Hof 's-Hertogenbosch, 14-09-2021, nr. 200.144.380, 01
ECLI:NL:GHSHE:2021:2833
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
14-09-2021
- Zaaknummer
200.144.380_01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2021:2833, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 14‑09‑2021; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6704
ECLI:NL:GHSHE:2021:88, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 19‑01‑2021; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6704
ECLI:NL:GHSHE:2020:2477, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 04‑08‑2020; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6704
ECLI:NL:GHSHE:2020:584, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 18‑02‑2020; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6704
ECLI:NL:GHSHE:2020:162, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 21‑01‑2020; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6704
ECLI:NL:GHSHE:2018:4028, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 02‑10‑2018; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1685
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6704
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4282
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2346
ECLI:NL:GHSHE:2017:1685, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 18‑04‑2017; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6704
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4028
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2346
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4282
ECLI:NL:GHSHE:2016:4282, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 27‑09‑2016; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6704
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1685
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2346
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4028
ECLI:NL:GHSHE:2016:2346, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 14‑06‑2016; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4028
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4282
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6704
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1685
- Wetingang
art. 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [KEI-Rv]
- Vindplaatsen
NTHR 2021, afl. 5/6, p. 250
NTHR 2016, afl. 5, p. 272
Uitspraak 14‑09‑2021
Inhoudsindicatie
Perpetuals en steepeners. Waarschuwingsplicht. Spreiding. Deskundigenbericht. Afwikkeling en eindarrest.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.144.380/01
arrest van 14 september 2021
in de zaak van
1. [Beheer] B.V.,
2. Semax B.V., beiden gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk aan te duiden als [Beheer] en Semax,
en gezamenlijk in enkelvoud als [appellant] ,
advocaat: mr. J.G. Molenaar te Amsterdam,
tegen
Van Lanschot Kempen Wealth Management N.V.
voorheen genaamd F. van Lanschot Bankiers N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Van Lanschot,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 14 juni 2016, 27 september 2016, 18 april 2017, 2 oktober 2018, 21 januari 2020, 18 februari 2020, 4 augustus 2020 en 19 januari 2021 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch respectievelijk de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/202943/HA ZA 09-2705 gewezen vonnissen van 16 mei 2012 en 27 november 2013.
27. Het tussenarrest van 19 januari 2021
Bij dit tussenarrest heeft het hof een aanvullend voorschot voor het deskundigenonderzoek vastgesteld en verder bepaald dat dat onderzoek wordt voortgezet.
28. Het verdere verloop van de procedure
28.1.
De deskundige, mevrouw [deskundige 1] , heeft haar rapport, gedateerd 12 april 2021, ingediend. Partijen hebben ieder een memorie genomen. Het hof heeft de schadeloosstelling en het loon van de deskundige vastgesteld bij beslissing van 20 mei 2021.
Mr. Fikkers heeft de behandeling van de zaak overgenomen van mr. Hulskes, die inmiddels werkzaam is in de afdeling van het gerechtshof voor de behandeling van strafzaken.
28.2.
Het hof memoreert dat het in de vraagstelling als uitgangspunt voor de begroting van de schade heeft genoemd: “het fictieve geval per 26 februari 2008 waarbij het belang van steepeners en perpetuele leningen in deze portefeuilles binnen de grens van 25% van de obligatiebelang zou zijn gehouden en de aankoopsom voordat meerdere zou zijn belegd in andere financiële producten met inachtneming van algemene uitgangspunten van diversificatie passen bij het afgesproken defensieve risicoprofiel van de portefeuilles”.
28.3.
De deskundige heeft de vragen van het hof beantwoord en de schade begroot op € 148.649,00 ( [Beheer] ) en € 100.655,00 (Semax). De deskundige heeft haar conclusies uitvoerig gemotiveerd aan de hand van een deugdelijke analyse, gestoeld op juiste uitgangspunten. Het hof acht haar conclusies dan ook overtuigend en neemt deze over.
Het hof overweegt dat de deskundige de samenstelling van de portefeuilles en het verloop daarvan in de tijd in kaart heeft gebracht. Zij heeft aldus de werkelijke situatie beschreven. Daarnaast heeft zij de hypothetische situatie onderzocht, waarin geen sprake zou zijn geweest van een tekortkoming en het aandeel steepeners en perpetuals binnen de grens van 25% van het obligatiedeel zou zijn gehouden.
28.4.
De deskundige heeft over de hypothetische situatie opgemerkt dat zij de in het algemeen kenmerkende grenzen van een defensieve portefeuille (20-40% aandelen, 60-80% obligaties) heeft losgelaten, na overleg met partijen en de raadsheer-commissaris. Zij heeft dit uitgelegd als volgt (rapport, 58):
“Uit het dossier blijkt dat partijen het erover eens zijn [dat] de [directeur] binnen de beleggingsportefeuilles van [Beheer] en Semax niet wenste te beleggen in aandelen (zakelijke waarden). Om die reden zouden de beleggingsportefeuilles van [Beheer] en Semax al niet voldoen aan een aandeel van 20-40% in zakelijke waarden. De portefeuilles zouden dan uitsluitend kunnen bestaan uit vastrentende waarden en liquiditeiten (waaronder obligaties). Voor het acceptabele aandeel steepeners en perpetuals in de portefeuilles heb ik mij gebaseerd op het deskundigenrapport van de heer [deskundige 2] , die op de vraag: welk percentage aan perpetuals en steepeners in de betreffende periodes aanvaardbaar was bij de onderhavige obligatieportefeuilles met een afgesproken defensief risicoprofiel? als volgt heeft geantwoord: “Uit de gepresenteerde analyses blijkt dat bandbreedtes zoals deze zouden horen bij defensief risicoprofiel bij Van Lanschot gedurende de meeste tijd niet of onvoldoende werden nageleefd. Er werd veelal teveel in vastrentende waarden belegd. Daarbij waren dit in een groot aantal perioden voor een meerderheid perpetuele leningen en steepeners. Zoals reeds aangegeven in mijn antwoord op de eerste vraag van uw hof, is maximaal 25% van de asset class ‘vastrentende waarden’ in steepeners en perpetuele leningen acceptabel (…)”.”
Deze beschouwingen van de deskundige, en haar vergelijking tussen de werkelijke situatie en de hypothetische situatie, leveren de hiervoor beschreven begroting van de schade op.
28.5.
Van Lanschot heeft in haar memorie medegedeeld het oordeel van de deskundige te accepteren, ondanks een bezwaar, mits het hof dat oordeel overneemt en de bezwaren van [appellant] verwerpt.
28.6.
[appellant] zoomt in haar reactie op het rapport van de deskundige in op het hierboven genoemde punt van deze algemene uitgangspunten van diversificatie en de door de deskundige genoemde algemeen kenmerkende grenzen van een defensieve portefeuille. Het gaat kort gezegd om het volgende. De portefeuilles waren in de relevante periodes (nagenoeg) geheel belegd in vastrentende waarden (kort gezegd: obligaties en dergelijke). Er zaten (bijna) geen zakelijke waarden (kort gezegd: aandelen en dergelijke) in. De deskundige heeft in het verlengde van het overleg met de raadsheer-commissaris, in geval van overschrijding van de grens van 25%, uitsluitend een herallocatie begroot voor die overschrijding. Dat betekent een bescheiden herallocatie, omdat de overschrijding beperkt was. [appellant] knoopt daarentegen aan bij algemene uitgangspunten van diversificatie en vindt dat bij het afgesproken defensieve risicoprofiel in dit geval 20-40% aandelen en 60-80% obligaties passend zou zijn, ook als [appellant] in werkelijkheid niet wenste te beleggen in aandelen (“bij de samenstelling van de fictieve portefeuille moet worden geabstraheerd van de werkelijke gang van zaken”, aldus [appellant] , laatste memorie, blz. 6). [appellant] vindt dus dat niet alleen de overschrijding moet worden geheralloceerd, maar ook zoveel als nodig is om te komen tot minimaal 20% aandelen. Dat levert een veel hoger schadebedrag op omdat het rendement op aandelen in de relevante periodes kennelijk (volgens [appellant] ) veel hoger is geweest.
28.7.
Het hof verwerpt deze bezwaren van [appellant] .
[appellant] heeft vóór of in de procedure, tot deze laatste fase na ontvangst van de rapportage van de deskundige, niet geklaagd over de invulling van de portefeuille, waarbij (nagenoeg) alles in obligaties (vastrentende waarden) was belegd. Van Lanschot voert steeds aan dat deze invulling conform de wensen van [appellant] was; [appellant] heeft dit niet (gemotiveerd) bestreden. Het hof merkt hier verder over op dat [appellant] ook een offensieve portefeuille bij Van Lanschot heeft aangehouden (rapport deskundige, 91 en tussenarrest 14 juni 2016, r.o. 3.1. onder (vii)). Het verwijt dat [appellant] aan Van Lanschot in dit geding maakt, betreft steeds het punt dat er teveel steepeners en perpetuals in de portefeuille aanwezig waren, niet het thema dat er te weinig aandelen in de portefeuille aanwezig waren (zie gedingstukken in eerste aanleg en memorie van grieven: 14, 19, 55-57, 63, 74). Het hof heeft dit verwijt inzake steepeners en perpetuals gegrond geacht.
Het hof heeft echter geen tekortkoming van Van Lanschot vastgesteld, in die zin dat Van Lanschot had moeten adviseren minimaal 20% aandelen op te nemen in de portefeuille en de portefeuille niet (nagenoeg) geheel in te vullen met obligaties en soortgelijke producten. [appellant] heeft geen concrete feiten of deugdelijke analyse naar voren gebracht waaruit een tekortkoming op dat punt zou kunnen volgen. Voor een debat daarover is het in dit geding nu te laat. Hoe dan ook, uit de rapporten van de beide deskundigen ( [deskundige 2] en [deskundige 1] ) kan het hof overigens (zonder nadere toelichting, die ontbreekt) geen aanwijzingen voor een dergelijke tekortkoming afleiden.
De door het hof vastgestelde tekortkoming heeft uitsluitend te maken met de steepeners en perpetuals boven de grens van 25%. Op zichzelf klopt het wel, zoals [appellant] nu stelt, dat in algemene zin bij een defensieve portefeuille 20-40% aandelen verantwoord kan zijn, maar in dit geval heeft [appellant] welbewust gekozen voor een hoger percentage obligaties en dus (nagenoeg) geen aandelen. Dat levert bij gebreke van een tekortkoming op dit punt geen relevante schade op. De deskundige heeft dan ook terecht haar herallocatie beperkt tot de overschrijding van de grens van 25%.
28.8.
[appellant] klaagt verder (laatste memorie, 14, zie ook 15-16): “De deskundige rekent echter bij het herbalanceren van de portefeuille tussentijds verliezen niet mee. Dit betekent dat een groot deel van de door [appellant] geleden verliezen op steepeners en perpetuele leningen niet als schade wordt gerekend. Tussentijdse verliezen worden in het deskundige bericht dus niet meegeteld bij de schade.”
De deskundige heeft hierover opgemerkt (rapport, 103): “De schade is begroot door het verschil te nemen tussen de werkelijke ontwikkeling (geïnvesteerd bedrag, waarde, winsten en verliezen) van de werkelijke portefeuilles en de fictieve ontwikkeling (geïnvesteerd bedrag, waarde, winsten en verliezen) van de fictieve portefeuille die maximaal 25% van obligatiebelang aan steepeners en perpetuals bevat. Alle verschillen tussen de werkelijke en de fictieve portefeuilles, dus ook alle verliezen voor zover die zien op het teveel gehouden aantal steepeners en perpetuals zijn betrokken in de schade. Voor zover verlies is geleden op steepeners en perpetuals binnen het 25% aandeel, levert dat geen schade op. Aangenomen is immers dat maximaal 25% van het obligatiebelang aan steepeners en perpetuals aangehouden mocht worden.”
28.9.
Het hof onderschrijft deze motivering van de deskundige en verwerpt de klacht van [appellant] . Het hof heeft inderdaad een tekortkoming vastgesteld voor zover het gaat om steepeners en perpetuals boven de grens van 25% van het obligatiebelang. Schade als gevolg van steepeners en perpetuals onder die grens is niet toe te rekenen aan een tekortkoming en is dus niet relevant. Het klopt dat de grens van 25% van het obligatiebelang hoger is indien de hele portefeuille wordt ingevuld met obligaties (vergeleken met de situatie dat 20-40% van de portefeuille wordt ingevuld met aandelen). Deze beschouwing leidt echter naar het oordeel van het hof niet tot een ander oordeel, omdat de tekortkoming waar het in dit geding om gaat, zoals hiervoor is overwogen is toegespitst op de steepeners en perpetuals boven de grens van 25% van het obligatiebelang, niet op de verdere invulling van de defensieve portefeuille.
28.10.
Om deze redenen verwerpt het hof ook de opmerkingen van [appellant] onder 17 en 18 van haar laatste memorie. [appellant] gaat in die alinea’s in op een benchmarkportefeuille. Haar standpunt komt vooral neer, als het hof het goed ziet, op de gedachte dat een substantieel deel (minimaal 20%) van de portefeuille had moeten worden ingevuld met aandelen, of dat verliezen op de steepeners en perpetuals ook onder de grens van 25% van het obligatiebelang moeten worden meegerekend. Het hof heeft deze standpunten hiervoor al besproken en verworpen.
Het hof voegt hieraan toe dat de deskundige aan de hand van het rapport van de deskundige [deskundige 2] en overeenkomstig de opdracht van het hof een op deze specifieke situatie toegespitste benchmark heeft ontworpen en bij haar rapportage heeft betrokken (namelijk: een defensieve portefeuille, geheel ingevuld met obligaties en waar nodig aangevuld met meer effecten die al in de portefeuille aanwezig waren). Het hof heeft, anders dan [appellant] stelt, niet beslist dat een deel van de portefeuille zonder meer had moeten worden ingevuld met aandelen. Het hof volgt het uitgangspunt van de deskundige, dat het exces boven de grens van 25% van de obligaties in de hypothetische situatie zou zijn ingevuld met effecten die al in de portefeuille aanwezig waren. Dit uitgangspunt leidt tot een deugdelijke beantwoording van de vragen van het hof.
28.11.
Het laatste bezwaar van [appellant] betreft de peildatum van 26 februari 2008. [appellant] verzoekt het hof een andere, latere peildatum vast te stellen, omdat het onder de omstandigheden begin 2008, toen zij voor het eerst op de hoogte was van de problematiek rondom de aanwezige steepeners en perpetuals, buitengewoon lastig was hierover snel beslissingen te nemen of uit te voeren. Het hof verwerpt dit standpunt. Het hof verwijst naar ro. 22.8 (tussenarrest van 4 augustus 2020). Het hof blijft bij de daarin opgenomen beslissingen. Het door [appellant] genoemde arrest van het hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2020:1219) betreft een geheel andere feitelijke context (emissie en verwaterd aandelenbelang). Het hof onderkent de moeilijke situatie waarin [appellant] zich bevond op de peildatum van 26 februari 2008, maar dit laat onverlet dat haar keuzes vanaf die peildatum in de juridische beoordeling voor haar rekening komen.
28.12.
Het hof merkt op dat onttrekkingen door [appellant] vanzelfsprekend moeten worden meegenomen bij de begroting van de schade. Een onttrekking betekent immers dat [appellant] geld opneemt en dus ontvangt. De deskundige heeft daarom terecht met de onttrekkingen rekening gehouden. De bezwaren van [appellant] bij de deskundige waren op dit punt dus onterecht. ( [appellant] lijkt overigens in haar laatste memorie (nr. 15) ook deels op haar eerdere standpunt over dit onderwerp terug te komen.)
28.13.
Nu het hof de bezwaren van [appellant] verwerpt en de conclusies van de deskundige overneemt, behoeft het bezwaar van Van Lanschot tegen het deskundigenrapport verder geen inhoudelijke behandeling (zie r.o. 28.5.). Al het voorgaande betekent dat het gevorderde moet worden toegewezen tot een bedrag van € 148.649,00 ( [Beheer] ) en € 100.655,00 (Semax) en voor het overige moet worden afgewezen. De grieven slagen in zoverre en worden voor het overige verworpen.
De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 11 november 2009 (de dag van de inleidende dagvaarding). [appellant] heeft haar vordering tot vergoeding van de wettelijke rente vanaf 1 mei 2009 niet toegelicht. De vordering van [appellant] tot vergoeding van de wettelijke handelsrente moet worden afgewezen (tussenarrest, 13.13).
28.14.
Het hof beoordeelt vervolgens de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
Volgens vaste rechtspraak (HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586) is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW, vereist dat:
a. a) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;
b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;
c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en
d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.
Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten is echter niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden (vgl. HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423).
28.15.
Het gaat [appellant] om de volgende posten:
- kosten adviseur [adviseur 1] : € 7.000,00
- kosten adviseur [adviseur 2] : € 3.000,00
- kosten advocaat: € 9.891,00
totaal: € 19.891,09 exclusief btw.
Aan de voorwaarden a) tot en met c) hiervoor is naar het oordeel van het hof voldaan. De werkzaamheden van de adviseurs en de advocaat zijn veroorzaakt door de tekortkoming van Van Lanschot (a) en b)) en het was redelijk deskundige bijstand van de beide adviseurs en de advocaat in te roepen (c)). Immers, [appellant] zag zich geplaatst voor aanzienlijke verliezen in haar portefeuilles die in verband met de tekortkoming van Van Lanschot zijn ontstaan. Die tekortkoming was ook niet eenvoudig te begrijpen; daarvoor was inzicht nodig in de aard van de dienstverlening, de daarvoor geldende normen, het feitelijk verloop van de portefeuilles en de keuzes die in de loop van de jaren zijn gemaakt.
Het hof acht ook de omvang van de kosten redelijk (d)). Dit volgt uit de aard van de materie, die lastig te begrijpen is. Daarom heeft het hof ruim € 62.000,00 (zie 28.16 hierna) redelijk geacht als loon voor de deskundigen die het hof heeft aangesteld. Het hof heeft de inzichten van de adviseurs [adviseur 1] en [adviseur 2] niet op alle punten gevolgd en had behoefte aan aanvullende advisering, maar dit neemt niet weg dat de adviseurs [adviseur 1] en [adviseur 2] belangrijke eerste stappen hebben gezet die nodig waren om de situatie te inventariseren, als oriënterend onderzoek en als opstap naar de inleidende dagvaarding. De bedragen van € 7.000,00 en € 3.000,00 exclusief btw zijn naar het oordeel van het hof redelijk voor dergelijk werkzaamheden. Ook de kosten van de advocaat (iets minder dan € 10.000,00 exclusief btw) zijn naar het oordeel van het hof redelijk in het licht van de aard van de materie en de belangen in de zaak. De advocaat moest de kwestie onderzoeken en de adviseurs [adviseur 1] en [adviseur 2] inschakelen en naar behoren informeren. Dat rechtvaardigt de opgegeven kosten. Daarom kan in dit geval niet worden gezegd dat het gaat om kosten die behoren tot de gangbare proceskostenveroordeling.
28.16.
De toe te wijzen hoofdsommen zijn als volgt:
- € 148.649,00 schade [Beheer] , rapport deskundige [deskundige 1] (28.3 hiervoor);
- € 100.655,00 schade Semax, rapport deskundige [deskundige 1] (28.3 hiervoor);
- € 19.891,09 vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (28.15 hiervoor).
