Einde inhoudsopgave
Invoeringswet Omgevingswet — Memorie van toelichting
Artikel 4.13 (ontheffing en vergunning)
Geldend
Geldend vanaf 29-06-2018
Eerste lid
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk verleende ontheffingen en vergunningen voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, behouden hun rechtsgeldigheid. De gekozen formulering van deze overgangsrechtelijke bepaling met een gelijkstelling van de ‘oude’ vergunningen aan de nieuwe omgevingsvergunning (‘gelden als’) is gebruikelijk in overgangsregelgeving en garandeert rechtszekerheid voor alle betrokkenen (vergunninghouder, bevoegd gezag, belanghebbenden). Daarbij is bewust gekozen voor een zo algemeen mogelijk luidende bepaling, zodat geen enkele bij of krachtens een van de met de stelselherziening in te trekken wetten (of gedeelten daarvan) verleende ontheffing of vergunning buiten de reikwijdte van deze bepaling valt. In onderstaande ‘wordt-was-tabel’ met toelichting wordt concreter aangegeven welke huidige ontheffing of (omgevings)vergunning na de stelselherziening door het leven gaat als welke omgevingsvergunning krachtens de Omgevingswet.
Voor nog niet onherroepelijk verleende omgevingsvergunningen wordt de totstandkomings- en rechtsbeschermingsprocedure afgerond onder het regime dat gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet (zie het algemene overgangsrecht voor lopende procedures in afdeling 4.1).
Tweede lid
Uit de overgangsrechtelijke bepaling van het eerste lid vloeit logischerwijze voort dat voorschriften die verbonden zijn aan zo'n ontheffing of vergunning na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als voorschriften verbonden aan een omgevingsvergunning. De Omgevingswet gebruikt alleen die ene term ‘voorschrift’. Omdat in wet- en regelgeving, ontheffingen en vergunningen soms andere bewoordingen worden gebruikt (‘beperkingen’, ‘verplichtingen’, ‘voorwaarden’) en aan zo'n ontheffing of vergunning ook andere inhoudelijke bepalingen (‘nadere eisen’, ‘exploitatieplan’) kunnen zijn verbonden, wordt volledigheidshalve in dit tweede lid bepaald dat ook al die inhoudelijke bepalingen van een ontheffing of vergunning na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als aan een omgevingsvergunning verbonden voorschrift. Een voorbeeld is de Waterwet, waarin gesproken wordt van aan een vergunning verbonden ‘voorschriften en beperkingen’ (zie de artikelen 6.20 en 6.22). Met deze overgangsrechtelijke bepaling wordt volledige rechtszekerheid geboden bij het gebruik van verschillende termen, wat ook voor de verbodsbepaling van artikel 5.5 van de Omgevingswet van belang is. Ten overvloede zij opgemerkt dat dit dus niet expliciet wordt geregeld voor aan een ontheffing of vergunning verbonden ‘voorschriften’, omdat dit voor zich spreekt. Uit deze bepaling kan dus geen à contrario-redenering worden ontleend voor het tegendeel.
Derde lid
Voor de vergunningvoorschriften die na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet op grond van het eerste of tweede lid blijven gelden als vergunningvoorschrift, bevat het derde lid als overgangsregeling dat deze van rechtswege (blijven) gelden, zij het als maatwerkvoorschriften (artikel 4.5 van de Omgevingswet). Op deze wijze wordt voorkomen dat deze voorschriften komen te vervallen bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Voor zover op de activiteit(en) waarvoor deze vergunningvoorschriften als maatwerkvoorschriften gaan gelden, het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, gelden de maatwerkvoorschriften als maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 4.5 in verbinding met artikel 4.3 van de Omgevingswet, ongeacht of die voorschriften qua inhoud volledig overeenkomen met of juist (sterk) afwijken van de algemene regels voor die activiteit(en) in het Besluit activiteiten leefomgeving. Als de van-rechtswege-geldende-maatwerkvoorschriften strenger zijn dan de algemene regels van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan de normadressaat van die regels aan het bevoegd gezag verzoeken die maatwerkvoorschriften in te trekken. Als de van-rechtswege-geldende-maatwerkvoorschriften identiek of soepeler zijn dan de algemene regels van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan het bevoegd gezag het initiatief nemen om die maatwerkvoorschriften in te trekken. Totdat een van de betrokkenen hierop met succes actie heeft ondernomen, blijven die van-rechtswege-geldende-maatwerkvoorschriften gelden met voorrang boven de algemene regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Hieraan wordt in het overgangsrecht geen termijn gebonden. Bedrijven of bevoegde instanties die met deze situatie worden geconfronteerd, hoeven dus niet onmiddellijk na inwerkingtreding van de Omgevingswet in actie te komen. In het kader van het reguliere toezicht op de naleving van de wet- en regelgeving kan te zijner tijd het intrekken van deze maatwerkvoorschriften-van-rechtswege aan de orde komen.
Voor zover op de activiteit(en) waarvoor deze vergunningvoorschriften als maatwerkvoorschriften gaan gelden, het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing is, gelden deze maatwerkvoorschriften van rechtswege als voorschriften krachtens het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening. Het bevoegde gezag hoeft op deze wijze niet onmiddellijk na inwerkingtreding van de Omgevingswet voor de niet langer op grond van rijksregels vergunningplichtige activiteiten na te gaan of er op grond van het omgevingsplan (of de waterschapsverordening of omgevingsverordening) maatwerkvoorschriften gesteld moeten gaan worden. Ook voor deze situatie geldt geen specifieke overgangstermijn, zodat het bevoegd gezag bij het vaststellen van het omgevingsplan (of de waterschapsverordening) de maatwerkvoorschriften-van-rechtswege kan heroverwegen en al dan niet (gewijzigd) continueren op grond van het omgevingsplan (of de waterschapsverordening). Het omgevingsplan en de waterschapsverordening bieden ook de mogelijkheid voor dergelijke activiteiten een omgevingsvergunningplicht in het leven te roepen.
