Rb. Zeeland-West-Brabant, 14-04-2026, nr. 02-401808-24 en 02-006391-26
ECLI:NL:RBZWB:2026:2962
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
14-04-2026
- Zaaknummer
02-401808-24 en 02-006391-26
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2026:2962, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14‑04‑2026; (Op tegenspraak)
Uitspraak 14‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Medeplegen van verkrachting, medeplegen van het vervaardigen van een filmpje hiervan en medeplegen van oplichting (bankfraude). Deels voorwaardelijke jeugddetentie waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest met een proeftijd van twee jaar en met bijzondere voorwaarden en een werkstraf. Immateriële schadevergoeding en proceskostenveroordeling conform liquidatietarief.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-401808-24 en 02-006391-26 (gevoegd)
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats]
wonende aan de [adres]
thans uit andere hoofde gedetineerd in de justitiële [jeugdinrichting]
raadsvrouw mr. L.V. Romme, advocaat te Breda.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 31 maart 2026, waarbij de officier van justitie, mr. D.E. van Hout, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
parketnummer 02-401808-24:
feit 1: op 18 maart 2024 al dan niet samen met een ander [slachtoffer 1] heeft verkracht;
feit 2: op 18 maart 2024 al dan niet samen met een ander hiervan een filmpje heeft gemaakt;
parketnummer 02-006391-26:
op 5 januari 2026 al dan niet samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer 2] op te lichten door zich voor te doen als bankmedewerker.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
parketnummer 02-401808-24:
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander [slachtoffer 1] heeft verkracht door haar te dwingen verdachte te pijpen en daarvan samen met een ander een filmpje heeft gemaakt.
parketnummer 02-006391-26:
De officier van justitie acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 2] op te lichten door zich voor te doen als een bankmedewerker.
4.2
Het standpunt van de verdediging
parketnummer 02-401808-24:
De verdediging is van mening dat verdachte van beide ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. De verklaringen van moeder en [slachtoffer 1] zijn summier en op belangrijke punten inconsistent, waardoor getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid ervan. Daarnaast is de verdediging van mening dat het pijpen door [slachtoffer 1] vrijwillig heeft plaatsgevonden en er derhalve geen sprake is geweest van dwang. Tot slot kan niet worden vastgesteld dat het filmpje dat is gemaakt seksueel van aard is, nu de seksuele handeling daarop niet goed te zien is. Bovendien wist verdachte niet dat er zou worden gefilmd.
parketnummer 02-006391-26:
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd, nu verdachte dit feit bekent.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
parketnummer 02-401808-24:
Inleiding
De rechtbank stelt voorop dat de volgende feiten en omstandigheden niet in geschil zijn. Verdachte en [slachtoffer 1] hebben verkering met elkaar gehad. Op 18 maart 2024, toen de verkering al enige tijd uit was, kwam [slachtoffer 1] verdachte en twee andere jongens tegen, waaronder medeverdachte [medeverdachte] . [slachtoffer 1] heeft verdachte vervolgens gepijpt. Dit is gefilmd door [medeverdachte] en later door hem op social media gedeeld.
Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] hem had gevraagd om hem te pijpen en dat dit geheel vrijwillig is gebeurd. [slachtoffer 1] heeft daarentegen aangegeven dat zij het pijpen niet wilde en dat zij hiertoe door verdachte en zijn medeverdachte is gedwongen. Zij hebben haar step afgepakt en zij zou deze pas terugkrijgen wanneer zij verdachte zou pijpen.
De rechtbank zal hieronder ingaan op het bewijs en in dat kader beoordelen welke verklaring zij betrouwbaar acht.
