HR, 06-12-2013, nr. 12/00252
12/00252, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-12-2013
- Zaaknummer
12/00252
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑12‑2013
ECLI:NL:HR:2013:1436, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑12‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ9161, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2011:BV7604, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Vindplaatsen
V-N 2013/61.6 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2014/2.3
BNB 2014/38 met annotatie van J.P. BOER
FutD 2013-2952
Viditax (FutD) 2013120607
Beroepschrift 06‑12‑2013
Edelhoogachtbare dames/heren,
Namens [X] (fiscaal nummer [002]), wonende te [Z], motiveren wij hierbij het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch, uitspraakdatum 9 december 2011 en verzenddatum 9 december 2011 (procedurenummer BK-10/00204), op het beroepschrift d.d. 25 maart 2010, ingediend in verband met de aan hem opgelegde definitieve aanslag inkomstenbelasting over 2005, aanslagnummer [001].
Primair standpunt
Belanghebbende is van mening dat het Hof tot een onbegrijpelijk oordeel komt en de strekking van BNB 1993/203 en de piramidespelarresten (BNB 2002/127, 128, 129 en 191) miskent hetgeen leidt tot een schending van het recht. Belanghebbende voert daartoe de volgende gronden aan.
Voordat een genoten opbrengst belast kan worden, dient te worden vastgesteld of sprake is van een bron van inkomen. De betreffende inkomsten worden door het Hof gekwalificeerd als resultaat uit overige werkzaamheden, hetgeen leidt lot belastingheffing in Box 1. De brontoets dient plaats te vinden op het moment dat de activiteiten plaatsvinden, waarbij in dit kader naar mening van belanghebbende naast de toets of sprake is van deelname aan het economische verkeer, tevens tenminste moet worden getoetst of op dat moment het voordeel ook objectief kon worden verwacht.
Ten aanzien van de eerste toets is belanghebbende van mening dat het feit dat het onderzoeksinstituut [A] deelneemt aan het economische verkeer er niet automatisch toe leidt dat ook belanghebbende deelneemt aan het economische verkeer. Van belanghebbende staat ook volgens het Hof vast dat zijn activiteiten gericht waren op het voor persoonlijke doeleinden vergaren van kennis en vaardigheden. Belanghebbendes activiteiten vonden enkel en alleen plaats in het kader van zijn studie.
Het Hof gaat daarbij tevens voorbij aan belanghebbendes stelling dat studiekosten te zien zijn als bestedingsuitgaven. De studiekosten, die deels door een studiebeurs werden gecompenseerd, zijn gemaakt met het oog op het verwerven van nieuwe kennis ter verbetering van zijn financieel economische positie en kwalificeren niet als beroepskosten (ter verwerving of behoud van zijn inkomen) die in de zin van artikel 35 Wet IB 1964 aftrekbaar zouden zijn geweest. Deze studiekosten zouden aftrekbaar zijn geweest als buitengewone lasten in de zin van artikel 46 Wet IB 1964. Als buitengewone lasten aan te merken kosten worden van oudsher als bestedingsuitgaven aangemerkt en zijn niet verbonden aan enige bron van inkomen. Bestedingen kunnen wel plaatsvinden in het economische verkeer, maar resulteren niet in een bron.
Belanghebbendes activiteiten dienen dan ook een volstrekt ander doel dan de overkoepelende activiteiten van het onderzoeksinstituut. Belanghebbende kan derhalve ook niet zomaar vereenzelvigd worden met de deelname aan het economische verkeer door hel instituut.
Op basis van het voorgaande constateert belanghebbende dat zijn activiteiten hebben plaatsgevonden in de inkomensbestedende sfeer, hetgeen op het moment van die activiteiten noodzaakt tot toetsing aan alle bronvereisten, maar tenminste naast deelname aan het economische verkeer ook aan het objectieve voordeelsvereiste. Het Hof laat dit ten onrechte achterwege en schendt daarmee het recht.
