De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/10.2.2.3:10.2.2.3 Het ontbreken van een vestiging en de te goeder trouw zijnde dienstverrichter
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/10.2.2.3
10.2.2.3 Het ontbreken van een vestiging en de te goeder trouw zijnde dienstverrichter
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS397632:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van art. 44 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) moet een dienstverrichter vaststellen waar zijn afnemer is gevestigd. Een dienstverrichter kan er te goeder trouw vanuit gaan dat zijn afnemer in een land is gevestigd, terwijl dit feitelijk niet het geval is. Wanneer we uitgaan van de ruime uitleg van het begrip vaste inrichting van het btw-comité en art. 15, eerste lid, voorstel herschikking btw-verordening, zoals besproken in paragraaf 10.2.1.2, zal een dergelijke situatie zich minder vaak voordoen. Het heeft mijns inziens echter de voorkeur om aan dit soort situaties op andere wijze tegemoet te komen. Daarvoor heb ik twee voorstellen:
Heffing in het land dat het btw-identificatienummer heeft toegekend met verlegging van btw-heffing aan de afnemer als de dienstverrichter niet in dit land is gevestigd.
Een regeling die ervoor zorgt dat een dienstverrichter die te goeder trouw is niet in eigen land kan worden geconfronteerd met naheffing door:
Heffing toe te wijzen aan het land waar de afnemer in de ogen van de dienstverrichter een vestiging heeft.
De verplichting tot het betalen van btw in dergelijke gevallen bij de afnemer te leggen.
Een dienstverrichter is mijns inziens te goeder trouw wanneer aan drie voorwaarden is voldaan:
De dienstverrichter heeft steeds contact met een of meer personen uit één bepaalde plaats van wie ook de opdracht tot dienstverlening afkomstig is en aan wie hij zijn dienst ook verricht.
De dienstverrichter heeft bijvoorbeeld naar aanleiding van de aard van de gevraagde dienst, de omvang hiervan of het vermeende gebruik dat de afnemer van de prestatie gaat maken redelijkerwijs de indruk kunnen krijgen dat hij zijn dienst verricht aan de zetel van bedrijfsuitoefening of vaste inrichting van deze ondernemer.
De dienstverrichter beschikt over een btw-identificatienummer van de dienstontvanger dat is afgegeven door de autoriteiten van het land waar de vermeende zetel van bedrijfsuitoefening of vaste inrichting is gevestigd.
Ten opzichte van de tweede oplossing is de eerste oplossing eenvoudig. De eerste oplossing heeft tot gevolg dat heffing niet hoeft plaats te vinden in het land van verbruik en besteding, omdat de afnemer elk willekeurig btw-identificatienummer aan de dienstverrichter kan verstrekken. Voor transacties tussen ondernemers is mijns inziens echter heffing in het land van verbruik en land van besteding niet noodzakelijk. De gelijkstelling van niet-belastingplichtigen en belastingplichtigen met een niet-ondernemersdeel voor zover zij diensten afnemen met hun niet-ondernemersdeel met belastingplichtigen van art. 43 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) zou dan ongedaan moeten worden gemaakt. Voor hen zouden de regels voor diensten aan niet-belastingplichtigen moeten gelden. Voor vrijgestelde ondernemers moet ook een alternatief worden gezocht. Voor vrijgestelde ondernemers is het mijns inziens slechts van belang om een aanknopingspunt te kiezen dat steeds heffing op dezelfde plaats met zich brengt, bijvoorbeeld de statutaire zetel of inschrijving in een bepaald register. Vrijgestelde ondernemers zijn geen eindverbruikers, zodat mijns inziens voor hen ook niet de gedachte van heffing in het land van verbruik en het land van besteding geldt. Ondernemers die diensten inkopen die zowel voor belaste als vrijgestelde prestaties zijn bestemd, kunnen niet als volledig vrijgestelde ondernemers worden behandeld bij oplossing 1. Dit zou een ongelijke behandeling met zich brengen ten opzichte van ondernemers die dezelfde belaste prestaties verrichten, maar geen vrijgestelde. De ondernemers die zowel belast als vrijgesteld presteren leveren een complicatie op bij deze oplossing die de oplossing minder wenselijk maakt. De oplossing onder 2b is voor de Europese Commissie het meest aanvaardbaar, omdat bij deze oplossing de plaats van dienst geen andere wordt. Heffing in het land van verbruik en land van besteding is dan ook, zoals de Europese Commissie wenst, verzekerd bij diensten tussen belastingplichtigen.