Bewijs in zedenzaken
In het Nederlandse strafprocesrecht geldt de regel dat een veroordeling voor een strafbaar feit niet enkel mag worden gebaseerd op één getuigenverklaring (artikel 342, tweede lid Sv). Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken, omdat het verhaal van aangever vaak lijnrecht tegenover het verhaal van verdachte staat. Objectieve bewijsmiddelen zijn er doorgaans niet. Bij de beoordeling van het bewijs in dit soort zaken, moet de rechtbank toetsen of de verklaring van aangever betrouwbaar is, maar ook kijken of er ander aanvullend bewijs in het dossier aanwezig is dat die verklaring van aangever ondersteunt (steunbewijs). Niet alle onderdelen van de tenlastelegging hoeven te worden ondersteund door een ander bewijsmiddel; het is voldoende dat de verklaring van aangever op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Deze moeten wel afkomstig zijn van een andere bron dan de aangever zelf en mogen niet in een te ver verwijderd verband staan van het overige gebruikte bewijsmateriaal (vgl. Hoge Raad 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, Hoge Raad 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452 en Hoge Raad 23 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094).
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer 1]
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] meermalen op hoofdlijnen een consistente, concrete verklaring heeft afgelegd over het moeten pijpen van verdachte en het filmen daarvan alsook over de omstandigheden waaronder dit zou zijn gebeurd. Zowel tegenover de politie, als tegenover haar moeder, heeft [slachtoffer 1] verteld dat zij verdachte met [persoon 1] en [medeverdachte] is tegengekomen op haar step. Verdachte maakte grapjes en zei herhaaldelijk in het bijzijn van de andere jongens dat zij hem moest pijpen. [slachtoffer 1] wilde dat niet en heeft de hele tijd ‘nee’ gezegd. Op een gegeven moment heeft [medeverdachte] haar step afgepakt en is daarop met de andere jongen rondjes gaan steppen. Verdachte bleef zeggen dat zij hem moest pijpen, omdat zij anders haar step niet terugkreeg. De andere jongens waren daar ook bij. Uiteindelijk kreeg zij haar step terug door ‘ja’ te zeggen en is zij met verdachte en de andere jongens naar een steegje in de buurt van [locatie] gegaan om verdachte daar te pijpen. Verdachte kwam met het idee om naar een steegje te gaan en liep met een andere jongen voorop; [slachtoffer 1] liep met [medeverdachte] erachteraan. Het pijpen is gefilmd door [medeverdachte] en uiteindelijk ook gedeeld via Snapchat en Telegram met de tekst “11 jarig [naam 2] pijpt in steegje [naam 3] ” en een afbeelding van haar TikTok-profiel.
In de verklaring van [slachtoffer 1] zijn steeds dezelfde specifieke details genoemd, zoals de aanleiding van het incident, wie daarbij aanwezig waren en wat er precies op welk moment is gebeurd. Daartegenover staat de verklaring van verdachte, die wisselend heeft verklaard over of er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en tussen wie dat is geweest. Pas na het verstrekken van het einddossier in januari 2026 heeft verdachte verteld dat hij inderdaad degene is geweest die gepijpt is door [slachtoffer 1] en op het filmpje staat, maar dat het pijpen op haar initiatief is geweest en geheel vrijwillig was. Dat [slachtoffer 1] , een meisje van destijds pas 11 jaar oud, dit uit het niets zou vragen aan iemand met wie zij op dat moment geen relatie heeft in het bijzijn van andere jongens op een plek waar iedereen haar zou kunnen zien, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank schuift deze verklaring dan ook terzijde. Dat [slachtoffer 1] op sommige vragen dichtklapt en summier heeft verklaard, komt de rechtbank niet vreemd voor. De rechtbank houdt hierbij rekening met de jeugdige leeftijd en achterliggende problematiek van [slachtoffer 1] en vindt de antwoorden die gegeven zijn passend en verklaarbaar in die context. Haar verhaal blijft bovendien hetzelfde ook als er wordt doorgevraagd. Dit alles maakt dat de verklaring van [slachtoffer 1] geloofwaardig en authentiek overkomt en in voldoende mate betrouwbaar is om te bezigen voor het bewijs.
Steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De video-opname van [slachtoffer 1] en verdachte in het steegje waar het pijpen heeft plaatsgevonden, is aangetroffen op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] ; uit digitaal onderzoek blijkt de video met dat toestel te zijn gemaakt op 18 maart 2024 om 17:52:56 uur in een steegje naast een voetbalveld in [plaats] . Daarnaast bemerkte de moeder van [slachtoffer 1] dat zij al een aantal dagen erg afwezig was en zag zij dat [slachtoffer 1] moest huilen toen zij vertelde over het voorval in het steegje. Naar het oordeel van de rechtbank sluit deze waarneming van (de verandering in) de gemoedstoestand van [slachtoffer 1] kort na het voorval aan bij wat [slachtoffer 1] heeft verklaard over wat haar is overkomen. Tot slot heeft verdachte uiteindelijk bekend dat [slachtoffer 1] hem in het steegje heeft gepijpt en ook in zijn eerste verklaring verteld over het afpakken van de step. De medeverdachte zou deze hebben afgepakt en er 10 minuten met een andere jongen achterop op hebben gereden, wat geen leuk grapje voor [slachtoffer 1] was.
Dwang
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte samen met anderen [slachtoffer 1] heeft gedwongen om hem te pijpen, in die zin dat er dwang was tot het ondergaan van het seksueel binnendringen door verdachte. Van dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake wanneer de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de handelingen tegen haar wil verricht of heeft ondergaan. Doorslaggevend bij die vraag is of het slachtoffer heeft gedaan of toegestaan wat zij zonder de dwang niet zou hebben gedaan of toegestaan. Door haar step daadwerkelijk af te pakken en het pijpen te gebruiken als voorwaarde om haar step terug te krijgen, ziet de rechtbank voldoende grond om te spreken van dwang. Dit geldt te meer nu verdachte en de medeverdachte door hun numerieke en fysieke overwicht een situatie hebben gecreëerd waaraan [slachtoffer 1] zich, zeker ook gelet op haar leeftijd en kwetsbaarheid, niet kon onttrekken. Dat [slachtoffer 1] haar step al terug had gekregen voordat het pijpen plaatsvond, doet naar het oordeel van de rechtbank niets af aan de uitgeoefende dwang. Haar step heeft zij teruggekregen door uiteindelijk ‘ja’ te zeggen en dus te doen en dulden wat verdachte wilde.
Medeplegen
Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat bij het begaan van het strafbare feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte.
De rechtbank overweegt dat beide verdachten een belangrijke, onmisbare rol hebben gehad voorafgaand, tijdens en na het incident. Verdachte heeft gevraagd om het pijpen, heeft gezegd dat [slachtoffer 1] haar step pas terugkrijgt als zij dat doet en is uiteindelijk ook gepijpt. De medeverdachte is bij het vragen om het pijpen en bij het pijpen zelf aanwezig geweest en heeft zodoende bijgedragen aan het ontstaan van een situatie waartegen [slachtoffer 1] geen weerstand kon bieden. Hij heeft daarnaast haar step afgepakt en heeft een filmpje gemaakt van het pijpen. Op het filmpje is bovendien te zien dat er contact is tussen verdachte en medeverdachte: de politie ziet dat verdachte een gebaar maakt met zijn duim omhoog in de richting van de camera. Dat verdachte niet wist dat er gefilmd werd, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig.
De rechtbank acht de bijdrage van de medeverdachte van voldoende gewicht om te spreken van medeplegen.
Filmpje
Hoewel er op de opname geen ontbloot lichaamsdeel te zien is, is de rechtbank – anders dan de verdediging – van oordeel dat het aangetroffen beeldmateriaal een afbeelding van seksuele aard betreft. Uit de beschrijving van het filmpje volgt onmiskenbaar dat [slachtoffer 1] met haar hoofd ter hoogte van het geslachtsdeel van verdachte is en kort haar hoofd naar voren en achteren beweegt. Deze gedraging heeft een zodanig intiem seksueel karakter, dat het voor eenieder als privé wordt beschouwd, waarmee het seksuele karakter gegeven is.
