Parketnummer: 22-001245-07.
HR, 16-12-2025, nr. 23/04424
ECLI:NL:HR:2025:1919
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-12-2025
- Zaaknummer
23/04424
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1919, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑12‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1237
ECLI:NL:PHR:2025:1237, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1919
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0409
Uitspraak 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) van 1997 tot en met 1999, art. 225.1 Sr. Verjaring, daad van vervolging (art. 70.1.3 Sr). Aan verdachte is tlgd. valsheid in geschrift gepleegd in periode van 4-4-1997 tot en met 1-12-1999, meermalen gepleegd. Hof heeft bij arrest van 16-11-2007 tlgd. bewezenverklaard en verdachte veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf. Dit feit is bij art. 225.1 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaren is gesteld. Aanzegging a.b.i. art. 435.1 Sv is op 20-7-2024 aan verdachte betekend. Uit stukken blijkt niet dat gedurende 12 jaren daaraan voorafgaand daad van vervolging is verricht. In art. 70.1.3 Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat recht tot strafvordering is vervallen. HR verklaart OM n-o in vervolging.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04424
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 november 2007, nummer 22-001245-07, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel voert aan dat het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
2.2
Aan de verdachte is tenlastegelegd, kort gezegd, valsheid in geschrift, gepleegd in de periode van 4 maart 1997 tot en met 1 december 1999, meermalen gepleegd. Het hof heeft bij arrest van 16 november 2007 het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf.
2.3
Het hiervoor genoemde feit is bij artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren is gesteld.
2.4
De aanzegging als bedoeld in artikel 435 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering is op 20 juli 2024 aan de verdachte betekend (uitgereikt). Uit de stukken blijkt niet dat gedurende twaalf jaren daaraan voorafgaand een daad van vervolging is verricht. De in artikel 70 lid 1, aanhef en onder 3º, Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat het recht tot strafvordering is vervallen.
2.5
De Hoge Raad zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.
3. Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2002;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.
Conclusie 18‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Vervolgingsverjaring. M1 klaagt terecht dat recht op vervolging door tijdsverloop sinds uitspraak van hof is vervallen. Overige middelen behoeven in verband daarmee geen bespreking. Conclusie strekt tot vernietiging van bestreden uitspraak en tot n-o verklaring van OM in de vervolging.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04424
Zitting 18 november 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 16 november 2007 door het gerechtshof te 's-Gravenhage1.wegens “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken.
1.2
Namens de verdachte heeft J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel klaagt dat het recht op strafvordering van de bewezenverklaarde feiten door tijdsverloop sinds de uitspraak van het hof is vervallen.
2.2
Ten laste van de verdachte is – kort gezegd – bewezenverklaard dat hij zich in de periode van 4 maart 1997 tot en met 1 december 1999 meermalen heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. De maximum gevangenisstraf waarmee ten tijde van deze feiten valsheid in geschrift in art. 225 Sr werd bedreigd, bedroeg zes jaren. Ingevolge art. 70 lid 1 aanhef en onder 3 Sr verjaren in dat geval de door de verdachte begane feiten na twaalf jaren. Hierbij dient te worden opgemerkt dat elke daad van vervolging ingevolge art. 72 Sr de verjaring stuit, waarna de verjaringstermijn opnieuw begint te lopen, zij het dat sinds 1 januari 2006 een absolute verjaringstermijn geldt die voor misdrijven twee maal de wettelijke verjaringstermijn betreft.
2.3
Het arrest van het hof dateert van 16 november 2007. Uit het dossier blijkt in de periode van twaalf jaren na het uitspreken van het arrest niet van enige daad van vervolging, zodat het recht tot strafvordering eind 2019 door verjaring is vervallen.
2.4
Het middel slaagt. Dit zal dienen te leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. Gelet daarop behoeven de overige middelen geen bespreking.
3. Slotsom
3.1
Het eerste middel slaagt. De overige middelen behoeven in verband daarmee geen bespreking.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑11‑2025