Het voorgaande kan vooral aan de orde zijn bij de milieubelastende activiteiten, vanwege het loslaten in de stelselherziening van ‘inrichting’ als aanknopingspunt voor regulering en de overgang naar de ‘(milieubelastende) activiteit’. Dat heeft onder meer als consequentie dat een onder de Wabo en de Wm voor een inrichting verleende omgevingsvergunning voorschriften kan bevatten, die betrekking hebben op (deel)activiteiten die binnen die inrichting plaatsvinden, maar die onder de Omgevingswet niet langer vergunningplichtig zijn. De ‘inrichting’ waarvoor krachtens de Wabo een omgevingsvergunning geldt, kan immers na inwerkingtreding van het nieuwe stelsel ‘uiteenvallen’:
- 1°
in één (of meer) milieubelastende activiteit(en) (en andere activiteiten) waarvoor de vergunningvoorschriften blijven gelden krachtens het overgangsrecht in het eerste lid en waarvoor bovendien algemene regels gelden krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving, en
- 2°
in één (of meer) overige activiteit(en) die onder de Omgevingswet niet vergunningplichtig zijn en ook niet onder het Besluit activiteiten leefomgeving vallen.
Huidige situatie | Nieuwe situatie | |
|---|---|---|
vergunningplichtige inrichting | bedrijvigheid binnen een zekere begrenzing (artikel 1.1 Wm) tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen (artikel 1.2 Wm) | vergunningplichtige milieubelastende activiteit(en) |
vergunningplichtige andere activiteit(en) | ||
milieubelastende activiteiten met algemene regels (Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)) | ||
andere activiteiten met algemene regels (Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)) | ||
activiteiten die niet vergunningplichtig zijn en niet onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) vallen | ||
Artikelonderdeel Omgevingswet | Type activiteit | Artikelonderdeel Wabo of andere wetten | Type project of activiteit |
|---|---|---|---|
5.1, eerste lid, onder a, Omgevingswet | omgevingsplanactiviteit | 2.1, eerste lid, onder a, Wabo | bouwen bouwwerk |
2.1, eerste lid, onder b, Wabo | uitvoeren werk of werkzaamheid | ||
2.1, eerste lid, onder c, Wabo | strijdig gebruik van grond of bouwwerk | ||
2.1, eerste lid, onder g, Wabo | slopen bouwwerk | ||
2.1, eerste lid, onder h, Wabo | slopen bouwwerk in beschermd stads- of dorpsgezicht | ||
2.2, eerste lid, onder b, Wabo | slopen, verstoren, verplaatsen, wijzigen enz. van gemeentelijk of provinciaal monument | ||
2.2, eerste lid, onder c, Wabo | slopen bouwwerk in gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht | ||
2.2, eerste lid, onder d, Wabo | aanleg weg (gemeentelijke aanlegvergunning) | ||
2.2, eerste lid, onder e, Wabo | uitweg op gemeentelijke weg | ||
2.2, eerste lid, onder f, Wabo | alarminstallatie langs gemeentelijke weg | ||
2.2, eerste lid, onder g, Wabo | vellen houtopstand (gemeentelijke verordening) | ||
2.2, eerste lid, onder h, Wabo | handelsreclame langs gemeentelijke weg | ||
2.2, eerste lid, onder i, Wabo | gedogen handelsreclame langs gemeentelijke weg | ||
2.2, eerste lid, onder j, Wabo | opslaan roerende zaken langs gemeentelijke weg | ||
2.2, eerste lid, onder k, Wabo | gedogen opslag langs gemeentelijke weg | ||
2.2, tweede lid, Wabo | bij gemeentelijke verordening aangewezen activiteit | ||
2.12 Chw | projectuitvoeringsbesluit (afwijken bestemmingsplan of beheersverordening) | ||
5.1, eerste lid, aanhef en onder b, Omgevingswet | rijksmonumenten — activiteit | 2.1, eerste lid, onder f, Wabo | slopen, verstoren, verplaatsen, wijzigen (etc.) rijksmonument |
11, tweede lid Monumentenwet 1988 | verstoren archeologisch rijksmonument | ||
5.1, eerste lid, aanhef en onder c, Omgevingswet | ontgrondingsactiviteit | 3 Ontgrondingenwet | ontgrondingsvergunning |
5.1, eerste lid, aanhef en onder d, Omgevingswet | stortingsactiviteit op zee | 6.3 Waterwet | ontdoen van stoffen op zee |
5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Omgevingswet | bouwactiviteit | 2.1, eerste lid, onder a, Wabo | bouwen bouwwerk |
5.1, tweede lid, aanhef en onder b, Omgevingswet | milieubelastende activiteit | 2.1, eerste lid, onder e, Wabo | oprichten, veranderen of in werking hebben inrichting of mijnbouwwerk |
2.1, eerste lid, onder i, Wabo | ‘andere aangewezen activiteit’, te weten de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM-mer) | ||
40 Mijnbouwwet | mijnbouwmilieuvergunning | ||
5.1, tweede lid, aanhef en onder c, Omgevingswet | lozingsactiviteit op oppervlaktewaterlichaam of zuiveringstechnisch werk | 6.2 Waterwet | brengen van stoffen in een oppervlaktewater of een zuiveringtechnisch werk |
6.5, onder a, Waterwet | brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam | ||
5.1, tweede lid, aanhef en onder d, Omgevingswet | wateronttrekkingsactiviteit | 6.4 Waterwet | grondwater onttrekken of infiltreren van water |
6.5, onder a, Waterwet | onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam | ||
6.5, onder b, Waterwet | onttrekken van grondwater of infiltreren van water | ||
5.1, tweede lid, aanhef en onder e, Omgevingswet | mijnbouwlocatie-activiteit | overgangsrecht in Invoeringsbesluit Omgevingswet | |
5.1, tweede lid, aanhef en onder f, onder 1°, Omgevingswet | beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg | 2 Wet beheer rijkswaterstaatswerken | gebruik waterstaatswerk |
5.1, tweede lid, aanhef en onder f, onder 2°, Omgevingswet | beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk | 6.5, onder c, Waterwet | gebruik waterstaatswerk of beschermingszone |
5.1, tweede lid, aanhef en onder f, onder 3°, Omgevingswet | beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een luchthaven | 8.12, derde lid, 8.47, tweede lid, 8a.58, tweede lid, en 10.17, zesde lid, Wet luchtvaart | oprichten of plaatsen van object in strijd met maximale hoogte in luchthavenindelingsbesluit |
