolgd wegens politieke feiten, te weten het overtreden van de genoemde Amerikaans sanctiemaatregelen. Hiermee is een beroep gedaan op een dreigende schending van het in art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR gegarandeerde recht op een eerlijk proces. In cassatie is dit tweede onderdeel van het beroep op de ‘politieke exceptie’ niet meer aan de orde. In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat dit beroep niet ter beoordeling staat van de uitleveringsrechter maar van de Minister van Justitie en Veiligheid.37.
81.
In cassatie wordt aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het beroep op art. 4 Uitleveringsverdrag.38. De rechtbank zou de toepassing ten onrechte afhankelijk hebben gemaakt van een oordeel over de juistheid of wenselijkheid van de regelgeving.
82.
Voor zover de overweging van de rechtbank erop neerkomt dat de ‘politieke aard’ van het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht alleen met succes ‘kan worden ingeroepen in geval van regelgeving waar de aangezochte staat niet achter staat dan wel regelgeving die in strijd is met het rechtssysteem van de aangezochte staat’ geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is de klacht gegrond.
83.
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat zou resulteren in de Uitleveringswet houdt met betrekking tot art. 11 Uitleveringswet, het volgende in:
‘Strafbare feiten van politieke aard in de zin van dit artikel zijn, behoudens de uitzondering voor de aanslag op een staatshoofd:
- 1o.
delicten, die ingevolge hun wettelijke omschrijving steeds — dus onafhankelijk van de omstandigheden van het geval — als zodanig zijn aan te merken (de staatkundige delicten in engere zin);
- 2 o.
delicten, die in concreto zijn gericht op het teweegbrengen van veranderingen in het politieke bestel;
- 3o.
delicten, begaan ten einde een feit als onder 1o en 2o bedoeld mogelijk te maken, dan wel aan vervolging deswege, of aan discriminatoire vervolging, te ontkomen.
Bij de onder 2o bedoelde delicten komt het op de (objectieve) strekking van het begane feit aan en niet op de subjectieve) beweegredenen van de dader. Zo is een geval van mishandeling niet als een delict van politieke aard in de zin van het ontwerp te beschouwen, op de enkele grond, dat het feit is begaan uit afkeer van de staatkundige overtuiging of activiteit van het slachtoffer.’39.
84.
Hieruit volgt dat sommige feiten van politieke aard kunnen zijn, ook als deze naar Nederlands recht strafbaar zijn, zoals de genoemde staatkundige delicten. De kwalificatie van de feiten naar Nederlands recht als staatskundige delicten kan juist een aanwijzing vormen voor de politieke aard van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht.40.
85.
Tot cassatie behoeft de verkeerde maatstaf die de rechtbank heeft aangelegd bij de beoordeling van het beroep op de weigeringsgrond wegens de politieke aard van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, echter niet te leiden omdat de rechtbank het verweer slechts had kunnen verwerpen.
86.
Aan het beroep op de politieke aard van de feiten is hoofdzakelijk ten grondslag gelegd dat ‘de toepassing van sanctieregelgeving die beoogt een politieke omwenteling te veroorzaken in het land waar de opgeëiste persoon onderdaan van is, een politiek delict is’ (ik citeer uit de ter zitting van 18 juni 2019 overgelegde pleitnota onder 27). Aan het beroep op de politieke aard van de feiten is verder ten grondslag gelegd dat de Amerikaanse sanctiewetgeving van de opgeëiste persoon als Iraniër verlangt dat hij in Iran de Amerikaanse politiek volgt door zich aan de Amerikaanse sanctiewetgeving te houden. Daarmee is aangevoerd dat de feiten een absoluut en/of een relatief politiek delict opleveren. Ter verduidelijking geef ik hierna de belangrijkste argumenten weer die op de zittingen van de rechtbank ten grondslag zijn gelegd aan het beroep op art. 4 Uitleveringsverdrag en art. 11 Uitleveringswet.
87.
Ter zitting van 16 januari 2019 is aangevoerd dat overtreding van de Amerikaanse sanctiewetgeving gelijk moet worden gesteld met de zogenoemde staatkundige delicten die een absoluut politiek delict opleveren. De pleitnota houdt onder 35 en 40 het volgende in:
‘Er lijkt [bij de ‘discussie over politieke delicten’, DP] nooit rekening te zijn gehouden met de hier relevante situatie, waarbij het de wetgeving zelf is die beoogt een politieke omwenteling te veroorzaken, en waarmee het opvolgen of niet-opvolgen van de wetgeving dus per definitie bijdraagt aan een politiek doel.’
‘Mijns inziens zou sprake moeten zijn van een absoluut delict, nu het delict altijd direct verweven is met het teweegbrengen van veranderingen in een politiek bestel. Dit volgt reeds uit de aard van het delict, ongeacht de intentie van de dader.’
88.
Aangevoerd is verder dat voor de opgeëiste persoon het naleven van de Amerikaanse sanctiewetgeving in Iran een relatief politiek delict oplevert. De pleitnota die ter zitting van 16 januari 2019 is overgelegd houdt hierover onder 36 en 45 het volgende in:
‘Amerika wenst met zijn sanctiemaatregelen direct invloed uit te oefenen op de binnenlandse politiek van Iran. Door personen ook daadwerkelijk te vervolgen voor overtreding van die Sanctiemaatregelen wordt dit politieke middel effectief gemaakt. Nederland en de EU willen — minstgenomen- neutraal blijven in die strijd tussen Amerika en Iran. De neutraliteitsgedachte brengt dan mee dat het meewerken aan de naleving van buitenlandse sanctiebepalingen een onwenselijke en ongeoorloofde inmenging is in de politieke strijd tussen een tweetal andere landen.’