28.17.
Het hof zal Van Lanschot in de proceskosten veroordelen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Van Lanschot heeft erop gewezen dat slechts een beperkt deel van de oorspronkelijke vordering wordt toegewezen. Dat klopt, maar dat laat onverlet dat het hof een substantieel bedrag ten laste van Van Lanschot toewijst. Dat rechtvaardigt een proceskostenveroordeling in haar nadeel. Daarnaast is een belangrijk deel van de vordering, dat niet wordt toegewezen, eenvoudig verklaarbaar aan de hand van onttrekkingen, waarmee in de eerste berekening onvoldoende rekening is gehouden: dat is een duidelijke vergissing, die niet heeft geleid tot substantiële kosten. Van Lanschot heeft, zoals zij aanvoert, gelijk gekregen op het punt van de waarschuwingen, maar dat neemt niet weg dat zij geldt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, gezien de beslissingen en de context daarvan.
28.18.
[appellant] heeft de kosten voor de eerste deskundige geheel gedragen: € 21.104,82. Iedere partij heeft de helft van het voorschot voor de kosten van de tweede deskundige gedragen: totale kosten € 41.613,71, waarvan de helft € 20.806,35. Van Lanschot zal worden veroordeeld de door [appellant] gedragen kosten aan haar te vergoeden.
29. De uitspraak
Het hof:
verklaart voor recht dat Van Lanschot jegens [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen;
veroordeelt Van Lanschot € 148.649,00, € 100.655,00 en € 19.891,09 aan [appellant] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2009 tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt Van Lanschot in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 72,25 aan dagvaardingskosten, op € 440,00 aan griffierecht en op € 21.173,50 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 77,52 aan dagvaardingskosten, op € 1.920,00 aan griffierecht, op € 21.104,82 en € 20.806,35 voor kosten deskundigen en op € 14.224,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, P.M. Arnoldus-Smit en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 september 2021.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 19‑01‑2021
Inhoudsindicatie
Perpetuals en steepeners. Waarschuwingsplicht. Spreiding. Deskundigenbericht. Afwikkeling en eindarrest.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.144.380/01
arrest van 19 januari 2021
in de zaak van
1. [Beheer] B.V.,
2. Semax B.V., beiden gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk aan te duiden als [Beheer] en Semax,
en gezamenlijk in enkelvoud als [appellant] ,
advocaat: mr. J.G. Molenaar te Amsterdam,
tegen
F. van Lanschot Bankiers N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Van Lanschot,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 14 juni 2016, 27 september 2016, 18 april 2017, 2 oktober 2018, 21 januari 2020, 18 februari 2020 en 4 augustus 2020 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch (thans: rechtbank Oost-Brabant) respectievelijk de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/202943/HA ZA 09-2705 gewezen vonnissen van 16 mei 2012 en 27 november 2013.
24. Het tussenarrest van 4 augustus 2020
Bij arrest van 4 augustus 2020 heeft het hof bepaald dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht door mevrouw [deskundige 1] . Verder is bepaald dat het voorschot van € 22.147,84 (incl. BTW), voor de helft door [appellant] (€ 11.073,92), en de andere helft door Van Lanschot (€ 11.073,92) dient te worden voldaan.
De termijn van inzending van het deskundigenbericht is vervolgens bepaald op 8 december 2020. Iedere verdere beslissing is vervolgens aangehouden.
[appellant] heeft op 25 augustus 2020 en Van Lanschot op 26 augustus 2020 het voorschot op de aangegeven wijze voldaan.
25. Het verdere verloop van de procedure
De deskundige, mevrouw [deskundige 1] , heeft per brief van 2 december 2020 aan de griffier van het hof bericht dat het reeds in depot gestelde voorschot van € 22.147,84 niet toereikend is. Zij verzoekt daarom een verhoging van het voorschotbedrag van € 19.465,88 (incl. BTW).
Per mailbericht van 3 december 2020 heeft de griffier het verzoek van mevrouw [deskundige 1] doorgezonden aan de advocaten van partijen en partijen in de gelegenheid gesteld tot uiterlijk 17 december 2020 te reageren op het verzoek tot verhoging van het voorschot.
[appellant] heeft per mailbericht van 3 december 2020 aangegeven, dat [appellant] nog geen kennis heeft kunnen nemen van de vorderingen die de deskundige heeft gemaakt bij de uitvoering van haar werkzaamheden en dat het daarom niet mogelijk is om zich een inhoudelijk oordeel te vormen. Deze kosten komt [appellant] op het eerste oog wel hoog voor omdat omtrent de aard van de aansprakelijkheid al een rapport is uitgebracht door [deskundige 2] . [appellant] ziet in deze situatie geen andere mogelijkheid dan zich te refereren aan het oordeel van het hof.
Tevens vindt [appellant] dat niettemin van belang is dat het hof bij arrest van 21 januari 2020 reeds heeft vastgesteld dat Van Lanschot aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden. [appellant] geeft aan dat volgens haar op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW onderhavige kosten ter vaststelling van de schade voor rekening van Van Lanschot dienen te komen.
[appellant] meent dat daarmee niet te verenigen is dat het hof ook [appellant] zou veroordelen bij te dragen aan de verhoogde onderzoekskosten van de deskundige, zoals het hof bij het eerste voorschot ten behoeve van de kosten van mw. [deskundige 1] wel heeft gedaan.
Daarenboven wijst [appellant] er op dat [appellant] niet alleen voor de helft heeft bijgedragen in de kosten van mw. [deskundige 1] maar tevens alle onderzoekskosten van [deskundige 2] en de onderzoekskosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en de schade buiten rechte ( [adviseur 1] en [adviseur 2] ) heeft voorgeschoten.
[appellant] zou daarom graag zien dat het hof uitsluitend Van Lanschot veroordeeld om de resterende kosten van de deskundige te voldoen.
Van Lanschot heeft per mailbericht van 17 december 2020 aangegeven geen bezwaar tegen het verzoek tot verhoging van het voorschot te hebben. Zij ziet geen (bijzondere) reden om met betrekking tot de voldoening van de (voorlopige) kosten hiervan anders te oordelen dan het hof reeds heeft gedaan bij het tussenarrest van 4 augustus 2020.
Het hof komt het gevraagde aanvullende voorschot van € 19.465,88 niet onredelijk en buitenproportioneel voor gezien de complexiteit van het onderzoek en de aard van de werkzaamheden.
Het hof zal beslissen zoals in het dictum is bepaald.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
26. De uitspraak
Het hof:
bepaalt dat voor de kosten van de deskundige een aanvullend voorschot dient te worden voldaan van € 19.465,88 (incl. BTW)
bepaalt dat ieder van partijen ( [appellant] enerzijds, Van Lanschot anderzijds) de helft van genoemd voorschot van € 19.465,88 (incl. BTW), derhalve € 9.732,94, zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
bepaalt dat de deskundige het onderzoek verder zal voortzetten nadat de griffier heeft bericht dat het aanvullend voorschot is ontvangen;
verzoekt de deskundige, indien de kosten het aanvullend voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
verwijst de zaak naar de rol van 16 maart 2021 in afwachting van het deskundigenbericht;
verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellant] ,
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundigen zal toezenden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, D.A.E.M. Hulskes en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 januari 2021.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 04‑08‑2020
Inhoudsindicatie
Perpetuals en steepeners. Waarschuwingsplicht. Spreiding. Deskundigenbericht. Zie voorts: ECLI:NL:GHSHE:2016:2346ECLI:NL:GHSHE:2016:4282ECLI:NL:GHSHE:2017:1685ECLI:NL:GHSHE:2018:4028ECLI:NL:GHSHE:2020:162ECLI:NL:GHSHE:2020:584
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team handelsrecht
zaaknummer 200.144.380/01
arrest van 4 augustus 2020
in de zaak van
1. [beheer] Beheer B.V.,
2. Semax B.V., beiden gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk aan te duiden als [beheer] en Semax ,
en gezamenlijk als [appellanten] ,
advocaat: mr. J.G. Molenaar te Amsterdam,
tegen
F. van Lanschot Bankiers N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Van Lanschot,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 14 juni 2016, 27 september 2016, 18 april 2017, 2 oktober 2018, 21 januari 2020 en 18 februari 2020 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch (thans: rechtbank Oost-Brabant) respectievelijk de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/202943/HA ZA 09-2705 gewezen vonnissen van 16 mei 2012 en 27 november 2013.
21. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 18 februari 2020;
- -
de akte uitlating na tussenarrest van 3 maart 2020 van [appellanten] ;
- -
de akte uitlating na tussenarrest van 2 juni 2020 van Van Lanschot.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
22. De verdere beoordeling
22.1.
Het hof heeft bij het tussenarrest van 18 februari 2020 partijen in overweging gegeven het nog resterende geschil op andere wijze op te lossen bijvoorbeeld door prof. Loonen bij overeenkomst als bindend adviseur te benoemen. Partijen mochten zich hierover uitlaten.
22.2.
Partijen hebben laten weten prof. Loonen niet als bindend adviseur te willen benoemen. [appellanten] stelt voor mw. drs. I.K. Toxopeus RA te benoemen als deskundige. Van Lanschot heeft geen bezwaar. Het hof zal mevrouw Toxopeus als zodanig benoemen.
22.3.
Het hof is gelet op de omstandigheden van dit geding voornemens de kosten van de deskundige voorshands gelijkelijk ten laste van partijen te brengen (voor [appellanten] 50%, voor Van Lanschot 50%). Het hof heeft immers geoordeeld dat Van Lanschot aansprakelijk is omdat zij niet heeft gewaarschuwd (tussenarrest, 16.5).
22.4.
Het hof verzoekt de deskundige rekening te houden met de standpunten van partijen, zoals is overwogen in het arrest van 21 januari 2020:
“16.7. Het hof zal gelet op het voorgaande de schade begroten. Het gaat bij de begroting van de schade om een vergelijking tussen enerzijds de daadwerkelijke situatie op 26 februari 2008 en anderzijds de hypothetische situatie op die dag, de fout van Van Lanschot weggedacht. Het hof acht een nader onderzoek door de deskundige hiervoor noodzakelijk. Het hof verwijst naar zijn overwegingen in het tussenarrest onder 3.14.6 en 3.17.1-6 en volhardt daarin. Het hof verzoekt de deskundige rekening te houden met de nadere standpunten van partijen (16.1 (a)(xvi) hiervoor en de daarop volgende processtukken).”
22.5.
[appellanten] heeft geen opmerkingen naar voren gebracht over de voorgenomen vraagstelling.
22.6.
Van Lanschot heeft twee opmerkingen gemaakt.
22.7.
De eerste opmerking gaat over de peildatum. Van Lanschot wenst uit te gaan van 9 januari 2008 in plaats van 26 februari 2008. Van Lanschot voert aan dat [appellanten] de portefeuilles heeft overgeboekt naar de Rabobank op 9 januari 2008, “zodat daarna enige dienstverlening van Van Lanschot met betrekking tot deze portefeuilles niet meer kon plaatsvinden”.
22.8.
Het hof heeft wat betreft de peildatum in het arrest van 21 januari 2020 (ro. 16.1 (h) (vi) en ro. 16.3-16.4) overwogen:
“Van Lanschot onderschrijft het voorshandse oordeel van het hof dat als peildatum voor de schadeberekening 26 februari 2008 kan worden aangehouden (memorie na deskundigenbericht, 41).”
“In rov. 3.17.6 van het tussenarrest van 14 juni 2016 heeft het hof voorshands geoordeeld dat als peildatum voor de schadeberekening 26 februari 2008 kan worden gehanteerd. Partijen mochten zich daarover uitlaten en hebben dat ook gedaan in hun memorie na deskundigenbericht. Van Lanschot acht 26 februari 2008 als peildatum juist. [appellanten] verzet zich daartegen.”
“Het hof zal als peildatum 26 februari 2008 hanteren. Het hof blijft bij zijn beslissing hierover en verwijst naar de gronden daarvoor in het tussenarrest onder 3.17.6. [appellanten] heeft zelf gesteld dat hij in het gesprek met de Rabobank op 26 februari 2008 er achter kwam dat de samenstelling van de portefeuilles c.q. het beleggingsadvies van Van Lanschot niet paste bij het vastgestelde defensieve risicoprofiel (tussenarrest, 3.8.5, 3.17.6). Het standpunt van [appellanten] (memorie na deskundigenbericht, 24) is dat hij pas na kennisname van een rapport van prof. [de deskundige aan de zijde van appellante] van 31 juli 2008 daarvan op de hoogte was. Het hof verwerpt dit standpunt. Het gaat om de kennis van [appellanten] wat betreft het mogelijke tekortschieten van Van Lanschot. Deze kennis had hij op 26 februari 2008. In het rapport van prof. [de deskundige aan de zijde van appellante] zijn (volgens [appellanten] ) enkele aspecten, zoals de ernst en volledige omvang van de gestelde problemen, nader uitgewerkt en onderbouwd, maar dit laat de kennis van [appellanten] op 26 februari 2008 wat betreft het mogelijke tekortschieten van Van Lanschot onverlet. Eventuele schade na 26 februari 2008 komt voor rekening van [appellanten] omdat dergelijke schade te wijten is aan keuzes van [appellanten] toen hij de vereiste kennis had.”
22.9.
Het hof heeft het standpunt van Van Lanschot op het punt van de peildatum aanvaard. Voor zover Van Lanschot hiermee de grondslag van haar verweer wijzigt, acht het hof dit te laat en in strijd met de goede procesorde. Voor zover zij het hof verzoekt terug te komen op zijn beslissing op dit punt geldt het volgende. De beslissing over de peildatum berust niet op een (kennelijke) juridische of feitelijke misslag. Het hof blijft dan ook bij de beslissing in het arrest van 21 januari 2020 en hanteert de peildatum 26 februari 2008.
22.10.
De tweede opmerking van Van Lanschot betreft het risicoprofiel defensief. Van Lanschot wenst in de vraagstelling (nog nadrukkelijker) op te nemen dat [appellanten] steeds defensief wenste te beleggen (lage risicobereidheid). Daarom mogen onder de “andere financiële instrumenten” in de vraagstelling geen producten worden opgenomen waaraan grotere risico’s zijn verbonden dan aan steepeners en perpetuals en mogen geen aandelen (zakelijke waarden) worden opgenomen, aldus Van Lanschot.
22.11.
Het hof acht de voorgenomen vraagstelling voldoende duidelijk op deze punten.
22.12.
De vraagstelling luidt als volgt (ro. 16.9 van het arrest van 21 januari 2020):
1. Kunt u voor de beleggingsportefeuilles van [beheer] B.V. en Semax B.V. afzonderlijk bepalen wat het verschil is in waarde tussen:(i) de daadwerkelijke portefeuilles zoals deze waren samengesteld op 26 februari 2008 en(ii) het fictieve geval per 26 februari 2008 waarbij het belang van steepeners en perpetuele leningen in deze portefeuilles binnen de grens van 25% van het obligatiebelang zou zijn gehouden en de aankoopsom voor dat meerdere zou zijn belegd in andere financiële producten die met inachtneming van algemene uitgangspunten van diversificatie passen bij het afgesproken defensieve risicoprofiel van de portefeuilles van [beheer] B.V. en Semax B.V.?
2. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?
22.13.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
23. De uitspraak
Het hof:
23.1.
bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 22.12 van dit arrest geformuleerde vragen;
23.2.
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:
mw. drs. I.K. Toxopeus RA[Advisory] Advisory[adres][postcode] [kantoorplaats]
[telefoonnummer] [e-mailadres] ;
23.3.
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;
bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;
23.4.
bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van het concept-rapport – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;
verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed rapport, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het rapport aan de advocaten van partijen toe te zenden;
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijke, ondertekende rapport ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
23.5.
bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 22.147,84 incl. btw, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
bepaalt dat ieder van partijen ( [appellanten] enerzijds, Van Lanschot anderzijds) de helft van genoemd voorschot van € 22.147,84, incl. btw, derhalve € 11.073,92, zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
verzoekt de deskundige, indien haar kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
23.6.
benoemt mr. Frakes tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
23.7.
verwijst de zaak naar de rol van 8 december 2020 in afwachting van het deskundigenrapport;
verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenrapport naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenrapport aan de zijde van [appellanten] ;
23.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, D.A.E.M. Hulskes en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 augustus 2020.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 18‑02‑2020
Inhoudsindicatie
Perpetuals en steepeners. Waarschuwingsplicht. Spreiding. Deskundigenbericht. Zie voorts: ECLI:NL:GHSHE:2016:2346ECLI:NL:GHSHE:2016:4282ECLI:NL:GHSHE:2017:1685ECLI:NL:GHSHE:2018:4028ECLI:NL:GHSHE:2020:162
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team handelsrecht
zaaknummer 200.144.380/01
arrest van 18 februari 2020
in de zaak van
1. [Beheer] Beheer B.V.,
2. Semax B.V., beiden gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk aan te duiden als [Beheer] Beheer en Semax,
en gezamenlijk als [appellanten] ,
advocaat: mr. J.G. Molenaar te Amsterdam,
tegen
F. van Lanschot Bankiers N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Van Lanschot,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 14 juni 2016, 27 september 2016, 18 april 2017, 2 oktober 2018 en 21 januari 2020 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch (thans: rechtbank Oost-Brabant) respectievelijk de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/202943/HA ZA 09-2705 gewezen vonnissen van 16 mei 2012 en 27 november 2013.
18. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 21 januari 2020;
- -
de brief van de deskundige prof. Loonen van 24 januari 2020;
- -
de e-mail van mr. Molenaar van 28 januari 2020;
- -
de e-mail van [naam] namens de behandelend advocaat van Van Lanschot van 10 februari 2020.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
19. De verdere beoordeling
19.1.
Het hof heeft bij het tussenarrest van 21 januari 2020 het voornemen uitgesproken prof. Loonen te benoemen als deskundige in het kader van een aanvullend deskundigenonderzoek (16.8-9). Prof. Loonen heeft het hof bericht dat hij sinds 2019 opleidingen verzorgt voor Van Lanschot in opdracht van de raad van bestuur. Prof. Loonen acht zich in staat de zaken te scheiden en heeft zich bereid verklaard de vragen van het hof te beantwoorden. Het hof heeft vervolgens het voornemen uitgesproken een andere deskundige te zoeken en partijen verzocht zich hierover uit te laten. Mr. Molenaar heeft geschreven dat aan de onpartijdigheid, onafhankelijkheid en integriteit van prof. Loonen niet behoeft te worden getwijfeld en het hof verzocht hem alsnog te benoemen om onnodige vertraging en disproportionele kosten te voorkomen. Van Lanschot heeft bevestigd dat zij zich kan verenigen met de benoeming van prof. Loonen .
19.2.
Het hof stelt vast dat partijen gezamenlijk verzoeken prof. Loonen te benoemen en dat hij bereid is de benoeming te aanvaarden. Desondanks betracht het hof terughoudendheid. Een door het hof benoemde deskundige licht het hof voor en heeft een zelfstandige rol. Overeenstemming tussen partijen neemt een mogelijke schijn van belangenverstrengeling niet geheel weg. Het hof houdt er ook rekening mee dat partijen bij memorie na deskundigenbericht, als de inhoud van het rapport bekend is, nog zodanige bezwaren naar voren kunnen brengen, dat het hof in dat stadium aanleiding ziet om alsnog een andere deskundige te benoemen. Dat zou niet doelmatig zijn. Al met al ziet het hof zich genoodzaakt om nu een andere deskundige te benoemen, tenzij partijen een alternatieve oplossing bereiken.