Conclusie
De rechtbank acht, gelet op voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het verkrachten van [slachtoffer 1] en hiervan samen met een ander een filmpje heeft gemaakt.
parketnummer 02-006391-26:
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
parketnummer 02-401808-24:
1.
op 18 maart 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander door een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en bestaande die andere feitelijkheid uit:- het afpakken van de step van die [slachtoffer 1] , en- het toevoegen van de woorden (zakelijk weergegeven) dat die [slachtoffer 1] verdachte moest pijpen anders kreeg zij haar step niet terug, en- het fysieke/numerieke overwicht over die [slachtoffer 1] ;
2.
op 18 maart 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, [slachtoffer 1] , een afbeelding van seksuele aard, te weten een filmpje, waarop te zien is dat die [slachtoffer 1] verdachte pijpt, heeft vervaardigd;
parketnummer 02-006391-26:
op 5 januari 2026 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en eenvalse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefselvan verdichtsels, [slachtoffer 2] te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een bankpas,- zich onder valse naam (te weten: [naam 1] ) heeft voorgedaan alsbankmedewerker, en- [slachtoffer 2] heeft verteld dat haar rekening was geblokkeerd, omdat er eenverdachte transactie was gedaan, en- heeft verteld dat er een medewerker van de bank (te weten: [persoon 2] of[persoon 3] ) langs zou komen om de bankpas op te halen, en- heeft verteld dat die [slachtoffer 2] (gedurende drie piepjes die zij te horen kreeg) haaroude en nieuwe pincode moest inspreken, en- heeft verteld dat die [slachtoffer 2] een overdrachtscode (te weten: [nummer] ) moet noterenop een enveloppe en haar bankpas in de enveloppe moet stoppen, en- bij de woning van [slachtoffer 2] is geweest, en- zich heeft voorgedaan als medewerker van de bank, en- hierbij de doorgegeven code heeft opgenoemd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar strafeis rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn en vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 180 uren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert zij een voorwaardelijke jeugddetentie van vier maanden met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die de Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat bij een bewezenverklaring van enkel de poging oplichting kan worden volstaan met een werkstraf. Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van alle feiten, kan het strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming, zoals gevorderd door de officier van justitie, worden gevolgd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
De destijds 13-jarige verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het verkrachten van [slachtoffer 1] door haar te dwingen hem te pijpen en het maken van seksueel beeldmateriaal daarvan. Het slachtoffer was ten tijde van het incident pas 11 jaar oud en heeft deze vergaande seksuele handeling bij verdachte moeten verrichten onder dwang van meerdere oudere jongens in een steegje waar iedereen haar had kunnen zien. Dat laatste is ook gebeurd, doordat er een filmpje is gemaakt. Op grove wijze is misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid en is inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevoelens van en gevolgen voor het slachtoffer en heeft alleen aan de bevrediging van zijn eigen (seksuele) verlangens gedacht. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort feiten – zeker wanneer zij zo jong zijn en het incident is gefilmd – nog lange tijd de nadelige gevolgen met zich dragen. Daarbij vindt de rechtbank het kwalijk en zorgelijk dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen door eerlijk te zijn over wat er is gebeurd.
Daarnaast heeft verdachte samen met een ander geprobeerd [slachtoffer 2] op te lichten door zich voor te doen als een bankmedewerker en aan de deur te komen om haar bankpas met pincode te bemachtigen. Op een gehaaide manier heeft verdachte misbruik proberen te maken van het vertrouwen dat anderen hebben in officiële instellingen. Dat dit uiteindelijk niet gelukt is, ligt niet aan verdachte, maar komt door de oplettendheid en assertiviteit van aangeefster zelf. Het is echter een slinkse manier om voor eigen gewin geld afhandig te maken van doorgaans kwetsbare (oudere) personen, waarbij niet wordt gedacht aan de gevolgen die het voor hen kan hebben. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. Anderzijds vindt de rechtbank het wel goed dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden en op het oog oprechte excuses heeft gemaakt op zitting.