‘Als gezegd: van een Amerikaan mag verwacht worden de politiek van zijn vaderland te volgen. Idem dito mag van een Nederlands bedrijf verwacht worden zich aan Duitse sancties tegen Iran te houden als hij besluit zich met al die landen te gaan bemoeien. Maar nu net van een Iraniër kan dit niet verwacht worden; hij kan zich beroepen op de absolute exceptie. In ieder geval is het in deze concrete omstandigheden een relatief politiek delict, naar objectieve maatstaven bezien.’
89.
Ter zitting van 18 juni 2019 heeft de raadsvrouw voorts het volgende aangevoerd:
‘Wanneer wetgeving is gericht tegen een land, dan mag je van de inwoners van dat land niet verwachten dat zij naar die wetgeving handelen. Van de opgeëiste persoon als Iraniër mag dus niet worden verwacht dat hij handelt naar de wetgeving die tegen Iran is gericht.’
90.
Ter nadere onderbouwing van het beroep op de politieke aard van de feiten en de bepleite uitleg van wat als absoluut of relatief politieke delict moet worden aangemerkt, is een beroep gedaan op met name Swart die het volgende schreef:
‘Opvattingen over het politieke delict in het uitleveringsrecht, variëren haast van staat tot staat, veranderen dikwijls met de tijd en worden bepaald door uiteenlopende factoren en toevalligheden.’41.
91.
Ik voeg daar het volgende citaat van Swart aan toe:
‘De uiteenlopende appreciaties van het uitleveringsverbod hebben veel te maken met verschillen in accent op de mogelijke rechtvaardigingen ervan, maar ook met algemenere tegenstellingen waar het gaat om de betekenis van politieke conflicten in westerse en in andere landen, om de waardering van geweld als middel tot het bereiken van politieke doeleinden, om visies op de maatschappij en de rol van het recht daarin.’42.
92.
Ter algemene onderbouwing van het beroep op de politieke aard van de feiten heeft de raadsvrouw gewezen op de drie ‘rechtvaardigingen’ waarop Swart heeft gewezen.43. Ten eerste is dat ‘de wil zich afzijdig te houden van politieke conflicten in het buitenland’ (‘neutraliteitsgedachte’). Ten tweede is dat de ‘gedachte dat bepaalde daden van verzet geen afkeuring maar eerder waardering verdienen’.44. De derde ‘bestaansreden’ voor de exceptie van het politieke delict heeft te maken met ‘het besef dat de tegenstanders van een bepaald regime niet altijd zullen kunnen rekenen op een eerlijk en onpartijdig proces in de verzoekende staat en dat zij ook buiten dit proces aan represaillemaatregelen bloot zullen kunnen staan.’45.
93.
Wat betreft de laatstgenoemde bestaansreden merk ik op dat die in de Nederlandse regeling is uitgewerkt in art. 10, eerste lid, Uitleveringswet waarin staat dat de uitlevering niet wordt ‘toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van Onze Minister een gegrond vermoeden bestaat, dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze getroffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort.’46. Ter zitting van 18 juni 2019 is aangevoerd dat de ‘vervolging van Iraniërs voor het overtreden van deze sanctieregelgevingen moet […] worden beschouwd als een politiek delict’. Maar ter zitting van 16 januari 2019 heeft de verdediging uitdrukkelijk aangegeven dat geen beroep wordt gedaan op de weigeringsgrond als bedoeld in art. 10, eerste lid, Uitleveringswet. De beoordeling van een beroep op art. 10, eerste lid, Uitleveringswet komt niet toe aan de uitleveringsrechter47. zodat de derde bestaansreden van de exceptie van het politieke delict, verder geen rol speelt bij de beoordeling van het beroep dat is gedaan op de politieke aard van de feiten waarop art. 11 Uitleveringswet betrekking heeft en ook de weigeringsgrond in art. 4 Uitleveringsverdrag voor zover deze inhoudt dat uitlevering niet wordt toegestaan ‘wanneer het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht volgens de aangezochte Staat van politieke aard is of samenhangt met een strafbaar feit van politieke aard’.
94.
Het verweer dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, moeten worden aangemerkt als een absoluut politiek delict, faalt. Overtredingen van sanctiewetgeving zijn geen staatkundige delicten en zijn evenmin om andere redenen gericht tegen de staat of het politieke bestel van de V.S. Swart omschrijft absoluut politieke delicten als ‘de strafbare feiten die zich uitsluitend richten tegen de staat, die uitsluitend de staat in zijn veiligheid of functioneren bedreigen’.48. Remmelink omschrijft het absoluut politieke delict als ‘het regelrecht op de staatsmacht gerichte feit’.49.
95.
Het verweer dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht moeten worden aangemerkt als een relatief politiek delict, faalt eveneens. Daarvoor is vereist dat de feiten gezien de omstandigheden waaronder zij worden begaan een overwegend politiek karakter hebben. Bij dat overwegend politieke karakter, gaat het om ‘de redelijke voorstelling van de dader’,50. dus om het perspectief van de opgeëiste persoon, niet om het politieke karakter van de wetgeving die hij zou hebben overtreden.51. Het ‘politieke motief’ van de opgeëiste persoon is ‘onontbeerlijk’, zo schreef Swart.52.
96.
De twee resterende bestaansredenen voor het bestaan van de politieke delict exceptie maken ook duidelijk dat de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, niet van politieke aard zijn. De Nederlandse overheid heeft net als de V.S. ervoor gekozen de uitvoer van zogenoemde ‘dual-use’ goederen door middel van vergunningen te reguleren en deze aanpak ook met betrekking tot de uitvoer aan Iran onderschreven. De regulering berust op afspraken die in multilaterale gremia zijn gemaakt waaraan Nederland en de V.S. deelnemen. Dit wijst erop dat Nederland zich niet ‘afzijdig’ wenst te houden. De feiten betreffen bovendien geen ‘daden van verzet’ die ‘waardering verdienen’ althans niet van Nederland. Nederland onderschrijft immers de Amerikaanse sanctiemaatregelen die de opgeëiste persoon zou hebben overtreden.
