De exhibitieplicht
Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/2.2.2:2.2.2 De terughoudende wettelijke regeling uit 1838
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/2.2.2
2.2.2 De terughoudende wettelijke regeling uit 1838
Documentgegevens:
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS378294:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Rossum/Cleveringa 1972, p. xxxviii.
Voorduin 1838, p. 498-499, waarover ook Van Blommestein 1885, p. 33-34.
Asser/ Anema & Verdam 1953, p. 235 over het in 1824 gemaakte onderscheid.
'Indien een titel gemeen is tusschen verscheidene personen, is ieder dezelve bevoegd te vorderen dat die op een derde plaats in bewaring wordt gebracht, mitsgaders om daarvan te zijnen koste een afschrift of uittreksel te laten maken.'
Asser/Anema & Verdam 1953, p. 235.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wettelijke regeling uit 1830 is nooit in werking getreden: de Belgische opstand uit 1830 leidde er toe, dat opnieuw werd bezien, hoe de uniforme regeling er uit moest zien.1 Terwijl enkele jaren tevoren nog was opgemerkt dat het hoogst rechtvaardig was om stukken bij derden op te kunnen vragen, sneuvelde de mogelijkheid om van derden stukken op te vragen algeheel. De wetgever meende dat een derde nog net als getuige bij een geding betrokken kon worden: het zou evenwel geen pas geven verder te gaan en de derde lastig te vallen met verzoeken om stukken te verstrekken, waarvan openbaarmaking hem hinderlijk of onaangenaam zou kunnen zijn.2Ook voor partijen zelf werd de informatieverplichting teruggeschroefd. Terwijl nog maar kort tevoren was benadrukt dat de toen voorgestelde bepaling hoogst zedelijk en billijk was, omdat deze strekte tot ontdekking van de waarheid, werd de verplichting tot verstrekking van stukken ook voor partijen ingeperkt: bij de omschrijving van hetgeen kon worden opgevraagd werd niet meer gesproken van stukken die het geschil betreffen, maar werd aansluiting gezocht bij de in 1824 geïntroduceerde meer terughoudende regeling voor het opvragen van bescheiden buiten het geding: die regeling had slechts betrekking op zogenaamde stukken die aan beide partijen gemeen waren.3
De ommezwaai in de toelichting naar een meer restrictieve benadering werd natuurlijk ook merkbaar in de tekst van het wetsvoorstel, dat vervolgens tot wet werd. Art. 1923 BW bepaalde immers:
"In elken stand van een regtsgeding kan eene partij van den regter verzoeken, dat hare wederpartij bevolen worde om de stukken over te leggen, die aan beide partijen gemeen zijn, de zaak in geschil betreffen en zich onder hare berusting bevinden."
De wetgever had er mee kunnen volstaan om in dit art. 1923 BW op te nemen, dat de rechtsregel gold én voor de situatie in het geding én voor de situatie buiten geding: nu de wetgever ook voor de situatie in het geding koos voor een restrictieve benadering, verviel immers het tot dan toe voorgestelde onderscheid tussen de ruimhartiger regeling in rechte en de striktere regeling buiten rechte. De wetgever koos er echter voor om naast art. 1923 BW te handhaven art. 1922 BW dat voor de situatie buiten geding een nagenoeg gelijkluidende bepaling bevatte.4 Het lijkt erop, dat de wetgever over het hoofd zag, dat met één bepaling kon worden volstaan, nadat de vereisten om in het geding aanspraak te maken op stukken even restrictief waren geformuleerd als de vereisten om buiten het geding aanspraak te maken op stukken.5