5.1, tweede lid, aanhef en onder f, onder 4°, Omgevingswet | beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg | 19 Spoorwegwet | gebruik hoofdspoorweg of daarnaast gelegen gronden |
beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg | 12 Wet lokaal spoor | in, boven, naast of onder lokale spoorweg uitvoeren of doen van werkzaamheden of het plaatsen van zaken | |
beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een bijzondere spoorweg | algemene maatregel van bestuur op grond van 94, eerste lid, onder g, Spoorwegwet | aanbrengen van werken (enz.) op, in, naast, boven of onder bijzondere spoorweg | |
5.1, tweede lid, aanhef en onder f, onder 5°, Omgevingswet | beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk | 43 Mijnbouwwet | zich bevinden of enig voorwerp hebben in veiligheidszone |
5.3 Omgevingswet | Vergunningplichtige activiteit op grond waterschapsverordening | 2.2, tweede lid, Wabo 6.2 Waterwet 6.13 Waterwet | bij waterschapsverordening aangewezen activiteit |
5.4 Omgevingswet | Vergunningplichtige activiteit op grond van omgevingsverordening | 2.2, eerste lid, onder b, Wabo | slopen, verstoren, verplaatsen, wijzigen enz. van provinciaal monument (alleen als bescherming niet mogelijk is via omgevingsplan) |
2.2, eerste lid, onder c, Wabo | slopen bouwwerk in provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht | ||
2.2, eerste lid, onder d, Wabo | aanleg weg (provinciale aanlegvergunning) | ||
2.2, eerste lid, onder e Wabo | uitweg op provinciale weg | ||
2.2, eerste lid, onder f, Wabo | alarminstallatie langs provinciale weg | ||
2.2, eerste lid, onder g, Wabo | vellen houtopstand (provinciale verordening) | ||
2.2, eerste lid, onder h, Wabo | handelsreclame langs provinciale weg | ||
2.2, eerste lid, onder i, Wabo | gedogen handelsreclame langs provinciale weg | ||
2.2, eerste lid, onder j, Wabo | opslaan roerende zaken langs provinciale weg | ||
2.2, eerste lid, onder k, Wabo | gedogen opslag langs provinciale weg | ||
2.2, tweede lid, Wabo | bij provinciale verordening aangewezen activiteit | ||
1.3 Wm | bij provinciale milieuverordening aangewezen categorie van gevallen | ||
Omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
Als omgevingsplanactiviteit gaan gelden alle Wabo-omgevingsvergunningen die in de systematiek van de Omgevingswet vallen onder de noemer van de ‘omgevingsplanactiviteit’ (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a). Dit betreft de omgevingsvergunningen ex artikel 2.1, eerste lid, onder b, c, g en h, en ex artikel 2.2, eerste lid, onder b en c, Wabo. De ‘omgevingsplanactiviteit’ is een vergunningplichtige activiteit die past binnen of in strijd is met in het omgevingsplan gestelde verboden of andere regels.1. Deze omgevingsvergunning omvat dus:
- a.
de aanlegvergunning, in de terminologie van de Wabo de ‘omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een project dat bestaat uit een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald’ (artikel 2.1, eerste lid, onder b).
- b.
de planologische afwijkingsbesluiten (binnen- en buitenplanse ontheffingen), in de terminologie van de Wabo de ‘omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een project dat bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ (of in strijd met andere in artikel 2.1, eerste lid, onder c, aangeduide of genoemde planologische besluiten of regels: een beheersverordening, een exploitatieplan of de voorbereidingsbescherming krachtens een voorbereidingsbesluit, een provinciale verordening of een algemene maatregel van bestuur).
- c.
de sloopvergunning, in de terminologie van de Wabo de ‘omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een project dat bestaat uit het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald’ (artikel 2.1, eerste lid, onder g).
- d.
de sloopvergunning voor door het Rijk (op basis van artikel 35 van de Monumentenwet 1988) aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten. De Monumentenwet 1988 is komen te vervallen bij inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016 (zie artikel 10.1, onder a, van de Erfgoedwet). Op grond van artikel 9.1 van de Erfgoedwet blijft evenwel tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking is getreden, onder meer hoofdstuk IV — waaronder artikel 35 valt — van de Monumentenwet 1988, zoals die luidde voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, van toepassing.
- e.
de onder artikel 2.2, eerste lid, genoemde (en als Wabo-omgevingsvergunning aangemerkte) in een gemeentelijke verordening opgenomen vergunningen of ontheffingen:
- 1°
de voormalige ‘sloopvergunning voor door de gemeente in het bestemmingsplan beschermd (op basis van de lokale erfgoedverordening aangewezen) stads- of dorpsgezicht’, in de terminologie van de Wabo een vergunning of ontheffing voor ‘het slopen van een bouwwerk in een aangewezen stadsofdorpsgezicht’.
- 2°
de vergunning om een gemeentelijk of provinciaal monument ‘te slopen, te verstoren, te verplaatsen, in enig opzicht te wijzigen, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijzewaarop het wordt ontsierd of in gevaar gebracht’.
- 3°
de vergunning voor de aanleg van een weg (een in- of uitrit die aansluit op de openbare weg; VNG-model APV231, artikel 2.11). Dit betreft een van de toestemmingsfiguren uit de APV, die destijdsin de Wabo-omgevingsvergunning zijn geïntegreerd. In de terminologie van de Wabo betreft het eenvergunning om ‘een weg aan te leggen of verandering aan te brengen in de wijze van aanleg van eenweg, voor zover daarvoor tevens een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b’. Metdie verwijzing wordt de aanlegvergunning bedoeld.