97.
Hieraan voeg ik toe dat het beroep dat is gedaan op de politieke aard van de feiten berust op het gegeven dat de opgeëiste persoon sanctiewetgeving heeft overtreden die specifiek betrekking heeft op de uitvoer naar Iran. Ook om die reden faalt het verweer. De opgeëiste persoon heeft eerst en vooral voorschriften overtreden die betrekking hebben op de uitvoer van zogenoemde ‘dual-use’ goederen. De feiten ter zake waarvan zijn uitlevering toelaatbaar is verklaard, zijn op grond van die voorschriften zonder meer strafbaar omdat hij deze goederen zonder vergunning heeft uitgevoerd. Het feit dat deze uitvoer naar Iran ook enkele jaren viel onder het toepassingsbereik van aanvullende sanctiemaatregelen die daar specifiek betrekking hebben, maakt de grondslag van de vergunningplichtige uitvoer nog niet tot een politieke.
98.
Ook het argument dat de opgeëiste persoon door de Amerikaanse sanctiemaatregelen verplicht zou zijn zich in eigen land aan de Amerikaanse wet te houden die is gericht tegen Iran, maakt de feiten niet van politieke aard. De opgeëiste persoon mag inderdaad geen goederen uit het buitenland naar Iran invoeren. De opgeëiste persoon wordt echter niet gedwongen in Iran iets te doen wat hij naar Iraans recht zou moeten doen of daar strafbaar is. Dat is tenminste niet aangevoerd. Niet is aangevoerd en het is ook alleszins niet aannemelijk dat hij naar Iraans recht verplicht is goederen in te voeren die onder de Amerikaanse sanctiewetgeving valt. De sanctiemaatregelen leiden er slechts toe dat de opgeëiste persoon vanuit de V.S. bepaalde ‘dual-use’ goederen niet mag uitvoeren en dat vormt geen inmenging in de binnenlandse aangelegen van Iran, zoals ter zitting is aangevoerd.
99.
Het middel faalt in alle onderdelen.
100.
Het vierde middel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het beroep dat is gedaan op de toepasselijkheid van het zogenoemde ‘Blocking Statute’. In dit verband wordt verzocht een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
101.
Het Blocking Statute betreft Verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen.53. De Nederlandse wet waarmee uitvoering is gegeven aan deze verordening, duidt deze aan als antiboycotverordening.54. In het vervolg gebruik ik deze aanduiding van de verordening.
102.
Aanvankelijk richtte de antiboycotverordening zich op Amerikaanse sancties die betrekking hebben op het door de V.S. tegen Cuba ingestelde economisch en financieel embargo, het doen van investeringen in Iran en Libië die rechtstreeks of significant bijdragen tot het vergroten van het vermogen van Iran en Libië om hun aardoliepotentieel te ontwikkelen en het naleven van het door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ingestelde embargo tegen Libië.55. Nadat de V.S. zich uit het Atoomakkoord hadden teruggetrokken, is de antiboycotverordening sinds 8 augustus 2018 ook gericht op Amerikaanse sancties die betrekking hebben op Iran en zich niet beperken tot de ontwikkeling van zijn aardoliepotentieel.56. Ik kom hierop terug.
103.
Ter zitting is aangevoerd dat de opgeëiste persoon onder het toepassingsbereik van de verordening valt. De ter zitting van 16 januari 2019 overgelegde pleitnota houdt het volgende in:
‘In de aanvullende brief die ik de Europese Commissie heb gestuurd en u ook heb verstrekt, heb ik nogmaals nader uiteengezet dat cliënt ex art. 11 lid 5 van deze Verordening de bescherming van artikel 4 toekomt, nu hij een bedrijf in Nederland had opgericht en in de Nederlandse rechtsmacht was gekomen terwijl hij beroepshalve optrad. Het zou ook tegen de geest van het blocking statute ingaan als de Iraanse klanten van de Europese bedrijven niet beschermd zouden worden terwijl zij in Europa zijn.’
104.
Ter zitting heeft de raadsvrouw het beroep op de verordening nader onderbouwd wat als volgt in het proces-verbaal is weergegeven:
‘De officier van justitie heeft aangevoerd dat de Blocking Statute alleen is opgesteld ter bescherming van Europese bedrijven en ingezetenen die onder andere investeren in het aardoliepotentieel van Iran en Libië (de Shell's van deze wereld). Ik zie dat echter anders.
De gedachte was dat het niet de bedoeling was dat een Amerikaan naar Europa komt en dan een beroep doet op de Blocking Statute. Ook is het niet de bedoeling dat een Amerikaans bedrijf daar een beroep op kan doen. Dit is anders als het gaat om een Amerikaans bedrijf dat ook handel drijft in Europa. Die valt wel onder de bescherming van deze verordening.
Ik meen dat mijn cliënt onder artikel 11 lid 5 van deze verordening valt en dat hem dus ook de bescherming van artikel 4 van deze verordening toekomt en hij daarom niet mag worden uitgeleverd. Mijn cliënt is een natuurlijk persoon. Hij verricht activiteiten in de Europese rechtssfeer. Dat blijkt ook uit het uitleveringsverzoek, waarin onder andere wordt gesproken over activiteiten in Engeland. Die activiteiten verricht hij vanuit een professionele hoedanigheid. Hij heeft projecten in Europa, die hij juist vanuit de Europese Unie heeft opgezet voor de handel met Iran. Hij was ook hier in Nederland voor een zakelijke bijeenkomst in de RAI in Amsterdam.
