Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.6.2
III.6.2 Bewijsdimensie en strafrechtshandhaving: solide balans of gevoelige weegschaal?
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602075:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Reijntjes 1980, p. 10-11.
Vgl. De Bosch Kemper 1865, p. 189. Instemmend daarmee: Modderman 1867, p. 232; Nederburgh 1911, p. 14.
Frielink (2011, p. 60) benadrukt dat: “bij bewijs in strafzaken gaat het – net als in de wereld van de ‘echte’ wetenschap – zelden of nooit om absolute zekerheid. Er is altijd wel enige twijfel mogelijk. Een rechter die daar niet mee kan omgaan, moet niet meer vrijspreken maar moet iets anders gaan doen.”
Vgl. Lord Hoffmann in House of Lords 10 juni 2009, [2009] UKHL 74 (Secretary of State for the Home Department/AF): “It is sometimes said that it is better for ten guilty men to be acquitted than for one innocent man to be convicted. Sometimes it is a hundred guilty men. The → figures matter. A system of justice which allowed a thousand guilty men to go free for fear of convicting one innocent man might not adequately protect the public.”
Hamer 2011, p. 418.
De beschreven inherente spanning tussen een effectieve strafrechtshandhaving en individuele eerlijk procesrechten van de verdachte toont zich in de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie misschien wel het meest concreet. In de Trajanusregel komt de tegenstelling reeds duidelijk tot uitdrukking. Daarin ligt al een zeker evenwicht besloten. Zo stelde Reijntjes in zijn proefschrift dat het bewijsrecht in het algemeen en de Trajanusregel in het bijzonder “[...] een zeker evenwicht garandeert tussen de belangen van de gemeenschap en die van het individu. Het is [...] zwaard en schild tegelijk. Dat evenwicht ligt niet voor nu en altijd vast. Het kan gebeuren dat de belangen van de gemeenschap op een gegeven ogenblik, door wat voor omstandigheden dan ook, een extra scherpe repressie eisen [...]; dan is, in zoverre, het zwaard meer nodig dan het schild, het krijgt overwicht.”1
Al te grote omzichtigheid bij het voorkomen van de veroordeling van onschuldigen, maakt de strafrechtspleging vleugellam. Een samenleving die tegen elke prijs de veroordeling van onschuldigen wenst te voorkomen, moet volledig van bestraffing afzien.2 Dat betekent dat de plicht te voorkomen dat onschuldigen worden veroordeeld niet mag worden verabsoluteerd. Met de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie wordt dat evenwel niet uit het oog verloren. Zij houdt niet in dat bewijs beyond a shadow of a doubt moet worden geleverd. Het vereiste dat reasonable doubt ontbreekt, laat ruimte voor een effectieve strafrechtelijke rechtshandhaving.3 Ook de Trajanusregel brengt in de meest gangbare verhouding van tien tegen één tot uitdrukking dat enerzijds het voorkomen van veroordeling van onschuldigen een gewichtig belang is, gewichtiger ook dan de bestraffing van daders, maar dat anderzijds bestraffing van schuldigen mogelijk moet blijven.4
Dat de onschuldpresumptie zelf ruimte laat voor de bestraffing van daders, ook als dat eens ten koste zal gaan van een te beklagen individu, wil niet zeggen dat herijking van het evenwicht tussen valspositieve en valsnegatieve beslissingen steeds ad hoc mogelijk is. Onjuist lijkt mij de opvatting van Hamer die uit de gelaten ruimte afleidt dat de bewijsdimensie niet is gericht op het voorkomen van de veroordeling van onschuldigen, maar op minimalisatie van de kosten van onjuiste bewijsbeslissingen in het algemeen. Volgens hem heeft het beginsel een interne dynamiek waarin steeds plaats is voor afweging tegen een effectief criminaliteitsbeleid.5 Daarmee gaat hij mijns inziens voorbij aan de mensenrechtelijke aard van de presumptie. De onschuldpresumptie schrijft in zijn benadering louter voor dat gelet op alle belangen een verstandige, de kosten van fouten minimaliserende, bewijsbeslissing wordt genomen. Van bescherming van het individu tegen de overheid blijft in die zienswijze weinig over. In tijden waarin de samenleving scherpe repressie eist, zou de presumptie van onschuld dan niet alleen voor effectievere handhaving moeten wijken, maar zelfs deze repressie zelf vorderen. Niet goed valt in te zien waarom het feit dat de onschuldpresumptie uitdrukking geeft aan een bepaald evenwicht tussen ‘zwaard en schild’ zelf grond zou zijn om dat evenwicht op ieder moment naar eigen inzicht aan te passen. Het beginsel zelf moet niet worden begrepen als een flexibele, voortdurend verschuivende balans, maar eerder als een tamelijk solide serie van het verdachte individu begunstigende normen die het juridisch uitvloeisel zijn van een belangenafweging in abstracto.
Hiervoor stelde ik in paragraaf 6.1 dat het recht op een eerlijk proces zoals gestold in het rechtsbewustzijn en op schrift gesteld in diverse internationale verdragen het resultaat is van een afweging van individuele belangen tegen belangen van criminaliteitsbestrijding en dat daarin met zowel ernstige als niet-ernstige feiten reeds rekening is gehouden. De bewijsdimensie van de onschuldpresumptie lijkt daarvan een goede illustratie. Die bewijsdimensie leent zich dan ook niet voor ad hoc beoordeling van geval tot geval hoe onwenselijk een valspositieve of valsnegatieve beslissing zou zijn. Een en ander laat evenwel de mogelijkheid open dat bijzondere, abstractere omstandigheden en argumenten tot een verstoring van de normale balans tussen valspositieve en valsnegatieve oordelen kunnen leiden, zodat een beperking van of uitzondering op de bewijsdimensie in verband met andere belangen alsnog noodzakelijk is. De verhouding tussen strafrechtshandhaving en eerlijk procesrechten kan als gezegd worden verstoord door een relatieve gewichtstoename van het belang van een effectieve handhaving van het strafrecht of een relatieve afname van het belang van het voorkomen van een oneerlijk proces. Beide typen gezichtspunten zijn ook tegen de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie in te brengen en ingebracht.