19.3.
Het hof geeft partijen tegen deze achtergrond in overweging het nog resterende geschil op andere wijze op te lossen bijvoorbeeld door prof. Loonen bij overeenkomst als bindend adviseur te benoemen om de antwoorden op de vragen in het arrest van 21 januari 2020 tussen partijen bindend vast te stellen. De zaak zou dan ter rolle kunnen worden doorgehaald en vervolgens indien nodig weer kunnen worden opgebracht. Het hof zal partijen de gelegenheid geven zich bij akte hierover uit te laten.
19.4.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
20. De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 3 maart 2020 voor akte aan de zijde van beide partijen tot het hiervoor onder 19.3. omschreven doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, D.A.E.M. Hulskes en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 februari 2020.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 21‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Perpetuals en steepeners. Waarschuwingsplicht. Spreiding. Deskundigenbericht Zie voorts: ECLI:NL:GHSHE:2016:2346; ECLI:NL:GHSHE:2016:4282; ECLI:NL:GHSHE:2017:1685 en ECLI:NL:GHSHE:2018:4028
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team handelsrecht
zaaknummer 200.144.380/01
arrest van 21 januari 2020
in de zaak van
1. [beheer] Beheer B.V.,
2. Semax B.V., beiden gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk aan te duiden als [beheer] Beheer en Semax,
en gezamenlijk als [appellant] ,
advocaat: mr. J.G. Molenaar te Amsterdam,
tegen
F. van Lanschot Bankiers N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Van Lanschot,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 14 juni 2016, 27 september 2016, 18 april 2017 en 2 oktober 2018 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch (thans: rechtbank Oost-Brabant) respectievelijk de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/202943/HA ZA 09-2705 gewezen vonnissen van 16 mei 2012 en 27 november 2013.
15. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 2 oktober 2018;
- -
de memorie na tussenarrest van [appellant] van 13 november 2018;
- -
de akte na deskundigenbericht van Van Lanschot van 11 december 2018.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
16. De verdere beoordeling
16.1.
De stand van zaken in het hoger beroep is als volgt:
( a) Het hof heeft in het arrest van 14 juni 2016, zeer kort samengevat, onder meer het volgende overwogen:
(i) Van finale kwijting of afstand van recht door [appellant] is geen sprake (3.7.2);
(ii) Het beroep van Van Lanschot op een schending van de klachtplicht of rechtsverwerking wordt verworpen (3.8.5);
(iii) Uitgangspunt voor het hof is dat:
- Van Lanschot op zichzelf niet in strijd met de norm van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beleggingsadviseur heeft gehandeld door te adviseren bedrijfsobligaties (en meer specifiek bedrijfsobligaties van de Duitse IKB Bank) op te nemen in de onderhavige portefeuille(s);
- geen sprake is geweest van een te sterk accent op crisisgevoelige obligaties;
- ook complexe obligaties (perpetuals en steepeners) in de gegeven omstandigheden door een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur konden worden geadviseerd bij een portefeuille met een defensief risicoprofiel (3.10);
(iv) Het gaat [appellant] om de perpetuals en steepeners (3.11);
(v) Tussen partijen bestond een beleggingsadviesrelatie (3.12.1);
(vi) Een defensief risicoprofiel is vastgesteld voor de portefeuilles waar het om gaat en hiervoor geldt een normweging van 60-80% vastrentende waarden en liquiditeiten en 20-40% zakelijke waarden (3.12.2-3);
(vii) Perpetuals en steepeners zijn niet gelijk te stellen met (traditionele) vastrentende waarden en Van Lanschot had [appellant] uitdrukkelijk moeten waarschuwen voor de eigenschappen en specifieke risico’s die aan perpetuals en steepeners zijn verbonden (3.12.3);
(viii) [appellant] is niet geslaagd in het bewijs dat Van Lanschot hiervoor niet heeft gewaarschuwd (3.13.7);
(ix) Van Lanschot had de cliënt, [appellant] , moeten waarschuwen als de beleggingsbeslissingen tot gevolg hebben dat de portefeuilles gezien het afgesproken profiel te risicovol zijn ingericht en de risicoparameters behorende bij dit profiel zijn overschreden (3.14.3);
(x) Van Lanschot erkent dat zij niet heeft gewaarschuwd voor de door [appellant] gestelde overschrijding van de risicoparameters behorende bij het defensieve profiel van de obligatieportefeuilles; volgens Van Lanschot was er geen sprake van een overschrijding, zodat een waarschuwing niet aan de orde was (3.14.3);
(xi) Het hof heeft behoefte aan deskundige voorlichting over de gestelde overschrijding van het risicoprofiel (3.14.4);
(xii) Indien een dergelijke overschrijding zich heeft voorgedaan, neemt het hof het oorzakelijk verband aan; [appellant] zou hebben afgezien van (verdere) aanschaf van perpetuals en steepeners indien hij naar behoren zou zijn gewaarschuwd (3.16.4);
(xiii) De aandelenportefeuille van [appellant] (alsmede eventuele voordelen in dat verband) moet bij de eventuele schadebegroting buiten beschouwing blijven (3.17.2);
(xiv) Het hof is voorshands van oordeel dat als peildatum voor de schadeberekening 26 februari 2008 moet worden aangehouden (3.17.6);
(xv) Indien een overschrijding van de risicoparameters behorende bij het overeengekomen defensief risicoprofiel zich heeft voorgedaan, is de schade niet mede een gevolg van een omstandigheid die aan [appellant] kan worden toegerekend (3.18);
(xvi) [appellant] moet zich uitlaten en stukken overleggen over de volgende onderwerpen (3.19.1, onder verwijzing naar 3.14.6 en 3.17.4):
- vanaf welk(e) tijdstip(pen) het door de deskundige vast te stellen percentage aan perpetuals en steepeners is overschreden en om welk percentage perpetuals en/of steepeners het hierbij gaat, en:
- vanaf welk moment als gevolg van de adviezen van Van Lanschot hetzij door verkoop van traditionele obligaties hetzij door aankoop van perpetuals en/of steepeners de door de deskundige vast te stellen percentages zijn overschreden.
( b) Het hof heeft de deskundige prof. dr. Loonen benoemd (arrest van 27 september 2016). Het hof heeft met betrekking tot de vragen overwogen:
6.5.
Het hof bepaalt dat de deskundige ter beantwoording van de vraag of de obligatieportefeuilles van [beheer] Beheer (met nummer [obligatieportefeuillesnummer] ) en Semax (met nummer [Semax-nummer] ) op tijdstippen in de periode van oktober 2002 respectievelijk begin 2003 tot ultimo 2007 volgens de toen geldende inzichten binnen het risicoprofiel defensief zijn gebleven, gemotiveerd en zo nauwkeurig mogelijk antwoord dient te geven op de volgende vragen:
1. welk(e) percentage(s) aan perpetuals en steepeners (tezamen en afzonderlijk) in de betreffende periodes was in het algemeen aanvaardbaar bij obligatieportefeuilles behorende bij een defensief risicoprofiel?
2. welk(e) percentage(s) aan perpetuals en steepeners (tezamen en afzonderlijk) in de betreffende periodes was aanvaardbaar bij de onderhavige obligatieportefeuilles met een afgesproken defensief risicoprofiel? Daarbij dient de deskundige in aanmerking te nemen dat bij deze defensieve risicoprofielen (destijds) een bandbreedte hoorde van 60-80% voor vastrentende waarden en liquiditeiten en 20-40% voor zakelijke waarden.
De deskundige dient bij de beantwoording van de vragen 1. en 2. ermee rekening te houden dat in de periode van oktober 2002 respectievelijk begin 2003 tot ultimo 2007 de inzichten kunnen zijn gewijzigd.
3. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?
( c) Het hof heeft een aanvullend voorschot voor de deskundige vastgesteld (arrest van 18 april 2017).
( d) De deskundige heeft de vragen, kort samengevat, als volgt beantwoord:
“Conclusie vraag 1:
Er zijn geen eensluidende regels ten aanzien van het inrichten van een beleggingsportefeuille met een ‘defensief profiel’. Dit betekent dat beleggingsondernemingen hun risicoprofielen niet alleen andere benamingen geven, maar ook een andere invulling (lees: asset mix) kennen ten opzichte van elkaar.
Ook is er geen eenduidige richtlijn hoe er met perpetuele leningen en steepeners moet worden omgegaan binnen de beleggingsdienstverlening. Zo zijn er exogene en endogene factoren die van invloed kunnen zijn op het belang dat in perpetuele leningen en steepeners aangehouden kan worden. Exogene factoren zijn de marktomstandigheden (zoals rentestanden), de risicobereidheid van de cliënt en de financiële doelstellingen. Endogene factoren zijn het (beleggings)risicoframework, maar ook de beleggingsinzichten van de beleggingsonderneming in kwestie.
Uit de literatuur (…) blijkt dat perpetuele leningen en steepeners niet kunnen worden beschouwd als defensieve beleggingen. Toch kan een opname van deze leningen zorgen voor een risicomitigering binnen de vastrentende waarden in een beleggingsportefeuille. Het belang in perpetuele leningen en steepeners kan evenwel per beleggingsonderneming variëren en is afhankelijk van een aantal hiervoor genoemde factoren. Edoch, in de praktijk wordt aangehouden dat er maximaal 25% van het obligatiebelang in een beleggingsportefeuille in perpetuele leningen of steepeners kan worden belegd. Dit ongeacht het risicoprofiel. Er wordt binnen deze 25% geen onderscheid gemaakt tussen perpetuele leningen en steepeners. Dit met name gezien de lange looptijd van beide instrumenten alsmede het verhoogde debiteurenrisico.”
“Conclusie vraag 2:
Uit de gepresenteerde analyses blijkt dat de bandbreedtes zoals deze zouden horen bij een defensief risicoprofiel bij Van Lanschot gedurende de meeste tijd niet of onvoldoende werden nageleefd. Er werd veelal teveel in vastrentende waarden belegd. Daarbij waren dit in een groot aantal perioden voor een meerderheid perpetuele leningen en steepeners. Zoals reeds aangegeven in mijn antwoord op de eerste vraag van uw hof, is maximaal 25% van de asset class ‘vastrentende waarden’ in steepeners en perpetuele leningen acceptabel. Ofschoon er in een aanzienlijk aantal perioden te weinig in zakelijke waarden werd belegd, kan dit niet gecompenseerd worden door een hoger belang aan te gaan in perpetuele leningen en steepeners. De reden hiervoor is dat de risico/rendementskarakteristieken van deze leningen verschillend zijn ten opzichte van aandelen of vastgoed.
Voorts blijkt uit (voornamelijk) interne documenten dat er een aantal situaties waren waarbij Van Lanschot van mening was dat het belang in alternatieve renteproducten of obligaties van financiële instellingen verlaagd diende te worden. Het is mij niet gebleken dat er aan dit interne advies gevolg is gegeven (hetzij uit verstrekte adviezen danwel uit handelingen).”
“Conclusie vraag 3:
Ik ben van mening dat uw hof kennis zou moeten nemen van het feit dat het usance is binnen de beleggingsdienstverlening dat er een nauwkeurig geformuleerd riskframework (inzake advies- en beheerbeleid) is waarbinnen risico’s inzichtelijk en gemitigeerd dienen te worden. Van een toegepast riskframework (zoals hiervoor beschreven) binnen de portefeuilles van [beheer] Beheer B.V. en Semax B.V. is mij onvoldoende gebleken.”
( e) Partijen hebben memories na deskundigenbericht genomen. [appellant] heeft daarbij een incidentele vordering tot betaling van een voorschot ingesteld. Het hof heeft die vordering afgewezen (tussenarrest van 2 oktober 2018).
( f) Het hof heeft de zaak naar de rol verwezen voor een reactie van [appellant] op de antwoordmemorie na deskundigenbericht van Van Lanschot (waarna antwoordmemorie Van Lanschot) (tussenarrest van 2 oktober 2018). Het hof heeft in dat arrest overwogen:
13.5.
Het hof overweegt verder alvast het volgende. Het zou zo kunnen zijn dat het hof na de memoriewisseling tot het oordeel komt dat door het percentage perpetuals en steepeners in de obligatieportefeuilles van [appellant] de risicoparameters behorende bij het afgesproken defensief risicoprofiel zijn overschreden, en dat Van Lanschot schadeplichtig is omdat zij hiervoor niet heeft gewaarschuwd. Als het hof tot dat oordeel zou komen, dan zal het hof naar verwachting behoefte hebben aan voorlichting door (een) deskundige(n) over de hoogte van de schade die [appellant] heeft geleden doordat Van Lanschot op dit punt (overschrijding parameters risicoprofiel) niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. Gelet hierop stelt het hof partijen om praktische redenen nu al in de gelegenheid om zich in hun (antwoord)memorie na tussenarrest ook uit te laten over het aantal, de deskundigheid en – bij voorkeur eensluidend – de persoon van de te benoemen deskundige(n). Daarbij kunnen partijen ook suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Overigens zou het hof zich kunnen voorstellen dat het praktisch is als Loonen ook voor de schadeberekening tot deskundige wordt benoemd. Daarbij gaat het hof er vooralsnog van uit dat hij ook op dit punt voldoende deskundige is.
Mocht het hof te zijner tijd inderdaad een deskundigenonderzoek naar de hoogte van de schade gelasten, dan is het hof voornemens de kosten van de deskundige(n) voorshands ten laste van [appellant] te brengen, die de eisende partij is als bedoeld in artikel 195 Rv.
( g) Vervolgens heeft [appellant] een memorie na tussenarrest genomen. Daarna heeft Van Lanschot een akte genomen.
( h) De standpunten in de memories en akte na het deskundigenbericht en na het tussenarrest van 2 oktober 2018 zijn, zeer kort samengevat, als volgt.
(i) [appellant] kan zich (in grote lijnen) verenigen met het deskundigenbericht.
(ii) [appellant] heeft gegevens verstrekt in antwoord op het tussenarrest ((a)(xvi) hiervoor). [appellant] merkt op dat staatsobligaties of overheidsgerelateerde obligaties in 2004 of 2005 zijn vervangen door een zwaar belang in steepeners en perpetuals (memorie na deskundigenbericht, 19-20).
(iii) Van Lanschot heeft drie “fundamentele bezwaren” aangevoerd tegen het deskundigenbericht: (i) uit het rapport blijkt “hindsight bias”; (ii) uit rechtspraak en literatuur blijkt dat gefixeerde maximumpercentages onjuist worden geacht; (iii) het deskundigenbericht is innerlijk tegenstrijdig en niet onderbouwd omdat de deskundige enerzijds meent geen algemeen antwoord te kunnen geven (op vraag 1) en anderzijds stellig een algemeen antwoord geeft (25%), zonder rekening te houden met de door hem genoemde factoren.
(iv) [appellant] betwist deze standpunten.
(v) Van Lanschot is verder uitvoerig ingegaan op het deskundigenbericht. Zij heeft bewijs aangeboden van haar stelling “dat het niet beleggen in zakelijke waarden in de portefeuilles van [appellant] (op enkele uitzonderingen na) ten nauwste samenhangt of verband houdt met het feit dat in die portefeuilles van [appellant] veel belegd werd in complexe obligaties, dat dit berustte op een eigen keuze van [appellant] en dat [appellant] zijn rendementseisen van 5% tot 6% per jaar dus uitsluitend wenste te behalen met beleggingen in vastrentende waarden” (memorie na deskundigenbericht, 33; memorie van antwoord, 32-36). Deze rendementseisen konden destijds alleen worden gehaald met steepeners en perpetuals, aldus Van Lanschot (memorie na deskundigenbericht, 38). De hoge rendementseisen van [appellant] waren volgens Van Lanschot redengevend voor de samenstelling van de portefeuille.
(vi) [appellant] handhaaft haar standpunt dat de peildatum 31 december 2008 moet zijn; zij wijst erop dat prof. [deskundige aan de zijde van appellant] pas op 31 juli 2008 heeft gerapporteerd en zij meent dat Van Lanschot ook voor schade, geleden na 2008, aansprakelijk is. Van Lanschot onderschrijft het voorshandse oordeel van het hof dat als peildatum voor de schadeberekening 26 februari 2008 kan worden aangehouden (memorie na deskundigenbericht, 41).
(vii) Partijen kunnen instemmen met de benoeming van prof. dr. Loonen als deskundige in verband met de begroting van schade, indien het hof daartoe overgaat. [appellant] stelt de volgende vragen aan de deskundige voor:
Kunt u voor de beleggingsportefeuilles van [beheer] Beheer B.V. en Semax B.V. afzonderlijk bepalen wat het verschil is in waarde tussen (i) de daadwerkelijke portefeuilles zoals deze waren samengesteld ultimo 2008 en (ii) het fictieve geval per ultimo 2008 waarbij het belang van steepeners en perpetuele leningen in deze portefeuilles onder de grens van 25% van het obligatiebelang zou zijn gehouden en de aankoopsom voor dat meerdere zou zijn belegd in andere financiële producten die met inachtneming van algemene uitgangspunten van diversificatie passen bij het defensieve risicoprofiel van de portefeuille van [appellant] ?
Kunt u deze berekening ook uitvoeren per datum 26 februari 2008?
(memorie na tussenarrest, 35).
Van Lanschot heeft gereageerd op deze door [appellant] voorgestelde vragen en aandacht gevraagd voor de concrete omstandigheden tussen partijen (laatste akte, 14-15; memorie na deskundigenbericht, 2-4). Van Lanschot heeft zelf geen suggesties gedaan voor aan de deskundige te stellen vragen; zij acht dat nog niet goed mogelijk, omdat het hof nog niet heeft geoordeeld dat Van Lanschot aansprakelijk is.
(viii) [appellant] herhaalt haar standpunt dat de wettelijke (handels)rente van artikel 6:119a verschuldigd is over de door Van Lanschot te vergoeden schade, omdat het gaat om rechtspersonen en een handelsovereenkomst. [appellant] verzoekt het hof om terug te komen van zijn andersluidende beslissing in het tussenarrest van 2 oktober 2018 dat de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW geldt (memorie na tussenarrest, 36-37).
16.2.
Het hof blijft bij zijn beslissing over de wettelijke handelsrente. Het gaat hier om een vordering tot vergoeding van schade. Daarvoor geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet de wettelijke handelsrente, maar de gewone wettelijke rente van art. 6:119 BW (HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1499, overweging 4.3.2).
16.3.
In rov. 3.17.6 van het tussenarrest van 14 juni 2016 heeft het hof voorshands geoordeeld dat als peildatum voor de schadeberekening 26 februari 2008 kan worden gehanteerd. Partijen mochten zich daarover uitlaten en hebben dat ook gedaan in hun memorie na deskundigenbericht. Van Lanschot acht 26 februari 2008 als peildatum juist. [appellant] verzet zich daartegen.
16.4.
