Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.3.2.2
8.5.3.2.2 Herziening aftrek ten onrechte in rekening gebrachte btw over vastgoedtransacties
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291287:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 13 december 1989, zaak C-342/87, BNB 1990/237, m.nt. Reugebrink (Genius Holding).
HvJ EU 11 april 2018, zaak C-532/16, FED 2018/104, m.nt. Cornielje (SEB Bankas).
In gelijke zin: Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 11 april 2018, zaak C-532/16, V-N 2018/27.16 (SEB Bankas). Zie ook: conclusie A-G Ettema 20 december 2019, nr. 19/01427, V-N 2020/10.11, punten 2.8 t/m 2.11. Anders: Van Zadelhoff die meent dat de herzieningsregeling niet bedoeld is om fouten te herstellen, maar enkel om de aftrek aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden (Van Zadelhoff, noten bij HR 8 oktober 2010, 07/13629, BNB 2011/32 en HR 15 spril 2011, nr. 10/00275, BNB 2011/191).
Cornielje, noot bij HvJ EU 11 april 2018, zaak C-532/16, FED 2018/104 (SEB Bankas).
Conclusie A-G Ettema 20 december 2019, nr. 19/01427, V-N 2020/10.11, punt 2.14.
Zie ook: Van Zadelhoff, noot bij HR 9 juli 1999, nr. 34.384, BNB 1999/351 die opmerkt: “Ten onrechte in rekening gebrachte BTW is nochtans verschuldigd. Met het oog op de mogelijke aftrek van die belasting door een ander, is dit een begrijpelijke regeling. Ik vind het echter vreemd dat de wetgeving niet in een correctiemogelijkheid voorziet. Ook belastingplichtigen kunnen zich immers vergissen. Fouten moeten toch kunnen worden hersteld. De praktijk weet zich veelal te redden met zogenoemde 'creditfacturen', doch formeel bezien is dat niet juist. Mijns inziens dient de wet een correctiemogelijkheid te bieden.” De door Ettema en Sparidis geuite vrees dat deze herzieningsverplichting voor de belastingplichtige in Nederland zou leiden tot een verlenging van de termijn waarbinnen het voor de belastingdienst mogelijk is om te corrigeren (conclusie A-G Ettema 20 december 2019, nr. 19/01427, V-N 2020/10.11, punt 2.14 en Sparidis, noot bij conclusie A-G Ettema 20 december 2019, nr. 19/01427, NLF 2020/0360), acht ik ongegrond. In Nederland vervalt de naheffingstermijn door verloop van vijf jaar na het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend (art. 20 lid 3 Awr). En het jaar waarin de belastingschuld van de belastingplichtige is ontstaan of de teruggaaf is verleend, is naar mijn mening het jaar waarin de belastingplichtige de ten onrechte in rekening gebrachte btw in aftrek heeft gebracht of teruggekregen en niet het jaar waarin de belastingplichtige zijn aftrek had moeten herzien.
Indien over een vastgoedtransactie ten onrechte btw is berekend, dan is deze btw niet aftrekbaar.1 Dat degene die de vastgoedtransactie verricht de ten onrechte op de factuur vermelde btw op grond van art. 203 Btw-richtlijn wel verschuldigd is, doet hieraan niet af. Omdat van meet af aan geen recht op aftrek bestaat, is geen sprake van een wijziging als bedoeld in art. 185 lid 1 Btw-richtlijn (zie paragraaf 8.5.3.2.1). In het SEB Bankas-arrest heeft het Hof duidelijk gemaakt dat art. 184 Btw-richtlijn ook verplicht tot een herziening indien de oorspronkelijke toegepaste aftrek niet wettig kon plaatsvinden, omdat de levering van onbebouwde terreinen ten onrechte is aangemerkt als de belaste levering van bouwterreinen.2 Voor deze uitleg van art. 184 Btw-richtlijn is naar mijn mening steun te vinden in de richtlijnhistorie, omdat volgens de toelichting op art. 20 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn een te hoge of te lage aftrek als gevolg van een vergissing moet worden herzien.3
Cornielje meent dat het systematisch wat merkwaardig is om de correctie van de btw-aftrek die van meet af aan onwettig is te zien als een herziening van de btw-aftrek. Zijns inziens is het een vorm van overkill dat art. 184 Btw-richtlijn van stal gehaald moet worden om de aftrek van ten onrechte in rekening gebrachte btw te corrigeren.4 Ook Ettema meent dat de oplossing van het Hof systematisch weinig elegant is.5 Zij merkt terecht op dat de belastingdienst de aftrek van ten onrechte in rekening gebrachte btw ook zonder art. 184 Btw-richtlijn kan corrigeren. Naar mijn mening miskennen Cornielje en Ettema echter dat de implementatie van art. 184 Btw-richtlijn nodig is om een belastingplichtige te kunnen verplichten de oorspronkelijke btw-aftrek te herzien indien pas ná het indienen van de aangifte aan het licht komt dat over de ingaande vastgoedtransactie (of een andere handeling) ten onrechte btw berekend is.6