Persoon van verdachte
Uit het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 4 februari 2026 en 9 februari 2026 komen veel zorgen naar voren. Verdachte heeft langere tijd geen onderwijs gevolgd, is beïnvloedbaar en gaat om met jongeren die antisociaalgedrag vertonen. Verdachte staat bekend als overlastgevend en is op jonge leeftijd meerdere keren met de politie in aanraking gekomen. Er is sprake van een licht verstandelijke beperking, een taalontwikkelingsstoornis en een vermoeden van autisme. Verdachte schuwt niet om geweld toe te passen als oplossing voor een probleem, is gevoelig voor snel geld verdienen en heeft onvoldoende geleerd van een leerstraf die eerder is opgelegd. De Raad acht het van belang om diagnostisch onderzoek uit te voeren om passende hulpverlening op te starten. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie is niet in het belang van verdachte, omdat dit niet ervoor zal zorgen dat het recidiverisico wordt verlaagd. De Raad adviseert daarom een taakstraf in de vorm van een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte meewerkt aan het vinden en behouden van een passende dagbesteding in de vorm van onderwijs, meewerkt aan een zinvolle vrijetijdsbesteding in de vorm van een bijbaan of sport, inzicht geeft in zijn sociale contacten en meewerkt aan de hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht. De voorwaarde om mee te werken aan diagnostisch onderzoek komt te vervallen, nu verdachte gedetineerd is voor een andere zaak waarin het advies is gegeven om een persoonlijkheidsonderzoek af te nemen. De jeugdreclasseerder die verdachte sinds maart 2026 begeleidt, sluit zich aan bij het advies van de Raad.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij op zijn jonge leeftijd eerder is veroordeeld voor met name geweldsdelicten en dat artikel 63 Sr van toepassing is: verdachte is op 7 januari 2026 door de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld voor een openlijke geweldpleging en heeft een voorwaardelijke wekstraf van 60 uren opgelegd gekregen met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden.
Strafoplegging
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsook de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop in de zaak met parketnummer 02-401808-24 en de overschrijding van de redelijke termijn met ruim 4 weken en de toepassing van artikel 63 Sr.
Gelet op de ernst van de feiten en de eerdere veroordelingen heeft de rechtbank ten zeerste overwogen om een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. De jeugdige leeftijd van verdachte en het feit dat de eerste zaak (te) lang is blijven liggen, maken dat de rechtbank hiervan af zal zien. Desalniettemin heeft de rechtbank grote zorgen over de ontwikkeling en problematiek van verdachte en het daarmee gepaard gaande recidivegevaar, te meer nu de rechtbank heeft vernomen dat verdachte momenteel in voorlopige hechtenis verblijft voor de verdenking van opnieuw een ernstig (gewelds)delict.
Alles afwegende, acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 180 uren en een jeugddetentie van 185 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden, zoals hieronder vermeld, en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest passend en geboden. De rechtbank zal een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen van een langere duur dan de officier van justitie heeft geëist. Enerzijds om de ernst van het feit te benadrukken, anderzijds om een kader te creëren voor het opleggen van de geadviseerde bijzondere voorwaarden.
7. De benadeelde partij
parketnummer 02-401808-24:
[persoon 4] heeft zich als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 1] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Voor beide feiten wordt een schadevergoeding van in totaal €36.587,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de rechtbank vonnis wijst en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank zou de bewezenverklaarde gedraging van verdachte aan hem als een onrechtmatige daad kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan. Jeugdigen die, net als verdachte, ten tijde van het plegen van het feit nog geen veertien jaar oud waren, zijn namelijk civielrechtelijk niet aansprakelijk voor onrechtmatige gedragingen. In dit geval is degene die het ouderlijk gezag over het kind uitoefent, daarvoor aansprakelijk. De moeder van verdachte is met het eenhoofdig ouderlijk gezag over hem belast. Dit betekent dat zij aansprakelijk is voor de schade die de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten heeft geleden (artikel 6:169 van het Burgerlijk Wetboek).
