De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/10:10 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/10
10 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372589:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan het begin van dit boek zijn vier ontwikkelingen onderscheiden die de indruk wekken dat het nieuwe verjaringsrecht niet erg stevig op de benen staat: (i) de hoofdregel van het zeer belangrijke art. 3:310 lid 1 BW bleek bij herhaling correctie te behoeven, (ii) ontwikkelingen in de rechtspraak hebben het geldend recht doen afdrijven van de tekst van de wet, (iii) de praktijk lijkt met het onderwerp te worstelen, (iv) in de literatuur wordt het nieuwe verjaringsrecht vrij breed bekritiseerd. Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot de vraag hoe het nieuwe verjaringsrecht moet worden beoordeeld. In dit deel zal ik trachten die vraag te beantwoorden.
Dat gebeurt in zeven hoofdstukken. De eerste twee hoofdstukken hebben de twee conceptuele pijlers van het nieuwe verjaringsrecht tot onderwerp: de subjectieve en de objectieve termijn. De hoofdstukken drie en vier gaan over de structuur van het verjaringsrecht: in hoofdstuk drie wordt bezien hoe (on)gelukkig het is dat wij een hoofdregel hebben die de facto de uitzondering is en in hoofdstuk vier wordt ingegaan op wat de 'verbrokkeling' van ons verjaringsrecht genoemd kan worden. De hoofdstukken vijf en zes begeven zich op het niveau van concrete verjaringsbepalingen: hoofdstuk vijf betreft de lengte van de verjaringstermijnen en hoofdstuk zes de formulering van het aanvangsmoment van de subjectieve termijnen. Hoofdstuk zeven ten slotte gaat over de stuitingsregeling.