Het is niet zo dat als sprake is van dubbele strafbaarheid de Blocking Statute niet van toepassing is. Het was juist de bedoeling van de Europese Unie om te voorkomen dat Amerika invloed heeft op wat er in de Europese Unie gebeurt. Het gaat er dus om dat de lidstaten van de Europese Unie Amerika niet gaan helpen om de sanctieregeling hier ten uitvoer te leggen, ongeacht of het gaat om feiten die ook in de Europese Unie strafbaar zijn. Het gaat hier om de wetten die in de Blocking Statute zijn genoemd. Die wetten als zodanig kunnen niet in de Europese Unie ten uitvoer worden gelegd.
Ik twijfel niet over de verhouding tussen de dubbele strafbaarheid en de bescherming van de Blocking Statute, maar ik kan het mij wel voorstellen als de rechtbank daar wel over twijfelt. Ik heb daarom subsidiair verzocht om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie.
De Blocking Statute geldt ook voor feiten die zijn gepleegd in Amerika.’
105.
De rechtbank heeft het beroep op de antiboycotverordening verworpen en daarbij het volgende overwogen:
‘Het ‘blocking statute’ betreft een antiboycotverordening, die is opgesteld om aan Europese bedrijven en ingezetenen van de Europese Unie bescherming te bieden tegen de extraterritoriale werking van Amerikaanse sanctiewetgeving ten aanzien van feiten die niet binnen de Europese Unie strafbaar zijn. Het betreft daarbij Amerikaanse wetgeving die het mogelijk maakt sancties op te leggen aan eenieder, met inbegrip van personen die zich buiten het grondgebied van de Verenigde Staten bevinden, die op een of andere wijze handel drijft met Cuba of in goederen afkomstig van dit land (de zgn. Helms-Burton- wetgeving) of investeert in het aardoliepotentieel van Iran of Libië (de zgn. D'Amato-wetgeving). Deze verordening biedt geen bescherming aan personen en bedrijven die handel drijven die mogelijk bijdraagt aan de militaire capaciteiten van Iran. Dergelijke handel is immers, zoals hiervoor vermeld, ook in de Europese Unie strafbaar gesteld, namelijk in de Sanctieregeling Iran 2012. Nu is vastgesteld dat de hiervoor genoemde feiten, waaronder de uitvoer van dual-use goederen naar Iran, ook in Nederland strafbaar zijn, kan geen beroep worden gedaan op het ‘blocking statute’, nog daargelaten de vraag of de opgeëiste persoon als ingezetene in Europa kan worden aangemerkt. Het verweer wordt daarom verworpen.’
106.
Met het oog op de beoordeling van het middel geef ik eerst het relevante deel van de considerans weer en de tekst van art. 11 Verordening 2271/96.
107.
De considerans van de antiboycotverordening, Verordening 2271/96 houdt het volgende in:
‘Overwegende dat de Gemeenschap onder meer tot doel heeft bij te dragen tot de harmonische ontwikkeling van de wereldhandel en de geleidelijke afschaffing van de beperkingen in het internationale handelsverkeer;
Overwegende dat de Gemeenschap tracht de doelstelling van een niet aan bepalingen onderworpen vrij kapitaalverkeer tussen Lid-Staten en derde landen zoveel mogelijk te bereiken, met inbegrip van het wegnemen van alle beperkingen op directe investeringen — met inbegrip van investeringen in onroerende goederen -, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten;
Overwegende dat een derde land bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en andere rechtsvoorschriften heeft vastgesteld, die strekken tot regulering van de activiteiten van natuurlijke en rechtspersonen die onder de rechtsmacht van de Lid-Staten vallen;
Overwegende dat dergelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en andere rechtsvoorschriften vanwege de extraterritoriale toepassing daarvan strijdig zijn met het internationale recht en beletten dat de bovengenoemde doelstellingen worden bereikt;
Overwegende dat dergelijke wetten, met inbegrip van bestuursrechtelijke bepalingen en andere rechtsvoorschriften en de daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen, de gevestigde rechtsorde raken of vermoedelijk zullen raken en van nadelige invloed kunnen zijn op de belangen van de Gemeenschap en de belangen van natuurlijke en rechtspersonen die rechten krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap uitoefenen;
Overwegende dat het onder deze uitzonderlijke omstandigheden, om de gevestigde rechtsorde, de belangen van de Gemeenschap en de belangen van de genoemde natuurlijke en rechtspersonen te beschermen, noodzakelijk is op Gemeenschapsniveau maatregelen te nemen, inzonderheid om de gevolgen van de betrokken buitenlandse wetgeving weg te nemen, te neutraliseren, te blokkeren of anderszins tegen te gaan’.
108.
Art. 11 Verordening 2271/96 luidt als volgt:
‘Deze verordening is van toepassing op:
- 1.
natuurlijke personen die ingezetenen van de Gemeenschap en onderdaan van een Lid-Staat zijn,
- 2.
rechtspersonen die zijn opgericht in de Gemeenschap,
- 3.
in artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 4055/86 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen,
- 4.
andere natuurlijke personen die ingezetenen van de Gemeenschap zijn, tenzij die personen zich bevinden in het land waarvan zij onderdaan zijn,
- 5.
andere natuurlijke personen in de Gemeenschap, met inbegrip van haar territoriale wateren en haar luchtruim en op vaartuigen en in luchtvaartuigen die onder de rechtsmacht of controle van een Lid-Staat vallen, en die beroepshalve optreden.’
109.
Voor de beoordeling van het middel zijn twee vragen van belang. De eerste is of de antiboycotverordening van toepassing is op de Amerikaanse sanctiemaatregelen. De tweede vraag is of de antiboycotverordening van toepassing is op de opgeëiste persoon. Ik begin met de tweede vraag.
110.
Aangevoerd is dat art. 11, vijfde lid, verordening 2271/96 op de opgeëiste persoon van toepassing is omdat hij een natuurlijk persoon is die activiteiten vanuit een professionele hoedanigheid verrichtte in de Europese rechtssfeer, een bedrijf in Nederland had opgericht, e n voor een zakelijke bijeenkomst naar Nederland was gekomen.