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van €25.400,- voor immateriële schade ter zake van het geestelijk letsel dat [slachtoffer 1] heeft opgelopen en aantasting in persoon op andere wijze.
De rechtbank is van oordeel dat het ontstaan van geestelijk letsel ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten onvoldoende blijkt uit de stukken die zijn overgelegd. Echter, de aard en de ernst van de normschending door verdachte – het verrichten van vergaande seksuele handeling op jonge leeftijd onder dwang van meerdere oudere jongens in het openbaar en het maken van beeldmateriaal hiervan– maken dat de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dat betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De rechtbank overweegt dat de impact van het bewezenverklaarde voor de benadeelde partij en het gezinssysteem groot is en dat daar een passende schadevergoeding tegenover moet gaan. De uitspraken die aan de vordering zijn toegevoegd, zijn echter niet één op één vergelijkbaar met de onderhavige zaak. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van €5.000,- billijk. Het overige gedeelte van de vordering zal de rechtbank afwijzen.
Materiële schade
Deurwaarderskosten en advocaatkosten in de procedure voor een contact- en straatverbod
De benadeelde partij vordert een bedrag van €151,94 ter zake van deurwaarderskosten en €3.291,20 ter zake van advocaatkosten die in verband met de procedure voor een contact- en straatverbod tegen verdachte zijn gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat deze kosten zien op andere incidenten dan de onderhavige, waarvoor ook andere procedures zijn gevoerd. Voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Proceskosten
De benadeelde partij heeft daarnaast als materiële schade de advocaatkosten van € 7.740,- gevorderd. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij heeft bedoeld deze kosten als proceskosten te vorderen en zal dit dan ook als zodanig aanmerken. Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief, uitgaande van het toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding, bepalen op € 576,- (à € 288,- per punt, voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier en de mondelinge behandeling ter zitting). De rechtbank zal de overige proceskosten afwijzen.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen met uitzondering van de proceskosten. Dit betekent dat (de moeder van) verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom.
Wettelijke rente
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat de rechtbank vonnis zal wijzen.
Schadevergoedingsmaatregel
Aan verdachte kan geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd, omdat hij, zoals hierboven is overwogen, civielrechtelijk niet aansprakelijk is voor onrechtmatige gedragingen. Aan de moeder kan deze maatregel ook niet worden opgelegd, omdat zij geen verdachte is, maar omdat zij slechts aansprakelijk is voor de schade die door haar zoon als verdachte is toegebracht.
parketnummer 02-006391-26:
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van €250,- en vraagt de rechtbank te bepalen dit bedrag te doneren aan de [nationale vereniging] .
De rechtbank overweegt dat uit de vordering en toelichting ter zitting blijkt dat benadeelde partij geen schade heeft geleden, maar een schadevergoeding vordert om een norm te stellen. Hoewel de rechtbank het nobel vindt dat de benadeelde partij vraagt de schadevergoeding niet aan zichzelf uit te keren, maar te storten aan een organisatie die zich op positieve wijze inzet voor ouderen, ontbreekt de wettelijke grondslag om tot vergoeding van immateriële schade over te gaan. De rechtbank zal daarom de vordering afwijzen. Om tegemoet te komen aan de wens van de benadeelde partij en de wil van verdachte een bedrag te storten aan een goed doel, zal de rechtbank dit hierna als bijzondere voorwaarde opnemen.
8. Het beslag
Ten aanzien van de in beslaggenomen telefoons wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte. Ten aanzien van de in beslaggenomen skipas wordt een last gegeven tot teruggave aan een ander zijnde degene bij wie dit beslag is genomen, die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is om over te gaan tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen telefoons bij verdachte, gelet op het feit dat verbeurdverklaring een bijkomende straf is en de voorwerpen in beperkte mate tot niet zijn gebruikt bij het plegen van het bewezenverklaarde strafbare feit.