- 4°
de vergunning voor een uitweg (een in- of uitrit die aansluit op de openbare weg; VNG-model APV, voormalig artikel 2.1.5.3). Ook dit betreft een van de toestemmingsfiguren uit de APV, die destijds inde Wabo-omgevingsvergunning zijn geïntegreerd. In de terminologie van de Wabo gaat het om eenvergunning om ‘een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen’. De uitwegvergunning in de VNG-model-APV is in 2007 vervangen door eenmeldingenstelsel (artikel 2:12) en vervolgens is in 2014 toch weer een (eenvoudig) vergunningstelselopgenomen. De APV kan op dit punt dus van plaats tot plaats verschillen.
- 5°
de vergunning voor het hebben van een alarminstallatie aan een onroerende zaak (VNG-modelAPV, het inmiddels vervallen artikel 2:56, voorheen, genoemd in de bijlage van de memorie vantoelichting bij de Wabo: artikel 2.4.16), ook een van de toestemmingsfiguren uit de APV, die destijdsin de Wabo-omgevingsvergunning zijn geïntegreerd. De vergunning voor ‘het hebben van eenalarminstallatie aan een onroerende zaak’ maakt geen onderdeel meer uit van de model-APV.
In de terminologie van de Wabo betreft het een vergunning om ‘in, op of aan een onroerende zaak een alarminstallatie te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren’.
- 6°
de kapvergunning (VNG-model APV, artikel 4.11; voorheen genoemd in de bijlage van de memorie van toelichting bij de Wabo: artikel 4.3.2), ook een van de toestemmingsfiguren uit de APV, die destijds in de Wabo-omgevingsvergunning zijn geïntegreerd. In de terminologie van de Wabo betreft het een vergunning om ‘houtopstand te vellen of te doen vellen’.
- 7°
de reclamevergunning (VNG-model APV, voormalig artikel 4.4.2), ook een van de toestemmingsfiguren uit de APV, die destijds in de Wabo-omgevingsvergunning zijn geïntegreerd.
In de terminologie van de Wabo gaat het om twee typen vergunningen:
- —
om ‘op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats’.
- —
om ‘als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die onroerende zaak handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats’.
De reclamevergunning komt sinds de deregulering van de model-APV niet meer voor in de model-APV. In de model-APV is deze vergunningplicht inmiddels beperkt tot ‘lichtreclame’ (artikel 4:16), voorafgegaan door een verbod op ‘hinderlijke reclame’ (zonder de mogelijkheid van ontheffing- of vergunningverlening).
- 8°
de vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan (VNG-model APV, artikel 2:10), ook een van de toestemmingsfiguren uit de APV, die destijds in de Wabo-omgevingsvergunning zijn geïntegreerd. In de terminologie van de Wabo betreft het een vergunning om ‘in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente roerende zaken op te slaan’. Voor het tijdelijk plaatsen van roerende zaken op of aan de openbare weg (bijvoorbeeld bouwsteigers, een bouwkeet of een container voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing) wordt in sommige gemeenten geen omgevingsvergunning verleend, maar een (tijdelijke) objectvergunning. Daarnaast kan veelal op basis van de APV voor gebruik van de weg voor objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren, zoals bijvoorbeeld bloembakken, straatmeubilair, terrassen en dergelijke, een ontheffing worden verleend. Ook voorziet de APV veelal in de mogelijkheid om nadere regels te stellen en in een aantal vrijstellingen van het plaatsingsverbod. Deze nadere regels of ontheffingen vallen niet onder artikel 2.2 van de Wabo en dus ook niet onder deze overgangsrechtelijke bepaling.
- f.
alle onder artikel 2.2, tweede lid, in gemeentelijke verordeningen bij de Wabo-omgevingsvergunning ‘aangehaakte’ vergunningplichten.
Op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat het verboden is daarbij aangewezen andere activiteiten (dan die genoemd in artikel 2.2, eerste lid, Wabo) die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, te verrichten zonder omgevingsvergunning. In de memorie van toelichting bij het Wabo-wetsvoorstel is als voorbeeld genoemd dat gemeenten de splitsings- en onttrekkingsvergunning uit de Huisvestingswet laten aanhaken, aangezien die vergunning vrijwel altijd samen op loopt met de bouwvergunning.2. In de Ledenbrief van de VNG van 10 november 2009 over de aanpassing van VNG-modelverordeningen aan de Wabo wordt als voorbeeld genoemd om aan te haken de vergunning voor het hebben van een steiger of een bouwkeet op de openbare weg (VNG-model APV, artikel 2:10).
- g.
het als ‘afwijkomgevingsvergunning’ geldende projectuitvoeringsbesluit, bedoeld in artikel 2.12 van de Chw, waarbij met een goede ruimtelijke onderbouwing (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 3°) van een bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken.
Omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit
Als omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit geldt de — in de terminologie van de Wabo — ‘omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht’.3. Onder deze vergunningplicht voor een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld in de Omgevingswet valt ook de vergunningplicht voor het wijzigen van een archeologisch rijksmonument uit artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet 1988 is komen te vervallen bij inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016 (zie artikel 10.1, onder a, van de Erfgoedwet). Op grond van artikel 9.1 van de Erfgoedwet blijft evenwel tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking is getreden, onder meer hoofdstuk II, paragraaf 2 — waaronder artikel 11 valt — van de Monumentenwet 1988, zoals die luidde voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, van toepassing.
Omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit
Ook dit betreft één van de toestemmingsfiguren die onder de Wabo nog niet in de omgevingsvergunning zijn geïntegreerd: de ontgrondingsvergunning (artikel 3 van de Ontgrondingenwet). In de nieuwe terminologie van de Omgevingswet geldt deze vergunning als een ‘omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit’. De Ontgrondingenwet kent geen begripsbepaling voor de term ‘ontgronding’. De wetgever achtte destijds een definitie in de wet ‘niet nodig en zelfs niet wenselijk’. De Omgevingswet omschrijft in bijlage A deze activiteit als een ‘activiteit inhoudende het ontgronden’.4.