111.
De maatstaf voor de toepassing van verordening 2271/96 op basis van art. 11, vijfde lid, waarop een beroep is gedaan, is dat een natuurlijke persoon beroepsmatig handelt in het territoir van de EU. Niet is aangevoerd, en uit de stukken kan dit ook geenszins blijken, dat de feiten waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar zijn verklaard, door de opgeëiste persoon beroepshalve in de EU zijn begaan. Alleen al om deze reden faalt het beroep op verordening 2271/96.
112.
In zoverre wijs ik ten overvloede op de onderbouwing van het beroep op art. 11, vijfde lid, verordening 2271/96 met het argument dat de opgeëiste persoon ‘een bedrijf in Nederland had opgericht’, dat ter zitting van 16 januari 2019 naar voren is gebracht. Bij de stukken bevindt zich een uittreksel van de Kamer van Koophandel dat als bijlage 1.4 is gevoegd bij een brief van 8 januari 2019 van de raadsvrouw aan de voorzitter van de rechtbank. Het uittreksel is gedateerd 18 september 2018 en houdt in dat een besloten vennootschap met als statutaire naam ‘Delft InterTech B.V.’ op 31 mei 2018 is opgericht en op 7 juni 2018 is ingeschreven met een geplaatst kapitaal van € 1.000. Als een van de bestuurders is de opgeëiste persoon vermeld die sinds 31 mei 2018 als zodanig in functie is. De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zouden zijn begaan in een periode van november 2011 tot en met september 2018. De ‘dual-use’ goederen waarop de feiten betrekking hebben, zijn op 15 december 2015 in beslag genomen. Hieruit kan ik niet opmaken dat het oprichten van de B.V. enig verband houdt met de (poging tot) uitvoer van de goederen uit de V.S. naar Iran waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, wat overigens ook niet is aangevoerd.
113.
Ten overvloede ga ik in op de hierboven eerstgenoemde vraag of de antiboycotverordening van toepassing is op de Amerikaanse sanctiewetgeving. Uit de considerans van verordening 2271/96 blijkt dat deze betrekking heeft op ‘rechtsvoorschriften [die] vanwege de extraterritoriale toepassing daarvan strijdig zijn met het internationale recht en beletten dat de bovengenoemde doelstellingen worden bereikt’ waarmee onder meer wordt verwezen naar het doel ‘bij te dragen tot de harmonische ontwikkeling van de wereldhandel en de geleidelijke afschaffing van de beperkingen in het internationale handelsverkeer’ en de doelstelling ‘van een niet aan bepalingen onderworpen vrij kapitaalverkeer tussen Lid-Staten en derde landen’. De uitvoer van de ‘dual-use’ goederen waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, wordt gereguleerd door verordening 428/2009, die tot stand is gekomen na de antiboycotverordening (verordening 2271/96). Met verordening 428/2009 hebben de toenmalige Europese Gemeenschappen, waarvan de Europese Unie de rechtsopvolger is, rechtsvoorschriften vastgesteld die zelf ‘beperkingen in het internationale handelsverkeer’ inhouden. De kern van die rechtsvoorschriften komt overeen met de kern van rechtsvoorschriften van de verzoekende staat voor zover die betrekking hebben op de goederen waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar is verklaard. Op grond van deze rechtsvoorschriften is de uitvoer van de betreffende ‘dual-use’ goederen zowel vanuit de EU als vanuit de V.S. vergunningplichtig.57. Op grond van verordening 267/2012 was de uitvoer vanuit de EU naar Iran zelfs enkele jaren geheel verboden. De rechtsvoorschriften van de EU en de verzoekende staat komen dus naar de kern inhoudelijk overeen met betrekking tot de goederen waarop de feiten betrekking hebben waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard. De rechtsvoorschriften van de verzoekende staat kunnen daarom voor wat betreft de uitvoer naar Iran niet ‘strijdig zijn met het internationale recht’ en evenmin ‘beletten’ dat de doelstellingen wordt belemmerd die de EU aan verordening 2271/1996 ten grondslag heeft gelegd zoals die blijken uit de considerans. Ik ga er tenminste vanuit dat de EU geen rechtsvoorschriften afkondigt die naar haar eigen oordeel strijdig zijn met het internationale recht of de door haarzelf gestelde doelstellingen. Op basis van de strekking van de antiboycotverordening, houd ik het ervoor dat deze niet van toepassing is op Amerikaanse sanctiemaatregelen die overeenkomen met sanctiemaatregelen die de EU heeft afgekondigd.
114.
Wel wijs ik op een tegenstrijdigheid tussen de strekking van de antiboycotverordening, zoals die blijkt uit de considerans, en de letter ervan. Naar de letter heeft de antiboycotverordening betrekking op alle Amerikaanse sancties die berusten op de Amerikaanse wetgeving die in de bijlage van de antiboycotverordening worden genoemd. Onder die Amerikaanse wetgeving is ook wetgeving waarmee uitvoering wordt gegeven aan sancties waarover in internationaal verband overeenstemming is bereikt. In het bijzonder kan worden gewezen op sancties die berusten op resoluties van de VN-Veiligheidsraad en waren afgekondigd tegen Libië in verband met ‘the failure by the Libyan Government to demonstrate by concrete actions its renunciation of terrorism’. Op de betreffende resoluties wordt gewezen in de bijlage van de antiboycotverordening. De tegenstrijdigheid houdt in dat degenen op wie de antiboycotverordening van toepassing is aan de ene kant niet mogen meewerken aan de tenuitvoerlegging van Amerikaanse sancties waarmee uitvoering wordt gegeven aan resoluties van de VN-Veiligheidsraad, terwijl zij op basis van diezelfde resoluties van de VN-Veiligheidsraad de daarin vastgestelde sancties moeten naleven. Deze tegenstrijdigheid komt ook naar voren in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat resulteerde in de Wet uitvoering antiboycotverordening. Met betrekking tot de door de V.S. aan Libië opgelegde sancties houdt de memorie van toelichting het volgende in:
‘In de annex bij de verordening zijn bij de vaststelling daarvan drie sanctieregelingen van de Verenigde Staten ten aanzien van Cuba opgenomen, op grond waarvan sancties kunnen worden opgelegd aan eenieder, met inbegrip van personen die zich buiten het grondgebied van de Verenigde Staten bevinden, die:
[…]
het door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ingestelde embargo tegen Libië niet naleeft (voor de goede orde zij opgemerkt dat Nederlandse ingezetenen gehouden zijn om het VN-embargo na te leven voorzover overtreding daarvan strafbaar is gesteld op basis van de Sanctiewet 1977).’