Het hof zal als peildatum 26 februari 2008 hanteren. Het hof blijft bij zijn beslissing hierover en verwijst naar de gronden daarvoor in het tussenarrest onder 3.17.6. [appellant] heeft zelf gesteld dat hij in het gesprek met de Rabobank op 26 februari 2008 er achter kwam dat de samenstelling van de portefeuilles c.q. het beleggingsadvies van Van Lanschot niet paste bij het vastgestelde defensieve risicoprofiel (tussenarrest, 3.8.5, 3.17.6). Het standpunt van [appellant] (memorie na deskundigenbericht, 24) is dat hij pas na kennisname van een rapport van prof. [deskundige aan de zijde van appellant] van 31 juli 2008 daarvan op de hoogte was. Het hof verwerpt dit standpunt. Het gaat om de kennis van [appellant] wat betreft het mogelijke tekortschieten van Van Lanschot. Deze kennis had hij op 26 februari 2008. In het rapport van prof. [deskundige aan de zijde van appellant] zijn (volgens [appellant] ) enkele aspecten, zoals de ernst en volledige omvang van de gestelde problemen, nader uitgewerkt en onderbouwd, maar dit laat de kennis van [appellant] op 26 februari 2008 wat betreft het mogelijke tekortschieten van Van Lanschot onverlet. Eventuele schade na 26 februari 2008 komt voor rekening van [appellant] omdat dergelijke schade te wijten is aan keuzes van [appellant] toen hij de vereiste kennis had.
16.5.
Het hof volgt het oordeel van de deskundige en maakt het tot het zijne (16.1 (d) hiervoor). Van Lanschot heeft, zoals zij erkent (tussenarrest, 3.14.3), niet gewaarschuwd voor de door [appellant] gestelde overschrijding van de risicoparameters behorende bij het defensieve risicoprofiel van de obligatieportefeuilles van [appellant] . Van Lanschot had daarvoor, zoals eerder geoordeeld door het hof, wel moeten waarschuwen. Zoals de deskundige heeft vastgesteld, zijn de parameters die passen bij een defensief profiel overschreden. De deskundige heeft zijn oordeel voldoende gemotiveerd op grond van zijn kennis en ervaring, die onbetwist zijn. Het voorgaande betekent dat Van Lanschot aansprakelijk is voor hierdoor veroorzaakte schade van [appellant] .
16.6.
Het hof verwerpt de standpunten van Van Lanschot over het deskundigenbericht (16.1 (h)(iii) en (v) hiervoor). Het hof is van oordeel dat de deskundige zijn opdracht naar behoren heeft uitgevoerd en zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd. Het verwijt van Van Lanschot dat sprake zou zijn van “hindsight bias” is onvoldoende onderbouwd. De deskundige acht, op grond van zijn onbetwiste kennis en ervaring, een maximumpercentage als door hem omschreven in dit geval juist en redelijk. Het hof neemt dat over. Het hof acht het rapport overtuigend en niet innerlijk tegenstrijdig. De deskundige heeft naar het oordeel van het hof ook voldoende duidelijk toegelicht waarom hij in het concrete geval van [appellant] niet tot een ander percentage komt dat het genoemde maximum percentage van 25%. Ook de conclusie van de deskundige dat het in een aantal periodes hebben van een te laag belang in zakelijke waarden niet kan worden gecompenseerd door een hoger belang in steepeners en perpetuals, acht het hof voldoende onderbouwd en overtuigend. Het hof passeert het bewijsaanbod van Van Lanschot (16.1 (h)(v) hiervoor). De door Van Lanschot te bewijzen aangeboden feiten zijn niet ter zake dienend. Ook indien deze feiten na bewijslevering over contacten tussen partijen zouden komen vast te staan, doet dat geen afbreuk aan het oordeel dat Van Lanschot [appellant] moest waarschuwen over de overschrijding van de parameters van “het afgesproken (en ook bevestigde) profiel” (tussenarrest, 3.14.3) en dit niet heeft gedaan. Het doet overigens ook geen afbreuk aan de door het hof gegeven oordelen over het causaal verband (tussenarrest 14 juni 2016, 3.16.4, herhaald in tussenarrest 27 september 2016, 6.4).
16.7.
Het hof zal gelet op het voorgaande de schade begroten. Het gaat bij de begroting van de schade om een vergelijking tussen enerzijds de daadwerkelijke situatie op 26 februari 2008 en anderzijds de hypothetische situatie op die dag, de fout van Van Lanschot weggedacht. Het hof acht een nader onderzoek door de deskundige hiervoor noodzakelijk. Het hof verwijst naar zijn overwegingen in het tussenarrest onder 3.14.6 en 3.17.1-6 en volhardt daarin. Het hof verzoekt de deskundige rekening te houden met de nadere standpunten van partijen (16.1 (a)(xvi) hiervoor en de daarop volgende processtukken).
16.8.
Partijen zijn het eens over de benoeming van prof. dr. Loonen als deskundige in dit kader (16.1 (h)(vii) hiervoor).
16.9.
Het hof is voornemens de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen:1. Kunt u voor de beleggingsportefeuilles van [beheer] Beheer B.V. en Semax B.V. afzonderlijk bepalen wat het verschil is in waarde tussen:(i) de daadwerkelijke portefeuilles zoals deze waren samengesteld op 26 februari 2008 en(ii) het fictieve geval per 26 februari 2008 waarbij het belang van steepeners en perpetuele leningen in deze portefeuilles binnen de grens van 25% van het obligatiebelang zou zijn gehouden en de aankoopsom voor dat meerdere zou zijn belegd in andere financiële producten die met inachtneming van algemene uitgangspunten van diversificatie passen bij het afgesproken defensieve risicoprofiel van de portefeuilles van [beheer] Beheer B.V. en Semax B.V.?
2. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?
Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de voorgenomen vragen.
16.10.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
17. De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 3 maart 2020 voor akte aan de zijde van beide partijen tot het hiervoor onder 16.9. omschreven doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, D.A.E.M. Hulskes en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 januari 2020.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 02‑10‑2018
Inhoudsindicatie
voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv geweigerd.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.144.380/01
arrest van 2 oktober 2018
in de zaak van
1. [beheer] Beheer B.V.,
2. Semax B.V., beiden gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
eiseressen in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,
hierna afzonderlijk aan te duiden als [beheer] Beheer en Semax,
en gezamenlijk als [directeur beheer] ,
advocaat: mr. J.G. Molenaar te Amsterdam,
tegen
F. van Lanschot Bankiers N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,
hierna aan te duiden als Van Lanschot,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 14 juni 2016, 27 september 2016 en 18 april 2017 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch (thans: rechtbank Oost-Brabant) respectievelijk de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
’s-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/202943/HA ZA 09-2705 gewezen vonnissen van 16 mei 2012 en 27 november 2013.
12. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 18 april 2017;
- -
het deskundigenbericht van prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen van 26 mei 2017;
- -
de memorie na deskundigenbericht van [directeur beheer] , tevens houdende een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv;
- -
de antwoordmemorie na deskundigenbericht van Van Lanschot, tevens houdende memorie van antwoord in het incident, met vier producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
13. De verdere beoordeling
in de hoofdzaak
13.1.
In het tussenarrest van 14 juni 2016 heeft het hof overwogen behoefte te hebben aan voorlichting door (een) deskundige(n). Daarbij zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voorgenomen deskundigenonderzoek. Voorts heeft het hof bepaald dat partijen (te zijner tijd) hun memorie na deskundigenbericht gelijktijdig dienen te nemen, waarbij partijen hun memorie op voorhand naar elkaar moeten sturen. Partijen zouden dan kunnen reageren op de inhoud van de memorie van de wederpartij, door onder de eigen memorie een reactie op te nemen.
13.2.
In het tussenarrest van 27 september 2016 heeft het hof bepaald dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in dat arrest geformuleerde vragen. Daarbij is prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen (hierna: Loonen) benoemd tot deskundige. Voorts heeft het hof verstaan dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [directeur beheer] . Dit laatste wijkt abusievelijk af van het tussenarrest van 14 juni 2016, waarin is bepaald dat partijen hun memorie na deskundigenbericht gelijktijdig dienen te nemen.
13.3.
Na ontvangst van het deskundigenbericht van Loonen is de zaak – conform het tussenarrest van 27 september 2016 – eerst op de rol gekomen voor het nemen van een memorie na deskundigenbericht door [directeur beheer] , en pas daarna voor het nemen van een antwoordmemorie door Van Lanschot. Hierdoor heeft [directeur beheer] niet kunnen reageren op de memorie van Van Lanschot (die zij niet op voorhand in concept naar [directeur beheer] had gestuurd), maar Van Lanschot wel op die van [directeur beheer] .
13.4.
In het kader van hoor en wederhoor acht het hof het van belang dat [directeur beheer] alsnog de gelegenheid krijgt om te reageren op de antwoordmemorie na deskundigenbericht van Van Lanschot en de daarbij overgelegde producties. Het hof zal de hoofdzaak daarom naar de rol verwijzen voor memorie na tussenarrest aan de zijde van [directeur beheer] . Omdat [directeur beheer] op deze manier ook de gelegenheid heeft om te reageren op de gehele antwoordmemorie na deskundigenbericht van Van Lanschot (dus inclusief de reactie van Van Lanschot op de eerdere memorie na deskundigenbericht van [directeur beheer] ), zal Van Lanschot daarna bij antwoordmemorie nog mogen reageren op deze reactie van [directeur beheer] .
13.5.
Het hof overweegt verder alvast het volgende. Het zou zo kunnen zijn dat het hof na de memoriewisseling tot het oordeel komt dat door het percentage perpetuals en steepeners in de obligatieportefeuilles van [directeur beheer] de risicoparameters behorende bij het afgesproken defensief risicoprofiel zijn overschreden, en dat Van Lanschot schadeplichtig is omdat zij hiervoor niet heeft gewaarschuwd. Als het hof tot dat oordeel zou komen, dan zal het hof naar verwachting behoefte hebben aan voorlichting door (een) deskundige(n) over de hoogte van de schade die [directeur beheer] heeft geleden doordat Van Lanschot op dit punt (overschrijding parameters risicoprofiel) niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. Gelet hierop stelt het hof partijen om praktische redenen nu al in de gelegenheid om zich in hun (antwoord)memorie na tussenarrest ook uit te laten over het aantal, de deskundigheid en – bij voorkeur eensluidend – de persoon van de te benoemen deskundige(n). Daarbij kunnen partijen ook suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Overigens zou het hof zich kunnen voorstellen dat het praktisch is als Loonen ook voor de schadeberekening tot deskundige wordt benoemd. Daarbij gaat het hof er vooralsnog van uit dat hij ook op dit punt voldoende deskundige is.
Mocht het hof te zijner tijd inderdaad een deskundigenonderzoek naar de hoogte van de schade gelasten, dan is het hof voornemens de kosten van de deskundige(n) voorshands ten laste van [directeur beheer] te brengen, die de eisende partij is als bedoeld in artikel 195 Rv.
in het incident
13.6.
[directeur beheer] heeft bij zijn memorie na deskundigenbericht ook een incidentele vordering ingesteld. [directeur beheer] vordert dat het hof bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, uitvoerbaar bij voorraad, Van Lanschot zal veroordelen om aan [directeur beheer] een voorschot van € 2.227.753,56 te betalen. Dit bedrag ziet op de schade van € 1.175.733,- die [directeur beheer] stelt te hebben geleden tot eind 2007 (overigens meent [directeur beheer] dat Van Lanschot over een langere periode schadeplichtig is). Daarnaast omvat het gevorderde voorschot een bedrag van € 1.052.020,56 aan samengestelde handelsrente over voormeld schadebedrag over de periode vanaf 1 mei 2009 tot 1 juli 2017.
13.7.
Ter onderbouwing van deze incidentele vordering stelt [directeur beheer] , samengevat en naar het hof begrijpt, dat op basis van het rapport van Loonen redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het hof Van Lanschot aansprakelijk zal houden voor de schade die [directeur beheer] heeft geleden, in ieder geval tot de voorshands door het hof aangenomen peildatum van 26 februari 2008. Daarnaast wijst [directeur beheer] op de lange duur van de procedure, de leeftijd van de heer [directeur beheer] , de aard van de schade en de proceshouding van Van Lanschot. Voor de hoogte van de gestelde schade van € 1.175.733,- verwijst [directeur beheer] naar een in zijn opdracht opgesteld rapport van drs. [deskundige aan de zijde van directeur beheer] (hierna: [deskundige aan de zijde van directeur beheer] ) waarin een schadeberekening is opgenomen (productie 5 bij inleidende dagvaarding).
13.8.
Van Lanschot heeft de incidentele vordering gemotiveerd bestreden.
13.9.
Het hof overweegt als volgt. Voor toewijzing van een voorlopige voorziening gedurende de duur van het geding is nodig dat het gaat om een vordering die samenhangt met de hoofdvordering (artikel 223 lid 2 Rv). Het karakter van de voorziening brengt voorts met zich dat de eiser in het incident een zodanig dringend belang bij de gevraagde voorziening moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de hoofdzaak moet afwachten. Bij een beslissing op de vordering dient het belang van de eiser bij toewijzing van de vordering te worden afgewogen tegen het belang van de verweerder om de afloop van de procedure af te wachten. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval (waaronder de mate van aannemelijkheid van een toewijzing van de vordering in de hoofdzaak, de te verwachten duur van het geding en het eventuele restitutierisico), worden betrokken.
13.10.
Het hof stelt vast dat de door [directeur beheer] gevraagde voorlopige voorziening samenhangt met de hoofdvordering. Feitelijk vordert [directeur beheer] immers een voorschot op de schadevergoeding die hij in de hoofdzaak van Van Lanschot vordert.
13.11.
Vervolgens moet worden beoordeeld of een afweging van de (materiële) belangen van partijen de gevorderde voorlopige voorziening rechtvaardigt. Naar het oordeel van het hof is dat op dit moment niet het geval. Daartoe overweegt het hof het volgende.
13.12.
In deze zaak staat (nog) niet vast dat door het percentage perpetuals en steepeners in de obligatieportefeuilles van [directeur beheer] de risicoparameters behorende bij het afgesproken defensief risicoprofiel zijn overschreden, en dus ook niet dat Van Lanschot aansprakelijk is voor de schade die [directeur beheer] heeft geleden doordat Van Lanschot hiervoor niet heeft gewaarschuwd. Los daarvan geldt dat ook als ervan zou worden uitgegaan dat dit wel het geval is, [directeur beheer] het gevorderde voorschot op de door Van Lanschot te vergoeden schade onvoldoende heeft onderbouwd met het rapport van [deskundige aan de zijde van directeur beheer] . [deskundige aan de zijde van directeur beheer] heeft de schade berekend door de obligatieportefeuilles van [directeur beheer] te vergelijken met een defensieve modelportefeuille. De door [deskundige aan de zijde van directeur beheer] gehanteerde modelportefeuille bevat echter geen perpetuals en steepeners. Dit, terwijl uit het rapport van Loonen, waarmee [directeur beheer] het eens is, volgt dat een defensieve portefeuille voor 25% uit perpetuals en steepeners zou mogen bestaan. Voorts is van belang dat [directeur beheer] , in het licht van het door Van Lanschot al in eerste aanleg gevoerde verweer (zie o.a. conclusie van dupliek, nr. 104 e.v.), onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat [deskundige aan de zijde van directeur beheer] in zijn schadeberekening (op de juiste wijze) rekening heeft gehouden met de onttrekkingen door [directeur beheer] aan de obligatieportefeuilles van € 460.000,- en € 170.000,-.
13.13.
De hoogte van het gevorderde voorschot op de schade is dus onvoldoende onderbouwd. Het hof kan die schade ook niet zelf op eenvoudige wijze vaststellen en daar een voorschot op baseren. Reeds om die reden brengt de afweging van de belangen van partijen bij de huidige stand van zaken mee dat de gevorderde voorlopige voorziening moet worden afgewezen. De overige omstandigheden van dit geval leiden niet tot een ander oordeel. Het hof merkt daarbij nog het volgende op. De door [directeur beheer] bij wege van voorschot gevorderde samengestelde wettelijke handelsrente van € 1.052.020,56 is niet toewijsbaar. Indien Van Lanschot verplicht is tot het betalen van schadevergoeding aan [directeur beheer] , is zij daarover niet de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW verschuldigd maar de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. Bovendien geldt dat nu er geen plaats is voor het toekennen aan [directeur beheer] van een voorschot op een door Van Lanschot te betalen schadevergoeding, er ook geen plaats is voor het toekennen van een voorschot op de wettelijke rente over die schadevergoeding.
14. De uitspraak
Het hof:
in het incident
wijst de incidentele vordering af;
veroordeelt [directeur beheer] in de kosten van het incident, welke kosten tot op heden aan de zijde van Van Lanschot worden begroot op € 894,- aan salaris advocaat;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 13 november 2018 voor memorie na tussenarrest aan de zijde van [directeur beheer] met de hiervoor in 13.4 en 13.5 genoemde doeleinden, waarna Van Lanschot bij antwoordmemorie zal mogen reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, D.A.E.M. Hulskes en D.W. Giltay Veth en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 oktober 2018.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 18‑04‑2017
Inhoudsindicatie
aanvullend voorschot deskundigenbericht
Partij(en)
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.144.380/01
arrest van 18 april 2017
in de zaak van
1. [beheer] Beheer B.V.,
2. Semax B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. J.G. Molenaar te Amsterdam,
tegen
F. van Lanschot Bankiers N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 27 september 2016 en 14 juni 2016 in het hoger beroep van de door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch (thans: rechtbank Oost-Brabant) respectievelijk de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch onder zaaknummer C/01/202943/HA ZA 09-2705 gewezen vonnissen van 16 mei 2012 en 27 november 2013.
8. Het tussenarrest van 27 september 2016
Bij voornoemd arrest heeft het hof bepaald dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht door de heer prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen. Verder is bepaald dat het voorschot van
€ 18.513,= inclusief btw, door [directeur beheer] zal worden overgemaakt.
De termijn van inzending van het deskundigenbericht is vervolgens bepaald op 24 januari 2017. Iedere verdere beslissing is vervolgens aangehouden.
[directeur beheer] heeft op 4 oktober 2016 het voorschot van € 18.513,= inclusief btw, op de aangegeven wijze voldaan.
9. Het verdere verloop van de procedure
Per mailbericht van 26 januari 2017 heeft de deskundige uitstel verzocht voor inlevering van het definitieve deskundigenbericht tot 14 april 2017. Het hof heeft dit akkoord bevonden.
Bij brief van 3 maart 2017 heeft de deskundige verzocht om een aanvullend voorschot van
€ 4.628,25 inclusief btw. Van Lanschot heeft daartegen bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft de deskundige op verzoek van het hof bij brief van 15 maart 2017 een toelichting met specificatie gegeven op de door hem verrichte en naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden. Daarna heeft Van Lanschot andermaal bezwaar gemaakt tegen het verzochte aanvullende voorschot.
De kosten van de deskundige komen voorshands ten laste van [directeur beheer] , zijnde de eisende partij als bedoeld in artikel 195 Rv. [directeur beheer] maakt (om praktische redenen) geen bezwaar tegen het verzochte aanvullende voorschot. Gelet op dit een en ander en de door de deskundige gegeven toelichting ziet het hof aanleiding een aanvullend voorschot te bepalen van € 4.628,25 inclusief btw.
Het voorgaande laat onverlet dat Van Lanschot te zijner tijd opmerkingen kan maken over de hoogte van de uiteindelijke nota van de deskundige. Het hof zal daarna beslissen over de definitieve nota van de deskundige.