In het licht van de na BNB 1993/203 gewezen piramidespelarresten, is dit onbegrijpelijk aangezien dit leidt tot een onevenwichtigheid in de bronnenleer, die in alle gevallen in het nadeel van belastingplichtigen zal uitwerken. De Hoge Raad kan niet bedoeld hebben om de volgende toetsingsmethode te introduceren. Deze onjuiste methode zou het volgende inhouden:
‘In het geval namelijk dat een belastingplichtige achteraf toch inkomen genereert met Activiteiten, die op het moment dat de activiteiten plaatsvonden geen bron vormden, zou dit ertoe leiden dat slechts de toets aan het vereiste dat deelgenomen moet worden aan het economische verkeer volstaat. Het achteraf genoten inkomen, maakt een verdere toets aan de voorwaarde of dat inkomen op het moment dat de activiteiten plaatsvonden ook objectief te verwachten was, overbodig. Het resultaat daarvan is dat achteraf zou worden vastgesteld dat er alsnog sprake was van een bron, hetgeen zou leiden tot belastingheffing. Indien echter ten tijde van de activiteiten kosten zijn gemaakt, hetgeen tot uitdrukking komt in een negatief inkomensbestanddeel en belastingplichtige dit in aftrek wil brengen, zou in dat geval wel naast de deelname aan het economisch verkeer tevens sprake moeten zijn van een objectieve voordeelsverwachting. Indien geen opbrengsten zijn genoten, zou dat vervolgens tot de constatering leiden dat aan deze objectieve voordeelsverwachting niet is voldaan en er dus geen sprake is van een bron.
Belastingplichtige zou derhalve geen aftrek kunnen genieten.’
Deze, naar mening van belanghebbende onjuiste, toepassing van de bronnenleer zou derhalve altijd achteraf plaatsvinden en zou leiden tot onevenwichtige uitkomsten, omdat de objectieve voordeelsverwachting uitsluitend in de toets zou worden betrokken als achteraf geen positief resultaat is gerealiseerd. De toets aan de objectieve verwachting zou in beide situaties moeten worden toegepast. Het Hof schendt het recht door de bronnenleer op deze wijze toe te passen.
De activiteiten van belanghebbende vormen op het moment dat zij plaatsvonden geen bron. De studiekosten kwalificeren als buitengewone lasten en vormen daarmee bestedingsuitgaven, niet verbonden aan enige bron van inkomen. De bronvereisten dienen ertoe om toevallige niet verwachte en niet b[…]oogde inkomsten buiten de heffing te houden. De brontoets moet uitsluitend plaatsvinden op het moment dat ook de activiteiten plaatsvinden en de daarmee verbonden kosten worden gemaakt. Slechts bij wijziging van de activiteiten zou een hernieuwde brontoets op zijn plaats zijn. De jurisprudentie van de Hoge Raad leidt tot toetsing aan alle bronvereisten, indien niet duidelijk is dat voordelen zonder meer inherent zijn aan de deelname aan het economische verkeer. Bij deze toets kan deelname aan het economische verkeer niet worden afgeleid van de deelname door het instituut aan het economische verkeer en de genoten opbrengsten zijn in casu niet zonder meer inherent aan het volgen van deze studie. Daarnaast waren de inkomsten op dat moment objectief niet te verwachten (noch beoogd), wat verstrekt wordt door het feit dat belanghebbende zijn rechten van aanvang af heeft moeten afstaan aan [A], waarbij [A] uitsluitend zelf besliste over de commercialisering en het eventueel toekennen van een deel van de opbrengst aan individuele onderzoekers. Dat in samenhang met het gegeven dat op het moment dat de activiteiten plaatsvonden er geen enkele voorspelling kon worden gedaan over de commerciële waarde van de vindingen, maakt dat er geen sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. De inkomsten zijn derhalve niet belastbaar als resultaat uit overige werkzaamheden.
Subsidiair
Er vanuit gaand dat het Hof de bronnenleer wel correct heeft toegepast en het oordeel van het Hof terecht luidt dat de betreffende inkomsten als inkomsten uit andere arbeid belast dienen te worden in box 1, dient deze kwalificatie ook Verdragsrechtelijk te worden gevolgd.
Het Hof bevestigt naar mening van belanghebbende impliciet dat indien sprake is van inkomsten uit andere arbeid, deze kwalificatie ook Verdragsrechtelijk moet worden gevolgd. Het Hof onderzoekt daarom of sprake is van een vast middelpunt in de zin van artikel 12, derde lid van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk 1980 (hierna: het Verdrag). Op basis van dit betreffende verdragsartikel dient sprake te zijn van een vast middelpunt en dient het recht tot het vermogen van dat vast middelpunt te behoren.
