Vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0004.
HR, 14-03-2017, nr. 15/05303
ECLI:NL:HR:2017:424
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-03-2017
- Zaaknummer
15/05303
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:424, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 14‑03‑2017; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:138, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2017:138, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑01‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:424, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 14‑03‑2017
Partij(en)
14 maart 2017
Strafkamer
nr. S 15/05303
AGE/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 9 november 2015, nummer 21/004259-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2017.
Conclusie 24‑01‑2017
Nr. 15/05303 Zitting: 24 januari 2017 | Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 9 november 2015 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met twaalf andere zaken. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel komt op tegen ’s hofs verwerping van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat sprake is van een onrechtmatige stelselmatige observatie van de verdachte, die zou moeten leiden tot strafvermindering.
Het bestreden arrest houdt onder het hoofd “Oplegging van straf en/of maatregel” onder meer het volgende in:
“Het verweer van de raadsman dat sprake is geweest van een onrechtmatige stelselmatige observatie van verdachte die tot korting dient te leiden op de op te leggen straf, wordt verworpen. Verdachte is op 26 oktober 2011 slechts korte tijd, vanaf circa 12.42 uur tot 14.20 uur geobserveerd. De observatie was (aanvankelijk) niet op verdachte gericht maar op zijn medeverdachten, die met camera’s werden geobserveerd. Pas nadat bleek dat deze medeverdachten een koffer met inhoud in de Audi A4 met kenteken [AA-00-AA] hadden gedaan is de auto van verdachte gevolgd naar Hengelo, waarna deze is gecontroleerd en verdachte de bestuurder bleek te zijn. Gelet hierop, alsmede gelet op de beperkte periode dat sprake is geweest van observatie, is geen sprake is geweest van een stelstelmatige observatie gericht op verdachte.”
6. Volgens de steller van het middel heeft het hof het verweer verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen, nu de “verbalisanten de verdachte stelselmatig zijn gaan observeren op basis van een bevel (verlenging) stelselmatige observatie dat niet op rekwirant was gericht “ (maar op [medeverdachte 1]) en uit het observatieverslag zou blijken dat de verbalisanten “reeds ten tijde van het instappen van de bestuurder in voornoemde Audi A4 (direct nadat de medeverdachten de koffer met inhoud in deze auto hadden gelegd), en derhalve niet pas ten tijde van de controle in Hengelo, wisten dat de bestuurder rekwirant was en niet [medeverdachte 1].”
7. Ik meen dat het middel evident niet tot cassatie kan leiden. Het oordeel van het hof dat met betrekking tot de verdachte geen sprake is van een stelselmatige observatie als bedoeld in art. 126g Sv getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het gaat, naar het hof heeft vastgesteld, om iets meer dan anderhalf uur, gerekend vanaf het moment dat de Audi A4 het kamp komt oprijden tot aan het moment van aanhouding (bewijsmiddelen 2, 3 en 4). Dat is, zoals het hof terecht heeft overwogen, een periode die als kort kan worden aangeduid, terwijl blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden gezegd dat in dat korte tijdsbestek een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van de verdachte is verkregen.1.
8. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑01‑2017