Vanwege organisatorische redenen is de samenstelling van de behandelend kamer van het hof gewijzigd. Om die reden zal in dit arrest mr. Hulskes in plaats van mr. Riemens tot raadsheer-commissaris worden benoemd, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft.
Het hof zal beslissen zoals in het dictum is bepaald.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
11. De uitspraak
Het hof:
bepaalt dat voor de kosten van de deskundige een aanvullend voorschot dient te worden voldaan van € 4.628,25 inclusief 21% btw;
bepaalt dat [directeur beheer] bovengenoemd bedrag zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
bepaalt dat de deskundige het onderzoek verder zal voortzetten nadat de griffier heeft bericht dat het aanvullend voorschot is ontvangen;
verzoekt de deskundige, indien de kosten het aanvullend voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
benoemt mr. D.A.E.M. Hulskes tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
verwijst de zaak naar de rol van 20 juni 2017 in afwachting van het deskundigenbericht;
verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [directeur beheer] ;
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, D.A.E.M. Hulskes en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 april 2017.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 27‑09‑2016
Inhoudsindicatie
Deskundigenbericht. Vermogensrelatie. Perpetuals en steepeners
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.144.380/01
arrest van 27 september 2016
in de zaak van
1. [beheer] Beheer B.V.,
2. Semax B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. J.G. Molenaar te Amsterdam,
tegen
F. van Lanschot Bankiers N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 14 juni 2016 in het hoger beroep van de door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch (thans: rechtbank Oost-Brabant) respectievelijk de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch onder zaaknummer C/01/202943/HA ZA 09-2705 gewezen vonnissen van 16 mei 2012 en 27 november 2013.
5. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 14 juni 2016;
- -
de akte uitlating benoeming deskundige van [directeur beheer] ;
- -
de akte uitlating benoeming deskundige van Van Lanschot met één productie.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6. De verdere beoordeling
6.1.
Bij genoemd tussenarrest zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de in rov. 3.14.5 en 3.19.1 vermelde doeleinden, en is iedere verdere beslissing aangehouden.
6.2.
Partijen zijn het er over eens dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige. Van Lanschot heeft ingestemd met de door [directeur beheer] voorgedragen persoon prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen; deze persoon zal daarom tot deskundige worden benoemd.
6.3.
[directeur beheer] heeft ingestemd met de vraagstelling van het hof in rov. 3.14.4 van het tussenarrest. [directeur beheer] heeft verzocht de onderzoeksopdracht aan de deskundige uit te breiden met de in rov. 3.14.6. van het tussenarrest aan [directeur beheer] gegeven instructie om na het deskundigenbericht (in de memorie na deskundigenbericht) aan te geven of en zo ja wanneer en op welk(e) tijdstip(pen) de door de deskundige vast te stellen percentages in de obligatieportefeuilles zijn overschreden en om welk percentage perpetuals en/of steepeners het hierbij gaat. [directeur beheer] heeft voorts verzocht de deskundige reeds opdracht te geven voor de begroting van de door [directeur beheer] geleden schade.
Het hof zal de onderzoeksopdracht aan de deskundige niet uitbreiden. De deskundige dient zich alleen te buigen over de vragen welk(e) percentage(s) aan perpetuals en steepeners in de betreffende periodes in het algemeen respectievelijk bij de onderhavige obligatieportefeuilles met een defensief profiel aanvaardbaar was. Pas daarna is de in het tussenarrest in rov. 3.14.6 en 3.17.4 aan [directeur beheer] gegeven instructie aan de orde; een deskundigenbericht is daarvoor ook niet nodig. De begroting van de schade is pas aan de orde als vaststaat dat op tijdstippen in de betreffende periode als gevolg van adviezen van Van Lanschot de door de deskundige vast te stellen percentages zijn overschreden.
6.4.
Van Lanschot vraagt zich af of de deskundige wel in algemene zin een oordeel kan geven over de aanvaardbaarheid van een zeker percentage aan perpetuals en steepeners in een obligatieportefeuille met een bepaald risicoprofiel.
Of de deskundige al dan niet in algemene zin een oordeel kan geven over deze kwestie zal blijken uit het antwoord van de deskundige.
Volgens Van Lanschot dient de deskundige in zijn onderzoek mede te betrekken dat [directeur beheer] bij een defensief profiel een rendement wenste van 5% tot 6% gemiddeld per jaar
In rov. 3.16.4 van het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het streven van [directeur beheer] om een rendement te halen van 5% tot 6% gemiddeld per jaar destijds, in 2002, volgens Van Lanschot paste bij een defensief risicoprofiel en dat het feit dat [directeur beheer] , zoals Van Lanschot stelt, wilde vasthouden aan een rendement van 5% tot 6% gemiddeld per jaar niet betekent dat [directeur beheer] van het vastgestelde risicoprofiel defensief wilde afwijken of dat hij met een hoger risicoprofiel instemde. Voor de door Van Lanschot gestelde uitbreiding van de vraagstelling, waarbij Van Lanschot kennelijk ervan uitgaat dat gedurende de gehele onderzoeksperiode (2002 tot en met 2007) een dergelijk streefrendement haalbaar was bij een defensieve portefeuille, ziet het hof dan ook geen aanleiding.
Volgens Van Lanschot houdt de vraagstelling van het hof geen rekening met de in de loop der tijd gewijzigde inzichten of veranderde marktomstandigheden in de periode na 2002.
Het hof zal dit in de vraagstelling nadrukkelijker naar voren brengen.
6.5.
Het hof bepaalt dat de deskundige ter beantwoording van de vraag of de obligatieportefeuilles van [beheer] Beheer (met nummer [obligatieportefeuille 1] ) en Semax (met nummer [obligatieportefeuille 3] ) op tijdstippen in de periode van oktober 2002 respectievelijk begin 2003 tot ultimo 2007 volgens de toen geldende inzichten binnen het risicoprofiel defensief zijn gebleven, gemotiveerd en zo nauwkeurig mogelijk antwoord dient te geven op de volgende vragen:
1. welk(e) percentage(s) aan perpetuals en steepeners (tezamen en afzonderlijk) in de betreffende periodes was in het algemeen aanvaardbaar bij obligatieportefeuilles behorende bij een defensief risicoprofiel?
2. welk(e) percentage(s) aan perpetuals en steepeners (tezamen en afzonderlijk) in de betreffende periodes was aanvaardbaar bij de onderhavige obligatieportefeuilles met een afgesproken defensief risicoprofiel? Daarbij dient de deskundige in aanmerking te nemen dat bij deze defensieve risicoprofielen (destijds) een bandbreedte hoorde van 60-80% voor vastrentende waarden en liquiditeiten en 20-40% voor zakelijke waarden.
De deskundige dient bij de beantwoording van de vragen 1. en 2. ermee rekening te houden dat in de periode van oktober 2002 respectievelijk begin 2003 tot ultimo 2007 de inzichten kunnen zijn gewijzigd.
3. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?
6.6.
De kosten van de deskundige zullen voorshands ten laste van [directeur beheer] worden gebracht, zijnde de eisende partij als bedoeld in artikel 195 Rv.
7. De uitspraak
Het hof:
7.1.
bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 6.5. van dit arrest geformuleerde vraag/vragen;
7.2.
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vraag/vragen:
prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen,
Financial Bridge B.V.,
[adres] ,
[postcode] [kantoorplaats] ,
tel.: [telefoonnummer] ,
[e-mailadres]
7.3.
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;
bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;
7.4.
bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
7.5.
bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 18.513,- inclusief 21% btw, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
bepaalt dat partij [directeur beheer] laatstgenoemd bedrag zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
7.6.
benoemt mr. S. Riemens tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
7.7.
verwijst de zaak naar de rol van 24 januari 2016 in afwachting van het deskundigenbericht;
Verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [directeur beheer] ;
7.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, S. Riemens en D.A.E.M. Hulskes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 september 2016.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 14‑06‑2016
Inhoudsindicatie
vermogensadviesrelatie. Perpetuals en steepeners. Defensief risicoprofiel. Overschrijding bandbreedte defensief risicoprofiel. Benoeming deskundige
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.144.380/01
arrest van 14 juni 2016
in de zaak van
1. [Beheer] B.V.,
2. Semax B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk aan te duiden als [Beheer] en Semax
en gezamenlijk als [directeur Beheer] ,
advocaat: mr. J.G. Molenaar te Amsterdam,
tegen
F. van Lanschot Bankiers N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Van Lanschot,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,
op het bij exploot van dagvaarding van 20 februari 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 16 mei 2012 en 27 november 2013, door de rechtbank ’s-Hertogenbosch (thans: rechtbank Oost-Brabant) respectievelijk de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch, gewezen tussen [directeur Beheer] als eiseressen en Van Lanschot als gedaagde.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/202943/HA ZA 09-2705)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding in hoger beroep;
- -
de memorie van grieven;
- -
de memorie van antwoord;
- -
de akte van [directeur Beheer] van 7 oktober 2014;
- -
de antwoordakte van Van Lanschot van 11 november 2014.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De beoordeling
3.1.
De rechtbank heeft in rov. 2 van het vonnis van 16 mei 2012 vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het gaat dit in hoger beroep om het volgende.
( i) De heer [directeur Beheer] heeft na de verkoop van zijn onderneming zijn privévermogen ondergebracht in zijn vennootschappen [Beheer] en Semax. Hierna zullen zowel de vennootschappen als de heer [directeur Beheer] worden aangeduid als [directeur Beheer] . Indien het nodig is onderscheid te maken, zullen deze (rechts-)personen worden aangeduid als [Beheer] , Semax en de heer [directeur Beheer] .
(ii) In 2002 had [directeur Beheer] ongeveer 20 jaar ervaring met beleggen. Hij belegde bij ABN Amro (met wie hij een vermogensbeheerovereenkomst had gesloten) en bij Rabobank. Na de verkoop van zijn onderneming koos hij ervoor het bij ABN Amro belegde vermogen over te hevelen naar Van Lanschot en op basis van een beleggingsadviesrelatie te gaan beleggen.
de beleggingsportefeuille van [Beheer] ( [portefeuillenummer 1] ) met risicoprofiel defensief
(iii) Op 31 oktober 2002 is de uit obligaties en aandelen bestaande effectenportefeuille van [Beheer] overgeboekt van ABN Amro naar Van Lanschot. Voorafgaand aan de overboeking van deze effectenportefeuille vonden tussen Van Lanschot en [directeur Beheer] twee besprekingen plaats.
(iv) Naar aanleiding van de eerste bespreking op 26 februari 2002 heeft Van Lanschot aan [Beheer] op 26 februari 2002 het volgende schriftelijke voorstel gedaan (prod. 1 inleidende dagvaarding):
“In onze advisering hebben wij de onderstaande uitgangspunten gehanteerd:
- -
uw huidige totaal te beleggen vermogen in [Beheer] B.V. bedraagt circa € 7.700.000,- (..), waarvan u op termijn € 3.500.000,- bij Van Lanschot (..) wil beleggen;
- -
u heeft een defensief risicoprofiel;
- -
u wenst een rendement van 5% tot 6% gemiddeld per jaar;
- -
(..)
- -
u heeft een beleggingshorizon van minimaal 10 jaar;
(..)
Voor de belegging van uw vermogen stellen wij op dit moment de volgende verdeling voor:
- -
Obligaties 80% (..)
- -
Aandelen/garantiecontracten 20% (..)”
( v) Naar aanleiding van de tweede bespreking op 15 oktober 2002 heeft Van Lanschot [Beheer] bij brief van 21 oktober 2002 (prod. 2 inleidende dagvaarding) als volgt bericht over het vastgestelde risicoprofiel:
“Mede op basis van de volgende door u verschafte gegevens komen wij voor de in depotnummer [portefeuillenummer 1] geadministreerde portefeuille tot risicoprofiel defensief:
- -
U verwacht de komende 5 jaar uit deze portefeuille aanvullend inkomen nodig te hebben.
- -
Met het beleggen van de betreffende portefeuille streeft u naar grotendeels verwerven van inkomen en een beperkte mate van vermogensgroei.
- -
Het geld waarmee u belegt, heeft u de komende tien jaar niet voor andere doeleinden nodig.
- -
U heeft langer dan 7 jaar ervaring met aandelenbeleggingen.
Bij risicoprofiel defensief behoort een normweging van 60-80% in vastrentende waarden en liquiditeiten en 20-40% in zakelijke waarden zoals aandelen en onroerend goed fondsen.”
(vi) Na het openen van een tweede beleggingsrekening voor [Beheer] (zie onder (vii)) bestond de portefeuille voor de beleggingsrekening met nummer [portefeuillenummer 1] nagenoeg volledig uit obligaties en in beperkte mate uit liquiditeiten (hierna: de obligatieportefeuille). Voor deze portefeuille bleef het defensieve risicoprofiel gelden. Op 20 november 2007 heeft [directeur Beheer] een bedrag van € 460.000,- aan het saldo van deze beleggingsrekening onttrokken (prod. G akte van [directeur Beheer] van 13 juni 2012).
de beleggingsportefeuille van [Beheer] ( [portefeuillenummer 2] ) met risicoprofiel offensief
(vii) Op 8 januari 2003 werden de via ABN Amro gekochte aandelen overgeboekt naar een tweede beleggingsrekening van [Beheer] bij Van Lanschot met nummer [portefeuillenummer 2] . Voor deze tweede beleggingsportefeuille is het risicoprofiel vastgesteld op offensief (zie het voorstel van Van Lanschot van 16 januari 2003, prod. 14 conclusie van antwoord) (hierna ook: de aandelenportefeuille). Deze portefeuille is in 2005 grotendeels geliquideerd. Begin 2006 zijn de resterende aandelen verkocht. In 2007 heeft [directeur Beheer] in totaal een bedrag van € 849.000,- aan deze beleggingsrekening onttrokken (prod. D-F akte van [directeur Beheer] van 13 juni 2012).
de beleggingsportefeuille van Semax ( [portefeuillenummer 3] ) met risicoprofiel defensief
(viii) Op 14 januari 2003 werd de bij ABN Amro aangehouden effectenportefeuille van Semax met een waarde van circa € 1.200.000,- overgeboekt naar een beleggingsrekening van Semax bij Van Lanschot met nummer [portefeuillenummer 3] (hierna: de obligatieportefeuille). Bij brief van 20 januari 2003 (prod. 3 inleidende dagvaarding) heeft Van Lanschot Semax als volgt bericht over het vastgestelde risicoprofiel:
“Mede op basis van de volgende door u verschafte gegevens komen wij voor de in depotnummer [portefeuillenummer 3] geadministreerde portefeuille tot risicoprofiel defensief:
- -
Met het beleggen van de betreffende portefeuille streeft u naar grotendeels verwerven van rente- en dividendinkomsten en een beperkte mate van vermogensgroei;
- -
Het geld waarmee uw onderneming belegt, is de komende tien jaar niet voor andere doeleinden nodig.
- -
Uw onderneming heeft langer dan 7 jaar aandelen (gerelateerde) beleggingen in de portefeuille.
Bij risicoprofiel defensief behoort een normweging van 60-80% in vastrentende waarden en liquiditeiten en van 20-40% in zakelijke waarden zoals aandelen en onroerend goed fondsen.”
Op 20 november 2007 heeft [directeur Beheer] een bedrag van € 170.000,- aan het saldo van de beleggingsrekening van Semax onttrokken (prod. H akte van [directeur Beheer] van 13 juni 2012).
(ix) In december 2007 beëindigde [directeur Beheer] de relatie met Van Lanschot en gaf hij de portefeuilles in beheer aan Rabobank.
( x) Rabobank deelde bij brief van 26 februari 2008 (prod. 16 conclusie van repliek) aan [directeur Beheer] mee dat onder andere het aandeel van de perpetuals in de obligatieportefeuilles van Semax en [Beheer] hoger was dan de door Rabobank geadviseerde maximale percentages behorend bij een defensief profiel. Hierna heeft in opdracht van [directeur Beheer] prof. dr. [deskundige 1] (hierna: [deskundige 1] ) de obligatieportefeuilles van [Beheer] en Semax bij Van Lanschot beoordeeld. [deskundige 1] heeft in zijn rapport van 31 juli 2008 (prod. 4 inleidende dagvaarding) geconcludeerd dat aan deze (defensieve) portefeuilles zeer hoge risico’s waren verbonden, dat een bekwaam en deskundig adviseur zich van die risico’s bewust had moeten zijn en zijn klant daarvoor zeer nadrukkelijk had moeten waarschuwen. Drs. [deskundige 2] (hierna: [deskundige 2] ) heeft in opdracht van [directeur Beheer] en in samenspraak met [deskundige 1] de schade berekend. Volgens het rapport van [deskundige 2] (prod. 5 inleidende dagvaarding) bedraagt de totale door [Beheer] en Semax geleden schade over de periode 31 december 2003 tot en met 31 december 2008 € 1.977.853,-.
(xi) [directeur Beheer] heeft Van Lanschot bij brief van 6 augustus 2008 aansprakelijk gesteld voor de schade. Van Lanschot heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.
3.2.1
[directeur Beheer] heeft Van Lanschot in rechte betrokken en een verklaring voor recht gevorderd dat Van Lanschot jegens [directeur Beheer] tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen en veroordeling van Van Lanschot tot vergoeding van de door [directeur Beheer] geleden schade, te vermeerderen met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
3.2.2
[directeur Beheer] heeft in eerste aanleg aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat Van Lanschot niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en deskundig beleggingsadviseur mag worden verwacht. [directeur Beheer] verwijt Van Lanschot dat zij:
(i) ten onrechte heeft geadviseerd eeuwigdurende obligaties, steepeners en bedrijfsobligaties aan te schaffen, terwijl die obligaties niet pasten binnen het defensieve profiel dat was vastgesteld voor de obligatieportefeuilles van Semax en [Beheer] , althans dat Van Lanschot niet heeft gewaarschuwd dat de eeuwigdurende obligaties, steepeners en bedrijfsobligaties een dermate groot percentage van de obligatieportefeuilles gingen uitmaken (per 31 december 2007 tweederde deel) dat ze niet meer pasten bij het defensieve profiel; (ii) haar zorgplicht heeft geschonden door niet te waarschuwen voor de specifieke risico’s die zijn verbonden aan deze instrumenten; (iii) heeft geadviseerd een aanzienlijk bedrag te beleggen in obligaties van de Duitse IKB Bank, terwijl er aanleiding was om aan de solvabiliteit van die debiteur te twijfelen; en (iv) ten onrechte heeft geadviseerd een sterk accent te leggen op crisisgevoelige obligaties in de financiële sector, en bovendien niet heeft geadviseerd die obligaties te verkopen naar aanleiding van de signalen die er voor de kredietcrisis zijn geweest.
3.3.
Van Lanschot heeft als verweer gevoerd dat [directeur Beheer] op 16 januari 2008 aan haar finale kwijting heeft verleend en dat [directeur Beheer] over de beweerde schending van de zorgplicht van Van Lanschot niet tijdig heeft geprotesteerd als bedoeld in artikel 6:89 BW.
Van Lanschot heeft voorts betwist dat zij jegens [directeur Beheer] haar zorgplicht heeft geschonden en het causaal verband tussen de beweerde tekortkoming en de door [directeur Beheer] gestelde schade weersproken. Zij heeft voorts een beroep gedaan op eigen schuld (artikel 6:101 BW).