Het Hof bevestigt noch ontkent het bestaan van het vaste middelpunt en stelt slechts ongemotiveerd vast dat het betreffende recht niet tot het vermogen van het vast middelpunt behoort. Het is belanghebbende volstrekt onduidelijk op welke gronden het Hof dit oordeel heeft gebaseerd.
Belanghebbende heeft zijn activiteiten in het verenigd koninkrijk verricht in de daartoe aan hem door [A] op grond van de overeenkomst duurzaam ter beschikking gestelde onderzoeksruimten en door hem gehuurde woning, alwaar hij verslag heeft gedaan van zijn bevindingen. Als vast middelpunt kwalificeren daarom de laboratoria van [A] te [Q] en de door belanghebbende in het Verenigd Koninkrijk gehuurde woning.
Beide ruimten zijn geschikt voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek dan wel hel rapporteren, samenvatten en andere meer administratieve en aan het wetenschappelijk onderzoek gerelateerde werkzaamheden. Beide ruimten staan ook juridisch en feitelijk ter beschikking en zijn als zodanig duurzaam op die wijze gebruikt. Hiermee wordt zowel aan de omschrijving vast middelpunt uit artikel 14 van het Verdrag 1980 als aan de omschrijving van vaste inrichting uit artikel 5 van het Verdrag 1980 en het Verdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland ter vermijding van dubbele belasting uit 2008 (hierna: het Verdrag 2008) voldaan. Het Hof bestrijdt dit niet.
Om te bepalen of het recht waaruit de inkomsten voortvloeien tot het vermogen van dit vast middelpunt behoort, moet worden vastgesteld of er sprake is van functionele verbondenheid. Het recht op uitkeringen is zowel feitelijk als juridisch (op basis van de overeenkomst tussen [A] en belanghebbende) in het vast middelpunt ontstaan en uitsluitend daaraan toe te rekenen en daarmee dus functioneel verbonden. Daarnaast is de intellectuele eigendom, waaruit het afgeleide ‘recht’ van belanghebbende voortvloeit, onderdeel van het vermogen van het in het Verenigd Koninkrijk gevestigde [A].
Het is voor belanghebbende derhalve onbegrijpelijk dat het Hof tot een andersluidend oordeel komt.
Inkomsten uit in het verleden verrichtte arbeid
In het arrest van 27 maart 1991, BNB 1991/204 heeft de Hoge Raad beslist dat de winst van een vaste inrichting bepaald wordt door het zogenaamde veroorzakingsbeginsel. Op basis van dit beginsel dient alles wat door de vaste inrichting veroorzaakt is zonder enige begrenzing in de tijd, toegerekend te worden aan de vaste inrichting. Nakomende baten en lasten moeten daarmee op grond van dit beginsel worden toegerekend aan de vaste inrichting. Op grond hiervan dienen de royalty's dan wel arbeidsinkomsten (mits zij als zodanig kunnen worden gekwalificeerd) toegerekend te worden aan het vaste middelpunt van waaruit de activiteit werd uitgeoefend.
Voor de volledigheid zij hierbij opgemerkt dat artikel 14 uit het Verdrag 2008 is geëlimineerd (evenals uit het OECD model verdrag uit 1992) waarbij de betreffende zelfstandige activiteiten geacht te zijn gebracht onder de reikwijdte van artikel 7 (winst uit onderneming). Het begrip vast middelpunt is hiermee in feite opgegaan in het vaste inrichtingsbegrip.