Omgevingsvergunning voor een stortingsactiviteit op zee
De omgevingsvergunning in de Omgevingswet integreert en harmoniseert ook de
vergunningverlening voor bestaande vergunningplichtige activiteiten uit de Waterwet. Dit onderdeel heeft betrekking op de vergunning ex artikel 6.3 van de Waterwet voor — wat in de terminologie van de Omgevingswet is genoemd — de ‘stortingsactiviteit op zee’. Deze activiteit valt in het kader van de Omgevingswet onder de bredere noemer ‘wateractiviteit’, maar wordt in het kader van de vergunningplicht afzonderlijk benoemd en gedefinieerd.5.
Omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit
Dit onderdeel heeft betrekking op de voormalige ‘bouwvergunning’, in de terminologie van de Wabo de ‘omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een project dat bestaat uit het bouwen van een bouwwerk’ en in de nieuwe terminologie van de Omgevingswet: de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. De betrokken activiteit betreft dus het ‘bouwen van een bouwwerk’, zoals dat ook is bedoeld in (artikel 1, eerste lid, van) de Woningwet en (artikel 1.1, eerste lid) Wabo. De bouwactiviteit omvat dus niet alleen het oprichten of plaatsen van een nieuw bouwwerk, maar ook het verbouwen of verplaatsen van een bestaand bouwwerk. De bouwactiviteit betreft verder niet alleen het te bouwen product (het bouwwerk), maar ook het feitelijke proces van totstandkoming van dat project (het bouwen).6. Zie voor de voorgestelde wijzigingen ten opzichte van de Staatsbladversie van de Omgevingswet de artikelsgewijze toelichting bij de wijziging van artikel 5.1.
Omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
In de nieuwe terminologie van de Omgevingswet valt onder de noemer ‘omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ de ‘milieuvergunning’, in de terminologie van de Wabo de ‘omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een project dat bestaat uit:
- 1°
het oprichten,
- 2°
het veranderen of veranderen van de werking of
- 3°
het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk’.
Als een omgevingsvergunning voor een ‘milieubelastende activiteit’ wordt in de Omgevingswet ook aangemerkt een deel van de huidige ‘omgevingsvergunning beperkte milieutoets’ (hierna: OBM). De OBM is een vergunning zonder voorschriften (artikel 5.13a Besluit omgevingsrecht): die voorschriften staan in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 2.2a Besluit omgevingsrecht (Bor) wijst de categorieën activiteiten aan die — in de woorden van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder i, Wabo — ‘van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving’. Voor de zogenaamde OBM-mer geldt dat deze OBM onder de Omgevingswet aangemerkt zal worden als ‘omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ met het daarbij behorende toetsingskader.7.
Als een omgevingsvergunning voor een ‘milieubelastende activiteit’ wordt verder ook aangemerkt de zogenaamde ‘mijnbouwmilieuvergunning’ voor het oprichten en in stand houden van een mijnbouwwerk op zee (buiten de 12-mijlszone) ex artikel 40 van de Mijnbouwwet. Door de wijziging in terminologie van ‘inrichting’ naar ‘activiteit’ is het niet meer nodig om afzonderlijk te spreken van mijnbouwwerken. Vanwege artikel 1.5 hoeft geen aparte vergunningplicht in het leven te worden geroepen voor een activiteit (i.c. een mijnbouwwerk) op zee. Kortheidshalve wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Omgevingswet.8. Voor een toelichting op de verschuiving van ‘inrichting’ naar ‘activiteit’, wordt verwezen naar het algemeen deel van deze memorie van toelichting en naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Omgevingswet.9.
Omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk
De omgevingsvergunning in de Omgevingswet integreert en harmoniseert ook de vergunningverlening voor bestaande vergunningplichtige activiteiten uit de Waterwet. Dit onderdeel heeft betrekking op de vergunning voor ‘het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam’ (artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet) en voor ‘het met behulp van een werk, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, brengen van water of stoffen op een zuiveringtechnisch werk’ (artikel 6.2, tweede lid, van de Waterwet). In de nieuwe terminologie van de Omgevingswet zijn deze vergunningplichtige activiteiten onder de noemer gebracht van: een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk.
Tot die vergunningplichtige lozingsactiviteit (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Omgevingswet) wordt ook gerekend de voormalige vergunning ex artikel 6.5, onder a, van de Waterwet voor wat betreft het ‘brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam’ (dus niet voor wat betreft het ‘onttrekken van water aan een waterlichaam’).
De afbakening in artikel 6.5, onder b, van de Waterwet ten opzichte van ‘in andere gevallen dan als bedoeld in artikel 6.4’ is in de Omgevingswet overgenomen: ‘de grondwateronttrekkingen ten behoeve van industriële toepassingen en ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening of een bodemenergiesysteem’ worden aangemerkt als ‘wateronttrekkingsactiviteit’ (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Omgevingswet). Tot die ‘wateronttrekkingsactiviteit’ behoort ook de in artikel 6.5, onder a, van de Waterwet genoemde activiteit van het ‘onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam’. Het onttrekken van (grond)water is als een aparte activiteit afgebakend. Beide begrippen vallen onder het overkoepelende begrip ‘wateractiviteit’.10.
De vergunningplichten ex artikel 6.5 Waterwet zijn dus in het nieuwe stelsel van artikel 5.1 Omgevingswet opnieuw en als volgt geordend:
6.5, a Waterwet | water te brengen in een oppervlaktewaterlichaam | lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk | 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Omgevingswet |
6.5, a Waterwet | water te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam | wateronttrekkingsactiviteit | 5.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Omgevingswet |
6.5, b Waterwet | grondwater te onttrekken in andere gevallen dan als bedoeld in artikel 6.4; | ||
6.5, b Waterwet | water te infiltreren in andere gevallen dan als bedoeld in artikel 6.4; | Nog niet in de Omgevingswet opgenomen bodemactiviteit | |
6.5, c Waterwet | gebruik te maken van een waterstaatswerk of een daartoe behorende beschermingszone anders dan in overeenstemming met de functie. | beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk | 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, onder 2°, van de Omgevingswet |
Omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit
Het onttrekken van (grond)water is binnen het stelsel van artikel 5.1 van de Omgevingswet als een aparte activiteit afgebakend en in een afzonderlijk onderdeel ondergebracht. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Omgevingswet bundelt onder die noemer ‘wateronttrekkingsactiviteit’:
- —
de onttrekking van grondwater, bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet,
- —
de onttrekking van water, bedoeld in artikel 6.5, onder a, van de Waterwet en
- —
de onttrekking van grondwater in andere gevallen dan bedoeld in artikel 6.4, en bedoeld in artikel 6.5, onder b, van de Waterwet.11.