3.4.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 16 mei 2012 het door Van Lanschot gedane beroep op finale kwijting en op de schending van de klachtplicht verworpen. De rechtbank heeft voorts de door [directeur Beheer] gemaakte verwijten ter zake de beleggingen in bedrijfsobligaties, en meer specifiek in de bedrijfsobligaties van de IKB Bank en obligaties in de financiële sector verworpen. In het tussenvonnis heeft de rechtbank verder geoordeeld dat Van Lanschot [directeur Beheer] diende te waarschuwen voor de specifieke risico’s die aan het beleggen in perpetuals en steepeners zijn verbonden en dat op [directeur Beheer] de stelplicht en de bewijslast rust van de gestelde schending van de waarschuwingsplicht voor het beleggen in perpetuals en steepeners. De rechtbank heeft [directeur Beheer] vervolgens toegelaten tot het leveren van bewijslevering ter zake. In het eindvonnis van 27 november 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat [directeur Beheer] niet in zijn bewijslevering is geslaagd en de vorderingen van [directeur Beheer] afgewezen, met veroordeling van [directeur Beheer] in de proceskosten.
3.5.
[directeur Beheer] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd, geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.
3.6.
Indien de grieven slagen dient het hof op grond van de devolutieve werking van het appel de in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde verweren die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, opnieuw te beoordelen.Het hof begrijpt uit hetgeen Van Lanschot in de memorie van antwoord (par. 81) heeft aangevoerd dat zij, indien haar enig verwijt te maken valt ten aanzien van haar advisering, (enkel) haar (subsidiaire) beroep op finale kwijting, althans afstand van recht, rechtsverwerking (artikel 6:89 BW) en eigen schuld (artikel 6:101 BW) handhaaft. Het hof ziet aanleiding het beroep op finale kwijting en rechtsverwerking te behandelen alvorens de grieven worden besproken.
finale kwijting
3.7.1
Van Lanschot stelt zich op het standpunt dat [directeur Beheer] op 16 januari 2008 in een telefoongesprek van de heer [directeur Beheer] met mevrouw [vertegenwoordiger Van Lanschot] van Van Lanschot finale kwijting aan Van Lanschot heeft verleend. Van Lanschot heeft voor de inhoud van het gesprek gewezen op de transcriptie van dat telefoongesprek (prod. 1 conclusie van antwoord). Bij conclusie van dupliek heeft Van Lanschot verduidelijkt dat zij geen beroep doet op finale kwijting over en weer, maar op afstand van recht door [directeur Beheer] in de zin van artikel 6:160 BW. Van Lanschot doet daarbij een beroep op artikel 3:35 BW; zij stelt dat Van Lanschot uit hetgeen partijen over en weer verklaarden mocht afleiden dat [directeur Beheer] haar finale kwijting verleende als Van Lanschot hem bepaalde kosten niet in rekening zou brengen.
[directeur Beheer] betwist dat hij finale kwijting heeft verleend en dat Van Lanschot daarop mocht vertrouwen.
3.7.2
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht en op goede gronden in haar tussenvonnis van 16 mei 2012 overwogen en beslist, welke overwegingen en beslissing als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, dat van finale kwijting over en weer, althans van afstand van recht door [directeur Beheer] geen sprake is. Uit de transcriptie van het telefoongesprek van 16 januari 2008 blijkt niet meer dan dat partijen zijn overeengekomen dat [directeur Beheer] aan Van Lanschot geen kosten hoefde te betalen voor het overboeken van zijn beleggingsportefeuilles van Van Lanschot naar Rabobank en dat [directeur Beheer] geen boete was verschuldigd voor de beëindiging van de met Van Lanschot gesloten Index Garantie Contracten. Dat het hier enkel ging om een tegemoetkoming van Van Lanschot ter zake de aan Van Lanschot verschuldigde kosten in verband met de teleurstelling van [directeur Beheer] over de gang van zaken, en dat Van Lanschot dat ook als zodanig heeft begrepen, blijkt uit het feit dat Van Lanschot vervolgens na dit telefoongesprek jegens [directeur Beheer] zelf aanspraak maakte op vergoeding van de beheerskosten. Dit valt immers niet te verenigen met de stelling van Van Lanschot dat in het telefoongesprek wederzijds finale kwijting was verleend. Het beroep van Van Lanschot op finale kwijting, althans op afstand van recht door [directeur Beheer] van haar vorderingsrechten in het kader van de door [directeur Beheer] gestelde tekortkoming van Van Lanschot, dient dan ook te worden verworpen.
de klachtplicht
3.8.1
Van Lanschot heeft een beroep gedaan op de klachtplicht van art. 6:89 BW. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [directeur Beheer] de vermeende gebreken in de prestatie al ten tijde van de advisering heeft ontdekt of had behoren te ontdekken. Van Lanschot wijst er onder meer op dat partijen op 11 oktober 2005 hebben gesproken over problemen rond de kredietwaardigheid van General Motors, dat [directeur Beheer] op 30 april 2006 zelf een spreadsheet heeft opgemaakt waaruit een verlies van meer dan 10% blijkt, dat partijen in mei 2006 hebben gesproken over het risico van (tijdelijk) koersverlies ten aanzien van de door hem gehouden bijzondere obligaties zoals steepeners, en dat [directeur Beheer] diverse malen waarschuwingen voor risico’s op koersdaling en zelfs verkoopadviezen heeft genegeerd. Van Lanschot stelt zich op het standpunt dat de termijn voor de klachtplicht aanvangt op hetzelfde tijdstip als verjaring en dat een termijn van twee maanden moet worden gehanteerd.
3.8.2
Op grond van artikel 6:89 BW kan de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd.
De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vraag of tijdig is geklaagd als bedoeld in artikel 6:89 BW komen pas aan de orde indien de schuldenaar het verweer voert dat niet tijdig is geklaagd als bedoeld in genoemde artikel. Voert de schuldenaar dit verweer niet, dan kan artikel 6:89 BW niet worden toegepast. Voert hij dit verweer wel, dan dient de schuldeiser gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat en op welk moment is geklaagd (HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593).
3.8.3
De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 8 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013: BY4600, BX7195 en BX7846) geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in artikel 6:89 BW besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht, acht moet worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie en of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren - te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming - en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan, en dat van het protest, vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend.
De bank heeft bij beleggingsadviesrelaties te gelden als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener, terwijl bij de cliënt doorgaans een zodanige professionaliteit en deskundigheid ontbreken. Dit brengt mee dat de cliënt niet zonder meer op de hoogte behoeft te zijn van het bestaan van de op de bank rustende bijzondere zorgplicht, terwijl hij, indien hij daarvan wel op de hoogte is, in beginsel ervan mag uitgaan dat de bank die zorgplicht jegens hem naleeft. Het niet naleven van de zorgplicht is derhalve niet een tekortkoming van de bank die de cliënt zonder meer behoort op te merken. Op de cliënt rust dan ook pas op grond van artikel 6:89 BW een onderzoeksplicht met betrekking tot de vraag of de bank de zorgplicht jegens hem heeft nageleefd, indien hij van die zorgplicht op de hoogte is en gerede aanleiding heeft te veronderstellen dat de bank daarin kan zijn tekortgeschoten.
De omstandigheid dat de beleggingen waarop de beleggingsadviesrelatie betrekking heeft, een tegenvallend rendement hebben of tot verliezen leiden, wijst niet zonder meer op een tekortschieten van de bank. Deze enkele omstandigheid behoeft voor de cliënt dan ook in beginsel niet een reden voor onderzoek te zijn. Dat geldt des te meer indien de bank als oorzaak voor tegenvallende rendementen of verliezen omstandigheden noemt die niet in haar risicosfeer liggen, zoals de heersende marktomstandigheden, of indien de bank geruststellende mededelingen doet. De cliënt mag immers in beginsel afgaan op dergelijke mededelingen van de bank als de in de onderlinge verhouding deskundige partij.
Indien de cliënt, eventueel na (deskundig) onderzoek, bekend is geworden met het tekortschieten door de bank in haar zorgplicht, of daarmee redelijkerwijs bekend had moeten zijn, dient hij ter zake op de voet van artikel 6:89 BW binnen bekwame tijd te protesteren. Daarbij moet hem een redelijke termijn voor beraad worden gegund. Bij de beoordeling of het beroep van de bank op artikel 6:89 BW gegrond is, komt voorts groot gewicht toe aan het antwoord op de vraag of de bank door het tijdsverloop tussen het moment van ontdekking van de tekortkoming en het moment waarop is geprotesteerd nadeel lijdt, zoals een benadeling in haar bewijspositie of een aantasting van haar mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken.
3.8.4
Uit voormelde arresten van de Hoge Raad van 8 februari 2013 volgt dat de cliënt niet zonder meer op de hoogte behoeft te zijn van het bestaan van deze zorgplicht (in casu de waarschuwingsplicht), terwijl hij, indien hij daarvan wel op de hoogte is, in beginsel ervan mag uitgaan dat de bank die zorgplicht jegens hem naleeft. Voor zover [directeur Beheer] van die zorgplicht op de hoogte was, betekent dat nog niet dat hij gerede aanleiding had te veronderstellen dat Van Lanschot daarin kon zijn tekort geschoten. Het feit dat de door Van Lanschot, naar het hof begrijpt, reeds vanaf 2004 op grotere schaal geadviseerde en op grond daarvan door [directeur Beheer] gekochte complexe obligaties (de perpetuals en steepeners) in de jaren daarna tot (aanzienlijke) verliezen hebben geleid, wijst dan ook niet zonder meer op een tekortschieten van Van Lanschot en hoefde voor [directeur Beheer] dan ook in beginsel niet een reden voor onderzoek te zijn.
3.8.5
Vaststaat dat de adviesrelatie in december 2007 is beëindigd. Als niet, althans niet gemotiveerd, weersproken staat vast dat [directeur Beheer] tijdens een bespreking met een senior beleggingsmedewerker van Rabobank op 26 februari 2008, zoals bevestigd in de brief van Rabobank van 26 februari 2008 (zie rov. 3.1. sub (x)), erover is geïnformeerd dat volgens Rabobank de obligatieportefeuilles van [directeur Beheer] gezien het overeengekomen defensieve risicoprofiel te risicovol waren ingericht. Naar het oordeel van het hof had [directeur Beheer] eerst op dat moment gerede aanleiding om te veronderstellen dat op Van Lanschot een zorgplicht rustte en dat Van Lanschot tekort kon zijn geschoten in haar zorgplicht, in het bijzonder door het geven van een onjuist advies. [directeur Beheer] stelt ook zelf (par. 10 memorie van grieven) dat hij tijdens die bespreking met Rabobank er achter kwam dat de samenstelling van de portefeuilles c.q. het beleggingsadvies van Van Lanschot niet paste bij een defensief risicoprofiel. Vaststaat dat [directeur Beheer] vervolgens onderzoek heeft laten verrichten naar de samenstelling van de obligatieportefeuilles, dat de door hem ingeschakelde deskundige [deskundige 1] op 31 juli 2008 heeft gerapporteerd dat de portefeuilles te risicovol waren ingericht (waarvoor [directeur Beheer] volgens [deskundige 1] nadrukkelijk had moeten worden gewaarschuwd) en dat [directeur Beheer] kort daarna, bij brief van 6 augustus 2008, Van Lanschot aansprakelijk heeft gesteld. Naar het oordeel van het hof heeft [directeur Beheer] hiermee tijdig geklaagd over de beweerde schending van de zorgplicht ter zake de te risicovolle ingerichte portefeuilles, zodat het door Van Lanschot gedane beroep op rechtsverwerking in de zin van artikel 6:89 BW faalt.
de grieven
3.9.
Als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij vereist is dat die gronden voldoende kenbaar zijn. De enkele vermelding in de memorie van grieven (par. 4) dat [directeur Beheer] het geschil in volle omvang aan het hof wenst voor te leggen is niet voldoende om aan te nemen dat enig door [directeur Beheer] niet vermeld geschilpunt naast andere wel door hem nader omlijnde bezwaren, in hoger beroep opnieuw aan de orde wordt gesteld.
3.10.
[directeur Beheer] heeft niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat Van Lanschot op zichzelf niet in strijd met de norm van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beleggingsadviseur heeft gehandeld door te adviseren bedrijfsobligaties (en meer specifiek bedrijfsobligaties van de Duitse IKB Bank) op te nemen in de onderhavige portefeuille(s). [directeur Beheer] heeft evenmin gegriefd tegen het door de rechtbank verworpen verwijt dat sprake zou zijn geweest van een te sterk accent op crisisgevoelige obligaties en tegen het oordeel van de rechtbank dat ook complexe obligaties (perpetuals en steepeners) in de gegeven omstandigheden door een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur konden worden geadviseerd bij een portefeuille met een defensief risicoprofiel. Deze oordelen van de rechtbank strekken het hof daarom in hoger beroep tot uitgangspunt.
3.11.
Met de grieven stelt [directeur Beheer] dat de rechtbank een veel te beperkte inhoud heeft gegeven aan de op Van Lanschot rustende waarschuwingsplicht: Van Lanschot diende [directeur Beheer] niet alleen te waarschuwen voor de specifieke risico’s die verbonden zijn aan het beleggen in perpetuals en steepeners, maar ook voor het feit dat de hoeveelheid aan risicovolle(re) complexe obligaties, waarin op advies van Van Lanschot is belegd, niet paste bij het overeengekomen defensieve risicoprofiel. Het hof begrijpt uit de door [directeur Beheer] gegeven nadere toelichting in zijn akte van 7 oktober 2014 (par. 3 en 4) dat het verwijt van [directeur Beheer] inzake de risicovolle complexe obligaties niet ziet op de traditionele bedrijfsobligaties (bedrijfsobligaties zonder de kenmerken van perpetuals en steepeners), maar alleen betrekking heeft op de perpetuals en steepeners waarin op advies van Van Lanschot is belegd, en met name op de hoeveelheid van deze perpetuals en steepeners.
[directeur Beheer] heeft voorts gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat op [directeur Beheer] de bewijslast rust dat Van Lanschot niet heeft gewaarschuwd voor de specifieke aan perpetuals en steepeners verbonden risico’s en dat [directeur Beheer] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd.
beleggingsadviesrelatie en de bijzondere zorgplicht
3.12.1
Vooropgesteld wordt dat tussen partijen een beleggingsadviesrelatie bestond. Kern van een dergelijke adviesrelatie is dat de belegger zelf verantwoordelijk is voor de samenstelling van de effectenportefeuille en de te verrichten effectentransacties. Omdat de belegger in een adviesrelatie uiteindelijk zelf beslist over het al dan niet uitvoeren van transacties na een daartoe verkregen advies van zijn beleggingsadviseur, is hij in beginsel zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van die beslissingen.
Dit laat onverlet dat volgens vaste rechtspraak ook bij beleggingsadviesrelaties op de bank als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener een bijzondere zorgplicht rust jegens particuliere beleggers. Die zorgplicht strekt mede ter bescherming van de cliënt tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid. De omvang van deze bijzondere zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Die zorgplicht behelst onder meer dat de bank vooraf naar behoren onderzoek moet doen naar de financiële mogelijkheden, deskundigheid en doelstellingen van de cliënt en dat zij hem dient te waarschuwen voor eventuele risico's die aan een voorgenomen of toegepaste beleggingsvorm zijn verbonden, alsook voor het feit dat een door hem voorgenomen of toegepaste beleggingsstrategie niet past bij zijn financiële mogelijkheden of doelstellingen, zijn risicobereidheid of zijn deskundigheid (HR 8 februari 2013, ECLI:HR:2013:BY4600 en HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2191).
Naar het oordeel van het hof rust op de bank deze bijzondere zorgplicht eveneens bij beleggingsadviesrelaties met niet-professionele beleggers (als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht) als [Beheer] en Semax, nu dat de persoonlijke vennootschappen zijn van de heer [directeur Beheer] , waarin deze zijn vermogen heeft ondergebracht.
3.12.2
De door [directeur Beheer] gestelde tekortkoming in de nakoming van de bijzondere zorgplicht (de waarschuwingsplicht en het onjuiste advies inzake de samenstelling van de portefeuilles) ziet op de obligatieportefeuilles van [Beheer] en Semax waarvoor een defensief risicoprofiel is vastgesteld. Dat de obligatieportefeuilles een pensioenbestemming hadden, zoals [directeur Beheer] stelt (par. 84 conclusie van repliek) en Van Lanschot betwist (par. 78 conclusie van antwoord), heeft [directeur Beheer] , mede bezien in het licht van de brieven van 26 februari 2002, 21 oktober 2002 en 14 januari 2003 (zie rov. 3.1. sub (iv), (v) en (viii)) die Van Lanschot naar aanleiding van de besprekingen over het te bepalen risicoprofiel en de beleggingsdoelstellingen aan [directeur Beheer] heeft gestuurd, onvoldoende onderbouwd. De obligatieportefeuilles van [Beheer] en Semax dienen afzonderlijk te worden beoordeeld voor zover het verwijt ziet op de samenstelling van de portefeuilles; het betreft hier immers portefeuilles van verschillende vennootschappen van [directeur Beheer] .
3.12.3
Het risicoprofiel defensief, zoals is vermeld in de hiervoor vermelde brieven van Van Lanschot aan [directeur Beheer] van 21 oktober 2002 en 14 januari 2003, gaat uit van een normweging van 60-80% in vastrentende waarden en liquiditeiten en van 20-40% in zakelijke waarden. Het feit dat in de destijds door Van Lanschot aan [directeur Beheer] verstrekte brochure over de risicoprofielen (prod. 15, blz. 5 en 6 conclusie van antwoord) is vermeld dat bij een defensief risicoprofiel gemiddeld 70% in vastrentende waarden wordt belegd en 30% in zakelijke waarden betekent niet dat niet van de in de brieven genoemde bandbreedtes kan worden uitgegaan. De in de brochure genoemde normen betreffen immers, zoals ook blijkt uit de brochure, slechts gemiddelde percentages.
Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat perpetuals en steepeners qua eigenschappen en risico’s niet gelijk te stellen zijn met (traditionele) vastrentende waarden zoals staats- en bedrijfsobligaties zonder dergelijke kenmerken, terwijl Van Lanschot de perpetuals en steepeners wel onder de categorie vastrentende waarden schaarde. Traditionele obligaties kenmerken zich immers, zoals van Van Lanschot ook zelf stelt (par. 41 memorie van antwoord) door een vaste looptijd en een vaste rente en in de regel een gegoede debiteur, waardoor de aan traditionele obligaties verbonden risico’s relatief laag zijn.
Volgens de Leidraad van de AFM (prod. 29, blz. 26 conclusie van repliek) worden onder vastrentende waarden verstaan beleggingen waarvan de periodieke betalingen in de vorm van rente en aflossing contractueel zijn vastgesteld. Een perpetual heeft echter geen vaste looptijd maar een eeuwigdurende looptijd, waarbij de uitgevende instelling van de perpetual periodiek het recht heeft om de couponrente te herzien of de obligaties af te lossen. Aan perpetuele obligaties is, zoals de rechtbank in rov. 4.17. van het tussenvonnis heeft overwogen, het risico verbonden dat de onzekerheid over het moment van aflossing tot extra koersverlies leidt. Indien bijvoorbeeld de koers van bestaande obligaties daalt omdat bij nieuwe obligaties een hogere couponrente wordt geboden, zal het daardoor veroorzaakte koersverlies van een perpetuele obligatie hoger zijn dan het koersverlies van een traditionele obligatie, omdat bij de perpetuele obligatie niet het vooruitzicht bestaat dat de lening op termijn zal worden afgelost en dan tegen een beter rendement kan worden herbelegd. Daarnaast brengt het eeuwigdurend karakter van perpetuele obligaties mee dat de looptijd langer kan uitvallen dan bij traditionele obligaties, waardoor een groter debiteurenrisico wordt gelopen. Steepeners zijn obligaties met een variabele couponrente, die doorgaans afhankelijk is van het renteverschil tussen een relatief lange rente (10-jaarsrente) en een relatief korte rente (2 of 3-jaarsrente). Aan deze obligaties is, zoals de rechtbank in rov. 4.19 van het tussenvonnis heeft overwogen, het risico verbonden dat de couponrente op een gegeven moment lager uitvalt dan verwacht, hetgeen niet alleen leidt tot een daling van inkomsten maar ook tot koersverlies.