115.
Naar de letter is de antiboycotverordening van toepassing op Amerikaanse sancties die overeenkomen met sancties die ter uitvoering van internationale verplichtingen ook door Nederland zijn afgekondigd, maar naar de geest niet omdat met die Amerikaanse sancties uitvoering wordt gegeven aan internationale verplichtingen waaraan ook Nederland en de EU zich hebben gecommitteerd. Het is daarmee onduidelijk of de antiboycotverordening van toepassing op de Amerikaanse sanctiemaatregelen maar dat ten overvloede omdat het beroep op de antiboycotverordening al faalt omdat deze niet van toepassing is op de opgeëiste persoon.
116.
Voor de beoordeling van het vierde middel betekent het bovenstaande het volgende. Gelet op het bepaalde in art. 11, vijfde lid, verordening 2271/96, is de antiboycotverordening niet van toepassing op de opgeëiste persoon zodat de rechtbank het beroep op de antiboycotverordening terecht heeft verworpen, wat er ook zij van de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
117.
Gelet op hetgeen is aangevoerd ter onderbouwing van het beroep op toepasselijkheid van art. 11, vijfde lid, verordening 2271/96, en de tekst van deze bepaling, is de Hoge Raad niet gehouden zich tot het Hof van Justitie EU te wenden opdat hij zich bij wijze van prejudiciële beslissing kan uitlaten over de in cassatie opgeworpen vraag over de verhouding van de verordening 2271/96 en ‘een situatie als de onderhavige’ omdat het evident is dat de antiboycotverordening niet van toepassing is op de opgeëiste persoon.
118.
Het middel faalt in alle onderdelen.
119.
De middelen falen. Het eerste en tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
120.
Ambtshalve heb ik, naast wat ik hierboven onder randnummer 13 heb opgemerkt en het in randnummer 77 aangewezen onderdeel dat de Hoge Raad verbeterd kan lezen, geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
121.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover de rechtbank heeft verzuimd de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, genoegzaam te vermelden, de uitlevering toelaatbaarverklaring te verklaren voor feit 1, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4× A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ, en feit 3, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4 × A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, zoals deze feiten zijn uiteengezet in de ‘Indictment’ van de Grand Jury, die is uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2018 van de District Court van het District Columbia (V.S.) en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑02‑2020
De rechtbank heeft in haar uitspraak onder 2 het verzoek als volgt samengevat: ‘[feit]1. samenzwering (‘conspiracy’) aangaande (a.) het onrechtmatig (zonder vergunning) uitvoeren van Amerikaanse goederen naar Iran en (b.) het oplichten van de Verenigde Staten en het Amerikaanse ministerie van Financiën, in strijd met titel 18, United States Code, sectie 371 […] [feiten] 3–7. het opzettelijk pogen om onrechtmatig, namelijk zonder voorafgaande vergunning, goederen uit de Verenigde Staten naar Iran te (laten) uitvoeren of wederuitvoeren, in strijd met titel 50, United States Code, sectie 1705 en titel 31, Code of Federal Regulations, secties 560.203, 560.204 en 560.205; en het uitlokken van en het medeplichtig zijn aan alsmede het aanzetten tot het uitvoeren van die handeling, in strijd met titel 18, United States Code, sectie 2’.
Vgl. HR 28 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1764, NJ 2000/491 r.o. 6.3.
Zie de bespreking van de vierde deelklacht van het tweede middel in randnummers 40–42.
Vgl. HR 25 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1037 waarbij in rubriek 1 de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar was verklaard (ambtshalve) verbeterd werden gelezen, en HR 23 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:671 waar de HR ambtshalve in het dictum deed wat de rechtbank had behoren te doen.
Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, Den Haag 24 juni 1980, Trb. 1980, 111, zoals gewijzigd met het Verdrag bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie, ondertekend te Washington op 25 juni 2003, inzake de toepassing van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend te 's‑Gravenhage op 24 juni 1980, Trb. 2004, 299.
Zie de hierboven in randnummer 18 weergegeven overweging 5.3.
HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4110 r.o. 3.1.3.
HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6949, NJ 2013/62 m.nt. A.H. Klip, r.o. 3.6.
De voetnoten zijn weggelaten.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4255, NJ 2004/522 r.o. 3.8 en 3.9.
Fokkens, Hofstee & Machielse, Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 140 Sr, aant. 2 (J.W. Fokkens, actueel t/m 15 september 2019) onder verwijzing naar HR 13 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:NJ 1988/425.
De ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek overgelegde versie van Title 18 United States Code Section 371 luidt als volgt: ‘If two or more persons conspire either to commit any offense against the United States, or to defraud the United States, or any agency thereof in any manner or for any /purpose, and one or more, of such persons do any act to effect the object of the conspiracy, each shall be fined under this title or imprisoned not more than five years, or both.’
Vgl. HR 8 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0642, NJ 1988/667 r.o. 4.3.