Omgevingsvergunning voor een mijnbouwactiviteit
De omgevingsvergunning voor een mijnbouwactiviteit vervangt de vergunning ex artikel 49 van de Mijnbouwwet. De grondslag in artikel 49 Mijnbouwwet is enigszins onduidelijk, aangezien het begrip ‘mijnbouwinstallatie’ daarin helemaal niet wordt genoemd. De term ‘verkenningsonderzoek’ wel. Desondanks moeten onder die grondslag de volgende vier vergunningen, genoemd in de artikelen 18, 19, 44 en 45 van het Mijnbouwbesluit, worden begrepen.
Artikel 18 Mijnbouwbesluit |
Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, verkenningsonderzoek te verrichten in of boven de delen van de territoriale zee en het continentaal plat die worden gebruikt als ankergebieden nabij aanloophavens en bij ministeriële regeling zijn aangegeven. |
Artikel 19 Mijnbouwbesluit |
Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, verkenningsonderzoek te verrichten in of boven de delen van oppervlaktewater die worden gebruikt als oefen- en schietgebied en bij ministeriële regeling zijn aangegeven. |
Artikel 44 Mijnbouwbesluit |
Het is verboden een mijnbouwinstallatie, daaronder mede begrepen een veiligheidszone als bedoeld in artikel 43 van de wet, te plaatsen in gebieden die worden gebruikt als oefen- en schietgebied en bij ministeriële regeling zijn aangegeven. |
Artikel 45 Mijnbouwbesluit |
Het is verboden een mijnbouwinstallatie te plaatsen in gebieden die druk worden bevaren en bij ministeriële regeling zijn aangegeven. |
Omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg
In de Omgevingswet vervangt de omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg de vergunningplicht om gebruik te maken van een (droog) waterstaatswerk ‘door anders dan waartoe het is bestemd:
- a.
daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden, of
- b.
daarin, daaronder of daarop vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen’, aldus artikel 2, eerste lid, van de Wbr’.
In de terminologie van de Omgevingswet wordt onder ‘werk of object’ een weg verstaan. Dit begrip is ontleend aan de omschrijving van ‘waterstaatswerken’ in artikel 1 van de Wbr.12. De term ‘waterstaatswerk’ heeft in de Omgevingswet alleen betrekking op zogenaamde ‘natte waterstaatswerken’ (dat zijn de waterstaatswerken, bedoeld in de Waterwet). De Omgevingswet verstaat onder een ‘beperkingengebiedactiviteit’ een activiteit binnen een beperkingengebied.
Omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk
De omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk betreft de nog ontbrekende vergunningplicht, genoemd in artikel 6.5, onder c, van de Waterwet: om ‘gebruik te (mogen) maken van een (nat) waterstaatswerk of een daartoe behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten, werken te maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen’. Het begrip ‘waterstaatswerk’ is overgenomen uit de Waterwet en heeft dus alleen betrekking op zogenaamde ‘natte waterstaatswerken’, niet op de zogenaamde ‘droge waterstaatswerken’ (rijkswegen met toebehoren) waarop de Wbr tot inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing was.13. In de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt ‘waterstaatswerk’ omschreven als: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk. Voor de ‘droge waterstaatswerken’ geldt ook een vergunningplicht die in het stelsel van artikel 5.1 van de Omgevingswet is opgenomen in de omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg.
Omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een luchthaven
De omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een luchthaven vervangt de ontheffing ex artikel 8.12, derde lid, van de Wet luchtvaart voor het oprichten of plaatsen van een object ‘indien dit in strijd is met een regel in een luchthavenindelingsbesluit omtrent de maximale hoogte van objecten’. Voor een toelichting op deze ontheffingsfiguur wordt kortheidshalve verwezen naar de memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol.14.
Omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg
De vergunning ex artikel 19, eerste lid, van de Spoorwegwet wordt in de nieuwe terminologie van de Omgevingswet aangemerkt als: een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg. De Spoorwegwet riep deze vergunningplicht in het leven om een ‘directe fysieke bedreiging van de spoorwegen (hoofdspoorwegen) tegen te gaan en daarnaast een veilig spoorverkeer en een ongestoorde transfer van reizigers te waarborgen’. Voor een toelichting op de vergunningplicht ex artikel 19, eerste lid, van de Spoorwegwet wordt kortheidshalve verwezen naar de daarop betrekking hebbende Kamerstukken.15.
Omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg
De vergunning ex artikel 12, eerste lid, van de Wet lokaal spoor wordt in de nieuwe terminologie van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg. Die vergunningplicht ziet er op ‘om, op, in, boven, naast of onder de lokale spoorweg werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren of zaken te plaatsen’. Bevoegd gezag voor deze vergunning zijn gedeputeerde staten of het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000. Voor een toelichting op de vergunningplicht ex artikel 12, eerste lid, van de Wet lokaal spoor wordt verwezen naar de daarop betrekking hebbende Kamerstukken.16.
Omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een bijzondere spoorweg
De ontheffing ex artikel 11 van het Besluit bijzondere spoorwegen wordt in de nieuwe terminologie van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een bijzondere spoorweg. Deze ontheffingplicht ziet er op ‘binnen een bepaalde afstand van een bijzondere spoorweg op, in, naast, boven of onder de bijzondere spoorweg leidingen, werken, andere inrichtingen of beplantingen aan te brengen, te doen aanbrengen, of te hebben, te graven, bouwwerken op te richten, dan wel daarmee verband houdende werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren’. Deze ontheffingplicht wordt via hoofdstuk 1 van dit wetsvoorstel opgenomen in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, onder 4° (zie de toelichting bij hoofdstuk 1 van dit wetsvoorstel).
Omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk
De Minister van Economische Zaken en Klimaat verleent ontheffingen om binnen een veiligheidszone (van 500 meter) rondom een (offshore-) mijnbouwinstallatie ‘enig voorwerp te hebben of te doen hebben anders dan ten behoeve van het op grond van een vergunning opsporen of winnen van delfstoffen, aardwarmte of het opslaan van stoffen’ (artikel 43 Mijnbouwwet). Zo'n ontheffing valt in de nieuwe terminologie van de stelselherziening onder een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk.17.
In aanvulling hierop wordt opgemerkt dat in artikel 8 van de ‘Beleidsregels inzake toepassing Wet beheer rijkswaterstaatswerken op installaties in de exclusieve economische zone’18. is geregeld dat ook een veiligheidszone met toegangsverbod wordt ingesteld voor andere typen installaties op zee dan de in artikel 43 van de Mijnbouwwet bedoelde (offshore-) mijnbouwinstallaties. Deze beleidsregels verstaan onder een ‘installatie’ een ‘werk, niet zijnde een kabelleiding, buisleiding, schacht of dijk’. Daarbij kan dus bijvoorbeeld gedacht worden aan een windmolen of zendmast. Deze beleidsregels, gebaseerd op artikel 6.13 van het Waterbesluit, zijn ook van toepassing op de waterstaatswerken bedoeld in artikel 6.10 van de Waterwet. Op dit moment is voor dergelijke waterstaatswerken op zee geen vergunningenstelsel in het leven geroepen, zodat er ook geen bestaande vergunningen verleend zijn, waarvoor zou moeten worden voorzien in overgangsrecht. Een vergunning, waarmee toegang wordt verleend tot de veiligheidszone rondom zo'n (waterstaats)werk valt in de systematiek van de Omgevingswet onder een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk.
Omgevingsvergunningplicht in waterschapsverordening (artikel 5.3 Omgevingswet)
Onder artikel 5.3 van de Omgevingswet komen te vallen de in verordeningen van waterschappen bij de Wabo-omgevingsvergunning eventueel ‘aangehaakte’ vergunningplichten en de niet-‘aangehaakte’ vergunningplichten, die na de stelselherziening deel zullen gaan uitmaken van de waterschapsverordening krachtens artikel 2.7, eerste lid, van de Omgevingswet. Op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo kan bij waterschapsverordening worden bepaald dat het verboden is daarbij aangewezen activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, te verrichten zonder omgevingsvergunning. Van die mogelijkheid is door de waterschappen vermoedelijk weinig tot geen gebruik gemaakt. Volledigheidshalve wordt voor deze categorie toch voorzien in overgangsrecht.
Onder artikel 5.3 van de Omgevingswet komen verder te vallen de gedecentraliseerde watervergunningen voor lozing op regionale wateren ex artikel 6.2 van de Waterwet.
Vergunningen of ontheffingen krachtens de keur worden in de geldende waterschapskeuren aangemerkt als watervergunning als bedoeld in artikel 6.13 van de Waterwet, niet als omgevingsvergunning. Deze categorie kan ook betrekking hebben op een activiteit in een (beschermingszone van een) waterstaatswerk of weg en dus in de nieuwe terminologie een beperkingengebiedactiviteit bij waterstaatswerken of wegen in het beheer bij waterschappen.
Tenslotte kan in een wegenverordening van een waterschap een vergunningplicht zijn opgenomen voor — in de nieuwe terminologie — een beperkingengebiedactiviteit bij wegen in het beheer bij waterschappen. Ook een dergelijke vergunning wordt in de modelverordening niet aangemerkt als een omgevingsvergunning, maar wordt wel meegenomen in het overgangsrecht en dus bij aanvang van het nieuwe stelsel al aangemerkt als omgevingsvergunning.
Omgevingsvergunning in omgevingsverordening (artikel 5.4 Omgevingswet)
Alle vergunningen of ontheffingen die in bestaande provinciale verordeningen betrekking hebben op de fysieke leefomgeving vallen onder de nieuwe terminologie van de Omgevingswet in de omgevingsvergunning krachtens de (provinciale) omgevingsverordening (artikel 5.4). Op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo kan bij provinciale verordening worden bepaald dat het verboden is daarbij aangewezen activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, te verrichten zonder omgevingsvergunning. Van die mogelijkheid is door de provincies vermoedelijk weinig tot geen gebruik gemaakt.
Volledigheidshalve wordt voor deze categorie toch voorzien in overgangsrecht:
- 1°
Als dit naar het oordeel van de provincie niet via een instructie(regel) kan worden geregeld in het omgevingsplan: de vergunning voor door de provincies (Drenthe en Noord-Holland) in de provinciale monumentenverordening beschermde provinciale monumenten, in de terminologie van de Wabo ‘een omgevingsvergunning voor het slopen, verstoren, verplaatsen, in enig opzicht wijzigen van een provinciaal monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken daarvan op een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar gebracht’.
De provincies (Drenthe en Noord-Holland) kunnen de verordening voor behoud van provinciale monumenten opnemen in de omgevingsverordening19. als het naar hun oordeel niet efficiënt is om via een instructieregel (in de omgevingsverordening) of een instructiebesluit de betrokken gemeenten te verzoeken om de desbetreffende provinciale monumenten via het omgevingsplan te beschermen.
- 2°
Dit heeft ook betrekking op de vergunning voor door het provinciaal bestuur in de provinciale verordening beschermde provinciale stads- en dorpsgezichten.
- 3°
Ook in provinciale wegenverordeningen kan (vanuit het motief van veiligheid en doorstroming van het verkeer en om de bruikbaarheid van de wegen te beschermen) een toestemmingsfiguur zijn voorgeschreven om een weg te mogen aanleggen. In het kader van de stelselherziening wordt deze vergunning geïntegreerd in de omgevingsverordening.
- 4°
In die provinciale wegenverordeningen kan (vanuit het motief van veiligheid en doorstroming van het verkeer en om de bruikbaarheid van de wegen te beschermen) ook een toestemmingsfiguur zijn voorgeschreven om een in- of uitrit ofwel uitweg te mogen maken naar een (in dit geval: provinciale) weg. In het kader van de stelselherziening wordt ook deze vergunning geïntegreerd in de omgevingsverordening.