Ook Van Lanschot heeft erkend dat complexe obligaties zoals perpetuals en steepeners risicovollere instrumenten zijn dan traditionele obligaties (par. 39 en 44 memorie van antwoord).
Naar het oordeel van het hof had Van Lanschot, gezien het feit dat perpetuals en steepeners complexe obligaties betreffen die qua eigenschappen en risico’s afwijken van traditionele obligaties, [directeur Beheer] voor de aankoop van deze obligaties uitdrukkelijk moeten waarschuwen voor de eigenschappen en de specifieke risico’s die aan deze obligaties zijn verbonden. Het feit dat [directeur Beheer] reeds vele jaren belegde en, naar het hof begrijpt, ook reeds bij ABN Amro belegde in perpetuals en steepeners betekent niet, althans niet zonder meer, dat [directeur Beheer] van de eigenschappen en de specifieke risico’s van deze complexe obligaties op de hoogte was.
3.12.4
De vragen die met de grieven aan de orde zijn gesteld en die in dit hoger beroep moeten worden beantwoord, zijn:1. of door de hoeveelheid perpetuals en steepeners die op advies van Van Lanschot zijn aangekocht de obligatieportefeuilles gezien het defensief risicoprofiel te risicovol waren ingericht en, zo ja, of Van Lanschot voorafgaand aan de aankoop van deze financiële instrumenten [directeur Beheer] uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd dat de obligatieportefeuilles hierdoor niet meer overeenstemden met het vastgestelde risicoprofiel;
en 2. of Van Lanschot [directeur Beheer] uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd voor de eigenschappen en de specifieke risico’s die aan deze complexe obligaties zijn verbonden.
De waarschuwingsplicht voor de eigenschappen en de specifieke risico’s
3.13.1
Het hof zal eerst beoordelen of, zoals [directeur Beheer] stelt en Van Lanschot betwist, Van Lanschot tekort is geschoten in de op haar rustende bijzondere zorgplicht om [directeur Beheer] uitdrukkelijk te waarschuwen voor de eigenschappen en de specifieke risico’s die aan perpetuals en steepeners zijn verbonden.
Het hof stelt voorop dat de stelplicht en de bewijslast van de feitelijke grondslag van de gestelde tekortkoming van Van Lanschot in de nakoming van haar zorgplicht (de schending van de waarschuwingsplicht en het onjuiste advies) ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op [directeur Beheer] rust (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8967), zij het dat Van Lanschot een verzwaarde motiveringsplicht heeft bij het voeren van verweer (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:288).
3.13.2.
Van Lanschot heeft gesteld dat zij [directeur Beheer] voorafgaande aan de aankoop van de perpetuals en steepeners zowel mondeling als schriftelijk heeft geïnformeerd over de eigenschappen van deze obligaties en dat [directeur Beheer] eerst na een degelijke voorlichting heeft gekozen om de betreffende obligaties aan te kopen. Van Lanschot heeft gewezen op spreadsheets die [directeur Beheer] bijhield van zijn portefeuilles, waarmee hij zijn portefeuilles volgde en analyseerde. In een spreadsheet van 30 april 2006 (prod. 4 conclusie van antwoord) noteerde [directeur Beheer] hoe de rentepercentages bepaald werden voor de verschillende obligaties in zijn portefeuilles en of en zo ja wanneer deze obligaties afgelost zouden worden. In een spreadsheet van 30 oktober 2007 (prod. 5 conclusie van antwoord) hield hij bij wat de stand van zaken was ten aanzien van de rentetarieven die betrekking hadden op zijn obligaties en wat de verwachtingen dienaangaande waren. Van Lanschot heeft voorts gewezen op een e-mailbericht van Van Lanschot aan [directeur Beheer] van 20 december 2005 (prod. 6 conclusie van antwoord), waarin zij [directeur Beheer] informeert over de voorwaarden van de obligaties met variabelen, naar het hof begrijpt de steepeners, die [directeur Beheer] in zijn portefeuilles had. [directeur Beheer] wilde een rendement behalen van 5 à 6% en dat rendement was niet haalbaar indien louter in staatsobligaties en deposito’s zou worden belegd. Van Lanschot stelt voorts dat zij [directeur Beheer] heeft geïnformeerd over de voordelen van het beleggen in obligaties en dat aan deze beleggingsvorm lagere risico’s waren verbonden. Van Lanschot stelt dat zij [directeur Beheer] ook na de aankoop van de obligaties herhaaldelijk heeft gewezen op de risico’s die samenhingen met zijn portefeuille, maar dat [directeur Beheer] de verkoopadviezen van Van Lanschot in de wind heeft geslagen. Van Lanschot heeft voorts erop gewezen dat [directeur Beheer] reeds in de jaren 2004/2005 met verliezen is geconfronteerd en op het transcript van het telefoongesprek van 16 januari 2008 waaruit blijkt dat [directeur Beheer] volledig bekend was met de werking en de risico’s van steepeners.
3.13.3
[directeur Beheer] erkent dat hij zijn beleggingen en de resultaten in spreadsheets bijhield, waarop hij de relevante gegevens behorende bij de obligaties noteerde, zoals rentepercentages, aflossingsdata, aankoopkoers, aankoopbedrag en aankoopdatum (par. 61 conclusie van repliek). [directeur Beheer] erkent voorts dat Van Lanschot in december 2015 op zijn verzoek een overzicht heeft gestuurd van voorwaarden met betrekking tot een aantal obligaties in de portefeuilles. [directeur Beheer] heeft gesteld dat hij enige kennis had van de werking van effectenmarkten, van de ontwikkelingen daarop en van de beleggingsinstrumenten. Bovendien volgt [directeur Beheer] tot op zekere hoogte de ontwikkeling van de markten, hoewel niet op het niveau van de specifieke fondsen en sectoren waarin wordt belegd. Hij maakt ook een inschatting van de risico’s die aan de beleggingen verbonden zijn, maar vooral op basis van de adviezen van zijn vermogensadviseur (par. 46 conclusie van repliek). [directeur Beheer] was echter niet bekend met de risico’s van perpetuals en steepeners, aldus nog steeds [directeur Beheer] .
3.13.4
Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat Van Lanschot aan haar verzwaarde motiveringsplicht voldaan. Het hof is van oordeel dat [directeur Beheer] na ontvangst van het
e-mailbericht van 20 december 2005 op de hoogte moet zijn geweest van de eigenschappen en de werking van steepeners. Uit de door [directeur Beheer] bijgehouden spreadsheets, waarvan de eerste van 30 april 2006 dateert, zijn bovendien door [directeur Beheer] zoveel details vermeld dat daaruit mag worden afgeleid dat [directeur Beheer] in ieder geval op dat moment op de hoogte was van de (risico-)eigenschappen van perpetuals en steepeners. Uit de overgelegde stukken (prod. 6 t/m 10 conclusie van antwoord) blijkt bovendien dat [directeur Beheer] in de periode vanaf oktober 2005 – en dus ook nadat hij in ieder geval bekend was geraakt met de eigenschappen en de werking van perpetuals en steepeners – is geconfronteerd met de aan deze instrumenten verbonden risico’s zoals het debiteurenrisico, het risico van het laag uitvallen van variabele rente en het risico van koersdalingen. Uit de transcriptie van het telefoongesprek van 16 januari 2008 blijkt bovendien dat [directeur Beheer] nadat hij de relatie met Van Lanschot had beëindigd besefte dat verkoop en herbelegging verlies kon opleveren, getuige de door hem zelf bedachte strategie om de steepeners van het Waterschap met een lage rente om te ruilen tegen obligaties met een even lage waarde maar wel een hogere rente. [directeur Beheer] heeft voorts de stelling van Van Lanschot niet betwist dat zij [directeur Beheer] heeft geïnformeerd over de voordelen van het beleggen in staatsobligaties en dat hieraan lagere risico’s waren verbonden.
[directeur Beheer] heeft gesteld dat de door Van Lanschot geadviseerde perpetuals en steepeners vooral in de jaren 2004 en 2005 zijn aangekocht (par. 8 conclusie van repliek). Uit de hiervoor vermelde stukken die dateren van op en na 20 december 2005 blijkt niet dat Van Lanschot [directeur Beheer] voorafgaande aan die aankopen heeft geïnformeerd (gewaarschuwd) over de eigenschappen en de daarmee samenhangende risico’s die aan deze instrumenten zijn verbonden. Dat neemt echter niet weg dat Van Lanschot heeft voldaan aan de op haar rustende verzwaarde motiveringsplicht dat zij [directeur Beheer] voorafgaande aan de aankopen van perpetuals en steepeners heeft geïnformeerd over de (risico-)eigenschappen van deze instrumenten en dat [directeur Beheer] zich van die risico’s terdege bewust was. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden [directeur Beheer] belast met het bewijs van zijn stelling dat Van Lanschot hem niet heeft gewaarschuwd voor de specifieke risico’s die aan perpetuals en steepeners zijn verbonden.
3.13.5
Naar het oordeel van het hof is [directeur Beheer] niet geslaagd in zijn bewijslevering.
De heer [directeur Beheer] is (statutair) directeur van de partijen [Beheer] en Semax die belast zijn met het leveren van bewijs en derhalve partijgetuige. De door hem als getuige afgelegde verklaring kan daarom alleen bewijs in het voordeel van [Beheer] en Semax opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het zijn verklaring voldoende geloofwaardig maakt. Dit aanvullend bewijs is niet voorhanden. Het hof overweegt daartoe als volgt.
3.13.6
De heer [directeur Beheer] heeft verklaard dat hij niet goed is gewaarschuwd over de specifieke risico’s die zijn verbonden aan perpetuals en steepeners, maar hiertegenover staat de verklaring van de heer [getuige] (hierna: [getuige] ) dat hij de heer [directeur Beheer] voorafgaande aan de aankoop steeds heeft geïnformeerd over de aard en risico’s en dat de heer [directeur Beheer] deze eigenschappen en risico’s begreep.
[getuige] , die destijds in zijn hoedanigheid van vermogensadviseur bij Van Lanschot (naar het hof uit de stukken begrijpt tot in 2007) [directeur Beheer] heeft geadviseerd, heeft voor zover van belang het volgende verklaard: “Er zijn veel momenten waarop ik meneer [directeur Beheer] schriftelijk of mondeling heb geïnformeerd over de aard en de risico’s van complexe obligaties. Bij een aankoopadvies wijs je de klant er altijd op wat het debiteurenrisico, kredietwaardigheid, looptijd, rentestand en de bijzondere karakteristieken van de bijzonder titel zijn. Dat heb ik bij mij [directeur Beheer] ook altijd gedaan (..) We hebben [directeur Beheer] ook via de email geïnformeerd. Mijn aantekeningen raadplegende zie ik een email van 28 april 2003 waarin staat vermeld de rentestand, de rating, het renteplafond en de oneindige looptijd van de betrokken Perpetual. Ik wijs verder op een email van 8 oktober 2004 waar het gaat over de achterstelling en de (..) rating (..). Deze lagere rating had te maken met het achtergesteld karakter van de lening. (..) [directeur Beheer] maakte de indruk dat hij begreep waar ik het over had. Ik heb die stellige indruk omdat de gesprekken 3 á 4 uur duurde. Het ging om gesprekken bij [directeur Beheer] thuis, die hielden we 4 á 5 keer per jaar. En dan bespraken wij diepgaand de samenstelling en de individuele titels van de beleggingsportefeuille. [directeur Beheer] wilde het naadje van de kous weten. Hij hield pas op als hij het snapte. Als hij het niet begreep vroeg hij gewoon verder en moest ik het verder uitleggen.(..) ”
De heer [directeur Beheer] heeft als getuige ook erkend dat hij voorafgaand aan een aankoopadvies informatie van [getuige] kreeg, maar hierbij ging het volgens hem niet om een waarschuwing. De heer [directeur Beheer] verklaart hieromtrent: “Als [getuige] mij opbelt en mij een advies tot aankoop gaf. U vraagt mij of er dan altijd is gesproken over rendement en veiligheid. Dat kan ik mijn niet herinneren. Dat kan best zo zijn maar niet in de vorm van een waarschuwing. Ik kreeg informatie en vroeg dan past het binnen de portefeuille. Het antwoord was dan ja, en dan zei ik doe het dan maar. (..) Onder waarschuwen versta ik meer ontraden en dat is uiteraard niet gebeurd want als het niet binnen mijn beleggingsprofiel had gepast dan zouden ze het niet hebben aangeboden mag ik veronderstellen.”
3.13.7
Van Lanschot behoorde [directeur Beheer] te waarschuwen voor de risico’s die zijn verbonden aan het beleggen in perpetuals en steepeners. Dit bekent dat zij, gelijk de rechtbank ook heeft geoordeeld, [directeur Beheer] voorafgaande aan de aankoop van deze complexe obligaties uitdrukkelijk moest wijzen op de daaraan verbonden risico’s, dat Van Lanschot zich ervan moest vergewissen dat [directeur Beheer] zich daadwerkelijk van die risico’s bewust was en dat hij daarmee instemde (vgl. HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012: BU4914). Die waarschuwingsplicht ging in dit geval echter, anders dan [directeur Beheer] stelt, niet zover dat Van Lanschot de aanschaf van deze obligaties moest ontraden.
Naar het oordeel van het hof heeft Van Lanschot aan haar waarschuwingsplicht voldaan. Uit de verklaring van de getuige [getuige] blijkt immers dat [directeur Beheer] voorafgaande aan de aankoop steeds uitdrukkelijk is gewezen op de eigenschappen van en de risico’s die aan perpetuals en steepeners zijn verbonden, dat [directeur Beheer] de eigenschappen en risico’s begreep en dat hij deze heeft geaccepteerd. Dat op de (risico-)eigenschappen van perpetuals en steepeners is gewezen en dat [directeur Beheer] hiermee bekend was blijkt bovendien uit de e-mailberichten van Van Lanschot van 8 oktober 2004 (prod. 26 conclusie na enquête van Van Lanschot) en 20 december 2005 en de door [directeur Beheer] bijgehouden spreadsheets (zie rov. 3.13.4). De vordering van [directeur Beheer] , voor zover die is gebaseerd op tekortkoming van Van Lanschot in de op haar rustende waarschuwingsplicht voor de risico’s van deze instrumenten, heeft de rechtbank derhalve terecht en op goede gronden afgewezen.
[directeur Beheer] heeft in hoger beroep aangeboden zijn stellingen door alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van getuigen, te bewijzen. [directeur Beheer] heeft in verband met de aan hem in eerste aanleg verstrekte bewijsopdracht reeds een aantal getuigen doen horen. Van [directeur Beheer] had dan ook mogen worden verwacht dat hij, indien hij in hoger beroep een bewijsaanbod wil doen met de bedoeling aanvullend bewijs te leveren, dit bewijsaanbod nader had toegelicht, bijvoorbeeld door te specificeren dat en waarom hij (bepaalde) getuigen (opnieuw) wil doen horen. Nu [directeur Beheer] een dergelijk gespecificeerd aanbod tot het leveren van aanvullend bewijs niet heeft gedaan, zal het hof aan het door [directeur Beheer] in hoger beroep gedane (algemene) bewijsaanbod voorbijgaan.
de overschrijding van het risicoprofiel
3.14.1
[directeur Beheer] stelt dat door de grote hoeveelheid perpetuals en steepeners, die op advies van Van Lanschot zijn aangekocht, de obligatieportefeuilles gelet op het overeengekomen defensieve risicoprofiel te risicovol waren ingericht. Volgens de door [directeur Beheer] ingeschakelde deskundige [deskundige 1] zou het aanvaardbaar zijn geweest als ongeveer 20% complexe obligaties in de portefeuilles waren opgenomen. Ultimo 2007 bestond de obligatieportefeuilles van [Beheer] en Semax voor 68% respectievelijk 80% uit complexe obligaties (par. 17 memorie van grieven). Indien bij de vaststelling van het percentage van het aandeel van de perpetuals en steepeners in de obligatieportefeuilles rekening wordt gehouden met de onttrekkingen aan die portefeuilles in november 2007, dan bedragen de percentages bij [Beheer] en Semax per 1 januari 2007 40% respectievelijk 53% en per 31 december 2007 37% respectievelijk 47% (akte [directeur Beheer] 13 juni 2012, laatste bladzijde). [directeur Beheer] stelt dat Van Lanschot voor de overschrijding van de risicoparameters behorende bij defensieve portefeuilles had moeten waarschuwen, wat Van Lanschot heeft nagelaten.
3.14.2
Van Lanschot erkent dat de beleggingsadviseur de naleving van het vastgestelde risicoprofiel moet monitoren en de cliënt moet waarschuwen als zijn beleggingsbeslissingen tot gevolg hebben dat de risicoparameters behorende bij het vastgestelde risicoprofiel worden overschreden. Volgens Van Lanschot vielen de obligatieportefeuilles qua risico echter binnen de risicoparameters behorende bij een defensief profiel. Deze portefeuilles lieten ruimte voor het opnemen daarin van risicovollere waarden (zoals complexe obligaties) omdat in de portefeuilles in het geheel geen zakelijke waarden waren opgenomen. Van een overschrijding van de risicoparameters was geen sprake, zodat Van Lanschot hiervoor niet hoefde te waarschuwen.
3.14.3
Tussen partijen staat vast dat Van Lanschot de cliënt moet waarschuwen indien de beleggingsbeslissingen tot gevolg hebben dat de portefeuilles gezien het afgesproken (en ook bevestigde) profiel te risicovol zijn ingericht en de risicoparameters behorende bij dit profiel zijn overschreden. Van Lanschot heeft erkend dat zij niet heeft gewaarschuwd voor de door [directeur Beheer] gestelde overschrijding van de risicoparameters behorende bij het defensieve profiel van de obligatieportefeuilles van [directeur Beheer] (par. 66 memorie van antwoord); volgens Van Lanschot was er immers geen sprake van een overschrijding, zodat een waarschuwing ter zake niet aan de orde was.