9. De wettelijke voorschriften
10. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 02-401808-24:
feit 1: medeplegen van verkrachting;
feit 2: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon een afbeelding van seksuele aard vervaardigen;
parketnummer 02-006391-26:
medeplegen van poging tot oplichting;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 185 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie;
- bepaalt dat het voorwaardelijk deel van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte * meewerkt aan het vinden en behouden van een passende dagbesteding in de vorm van onderwijs of anderszins; * meewerkt aan een zinvolle vrijetijdsbesteding in de vorm van een bijbaan of sport; * inzicht geeft in zijn sociale contacten; * meewerkt aan de hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht ter vermindering van het recidivegevaar;
* €250,- stort ten gunste van Stichting Slachtofferhulp op rekeningnummer [iban] ;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
* de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;* de verdachte zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
-geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling te weten William Schrikker Stichting om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren;
- beveelt dat indien veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 90 dagen;
Benadeelde partij
parketnummer 02-401808-24:
- veroordeelt de moeder van verdachte, te weten mevrouw [persoon 5] , tot de betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 14 april 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat de moeder van verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- veroordeelt de moeder van verdachte, te weten mevrouw [persoon 5] , in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 576,-;
- wijst de vordering voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand voor het overige af;
parketnummer 02-006391-26:
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] af;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe op nihil;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: roze Apple IPhone S en rode Apple iPhone 12;
- gelast de teruggave aan [slachtoffer 2] van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: skipas;
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. R. de Jong, kinderrechter en mr. C.R.R. Loeve, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.T.C. Venekamp, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 april 2026.
Mr. C.R.R. Loeve is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
parketnummer 02-401808-24:
1.
hij op of omstreeks 18 maart 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht enbestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid uit:- het afpakken van de step van die [slachtoffer 1] , en/of- het toevoegen van de woorden (zakelijk weergegeven) dat die [slachtoffer 1] verdachte moest pijpen anders kreeg zij haar step niet terug, en/of- het fysieke/numerieke overwicht over die [slachtoffer 1] ;
2.
hij op of omstreeks 18 maart 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, [slachtoffer 1] , een afbeelding van seksuele aard, te weten een filmpje, waarop te zien is dat die [slachtoffer 1] verdachte pijpt, heeft/hebben vervaardigd;
(art 139h lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)
parketnummer 02-006391-26:
hij op of omstreeks 5 januari 2026 te [plaats] , althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)voorgenomen misdrijf ommet het oogmerk om zich en/of een anderwederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of eenvalse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefselvan verdichtsels,[slachtoffer 2] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, hetter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het tenietdoen van een inschuld, te weten een bankpas,- zich onder valse naam (te weten: [naam 1] ) heeft voorgedaan alsbankmedewerker, en/of- [slachtoffer 2] heeft verteld dat haar rekening was geblokkeerd, omdat er eenverdachte transactie was gedaan, en/of- heeft verteld dat er een medewerker van de bank (te weten: [persoon 2] en/of[persoon 3] ) langs zou komen om de bankpas op te halen, en/of- heeft verteld dat die [slachtoffer 2] (gedurende drie piepjes die zij te horen kreeg) haaroude en nieuwe pincode moest inspreken, en/of- heeft verteld dat die [slachtoffer 2] een overdrachtscode (te weten: [nummer] ) moet noterenop een enveloppe en/of haar bankpas in de enveloppe moet stoppen, en/of- bij de woning van [slachtoffer 2] is geweest, en/of- zich heeft voorgedaan als medewerker van de bank, en/of- hierbij de doorgegeven code heeft opgenoemd, en/of- daar om afgifte van de bankpas heeft gevraagd,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;(art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)