Vgl. HR 3 mei 1993, DD 94.328 r.o. 5.4 ‘Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat er bij en door het gebruik van genoemde decoders sprake is geweest van bewegen tot afgifte in de zin van art. 326 Sr.’
HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH8601 r.o. 3.4.2 waarnaar wordt verwezen in Dijkstra/Ouwerkerk & Verrest, T&C Internationaal strafrecht 2019, art. 5, aant. 4a. HR 28 juni 1977, ECLI:NL:HR:1978:AC6013, NJ 1978/438 ‘dat de vereiste strafbaarheid krachtens de wetten van de aangezochte partij moet worden beoordeeld naar de wetten van die partij zoals deze gelden ten tijde van de uitspraak van de rechter betreffende de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering’.
Voor de uitlevering ter zake van feiten waarvan de strafbaarheid naar hun aard een tijdelijk karakter hebben, zoals sanctiemaatregelen, zou betoogd kunnen worden dat de uitlevering ook toelaatbaar zou moeten zijn indien de betreffende sanctiemaatregel inmiddels is ingetrokken. In de regel geeft het intrekken van een sanctiemaatregel geen blijk van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van het feit (vgl. Van Elst, T&C Internationaal strafrecht 2018, Sanctiewet 1977, Inleidende opmerkingen, aant. 4). Sanctiemaatregelen kunnen bijvoorbeeld worden ingetrokken als het doel is bereikt. Daarmee is echter niet gezegd dat niet langer strafrechtelijk zou kunnen of mogen worden opgetreden tegen overtreding van de sanctiemaatregelen in de periode dat die nog van kracht waren. Door de uitlevering toe te staan terwijl de overtreden sanctiemaatregelen inmiddels zijn ingetrokken, zou Nederland ook niet meewerken aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn of waarbij een strafsanctie misplaatst wordt geacht, wat de ratio is voor de vereiste strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht op het moment van de beslissing op het uitleveringsverzoek (vgl. HR 16 januari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB4979, NJ 1973/281). Dit kan hier verder onbesproken blijven omdat, zoals zal blijken, de feiten nog steeds strafbaar waren ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek en de strafbaarheid ook berust op een meer permanente regulering van zogenoemde ‘dual-use’ goederen.
PbEU L 134 van 29 mei 2009, p. 1 e.v.
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2199 van de Commissie van 17 oktober 2019 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik, PbEU L 338 van 30 december 2019, p. 1 e.v.
Stb. 2009, 359.
Art. 2 Besluit strategische goederen luidt sinds 27 augustus 2009 als volgt: ‘Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 3, eerste lid, 4, eerste tot en met vierde lid, 6, eerste en tweede lid, 20, eerste en derde lid, en 22, eerste, achtste en tiende lid, van verordening 428/2009, voor zover het goederen betreft.’
PbEU L 134 van 29 mei 2009, p. 1 e.v.
Sanctieregeling Iran 2007, Stcrt. 2007, 202, p. 6 onder verwijzing naar Verordening (EG) nr.
Voluit is het: Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010, PbEU L 88 van 24 maart 2012, p. 1 e.v.
Art. 2 lid 1 Sanctieregeling Iran 2012, Stcrt. 2012, 8001: ‘Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid […] van Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van de Europese Unie van 23 maart 2012 (Pb L 88).’ De wijziging van art. 2 lid 1 bij Stcrt. 2013, 2677 veranderde hieraan niets.
Joint Comprehensive Plan of Action, Wenen 14 juli 2015, Resolutie S/2015/244 VN Veiligheidsraad.
Art. 1 aanhef en onder 2 Verordening (EU) 2015/1861 van de Raad van 18 oktober 2015 tot wijziging van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran, PbEU L 274 van 18 oktober 2015, p. 1 e.v., i.w.tr. 19 oktober 2015 (art. 2): ‘Verordening (EU) nr. 267/2012 wordt als volgt gewijzigd: […] 2) De artikelen 2, 3 en 4 worden geschrapt.’
Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 januari 2016, nr. MinBuza-2016.31171, tot wijziging van de Sanctieregeling Iran 2012 in verband met de uitvoering van het Joint Comprehensive Plan of Action, Stcrt. 2016, 3007; i.w.tr. 21 januari 2016 (art. II).
Gedelegeerde Verordeninng (EU) 2018/922 van de Commissie van 10 oktober 2018 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik, PbEU L 319 van 14 december 2018, p. 1 e.v. op p. 105. De op 31 december 2019 in werking getreden gewijzigde lijst, is op dit onderdeel niet gewijzigd, waarbij ik ervan uitga dat in de Gedelegeerde Verordening 2018/922 onder 5.a.3 per abuis het achterhaalde begrip ‘outputsnelheid’ is opgenomen, wat vervolgens is hersteld met het begrip ‘bemonsteringssnelheid’ zoals dat ook al werd gebruikt onder 5.a.1, 2, 4 en 5. Zie Gedelegeerde Verordeninng (EU) 2019/2199 van de Commissie van 17 oktober 2019 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik, PbEU L 338 van 30 december 2019, p. 1 e.v. op p. 105–106.
Vgl. HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, NJ 2016/249 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.4. Bij het gebruikmaken van de op internet achterhaalde specificaties, neem ik ook in aanmerking dat ik de vraag of de feiten ten tijde van de beslissing op de uitlevering naar Nederlands recht strafbaar zijn ambtshalve beantwoord en in cassatie niet wordt geklaagd dat de goederen niet vallen onder het regime van hetzij de ‘dual-use’ verordening hetzij de verordening inzake de Iran-sancties.