3.14.4
Ter beantwoording van de vraag of de obligatieportefeuilles van [Beheer] (met nummer [portefeuillenummer 1] ) en Semax (met nummer [portefeuillenummer 3] ) op tijdstippen in de periode van oktober 2002 respectievelijk begin 2003 tot ultimo 2007 volgens de toen geldende inzichten binnen het risicoprofiel defensief zijn gebleven, heeft het hof behoefte aan voorlichting door (een) deskundige(n). Aan de deskundige(n) zullen de vragen worden voorgelegd 1. welk percentage aan perpetuals en steepeners (tezamen en afzonderlijk) in de betreffende periodes in het algemeen aanvaardbaar was bij obligatieportefeuilles behorende bij een defensief risicoprofiel; en 2. welk percentage aan perpetuals en steepeners (tezamen en afzonderlijk) in de betreffende periodes aanvaardbaar was bij de onderhavige obligatieportefeuilles met een afgesproken defensief risicoprofiel. Daarbij dient de deskundige in aanmerking te nemen dat bij deze defensieve risicoprofielen (destijds) een bandbreedte hoorde van 60-80% voor vastrentende waarden en liquiditeiten en 20-40% voor zakelijke waarden.
3.14.5
Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over het aantal, de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
Het hof is voornemens de kosten van de deskundige(n) voorshands ten laste van [directeur Beheer] te brengen, zijnde de eisende partij als bedoeld in artikel 195 Rv.
3.14.6
In de memorie na deskundigenbericht zal [directeur Beheer] moeten aangeven of en zo ja wanneer en op welk(e) tijdstip(pen) de door de deskundige vast te stellen percentages in de obligatieportefeuilles zijn overschreden en om welk percentage perpetuals en/of steepeners het hierbij gaat. [directeur Beheer] zal daarbij beleggingsoverzichten van zijn obligatieportefeuilles moeten overleggen waarin duidelijk (gearceerd of anderszins) is aangegeven op welk(e) tijdstip(pen) van een eventuele overschrijding sprake was en hoe lang deze overschrijding heeft geduurd. Zo [directeur Beheer] de perpetuals en steepeners op de in het geding te brengen overzichten voorziet van een kleur wordt [directeur Beheer] uitdrukkelijk verzocht kleurenkopieën van de overzichten in het geding te brengen aangezien deze op een zwart-witkopie niet zichtbaar zijn. Het percentage perpetuals en steepeners in de obligatieportefeuilles moet worden berekend over de portefeuilles inclusief de (onttrokken) liquiditeiten op het moment van advisering. Vaststaat immers dat [directeur Beheer] op 20 november 2007 aan de obligatieportefeuilles van [Beheer] en van Semax een bedrag van € 460.000,- (zie rov. 3.1. sub (vi)) respectievelijk € 170.000,- (zie rov. 3.1. sub (viii)) heeft onttrokken.
De aandelenportefeuille van [Beheer] en de onttrekkingen aan die portefeuille dienen bij bepaling van het percentage perpetuals en steepeners in de obligatieportefeuilles buiten beschouwing te worden gelaten. De gestelde schending van de zorgplicht ziet, zoals het hof hierna in 3.17.2 zal bespreken, immers niet op de aandelenportefeuille van [Beheer] .
3.15.
Het hof zal thans reeds ingegaan op het causaal verband, de schade en het beroep op eigen schuld (artikel 6:101 BW).
het causaal verband
3.16.1
Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat door de hoeveelheid perpetuals en steepeners in de obligatieportefeuilles van [directeur Beheer] de risicoparameters behorende bij een defensief profiel zijn overschreden, overweegt het hof als volgt.Vaststaat dat Van Lanschot voor deze overschrijding niet heeft gewaarschuwd. Aan het hof ligt ter beantwoording voor of er causaal verband bestaat tussen de schending van de waarschuwingsplicht en de beslissing van [directeur Beheer] tot de (verdere) aankoop van de door Van Lanschot geadviseerde perpetuals en steepeners als gevolg waarvan de portefeuilles niet meer overeenstemden met het vastgestelde risicoprofiel. Op [directeur Beheer] rust de stelplicht, en bij voldoende betwisting, de bewijslast van het causaal verband tussen de schending door Van Lanschot van haar zorgplicht en de door [directeur Beheer] geleden schade die voorkomt uit deze (verkeerde) beleggingsbeslissing van [directeur Beheer] (HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR: 2012:BU4914).
3.16.2
[directeur Beheer] stelt dat indien Van Lanschot hem zou hebben gewaarschuwd dat door de (verdere) aankoop van de door Van Lanschot geadviseerde perpetuals en steepeners de risicoparameters van de defensieve portefeuilles zouden worden overschreden hij die obligaties niet zou hebben gekocht. [directeur Beheer] zou de waarschuwing van Van Lanschot niet hebben genegeerd; [directeur Beheer] heeft immers steeds de aankoopadviezen van Van Lanschot opgevolgd. [directeur Beheer] wenste weliswaar een rendement van 5 tot 6% jaar, maar deze wens was verenigbaar met het vastgestelde defensief profiel. Indien volgens Van Lanschot deze rendementswens niet (langer) verenigbaar was met het defensieve profiel, dan had zij [directeur Beheer] daarop moeten wijzen. [directeur Beheer] zou in dat geval niet tot verdere aankoop van perpetuals en steepeners zijn overgegaan omdat [directeur Beheer] een defensieve portefeuille wilde.
3.16.3
Van Lanschot heeft aangevoerd dat zij [directeur Beheer] herhaaldelijk heeft gewezen op de risico’s die samenhingen met zijn portefeuilles en dat [directeur Beheer] haar adviezen tot verkoop in de wind heeft geslagen. Volgens Van Lanschot zou [directeur Beheer] een advies van Van Lanschot om te beleggen conform de benchmark portefeuille (zoals vermeld in het rapport van [deskundige 2] ) destijds niet hebben gevolgd. Van Lanschot heeft [directeur Beheer] de mogelijkheid voorgehouden om genoegen te nemen met het lagere rendement van staatsobligaties en [directeur Beheer] erop gewezen dat dan minder risico genomen hoefde te worden. [directeur Beheer] wilde en koos echter bewust voor obligaties met een rendement van 5-6% en dat was alleen maar mogelijk indien in meer risicovolle obligaties, zoals perpetuals en steepeners, zou worden belegd.
3.16.4
Van Lanschot betwist met het vorenstaande slechts het causaal verband tussen de schending van haar waarschuwingsplicht voor de aan de perpetuals en steepeners verbonden risico’s en de beslissing van [directeur Beheer] om te beleggen in deze instrumenten. Van Lanschot betwist hiermee niet, ook niet subsidiair, dat indien zij [directeur Beheer] zou hebben gewaarschuwd dat (verdere) aankoop van perpetuals en steepeners een hoger risicoprofiel voor de obligatieportefeuilles tot gevolg zou hebben, [directeur Beheer] van (verdere) aankoop van deze instrumenten zou hebben afgezien. Het feit dat, zoals Van Lanschot aanvoert, [directeur Beheer] wilde vasthouden aan een rendement van 5-6% per jaar en daartoe bewust zou hebben gekozen voor het beleggen in meer risicovolle obligaties, betekent niet dat [directeur Beheer] van het vastgestelde risicoprofiel defensief wilde afwijken of dat hij met een hoger risicoprofiel instemde. Het streven van [directeur Beheer] om een rendement te halen van 5-6% paste destijds immers bij een defensief profiel; dit blijkt niet alleen uit de brief van Van Lanschot van 26 februari 2002 (zie rov. 3.1. sub (iv)) maar ook uit voormelde aan [directeur Beheer] verstrekte brochure van Van Lanschot. In deze brochure is onder het kopje “Defensief profiel” immers vermeld: “De belegger: (..) streeft naar een gemiddeld jaarlijks positief rendement* van 6% op de lange termijn”. Naar het oordeel van het hof dient derhalve in beginsel te worden aangenomen dat, indien Van Lanschot niet in haar zorgplicht (de waarschuwingsplicht ter zake de overschrijding van het vastgestelde risicoprofiel) was tekortgeschoten, [directeur Beheer] niet tot (verdere) aankoop van de door Van Lanschot geadviseerde perpetuals en steepeners zou zijn overgaan op het moment dat dit tot een hoger risicoprofiel voor de obligatieportefeuilles zou hebben geleid. Van Lanschot heeft niet genoegzaam onderbouwd dat [directeur Beheer] tot verdere aankoop van deze door Van Lanschot geadviseerde instrumenten zou zijn overgegaan indien Van Lanschot niet in deze zorgplicht was tekortgeschoten, zodat het oorzakelijk verband kan worden aangenomen.
de schade
3.17.1
[directeur Beheer] heeft de schade die [Beheer] en Semax als gevolg van de schending van de zorgplicht van Van Lanschot zouden hebben geleden, conform de berekening van de door hem ingeschakelde deskundige [deskundige 2] , gesteld op een bedrag van € 1.343.658,- respectievelijk € 634.195,- (zie rov. 3.1. sub (x)). De schade is berekend over de periode van 31 december 2003 tot en met 31 december 2008.
Van Lanschot heeft de door [deskundige 2] berekende schade betwist. Van Lanschot heeft erop gewezen dat de performancevergelijking is gemaakt over de periode van 31 december 2003 tot en met 31 december 2008, terwijl de adviesrelatie tussen partijen reeds eind december 2007 is geëindigd (de portefeuilles zijn in januari 2008 overgeboekt naar Rabobank). Van Lanschot voert verder aan dat nu de adviesrelatie tussen partijen reeds in oktober 2002 (met [Beheer] ) respectievelijk in januari 2003 (met Semax) is aangevangen, en de obligatieportefeuilles ook toen al bestonden uit onder meer perpetuals en steepeners, de voordelen (koerswinsten en eventuele waardestijging van de effecten) die vanaf oktober 2002 respectievelijk januari 2003 met deze instrumenten zijn behaald in mindering moeten gebracht op de eventuele schade. Van Lanschot heeft verder erop gewezen dat [deskundige 2] bij de vaststelling van de waarde van obligatieportefeuilles ultimo 2007 geen rekening heeft gehouden met de onttrekkingen aan de portefeuilles.
Het hof zal nu reeds op een aantal (discussie) punten ingaan.
3.17.2
De tweede beleggingsportefeuille van [Beheer] , de aandelenportefeuille, die, naar het hof begrijpt, gedurende de adviesrelatie tussen Van Lanschot en [directeur Beheer] in waarde is gestegen, dient buiten beschouwing te worden gelaten. Het voordeel dat [Beheer] gedurende de adviesrelatie met deze portefeuille heeft behaald, is immers niet het gevolg van een zelfde gebeurtenis als bedoeld in artikel 6:100 BW, namelijk de gestelde voortdurende niet-nakoming door Van Lanschot van haar zorgplicht (vgl. HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BP4012). Dit betekent dat het voordeel dat [Beheer] met de aandelenportefeuille heeft genoten bij de vaststelling van de eventuele te vergoeden schade ter zake de obligatieportefeuille van [Beheer] niet in mindering kan worden gebracht.
Zoals hiervoor in 3.4.16 is overwogen dient het percentage perpetuals en steepeners in de obligatieportefeuilles te worden berekend over die portefeuilles inclusief de (onttrokken) liquiditeiten op het moment van advisering. Ook bij de berekening van de waarde van de obligatieportefeuilles op de nader vast te stellen peildatum dient rekening te worden gehouden met de onttrekkingen aan de obligatieportefeuilles van [Beheer] en Semax van € 460.000,- respectievelijk € 170.000,- op 20 november 2007.
3.17.3
De periode waarover schade is gevorderd (31 december 2003 tot en met 31 december 2008) komt, gelijk Van Lanschot stelt, niet overeen met periode waarin tussen partijen een beleggingsadviesrelatie bestond (oktober 2002 / januari 2003 – december 2007). [directeur Beheer] stelt dat de effecten in de beleggingsportefeuilles van [Beheer] en Semax, die in oktober 2002 respectievelijk januari 2003 van ABN Amro naar Van Lanschot zijn overgeboekt, in de periode daarna langzamerhand zijn vervangen door effecten die op advies van Van Lanschot zijn gekocht (par. 6 conclusie van repliek).
3.17.4
[directeur Beheer] zal, zoals in 3.14.6 is overwogen, moeten aangeven vanaf welk(e) tijdstip(pen) het door de deskundige vast te stellen percentage aan perpetuals en steepeners is overschreden, dus ook indien dit al het geval was op het moment dat [directeur Beheer] in oktober 2002 respectievelijk januari 2003 zijn bestaande portefeuilles overhevelde naar Van Lanschot. [directeur Beheer] zal in de door hem over te leggen overzichten en de daarbij te geven toelichting tevens moeten aangeven vanaf welk moment als gevolg van de adviezen van Van Lanschot hetzij door verkoop van traditionele obligaties hetzij door aankoop van perpetuals en/of steepeners de door de deskundige vast te stellen percentages zijn overschreden.
3.17.5
[directeur Beheer] heeft de schade gefixeerd op 31 december 2008. [directeur Beheer] heeft daartoe aangevoerd (par. 105 conclusie van repliek) dat de koersen zich (na 31 december 2008) weliswaar kunnen herstellen maar dat dit herstel nog niet, althans in beperkte mate, is opgetreden, terwijl het zeer de vraag is of er verder herstel zal plaatsvinden. Verder geldt ook voor de hypothetische portefeuilles op grond waarvan de schadeberekening is gemaakt, dat die na 31 december 2008 een positieve koersontwikkeling hebben laten zien. Het verschil tussen de waarde van de werkelijke portefeuilles en de hypothetische waarde is daardoor niet teniet gedaan, zodat de schade onverminderd is blijven bestaan. De mogelijkheid dat de koersen stijgen en dat de schade daardoor geheel of gedeeltelijk teniet wordt gedaan, blijft weliswaar bestaan zolang de obligatie uitgevende instelling niet failleert, maar dat kan geen reden zijn om van [directeur Beheer] te verlangen dat hij maar zou moeten wachten tot het zover is, te meer nu sommige obligaties al jarenlang geen rente uitkeren, aldus nog steeds [directeur Beheer] . [directeur Beheer] stelt verder dat hij na de beëindiging van de relatie een deel van de complexe obligaties heeft verkocht. [directeur Beheer] heeft voorts erop gewezen dat nog niet ingetreden schade op de voet van artikel 6:105 BW bij voorbaat door de rechter kan worden begroot na afweging van goede en kwade kansen (par. 75 pleitnota [directeur Beheer] eerste aanleg).
Van Lanschot heeft verschillende standpunten ingenomen. Enerzijds stelt zij dat [directeur Beheer] vooralsnog geen schade heeft geleden omdat hij de perpetuals en steepeners nog steeds niet heeft verkocht maar nog steeds in zijn bezit heeft en koersherstel mogelijk is (par. 93 conclusie van antwoord). Van Lanschot stelt echter anderzijds dat nu de adviesrelatie tussen partijen reeds in december 2007 is geëindigd, Van Lanschot na december 2007 niet meer verantwoordelijk kan worden gehouden voor de samenstelling en de resultaten van de portefeuilles omdat Van Lanschot [directeur Beheer] toen niet meer adviseerde. Van Lanschot is daarom niet verantwoordelijk voor de beleggingskeuzes die [directeur Beheer] in 2008 heeft gemaakt, waaronder zijn keuze om de portefeuilles niet te liquideren (par. 98 conclusie van antwoord en par. 107 conclusie van dupliek). Van Lanschot stelt voorts dat nu [directeur Beheer] reeds op 16 januari 2008 op de hoogte was van alle ins en outs van de complexe obligaties [directeur Beheer] in ieder geval vanaf dat moment Van Lanschot niet meer aansprakelijk kan houden voor verdere schade (par. 106 conclusie van dupliek).
3.17.6
[directeur Beheer] heeft, zoals hiervoor in 3.8.5 is vermeld, gesteld dat hij tijdens de bespreking met Rabobank op 26 februari 2008 er achter kwam dat de samenstelling van de portefeuilles c.q. het beleggingsadvies van Van Lanschot niet paste bij het vastgestelde defensieve risicoprofiel. Het hof is voorshands van oordeel dat als peildatum voor de schadeberekening 26 februari 2008 kan worden aangehouden aangezien [directeur Beheer] op dat tijdstip bekend mag worden verondersteld met het mogelijke tekortschieten van Van Lanschot. Het was aan [directeur Beheer] om op dat tijdstip te beslissen wat hij met de perpetuals en steepeners in zijn obligatieportefeuilles zou doen. Dit voorshandse oordeel betekent dat Van Lanschot niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die [directeur Beheer] heeft geleden of mocht lijden na 26 februari 2008 door het aanhouden van de perpetuals en steepeners in zijn portefeuilles. Dit betekent voorts dat voor de schadeberekening moet worden uitgegaan van de waarde van de obligatieportefeuilles van [Beheer] en Semax per 26 februari 2008 als de portefeuilles op die datum waren geliquideerd. Dit voorshandse oordeel impliceert dat het verweer van Van Lanschot dat [directeur Beheer] (vooralsnog) geen schade heeft geleden omdat hij de perpetuals en steepeners nog steeds niet heeft verkocht, wordt verworpen.
Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich in de
memorie na deskundigenbericht over dit voorshandse oordeel van het hof uit te laten.
de verdeling van het nadeel (artikel 6:101 BW)
3.18.
Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat als gevolg van het percentage perpetuals en steepeners in obligatieportefeuilles van [directeur Beheer] de risicoparameters behorende bij het overeengekomen defensief risicoprofiel zijn overschreden, overweegt het hof volgt. In dat geval is de schade niet mede een gevolg van een omstandigheid die aan [directeur Beheer] kan worden toegerekend. [directeur Beheer] mocht immers ervan uitgaan dat zijn portefeuilles waren samengesteld overeenkomstig het vastgestelde defensieve risicoprofiel. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de door [directeur Beheer] overgelegde rapportages van de beleggingsportefeuilles van [Beheer] en Semax van 31 december 2007 (prod. 12 en 13 conclusie van repliek) blijkt dat volgens Van Lanschot het actuele risicoprofiel van de portefeuilles op die datum inkomensgericht was, dat wil zeggen zelfs een lager risicoprofiel dan het vastgestelde profiel. Gesteld noch gebleken is bovendien dat uit de rapportages van de beleggingsportefeuilles over de voorgaande jaren kon worden afgeleid dat het actuele en voor [directeur Beheer] kenbare risicoprofiel hoger was dan het vastgestelde profiel.
Resumé
3.19.1
Partijen zullen zich bij akte mogen uitlaten omtrent de hiervoor in 3.14.5 vermelde doeleinden.
3.19.2
[directeur Beheer] dient zich in de memorie na deskundigenbericht uit te laten en daarbij stukken in het geding te brengen omtrent de hiervoor in 3.14.6 en 3.17.4 vermelde doeleinden. Beide partijen worden in de gelegenheid gesteld zich in de memorie na deskundigenbericht uit te laten over het hiervoor in 3.17.6 gegeven voorshandse oordeel.
Om reden van efficiency dienen partijen hun memorie gelijktijdig te nemen, waarbij zij hun memorie echter op voorhand (uiterlijk twee weken voorafgaande aan de roldatum waarop deze moet worden genomen) aan elkaar toezenden. Aldus kan op de inhoud van de memorie van de wederpartij worden gereageerd, door onder de eigen memorie een reactie op te nemen.
4. De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 12 juli 2016 voor akte aan de beide zijden met de hiervoor in 3.14.5 en 3.19.1 vermelde doeleinden;
bepaalt dat partijen zich in de gelijktijdig te nemen memorie na deskundigenbericht dienen uit te laten en stukken in het geding te brengen met de hiervoor in 3.14.6 en 3.17.4, 3.17.6 en 3.19.2 vermelde doeleinden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, S. Riemens en D.A.E.M. Hulskes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 juni 2016.
griffier rolraadsheer