Dit veroorzakingsprincipe sluit aan bij een vergelijkbare binnenlandse situatie, waarbij een activiteit geleid zou hebben tot latere als inkomsten uit andere arbeid te belasten royaltyinkomsten. Ondanks dat de geestelijke arbeid en daarmee de activiteit als zodanig beëindigd zou zijn, blijven de royalty-inkomsten in die binnenlandse situatie belast als inkomsten uit andere arbeid ex artikel 22, lid 1, letter b Wet inkomstenbelasting 1964, dat krachtens artikel Ma Invoeringswet IB 2001 van toepassing blijft. In een vergelijkbare situatie, waarbij echter de werkzaamheden zijn verricht in het buitenland, leidt de toepassing van het Verdrag (zowel het Verdrag 1980 als het Verdrag 2008) ertoe dat de heffingsbevoegdheid wordt toegewezen aan die Staat waar de zelfstandige arbeid vanuit een vast middelpunt dan wel vaste inrichting is verricht.
Conclusie
Belanghebbende verzoekt de Hoge Raad de uitspraak van het Hof te vernietigen en de aanslag over het jaar 2005 te verminderen en vast te stellen op een belastbaar inkomen in Box 1 van € 61.432.
Proceskostenvergoeding
Wij verzoeken u een onkostenvergoeding toe te kenen voor de in de beroepsfase gemaakte kosten ingevolge artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
Uitspraak 06‑12‑2013
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Artikel 12 en 14 van het Belastingverdrag Nederland – Verenigd Koninkrijk. Geen royalty’s, maar inkomsten ter zake van zelfstandige arbeid. Nagekomen baten.
Partij(en)
6 december 2013
nr. 12/00252
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 9 december 2011, nr. 10/00204, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/3271) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 2 april 2013 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende, in 2005 woonachtig in Nederland, heeft in de jaren 1990 tot en met 1992 postdoctoraal wetenschappelijk onderzoek verricht aan [A] (hierna: [A]) in het Verenigd Koninkrijk. Hij ontving in dit kader een studiebeurs van [B] (hierna: [B]). Belanghebbende was gedurende deze jaren niet in Nederland woonachtig, maar hetzij in België, hetzij in het Verenigd Koninkrijk.
3.1.2.
Belanghebbende was niet bij [A] of [B] in dienstbetrekking.
3.1.3.
Belanghebbende heeft voordat hij zijn onderzoekswerkzaamheden aan [A] aanving een verklaring ondertekend waarin hij afstand heeft gedaan van eventuele octrooien of patentrechten voortvloeiende uit zijn werk.
3.1.4.
[A] heeft nadat belanghebbende zijn werkzaamheden bij dat instituut had beëindigd, patenten verkregen voor uitvindingen die (deels) het resultaat waren van onderzoeksprojecten waarbij belanghebbende betrokken was. Commercialisering van deze patenten heeft [A] aanleiding gegeven tot het, op onregelmatige basis, betalen van bedragen aan belanghebbende in de jaren 2000 en volgende. Belanghebbende werd per brief op de hoogte gesteld van de bedragen die hem werden toegekend. In de brieven worden de betalingen steeds aangemerkt als “Awards to inventors” of “ATI”.
3.1.5.
De Inspecteur heeft bij het opleggen van de onderhavige aanslag ter zake van de zojuist bedoelde betalingen € 133.948 geteld bij belanghebbendes inkomen uit werk en woning.
3.2.
Voor het Hof was in de eerste plaats in geschil of de door [A] in het onderhavige jaar gedane betalingen moeten worden gerekend tot belanghebbendes inkomen uit werk en woning. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord.
3.2.1.
Het Hof heeft daartoe geoordeeld dat de door [A] gedane betalingen naar Nederlands recht belast zijn als resultaat uit overige werkzaamheden. Belanghebbendes activiteiten bij [A] vonden naar het oordeel van het Hof plaats in het economische verkeer. De omstandigheid dat deze activiteiten voor belanghebbende leerzaam waren, en in die zin het karakter van een studie hadden en niet van een commerciële activiteit, maakt dat niet anders. Het Hof heeft verder geoordeeld dat belanghebbende geen feiten aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan kan worden geoordeeld dat in het onderhavige geval zich één van de uitzonderingen voordoet als omschreven in het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1993, nr. 28847, BNB 1993/203.
3.2.2.