Zie de ‘datasheet for ADC12D1000CIUT/NOPB’ geraadpleegd op
Het niet-opzettelijk uitvoeren zonder vergunning vormt een overtreding en is bedreigd met hechtenis van ten hoogste een jaar. De overtredingsvariant zou daardoor niet voldoen aan de vereiste gekwalificeerde dubbele strafbaarheid nu in het toepasselijke uitleveringsverdrag is bepaald dat uitlevering wordt toegestaan voor feiten waarop ‘een vrijheidsstraf van meer dan een jaar is gesteld’. Zie art. 2 lid 2 aanhef en onder a Uitleveringsverdrag.
Vgl. HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL3327, NJ 2004/86 r.o. 3.2 ‘Art. 28, derde lid, UW schrijft niet voor dat ingeval van toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering in de bestreden uitspraak de kwalificaties van de feiten naar Nederlands recht worden opgenomen, maar slechts dat de toepasselijke wetbepalingen dienen te worden vermeld. Dat zijn de bepalingen die toepasselijk zijn naar de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek.’
Zie hierboven randnummer 13.
Kamerstukken II 1964/65, 8054, nr. 3, p. 15. Vgl. HR 26 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2876 (niet gepubliceerd); HR 28 juni 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC6013, NJ 1978/438.
HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.6 onder B sub (i).
Art. 4 lid 1 Uitleveringsverdrag NL-VS: ‘Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht volgens de aangezochte Staat van politieke aard is of samenhangt met een strafbaar feit van politieke aard, dan wel wanneer wordt aangetoond dat het verzoek tot uitlevering met een politiek oogmerk is gedaan.’
Kamerstukken I 1967, nr. 9, p. 3 (memorie van antwoord).
HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6945, NJ 2013/61 m.nt. A.H. Klip biedt een relatief recent voorbeeld. HR 8 mei 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC0341, NJ 1978/314 m.nt. Th.W. van Veen (Folkerts) ‘dat, naar het vorenstaande meebrengt, het sub 5 onder e bedoelde feit ingevolge de naarNederlands recht daarop toepasselijke wettelijke delictsomschrijving — mede gezien de omstandigheid dat voormeld art. 95a is geplaatst in Titel I van het Tweede Boek van meergemeld wetboek, van welke titel het opschrift luidt: ‘Misdrijven tegen de veiligheid van de staat’ — is te beschouwen, zulks ongeacht de omstandigheden waaronder het is begaan, als een politiek delict in de zin van art. 3, eerste lid, van het verdrag’.
A.H.J. Swart m.m.v. K. Helder, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink: 1986, p. 252 nr. 216.
Swart a.w. 1986, voorafgaande voetnoot, p. 246 nr. 211.
Zo ook J. Remmelink, Uitlevering, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 97–98. V. Glerum & N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht. Internationaal en Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 163–240 op p. 208.
Swart a.w. 1986, voetnoot 42, p. 249 nr. 214.
Swart a.w. 1986, voetnoot 42, p. 251 nr. 215.
Zie ook het hierna in de tekst weer te geven slot van art. 4 Uitleveringsverdrag.
HR 24 juni 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD7235, NJ 1976/85.
Swart a.w. 1986, voetnoot 42, p. 261 nr. 224.
Remmelink a.w. 1990, voetnoot 44, p. 100. Glerum & Rozemond a.w. 2015, voetnoot 44, p. 209 ‘strafbare feiten die zich uitsluitend en rechtstreeks richten tegen de veiligheid en het functioneren van de staat en zijn instellingen en die, naar analogische transformatie, naar Nederlands recht als zodanig strafbaar zijn gesteld.’
Remmelink a.w. 1990, voetnoot 44, p. 111 onder verwijzing naar HR 8 mei1978, ECL:NL:HR:1978:AC0342, NJ 1978/315 m.nt. Th.W. van Veen ‘de redelijke voorstelling van iemand die een einddoel van politieke aard […] beoogt’. Glerum & Rozemond, a.w. 2015, voetnoot 44, p. 209–210: ‘Criterium is of het politieke doel aan de feiten een overwegend politiek aspect verleent, oftewel of dat politieke aspect predomineert. Daarbij spelen de — geobjectiveerde — motieven van de dader, het effect van zijn handelen en de subsidiariteit en proportionaliteit van zijn handelen een rol.’
Remmelink a.w. 1990, voetnoot 44, p. 110–111.
Swart a.w. 1986, voetnoot 42, p. 264 nr. 227.
PbEG L 309 van 29 november 1996, p. 1–6.
Wet uitvoering antiboycotverordening, Stb. 1999, 34.
Kamerstukken II 1997/87, 26136, nr. 3, p. 1–2.
Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/1100 van de Commissie van 6 juni 2018 tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen, PbEU L 199 I van 7 augustus 2018, p. 1, i.w.tr. 8 augustus 2018 (art. 2).
Zie de Indictment van 18 oktober 2018: ‘7. The International Emergency Economic Powers Act (IEEPA), 50 U.S.C. §§ 1701–1706, authorized the President of the United States to impose economic sanctions on a foreign country in response to an unusual or extraordinary threat to the national security, foreign policy or economy of the United States when the President declared a national emergency with respect to that threat. Pursuant to the authority under the IEEPA, the President and the executive branch of the United States have issued orders an regulations governing and prohibiting certain transactions with Iran by U.S. persons, involving goods from the United States, or the provision of financial services that transit through the United States. […] 9. […] Pursuant to this authority, the Secretary of the Treasury promulgated the Iranian Transactions Regulations, reissued and named the Iranian Transactions and Sanctions Regulations (ITSR) on October 2012, implementing the sanctions imposed by the Executive Orders. […]The ITSR generally prohibits any person from exporting or causing to be exported from the United States any goods or technology without having first obtained an export license from OFAC, which was located in the District of Columbia. […] 11. At no time did defendants [opgeëiste persoon] , [betrokkene 1] , or their co-conspirators receive or possess a license or authorization from OFAC, located in the District of Columbia, to export goods, technology, or services, of any description, to Iran.’