- 5°
In diezelfde provinciale wegenverordeningen kan (vanuit het motief van veiligheid en doorstroming van het verkeer en om de bruikbaarheid van de wegen te beschermen) ook een toestemmingsfiguur zijn opgenomen om op, onder, in of over een (provinciale) weg ‘licht- of geluidgevende voorzieningen op of aan een onroerende zaak, in welke vorm dan ook, aan te brengen, houden of wijzigen, indien en voor zover deze voor het publiek zichtbaar zijn vanaf de weg’. In het kader van de stelselherziening wordt ook deze vergunning geïntegreerd in de omgevingsverordening.
- 6°
In provinciale wegenverordeningen kan verder (vanuit het motief van veiligheid en doorstroming van het verkeer en om de bruikbaarheid van de wegen te beschermen) een toestemmingsfiguur zijn opgenomen om op, onder, in of over een (provinciale) weg een ‘houtopstand te beplanten, behouden of te verwijderen’. In het kader van de stelselherziening wordt deze vergunning geïntegreerd in de omgevingsverordening.
- 7°
In provinciale wegenverordeningen kan (vanuit het motief van veiligheid en doorstroming van het verkeer en om de bruikbaarheid van de wegen te beschermen) een toestemmingsfiguur zijn opgenomen om op, onder, in of over een (provinciale) weg ‘handelsreclame op of aan een onroerende zaak, in welke vorm dan ook, aan te brengen, houden of wijzigen, indien en voor zover deze voor het publiek zichtbaar zal zijn vanaf de weg’. In het kader van de stelselherziening wordt deze vergunning geïntegreerd in de omgevingsverordening.
- 8°
In provinciale wegenverordeningen kan (vanuit het motief van veiligheid en doorstroming van het verkeer en om de bruikbaarheid van de wegen te beschermen) een toestemmingsfiguur zijn opgenomen om op, onder, in of over een (provinciale) weg ‘handelsreclame op of aan een onroerende zaak, in welke vorm dan ook, te houden, indien en voor zover deze voor het publiek zichtbaar zal zijn vanaf de weg’. In het kader van de stelselherziening wordt deze vergunning geïntegreerd in de omgevingsverordening.
- 9°
In provinciale wegenverordeningen kan (vanuit het motief van veiligheid en doorstroming van het verkeer en om de bruikbaarheid van de wegen te beschermen) een toestemmingsfiguur zijn opgenomen om ‘zonder ontheffing boven, onder, aan, op, onder, langs, in of over een weg’ allerlei activiteiten te verrichten (en daardoor de provinciale weg anders te gebruiken dan in overeenstemming met de publieke functie daarvan). Deze (autonome) bepalingen worden weliswaar niet bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j, Wabo, maar worden in het kader van deze stelselherziening wel geïntegreerd in de omgevingsverordening als omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale weg.
- 10°
In provinciale wegenverordeningen kan (vanuit het motief van veiligheid en doorstroming van het verkeer en om de bruikbaarheid van de wegen te beschermen) een toestemmingsfiguur zijn opgenomen om ‘zonder ontheffing boven, onder, aan, op, onder, langs, in of over een weg’ allerlei activiteiten te verrichten (en daardoor de provinciale weg anders te gebruiken dan in overeenstemming met de publieke functie daarvan). Deze (autonome) bepalingen worden niet bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder k, Wabo en dus ook niet — althans in het kader van deze stelselherziening niet verplicht — geïntegreerd in de omgevingsverordening.
Artikel 5.4 van de Omgevingswet heeft tenslotte betrekking op in verordeningen van provincies bij de Wabo-omgevingsvergunning ‘aangehaakte’ vergunningplichten. Op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo kon bij provinciale, gemeentelijke of waterschapsverordening worden bepaald dat het verboden is daarbij aangewezen andere activiteiten (dan die genoemd in artikel 2.2, eerste lid, Wabo) die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, te verrichten zonder omgevingsvergunning.
Tenslotte valt onder deze categorie de ontheffing ex artikel 1.3 Wm, voor in de provinciale milieuverordening (artikel 1.2 Wm) aangewezen categorieën van gevallen.
Vierde lid
In paragraaf 5.2.6 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting zijn alle situaties in beeld gebracht die zich wat betreft de overgang van inrichtingen naar milieubelastende activiteiten in relatie tot de vergunningplicht kunnen voordoen. Eén daarvan betreft de situatie dat een inrichting onder het nieuwe stelsel in zijn geheel een milieubelastende activiteit zal zijn, maar slechts voor een gedeelte daarvan een vergunningplicht zal gelden en een voorschrift dat verbonden is aan de huidige vergunning voor die inrichting niet ‘deelbaar’ is. Met dit laatste wordt bedoeld dat het vergunningvoorschrift niet kan worden verbonden aan alleen het vergunningplichtige deel van de milieubelastende activiteit. Deze overgangsbepaling voorziet er in dat een niet deelbaar voorschrift dat voor de gehele inrichting geldt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet gaat gelden als maatwerkvoorschrift voor de gehele milieubelastende activiteit. Dus een dergelijk voorschrift ziet zowel op het vergunningplichtige deel als het niet-vergunningplichtige deel van de milieubelastende activiteit.
Voetnoten
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 158–160 en 612.
Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 152.
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 626.
Kamerstukken II 2013/14 33 962, nr. 3, blz. 624–625.
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 2, blz. 99.
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 615.
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 486.
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 312 en 485.
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 166–167.
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 2, blz. 97 en 99–100.
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 2, blz. 99–100.
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 309 en blz. 628.
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 309.
Kamerstukken II 2000/01, 27 603, nr. 3, blz. 12 en blz. 62.
Kamerstukken II 2000/01, 27 482, nr. 3, blz. 39.
Kamerstukken II 2011/12, 33 324, nr. 3, blz. 11 en blz. 34–35.
Zie over de reikwijdte van deze vergunningplicht: Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 486.
Stcrt. 2004, 205.
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 88.