Het Hof heeft voorts belanghebbendes subsidiaire standpunt verworpen. Dit standpunt hield in dat, zo al sprake is van belastbare baten, de heffingsbevoegdheid met betrekking tot die baten op grond van artikel 12, lid 3, in verbinding met artikel 14 van het Belastingverdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk van 7 november 1980 (hierna: het Verdrag) exclusief toekomt aan het Verenigd Koninkrijk, aangezien sprake zou zijn van aan een vast middelpunt in het Verenigd Koninkrijk toerekenbare royalty’s. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 12, lid 3, van het Verdrag niet van toepassing is, reeds omdat in het onderhavige geval niet is voldaan aan de voorwaarde dat het recht op de zaak uit hoofde waarvan de royalty’s verschuldigd zijn, behoort tot het beroepsvermogen van een vast middelpunt in het Verenigd Koninkrijk. Aangezien zowel artikel 12, lid 1, van het Verdrag (royalty’s) als artikel 21, lid 1, van het Verdrag (overige inkomsten) het heffingsrecht exclusief toekent aan de woonstaat en belanghebbende in het onderhavige jaar in Nederland woonachtig is, behoeft volgens het Hof de vraag welke bepaling van toepassing is, geen behandeling.
3.3.
Het eerste middel, dat zich keert tegen ’s Hofs hiervoor in 3.2.1 weergegeven oordeel dat de door [A] gedane betalingen belast zijn als resultaat uit overige werkzaamheden, kan niet tot cassatie leiden omdat dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.
3.4.1.
Bij de beoordeling van het tweede middel, dat is gericht tegen ’s Hofs oordeel dat het heffingsrecht op grond van het Verdrag aan Nederland toekomt, wordt het volgende vooropgesteld.
3.4.2.
Volgens artikel 12, lid 2, van het Verdrag worden als royalty’s aangemerkt de betalingen die worden gedaan voor het gebruik van, of het recht van gebruik van de in die bepaling genoemde zaken en rechten. Uit de hiervoor in 3.1.3 en 3.1.4 weergegeven feitelijke uitgangspunten volgt dat belanghebbende eventuele uit het wetenschappelijk onderzoek voortspruitende uitvindersrechten voor de aanvang van zijn onderzoekswerkzaamheden heeft afgestaan aan [A] en dat [A] kon beslissen over de commercialisering daarvan. Onder deze omstandigheden kunnen de door [A] in het onderhavige jaar gedane betalingen niet worden aangemerkt als royalty’s in de zin van artikel 12 van het Verdrag.
3.4.3.
De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende de desbetreffende werkzaamheden in de jaren 1990 tot en met 1992 bij [A] in het Verenigd Koninkrijk heeft verricht en hij die werkzaamheden niet heeft verricht in het kader van een dienstbetrekking. Uit een en andere volgt dat de door [A] betaalde bedragen moeten worden aangemerkt als een voordeel verkregen ter zake van ‘andere werkzaamheden van zelfstandige aard’ in de zin van artikel 14 van het Verdrag en dat – voor de toepassing van het Verdrag in het onderhavige jaar - belanghebbende die werkzaamheden in het Verenigd Koninkrijk heeft verricht vanuit een vast middelpunt.
3.4.4.
Ingevolge artikel 14, lid 1, van het Verdrag zijn voordelen uit zelfstandige arbeid slechts in de woonstaat belastbaar, tenzij in het andere land sprake is van een vast middelpunt. In het laatste geval mogen de voordelen in het andere land (de bronstaat) worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan dat vaste middelpunt kunnen worden toegerekend.
3.5.
Op grond van het hiervoor in 3.4 overwogene slaagt het tweede middel. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
De band met de werkstaat het Verenigd Koninkrijk heeft tot gevolg dat de belastingheffing over die bate aan het Verenigd Koninkrijk is toegewezen, maar staat niet eraan in de weg dat die bate op het tijdstip waarop deze wordt genoten door Nederland als woonstaat in het wereldinkomen wordt betrokken, onder toepassing van een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting zoals die is voorzien in artikel 22, lid 2, letters a en b, van het Verdrag voor dergelijke inkomsten.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 12/00253 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur,
vermindert de aanslag tot een aanslag met inachtneming van een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 195.380, in dier voege dat vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt berekend over een bedrag van € 133.948,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 112, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 111, derhalve in totaal € 223, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 39,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 2832, derhalve € 1416, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1770, derhalve € 885, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1855,12 derhalve € 927,56 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 705, derhalve € 352,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2013.